<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0870</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T11:03:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0870</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/369</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0870">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0870</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:24:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0870 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 21-03-2001 / AWB 00/369</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0870:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0870:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/369				21 maart 2001</para>
      <para>	5135</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Maatschap A, te B, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: G. Kemperman, werkzaam bij Accountantsbureau Flevoland te Zeewolde, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr I. Opsomer, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 4 mei 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een op 24 maart 2000 verzonden besluit van verweerder. </para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen </para>
      <para>een op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen </para>
      <para>(hierna: de Regeling) genomen besluit van verweerder.</para>
      <para>Bij brief van 11 augustus 2000 heeft appellante een aanvulling gegeven op het </para>
      <para>beroepschrift.</para>
      <para>Verweerder heeft op 24 augustus 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 21 februari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen, bij </para>
      <para>monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De toepasselijke regelgeving.</para>
      <para>Artikel 2 van Verordening ( EEG) nr 762/94 luidt:</para>
      <para>"	Onverminderd het bepaalde in artikel 7, lid 4, van Verordening (EEG) </para>
      <para>nr 1765/92 wordt onder "uit produktie nemen van de grond" verstaan, het aan </para>
      <para>de produktie onttrekken van een oppervlakte die het jaar voordien met het oog </para>
      <para>op het oogsten van een gewas bebouwd is geweest. </para>
      <para>Grond die in het kader van de Verordeningen (EEG) nr. 2328/91 en (EEG) </para>
      <para>nr. 1765/92 reeds eerder uit produktie is genomen, wordt echter, onverminderd </para>
      <para>het bepaalde in artikel 4, lid 1, van de onderhavige verordening met </para>
      <para>daadwerkelijk bebouwde grond gelijk gesteld."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Regeling moeten de percelen in het aan de </para>
      <para>braaklegging voorafgaande verkoopseizoen bebouwd zijn geweest met gewassen die met </para>
      <para>het oog op een oogst zijn geteeld of uit produktie zijn geweest overeenkomstig de </para>
      <para>Beschikking ter zake van het uit produktie nemen van bouwland, dan wel ingevolge de </para>
      <para>Regeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>-	Appellante heeft op 23 april 1999 een aanvraag oppervlakten 1999, algemene </para>
      <para>regeling en voederareaal  bij verweerder ingediend. Hierbij heeft zij het perceel met </para>
      <para>volgnummer 4 (1.76 ha) als braakperceel opgegeven.</para>
      <para>-	Bij een op 13 december 1999 verzonden besluit heeft verweerder de aanvraag </para>
      <para>afgewezen met als reden "niet toegestane voorvrucht braakperceel".</para>
      <para>-	Appellante heeft tegen voormeld besluit tijdig bezwaar gemaakt. Hierbij heeft zij </para>
      <para>aangevoerd dat het desbetreffende perceel in de aanvraag oppervlakten 1998 niet als </para>
      <para>braak is opgegeven, maar dat het in 1998 feitelijk wel "zwart" heeft gelegen. Zij heeft </para>
      <para>ter ondersteuning van deze stelling een verklaring van M.H. de Groot overgelegd.</para>
      <para>-	Bij brief van 11 augustus 2000 heeft appellante een copie van een door een </para>
      <para>controleur van Nak Agro Nederland BV gemaakte kavelschets overgelegd, waaruit </para>
      <para>eveneens zou blijken dat het bewuste perceel in 1998 feitelijk braak heeft gelegen.</para>
      <para>-	Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in.</para>
      <para>Het perceel met het volgnummer 4 voldoet niet aan de voorwaarden neergelegd in artikel </para>
      <para>19, lid 1, van de Regeling. Het was immers in 1998 niet beteeld met een gewas dat door de </para>
      <para>producent in het kader van de in artikel 24 van de Landbouwwet bedoelde landbouwtelling </para>
      <para>was ingedeeld in de categorie tuinbouw op de open grond of in de categorie akkerbouw. </para>
      <para>Evenmin was het in 1998 uit productie overeenkomstig de Beschikking ter zake van het uit </para>
      <para>productie nemen van bouwland dan wel ingevolge de Regeling.</para>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>In haar beroepschrift heeft appellante het volgende aangevoerd;</para>
      <para>"	De reden van de afwijzing, is gelegen in het feit dat cli‰nt volgens Laser, een </para>
      <para>niet toegestane voorvrucht zou hebben gehad. Voor dit perceel geldt het </para>
      <para>volgende: In 1998 was er bij de aanvraag 1998 opgegeven dat dit grasland zou </para>
      <para>zijn (perceel 7, bijdragecode 875 en gewascode 266). In werkelijkheid werd er </para>
      <para>op dit perceel geen gewas verbouwd. Dit blijkt ook uit een verklaring van de </para>
      <para>heer J. de Groot welke bij de bezwaarbrief bijgevoegd was. Laser heeft dit </para>
      <para>overgenomen. Echter op basis van het feit dat dit perceel niet als braak </para>
      <para>opgegeven is zou het niet voldoen aan de eisen. In 1998 werd er 12 ha ma‹s </para>
      <para>geteeld en zodoende was er geen reden om met de braakregeling mee te doen. </para>
      <para>Om bouwplantechnische reden, gepland was om 6 ha uien te telen, is dit </para>
      <para>perceel niet in gebruik genomen. Feitelijk heeft het perceel aan alle </para>
      <para>voorwaarden voldaan om in aanmerking te komen als een goedgekeurde </para>
      <para>voorvrucht voor een braakperceel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wij zijn van mening dat de feitelijke omstandigheden moeten tellen en niet de </para>
      <para>administratieve omstandigheden die Laser hanteert. Op deze wijze wordt cli‰nt </para>
      <para>om een administratieve reden onevenredig zwaar beboet."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>De vraag die partijen verdeeld houdt is of het door appellante in 1999 opgegeven </para>
      <para>braakperceel met volgnummer 4 door verweerder op goede gronden niet als zodanig is </para>
      <para>geaccepteerd.</para>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat het bewuste perceel in 1998 niet is bebouwd geweest </para>
      <para>met een gewas dat met het oog op een oogst is geteeld. Evenmin is er meningsverschil </para>
      <para>omtrent de vraag of het perceel in 1998 niet uit productie is geweest overeenkomstig de </para>
      <para>Beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland. Tenslotte zijn partijen het </para>
      <para>er ook over eens dat het perceel in 1998 niet als braakperceel ingevolge de Regeling is </para>
      <para>opgegeven. Daarmee staat vast dat het perceel niet voldoet aan de voorwaarden die artikel </para>
      <para>19, eerste lid, van de Regeling stelt aan een braakperceel.</para>
      <para>Nu het verweerder, gelet op de achterliggende communautaire regelgeving, niet vrij staat af </para>
      <para>te wijken van de voorwaarden neergelegd  in genoemd artikel 19 was verweerder gehouden </para>
      <para>het bewuste perceel niet als braakperceel te accepteren. Het feit dat appellante met </para>
      <para>getuigenverklaringen en langs andere weg meent te kunnen aantonen dat het bewuste </para>
      <para>perceel feitelijk braak heeft gelegen in 1998 kan haar daarom, tegen deze achtergrond, niet </para>
      <para>baten.</para>
      <para>Aangezien ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan </para>
      <para>moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dient het beroep </para>
      <para>ongegrond te worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. M.A. van der Ham	w.g. F.W. du Marchie Sarvaas</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>