<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0879</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T03:24:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0879</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/554</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0879">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0879</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:24:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0879 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 21-03-2001 / AWB 00/554</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0879:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0879:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/554						21 maart 2001</para>
      <para>	5135</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr ir. J.L. Mieras, werkzaam bij de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie te </para>
      <para>Goes, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 5 juli 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep </para>
      <para>wordt ingesteld tegen een op 30 mei 2000 verzonden besluit van verweerder van </para>
      <para>29 mei 2000.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de </para>
      <para>beslissing die verweerder op de aanvraag van appellant ingevolge de Regeling EG-</para>
      <para>steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) heeft genomen.</para>
      <para>Verweerder heeft op 22 augustus 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 21 februari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij </para>
      <para>monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellant heeft op 7 mei 1999 bij verweerders uitvoeringsdienst LASER een </para>
      <para>aanvraag oppervlakten 1999, vereenvoudigde regeling en voederareaal, ingediend. </para>
      <para>Hierbij heeft hij als bijdragecode voor de percelen met de volgnummers 1 en 5, met </para>
      <para>een oppervlakte van onderscheidenlijk 2.71 ha en 0.47 ha, 805 opgegeven, hetgeen </para>
      <para>staat voor voederareaal. Voor perceel 3 met een oppervlakte van 3.29 ha, heeft </para>
      <para>appellant als bijdragecode 810, hetgeen staat voor overige granen, opgegeven.</para>
      <para>- Bij besluit van 26 november 1999 is aan appellant bericht dat zijn aanvraag op grond </para>
      <para>van de Regeling is toegewezen tot een bedrag van fl. 2797,22. Uit de bijlage bij dit </para>
      <para>besluit blijkt dat deze subsidie betrekking heeft op de oppervlakte overige granen van </para>
      <para>perceel 3. Bij dit besluit is tevens aan appellant meegedeeld dat de voor hem </para>
      <para>definitief vastgestelde oppervlakte voederareaal ten behoeve van de Regeling </para>
      <para>dierlijke EG-premies 3.18 ha is.</para>
      <para>- Op 7 december 1999 heeft appellant tegen voormeld besluit bezwaar gemaakt. </para>
      <para>Hierbij heeft hij meegedeeld dat hij in zijn aanvraag voor de percelen 1 en 5 </para>
      <para>abusievelijk bijdragecode 805 heeft ingevuld en dat dit 815 moet zijn. Bij het </para>
      <para>bezwaarschrift heeft appellant een gecorrigeerd aanvraagformulier gevoegd.  </para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant kennelijk ongegrond </para>
      <para>verklaard. Daartoe heeft verweerder - zakelijk samengevat - het volgende aangevoerd. </para>
      <para>De mededeling dat ten name van appellant een voederareaal is geregistreerd is in beginsel </para>
      <para>slechts van belang bij het beoordelen van een aanvraag in het kader van de Regeling </para>
      <para>dierlijke EG-premies. Nu appellant echter stelt dat hij met zijn aanvraag in het kader van de </para>
      <para>onderhavige Regeling niet beoogd heeft voederareaal op te geven en dat het primaire </para>
      <para>besluit in zoverre moet worden aangemerkt als de afwijzing van akkerbouwsubsidie, is het </para>
      <para>bezwaar ontvankelijk.</para>
      <para>Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling kan een aanvraag in </para>
      <para>afwijking van het eerste lid van deze bepaling na 15 mei van het desbetreffende jaar nog </para>
      <para>worden gewijzigd, indien sprake is van een duidelijke fout. De Europese Commissie heeft </para>
      <para>in een werkdocument van 18 januari 1999 aangegeven dat onder meer sprake is van een </para>
      <para>duidelijke vergissing indien een tegenstrijdigheid in de aanvraag daarop wijst. De aanvraag </para>
      <para>van appellant behelst niet een dergelijke tegenstrijdigheid en vormde ook overigens voor </para>
      <para>verweerder geen reden te twijfelen aan hetgeen appellant met zijn aanvraag beoogde. </para>
      <para>In de aanvraag heeft appellant immers tevens de oppervlakte van de percelen 1 en 5 </para>
      <para>tezamen als totale oppervlakte voederareaal vermeld. Voorts heeft appellant bij alle </para>
      <para>percelen de productieregio vermeld, terwijl in de toelichting bij het aanvraagformulier is </para>
      <para>aangegeven dat deze kolom slechts moet worden ingevuld indien de producent het perceel </para>
      <para>opgeeft voor akkerbouwsubsidie. Nu appellant ook bij percelen, die reeds gelet op het soort </para>
      <para>gewas niet voor subsidie in aanmerking konden komen, de productieregio heeft opgegeven, </para>
      <para>vormde ook deze vermelding geen reden te twijfelen aan de bedoeling van appellant met </para>
      <para>betrekking tot de percelen 1 en 5.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Appellant is in zijn belangen geschaad nu hij naar aanleiding van zijn bezwaar niet is </para>
      <para>gehoord.</para>
      <para>Hij heeft wel degelijk een klaarblijkelijke fout gemaakt, nu appellant geen dierpremie heeft </para>
      <para>aangevraagd en dus ook geen voederareaal behoefde op te geven. Appellant wijst er in dit </para>
      <para>verband op dat met ingang van het jaar 2000 uitdrukkelijk in het aanvraagformulier wordt </para>
      <para>gevraagd of EG-dierpremie wordt aangevraagd. </para>
      <para>Naar zijn opvatting is bovendien op grond van de regelgeving niet vereist dat het moet </para>
      <para>gaan om een fout, die verweerder spontaan had moeten kunnen ontdekken. Op grond van </para>
      <para>het vorenstaande had verweerder, toen duidelijk werd dat appellant zich had vergist en nu </para>
      <para>geen sprake is van bedrog, appellant in de gelegenheid moeten stellen zijn aanvraag nog te </para>
      <para>wijzigen.</para>
      <para>Appellant loopt als gevolg van de handelwijze van verweerder een bedrag aan </para>
      <para>akkerbouwsubsidie mis van fl. 2703,70.</para>
      <para>Appellant verzoekt het College het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat hij </para>
      <para>alsnog voor de percelen 1 en 5 voor subsidie ingevolge de Regeling in aanmerking komt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het College stelt voorop dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat </para>
      <para>slechts aan het bezwaar van appellant tegemoet zou kunnen worden gekomen indien zou </para>
      <para>moeten worden geoordeeld dat door appellant bij zijn aanvraag oppervlakten een </para>
      <para>klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen in dat geval is het blijkens artikel 5bis van </para>
      <para>Verordening (EEG) nr. 3887/92 ook na afloop van de uiterste indieningsdatum van een </para>
      <para>aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen en zou het onrechtmatig zijn appellant aan zijn </para>
      <para>aanvankelijke opgave te houden.</para>
      <para>Zoals het College reeds eerder heeft overwogen, is slechts sprake van een klaarblijkelijke </para>
      <para>fout indien objectief vaststaat dat de aanvankelijke opgave kennelijk fout was. Dit is het </para>
      <para>geval wanneer uit de aanvraag oppervlakte zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan </para>
      <para>zijn.</para>
      <para>Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. De aanvraag is immers niet innerlijk </para>
      <para>tegenstrijdig en bevat ook anderszins geen ongerijmdheden.</para>
      <para>De omstandigheid dat appellant in 1999 geen aanvraag ingevolge de Regeling dierlijke </para>
      <para>EG-premies heeft ingediend doet hier niet aan af, nu dit immers uit de onderhavige </para>
      <para>aanvraag zelf niet kan worden afgeleid. </para>
      <para>Op grond van het vorenstaande was verweerder gehouden te beslissen, zoals hij bij het </para>
      <para>bestreden besluit heeft gedaan. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. M.A. van der Ham	w.g. F.W. du Marchie Sarvaas</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>