<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0877</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T11:43:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0877</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/481</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0877">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0877</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:24:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0877 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 21-03-2001 / AWB 00/481</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0877:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0877:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/481	21 maart 2001</para>
      <para>	5135</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr ir. J.L. Mieras, werkzaam bij de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie te </para>
      <para>Goes, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 8 juni 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een op 3 mei 2000 verzonden besluit van verweerder van </para>
      <para>2 mei 2000.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de </para>
      <para>beslissing die verweerder op de aanvraag van appellant ingevolge de Regeling EG-</para>
      <para>steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) heeft genomen.</para>
      <para>Verweerder heeft op 21 augustus 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 28 februari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen </para>
      <para>- appellant in persoon en bij monde van zijn gemachtigde en verweerder bij gemachtigde - </para>
      <para>hun standpunten nader hebben toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellant heeft op 21 april 1999 bij verweerders uitvoeringsdienst LASER een </para>
      <para>aanvraag oppervlakten 1999, vereenvoudigde regeling en voederareaal, ingediend. </para>
      <para>Hierbij heeft hij als bijdragecode voor de percelen met de volgnummers 2, 3, 4 en 9, </para>
      <para>met een gezamenlijke oppervlakte van 12.90 ha, 805 opgegeven, hetgeen staat voor </para>
      <para>voederareaal. In het aanvraagformulier heeft appellant als totale oppervlakte </para>
      <para>voederareaal 12.95 ha ingevuld. </para>
      <para>- Bij besluit van 15 november 1999 is aan appellant bericht dat zijn aanvraag is </para>
      <para>goedgekeurd en dat de voor hem definitief vastgestelde oppervlakte voederareaal ten </para>
      <para>behoeve van de Regeling dierlijke EG-premies 12.90 ha is.</para>
      <para>- Bij brief van 10 december 1999 heeft appellant tegen voormeld besluit bezwaar </para>
      <para>gemaakt. Hierbij heeft hij aangegeven dat hij in zijn aanvraag abusievelijk </para>
      <para>bijdragecode 805 heeft ingevuld en dat dit 815 moet zijn. Appellant stelt dat hij de </para>
      <para>subsidie hard nodig heeft en verzoekt de aanvraag opnieuw te beoordelen en in te </para>
      <para>willigen.</para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant kennelijk ongegrond </para>
      <para>verklaard. Daartoe heeft verweerder - zakelijk samengevat - het volgende aangevoerd.</para>
      <para>De mededeling dat ten name van appellant een voederareaal is geregistreerd is in beginsel </para>
      <para>slechts van belang bij het beoordelen van een aanvraag in het kader van de Regeling </para>
      <para>dierlijke EG-premies. Nu appellant echter stelt dat hij met zijn aanvraag in het kader van de </para>
      <para>onderhavige Regeling niet beoogd heeft voederareaal op te geven en dat het primaire </para>
      <para>besluit in zoverre moet worden aangemerkt als de afwijzing van akkerbouwsubsidie, is het </para>
      <para>bezwaar ontvankelijk.</para>
      <para>Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling kan een aanvraag in </para>
      <para>afwijking van het eerste lid van deze bepaling na 15 mei van het desbetreffende jaar nog </para>
      <para>worden gewijzigd, indien sprake is van een duidelijke fout. De Europese Commissie heeft </para>
      <para>in een werkdocument van 18 januari 1999 aangegeven dat onder meer sprake is van een </para>
      <para>duidelijke vergissing indien een tegenstrijdigheid in de aanvraag daarop wijst. De aanvraag </para>
      <para>van appellant behelst niet een dergelijke tegenstrijdigheid en vormde ook overigens voor </para>
      <para>verweerder geen reden te twijfelen aan hetgeen appellant met zijn aanvraag beoogde. </para>
      <para>In de aanvraag heeft appellant immers tevens de oppervlakte van de percelen 2, 3, 4 en 9 </para>
      <para>tezamen, zij het ten onrechte als 12.95 ha, als totale oppervlakte voederareaal vermeld. </para>
      <para>Voorts heeft appellant bij - vrijwel - alle percelen de productieregio vermeld, terwijl in de </para>
      <para>toelichting bij het aanvraagformulier is aangegeven dat deze kolom slechts moet worden </para>
      <para>ingevuld indien de producent het perceel opgeeft voor akkerbouwsubsidie. Nu appellant </para>
      <para>ook bij percelen, die niet voor subsidie in aanmerking komen, de productieregio heeft </para>
      <para>opgegeven, vormde ook deze vermelding geen reden te twijfelen aan de bedoeling van </para>
      <para>appellant met betrekking tot de percelen 2, 3, 4 en 9.</para>
      <para>In het verweerschrift heeft verweerder er op gewezen dat in de toelichting op het </para>
      <para>aanvraagformulier staat vermeld dat de productieregio alleen van toepassing is voor de </para>
      <para>gewaspercelen die voor een akkerbouwbijdrage worden opgegeven. Dit betekent iets </para>
      <para>anders dan dat de productieregio bij andere percelen niet mag worden ingevuld.</para>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Appellant is in zijn belangen geschaad nu hij naar aanleiding van zijn bezwaar niet is </para>
      <para>gehoord. Juist tijdens een hoorzitting kunnen misverstanden tijdig, voordat beroep moet </para>
      <para>worden ingesteld, uit de weg worden geruimd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft ook in de jaren 1996 tot en met 1998 subsidie op grond van de Regeling </para>
      <para>aangevraagd. Daarbij heeft hij steeds de productieregio ingevuld, zonder daarmee ooit </para>
      <para>problemen te hebben ondervonden. In de voorafgaande jaren heeft hij wel de juiste </para>
      <para>bijdragecode ingevuld. </para>
      <para>Juist nu appellant ook voor percelen, die hij niet voor subsidie in aanmerking wilde </para>
      <para>brengen - zoals blijkt uit de bijdragecode 999 - de productieregio invulde, behelsde de </para>
      <para>aanvraag wel degelijk een tegenstrijdigheid. Nu op het aanvraagformulier </para>
      <para>eigenaardigheden voorkomen, die nader bestudeerd hadden kunnen worden, is de stelling </para>
      <para>dat geen sprake is van een duidelijke vergissing onvoldoende onderbouwd. Daarbij komt </para>
      <para>dat de oppervlakte, die totaal als voederareaal is opgegeven, exact voldeed aan de </para>
      <para>maximale oppervlakte die in het kader van de vereenvoudigde regeling voor subsidie in </para>
      <para>aanmerking kan worden gebracht.</para>
      <para>Van de zijde van verweerder is onvoldoende informatie ingewonnen bij appellant en zijn </para>
      <para>de omstandigheden van het geval onvoldoende onderzocht.</para>
      <para>Ter zitting heeft appellant er nog op gewezen dat hij in 1999 en 2000 door LASER wel is </para>
      <para>geattendeerd op onjuiste kadastrale gegevens en oppervlaktematen in de desbetreffende </para>
      <para>aanvraagformulieren. Niet valt in te zien waarom dit niet eveneens is gebeurd met </para>
      <para>betrekking tot de bijdragecodes. </para>
      <para>Appellant verzoekt het College het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat hij </para>
      <para>alsnog voor subsidie ingevolge de Regeling in aanmerking komt. </para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het College stelt voorop dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat </para>
      <para>slechts aan het bezwaar van appellant tegemoet zou kunnen worden gekomen indien zou </para>
      <para>moeten worden geoordeeld dat door appellant bij zijn aanvraag oppervlakten een </para>
      <para>klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen in dat geval is het blijkens artikel 5bis van </para>
      <para>Verordening (EEG) nr. 3887/92 ook na afloop van de uiterste indieningsdatum van een </para>
      <para>aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen en zou het onrechtmatig zijn appellant aan zijn </para>
      <para>aanvankelijke opgave te houden.</para>
      <para>Zoals het College reeds eerder heeft overwogen, is slechts sprake van een klaarblijkelijke </para>
      <para>fout indien objectief vaststaat dat de aanvankelijke opgave kennelijk fout was. Dit is het </para>
      <para>geval wanneer uit de aanvraag oppervlakte zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan </para>
      <para>zijn.</para>
      <para>Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. De aanvraag bevat immers geen </para>
      <para>ongerijmdheden. Het feit dat appellant bij de in geschil zijnde percelen - onverplicht - de </para>
      <para>productieregio heeft ingevuld kan niet als zodanig worden aangemerkt, nu appellant die </para>
      <para>productieregio immers ook heeft vermeld bij percelen, waarvoor hij blijkens de </para>
      <para>bijdragecode 999 geen subsidie aanvroeg. Ook de totale oppervlakte, die als voederareaal </para>
      <para>is opgegeven, vormt op zichzelf geen aanwijzing dat appellant zich in zijn aanvraag </para>
      <para>kennelijk heeft vergist. Hierbij komt nog dat appellant in de optelling van de als </para>
      <para>voederareaal opgegeven percelen een vergissing heeft begaan.</para>
      <para>Tenslotte wijst het College er op dat de omstandigheid dat appellant door LASER wel is </para>
      <para>gewezen op andere, kennelijk in het oog lopende, onjuistheden in zijn aanvraag, aan het </para>
      <para>vorenstaande niet af kan doen.  </para>
      <para>Op grond van het vorenstaande was verweerder gehouden te beslissen, zoals hij bij het </para>
      <para>bestreden besluit heeft gedaan. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2001.</para>
      <para>w.g. M.A. van der Ham			w.g. F.W. du Marchie Sarvaas</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>