<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0869</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T09:19:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0869</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/368</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0869">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0869</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:24:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0869 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 21-03-2001 / AWB 00/368</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0869:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0869:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/368						21 maart 2001</para>
      <para>	5135</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Maatschap A, te B, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr C.A. Jonkers, advocaat te Utrecht, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 4 mei 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een op 24 maart 2000 verzonden besluit van verweerder van </para>
      <para>23 maart 2000.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen </para>
      <para>de beslissing die verweerder op de aanvraag van appellante op grond van de Regeling EG-</para>
      <para>steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) heeft genomen.</para>
      <para>Verweerder heeft op 21 juli 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 21 februari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun </para>
      <para>standpunten bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Op 25 mei 1999 heeft verweerders uitvoeringsdienst LASER een aanvraag </para>
      <para>oppervlakten 1999, vereenvoudigde regeling en voederareaal, van appellante </para>
      <para>ontvangen. In het aanvraagformulier heeft appellante 15 percelen vermeld, waarvan </para>
      <para>14 met de bijdragecodes 800 onderscheidenlijk 805, hetgeen staat voor voederareaal. </para>
      <para>- Bij besluit van 14 december 1999, verzonden 23 december 1999, heeft verweerder </para>
      <para>aan appellante bericht dat haar aanvraag is goedgekeurd en dat de definitieve </para>
      <para>oppervlakte voederareaal ten behoeve van de Regeling dierlijke EG-premies voor </para>
      <para>appellante vastgesteld is op 57.69 ha.</para>
      <para>- Bij brief van 6 maart 2000 aan LASER is namens appellante melding gemaakt van </para>
      <para>een op diezelfde datum plaatsgevonden telefoongesprek, waarin door LASER is </para>
      <para>meegedeeld dat de reden waarom appellante ondanks de goedkeuring van haar </para>
      <para>aanvraag geen uitkering heeft ontvangen mogelijk is gelegen in een door haar </para>
      <para>ingediende aanvraag voor stierenpremie. Appellante stelt echter niet een dergelijke </para>
      <para>aanvraag te hebben ingediend. </para>
      <para>- Bij brief van 13 maart 2000 heeft verweerder de ontvangst van voormelde brief, die </para>
      <para>door verweerder wordt aangemerkt als bezwaarschrift, bevestigd. Hierbij heeft </para>
      <para>verweerder tevens aangegeven dat, nu het op 7 maart 2000 ingekomen bezwaar is </para>
      <para>gericht tegen een op 23 december 1999 verzonden besluit, de termijn van zes weken </para>
      <para>is overschreden, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard tenzij </para>
      <para>appellante aantoont dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.</para>
      <para>- Namens appellante is bij brief van 16 maart 2000 aan verweerder meegedeeld dat </para>
      <para>appellante uit de mededeling in het op 23 december 1999 verzonden besluit, </para>
      <para>inhoudend dat haar aanvraag was goedgekeurd, heeft geconcludeerd dat betaling van </para>
      <para>de aangevraagde subsidie zou plaatsvinden. Toen na de telefonisch ingewonnen </para>
      <para>informatie bleek dat betaling uitbleef heeft appellante direct bezwaar gemaakt.   </para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante kennelijk niet-</para>
      <para>ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft verweerder het volgende overwogen.</para>
      <para>Er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, nu bij het op </para>
      <para>23 december 1999 verzonden besluit slechts voederareaal voor het bedrijf van appellante is </para>
      <para>vastgesteld. Appellante had zich derhalve moeten realiseren dat zij niet voor subsidie </para>
      <para>ingevolge de Regeling in aanmerking kwam.</para>
      <para>Ten overvloede merkt verweerder op dat een tijdig ingediend bezwaarschrift op </para>
      <para>inhoudelijke gronden zou zijn afgewezen.</para>
      <para>In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder gewezen op artikel 6:11 van de </para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat dwingend voorschrijft dat niet-</para>
      <para>ontvankelijkverklaring slechts achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden </para>
      <para>geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Gelet op het vorenstaande kon </para>
      <para>verweerder dan ook geen andere beslissing nemen, dan bij het bestreden besluit is </para>
      <para>geschied.</para>
      <para>Voorts heeft verweerder gepersisteerd bij zijn standpunt dat een ontvankelijk </para>
      <para>bezwaarschrift appellante niet had kunnen baten, nu immers de door haar gestelde fout in </para>
      <para>haar aanvraag niet kan worden aangemerkt als een manifeste fout, die aanleiding had </para>
      <para>behoren te geven tot het bieden van de mogelijkheid de aanvraag na het verstrijken van de </para>
      <para>daarvoor geldende indieningstermijn te wijzigen. </para>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Sedert de inwerkingtreding van de Regeling vraagt appellante ieder jaar subsidie aan voor </para>
      <para>snijma‹s, welke aanvragen in het verleden steeds zijn goedgekeurd en gehonoreerd. Nu in </para>
      <para>het primaire besluit was vermeld dat de onderhavige aanvraag is goedgekeurd, was er voor </para>
      <para>appellante geen enkele aanleiding daartegen binnen de bezwaartermijn te ageren.</para>
      <para>Nadat betaling uitbleef heeft de accountant van appellante op 6 maart 2000 telefonisch </para>
      <para>contact gezocht met LASER. De accountant kreeg toen te horen dat uitbetaling niet had </para>
      <para>plaatsgevonden, omdat appellante geen aanvraag zou hebben ingediend voor snijma‹s, </para>
      <para>maar voor stierenpremie. </para>
      <para>Naar aanleiding van het verzoek van de zijde van verweerder inzake de gestelde </para>
      <para>termijnoverschrijding heeft appellante een en ander aan verweerder uitgelegd.</para>
      <para>Nu appellante onverwijld nadat haar duidelijk werd dat zij geen subsidie op grond van de </para>
      <para>Regeling zou ontvangen heeft gereageerd, is de opstelling van verweerder onredelijk en </para>
      <para>rigide.</para>
      <para>Met de opmerking in het bestreden besluit dat een tijdig ingediend bezwaar tot een </para>
      <para>inhoudelijke afwijzing zou hebben geleid, doelt verweerder waarschijnlijk op het feit dat </para>
      <para>appellante in haar aanvraag abusievelijk een onjuiste bijdragecode heeft vermeld. Ook dit </para>
      <para>standpunt van verweerder is naar de opvatting van appellante niet houdbaar.</para>
      <para>Appellante heeft bij haar - eerdere -  aanvragen op grond van de Regeling nooit </para>
      <para>voederareaal opgegeven, doch daarentegen wel jaarlijks subsidie voor snijma‹s </para>
      <para>aangevraagd. Voor opgave van voederareaal bestaat ook geen enkele aanleiding nu </para>
      <para>appellante geen voor subsidie ingevolge de Regeling dierlijke EG-premies in aanmerking </para>
      <para>komende dieren heeft. Ter zitting is namens appellante in dit verband nog naar voren </para>
      <para>gebracht dat zij in de begeleidende brief bij haar aanvraag uitdrukkelijk heeft vermeld dat </para>
      <para>zij de aanvraag laat heeft ingestuurd, omdat zij in verband met het natte weer niet wist of </para>
      <para>zij ma‹s kon zaaien. Ook hieruit had verweerder kunnen begrijpen dat het de bedoeling van </para>
      <para>appellante was met het oog op subsidie ingevolge de Regeling ma‹s te telen.</para>
      <para>Er is derhalve sprake van een klaarblijkelijke fout bij het invullen van de aanvraag, die </para>
      <para>gelet op het vorenstaande ook kennelijk zichtbaar is. Het had dan ook op de weg van </para>
      <para>LASER gelegen aan appellante te vragen of sprake was van een misverstand. Dit is niet </para>
      <para>gebeurd.</para>
      <para>Nu slechts sprake is van een kleine fout aan de zijde van appellante, acht zij de gevolgen </para>
      <para>die verweerder aan de onjuiste aanvraag verbindt onevenredig.</para>
      <para>Appellante verzoekt het College het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat aan </para>
      <para>haar alsnog subsidie voor de door haar geteelde snijma‹s moet worden toegekend.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder het bezwaarschrift van appellante </para>
      <para>terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het College beantwoordt die vraag bevestigend, </para>
      <para>waartoe het volgende wordt overwogen.</para>
      <para>Niet in geschil is dat het bezwaar van appellante is ingediend na het verstrijken van de </para>
      <para>termijn van zes weken, als bedoeld in artikel 6:7 Awb. Derhalve kan ingevolge artikel 6:11 </para>
      <para>van de Awb slechts sprake zijn van een ontvankelijk bezwaar, indien redelijkerwijs niet </para>
      <para>kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest.</para>
      <para>Nu in het primaire besluit weliswaar is meegedeeld dat de aanvraag van appellante is </para>
      <para>goedgekeurd, doch in dat besluit slechts melding wordt gemaakt van ten behoeve van </para>
      <para>appellante vastgesteld voederareaal, heeft appellante op grond van de inhoud van dit </para>
      <para>besluit niet mogen aannemen dat de door haar beoogde subsidie voor akkerbouwgewassen </para>
      <para>op grond van de Regeling was toegekend. </para>
      <para>De omstandigheid dat appellante in eerdere jaren wel in aanmerking is gekomen voor </para>
      <para>ma‹spremie maakt dit niet anders. Naar het oordeel van het College ligt het, juist nu </para>
      <para>appellante ervaring heeft met de toepassing van de Regeling, eerder in de rede dat het haar </para>
      <para>zou zijn opgevallen dat de primaire beschikking geen toekenning van akkerbouwsubsidie </para>
      <para>inhield. </para>
      <para>Nu van een verschoonbaar te laat indienen van het bezwaarschrift geen sprake is, was </para>
      <para>verweerder gehouden appellante niet-ontvankelijk te verklaren. </para>
      <para>Reeds om die reden is het beroep ongegrond.</para>
      <para>Geheel ten overvloede merkt het College nog op dat blijkens vaste jurisprudentie slechts </para>
      <para>sprake is van een klaarblijkelijke fout indien objectief vaststaat dat de aanvankelijke </para>
      <para>opgave kennelijk fout was. Nu uit de aanvraag oppervlakten 1999 zelf niet blijkt dat de </para>
      <para>gedane opgave niet juist kan zijn - het staat appellante immers vrij bij een dergelijke </para>
      <para>aanvraag geen subsidie op grond van de Regeling te vragen, doch met het oog op </para>
      <para>dierpremie slechts voederareaal op te geven - is daarvan geen sprake. De omstandigheid </para>
      <para>dat appellante in haar aanbiedingsbrief bij de aanvraag melding maakt van ma‹s maakt dit </para>
      <para>niet anders, nu ma‹s immers ook als voederareaal kan worden geteeld. </para>
      <para>Op grond van het vorenstaande was verweerder gehouden te beslissen, zoals hij bij het </para>
      <para>bestreden besluit heeft gedaan. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>w.g. M.A. van der Ham	w.g. F.W. du Marchie Sarvaas</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>