<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0862</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-03T13:32:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0862</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/465</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:84&amp;g=2001-03-13">Algemene wet bestuursrecht 4:84</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003356&amp;g=2001-03-13">Wet tarieven gezondheidszorg</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002753&amp;g=2001-03-13">Wet ziekenhuisvoorzieningen</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002460&amp;g=2001-03-13">Ziekenfondswet</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0008974&amp;g=2001-03-13">Wet op bijzondere medische verrichtingen</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2001/121 met annotatie van prof. dr. mr. B.M.J. van der Meulen</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0862">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0862</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:24:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0862 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 13-03-2001 / AWB 00/465</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0862:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0862:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/465						13 maart 2001</para>
      <para>	13710</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit, te Amsterdam, appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr M.R. Oranje, advocaat te Amsterdam, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>het College tarieven gezondheidszorg, voorheen het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg, te Utrecht, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr. G.R.J. de Groot, advocaat te 's- Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 5 juni 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit </para>
      <para>van verweerder van 1 mei 2000.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen de op </para>
      <para>31 mei 1999 verzonden tariefbeschikking met het nummer 020-1301-99-4.</para>
      <para>Bij brief van 7 november 2000 heeft appellant de gronden voor het beroep uiteengezet.</para>
      <para>Op 15 januari 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Bij brief van 18 januari 2001 heeft verweerder een drietal aanvullende producties bij het verweerschrift toegezonden.</para>
      <para>Bij brief van 19 januari 2001 heeft appellant een aanvullende productie toegezonden.</para>
      <para>Op 30 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaats gevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun </para>
      <para>standpunten nader hebben toegelicht. Namens appellant zijn voorts ter zitting verschenen professor dr. P.C. Huijgens en drs L. </para>
      <para>Overbeek.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De toepasselijke regels.</para>
      <para>Ingevolge artikel 8a van de Ziekenfondswet, zoals dat luidde tot 1 april 1996, diende een instelling die verstrekkingen verleent, </para>
      <para>als zodanig erkend te zijn. Ingevolge artikel 8d kon een erkenning onder beperkende voorwaarden worden verleend en konden </para>
      <para>aan een erkenning voorschriften worden verbonden. Artikel 8g bepaalde vervolgens dat handelen in strijd met die beperkingen </para>
      <para>of voorschriften kon leiden tot intrekking van de erkenning.</para>
      <para>Ingevolge artikel 18 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen (hierna: WZV), zoals dat gold per ultimo 1995 tot 14 november </para>
      <para>1997, kon: </para>
      <para>"	bij algemene maatregel van bestuur, indien gewichtige belangen daatoe aanleiding geven, worden bepaald dat het </para>
      <para>verboden is zonder vergunning van onze Minister verrichtingen van een bij de maatregel aangegeven aard uit te </para>
      <para>voeren of te doen uitvoeren in een ziekenhuisvoorziening."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de inwerkingtreding op 14 november 1997 van de Wet op bijzondere medische verrichtingen (hierna: WBMV) is artikel 2 </para>
      <para>van de WBMV in de plaats getreden van genoemd artikel 18 WZV.</para>
      <para>Artikel 2 van De WBMV luidt:</para>
      <para>"	1. Indien gewichtige belangen daartoe aanleiding geven, kan onze minister bij ministeri‰le regeling bepalen:</para>
      <para>a. dat het verboden is zonder zijn vergunning medische verrichtingen van een bij de regeling aangegeven aard uit te </para>
      <para>voeren.</para>
      <para>b. (...)</para>
      <para>2. (...)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor allogene beenmergtransplantaties gold ten tijde van belang geen verbod als bedoeld.</para>
      <para>Door verweerder is zijn - door de Minister van VWS goedgekeurde - beleidsregel functiegerichte budgettering academische </para>
      <para>ziekenhuizen 1999 toegepast. Deze bepaalde aangaande beenmergtransplantaties:</para>
      <para>"	Voor deze functies moet door de Minister van VWS expliciet vergunning zijn verleend aan het betreffende </para>
      <para>ziekenhuis in de erkenningsbeschikking ultimo 1995".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College </para>
      <para>komen vast te staan.</para>
      <para>-	In de appellant bij brief van 14 december 1993 door de staatssecretaris van WVC toegezonden gewijzigde </para>
      <para>erkenningsbeschikking ingevolge de (toenmalige tekst van de) Ziekenfondswet, is appellant als academisch ziekenhuis </para>
      <para>erkend. Deze erkenning geldt verder voor de capaciteit aan bedden, de afdeling haemodialyse, het beademingscentrum en </para>
      <para>de transplantaties van organen, zoals vermeld in de bijlage bij de beschikking. Met betrekking tot beenmergtranplantaties </para>
      <para>vermeldt deze bijlage voor het AZVU:</para>
      <para>"	transplantatie van organen beenmerg( uitsluitend autoloog voor volwassenen)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	bij brief van 31 maart 1999 heeft appellant, mede namens ZAO Zorgverzekeringen en ZN/KPZ- </para>
      <para>regiovertegenwoordiging, de definitieve productieafspraken 1999 voor het VU- ziekenhuis (hierna: AZVU) aan </para>
      <para>verweerder toegezonden. Met deze toezending werd een verzoek ingediend tot nadere goedkeuring respectievelijk </para>
      <para>vaststelling van de tarieven van het AZVU. Voor zo ver hier van belang waren in de productieafspraken in totaal 15 </para>
      <para>allogene beenmergtransplantaties </para>
      <para>(hierna: bmt's) opgenomen.</para>
      <para>-	Bij brief van 27 mei 1999 heeft verweerder aan appellant de geactualiseerde budgetoverzichten 1995 t/m 1999 en de </para>
      <para>tarief beschikking 020-1301-99-4 tot vaststelling van de verpleegtarieven per 1 juni 1999 toegezonden. Daarbij is </para>
      <para>omtrent de overeengekomen productieafspraken met betrekking tot allogene bmt's meegedeeld, dat deze niet zijn </para>
      <para>gehonoreerd, omdat appellant hiervoor geen vergunning heeft. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op zijn onder 2.1 </para>
      <para>genoemde beleidsregel functiegerichte budgettering academische ziekenhuizen 1999.</para>
      <para>-	Bij brief van 6 juli 1999 heeft appellant (onder meer) bezwaar gemaakt tegen de beslissing om de allogene bmt's niet te </para>
      <para>verwerken in het budget vanwege het ontbreken van een vergunning hiervoor.</para>
      <para>-	Nadat appellant tijdens een op 9 november 1999 gehouden hoorzitting zijn bezwaren had toegelicht, heeft appellant bij </para>
      <para>brief van 19 januari 2000 verweerder enige opmerkingen toegezonden omtrent de betekenis van de nadere detaillering </para>
      <para>van de erkenningsbeschikking. Mede naar aanleiding van deze brief heeft verweerder bij brief van 10 maart 2000 aan de </para>
      <para>Minister van VWS onder meer de volgende vraag voorgelegd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	(.)</para>
      <para>In de beleidsregel functiegerichte budgettering voor de academische ziekenhuizen wordt verwezen naar de laatste </para>
      <para>gedetailleerde erkenningsbeschikking per 31 december 1995. Hierin is een vergunning voor allogene </para>
      <para>beenmergtransplantaties niet opgenomen en daarom kan aanvaarding op grond van de beleidsregel FB 1999 niet </para>
      <para>plaatsvinden.Het ziekenhuis stelt dat allogene beenmergtransplantaties niet onder de WBMV vallen en dat dus een </para>
      <para>vergunning niet nodig is en dat lokale partijen daarom vrij zijn hierover afspraken te maken. Het CTG verzoekt U </para>
      <para>(.) mee te delen of u alsnog per ultimo 1995 vergunning verleent voor het uitvoeren van allogene </para>
      <para>beenmergtransplanties (.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>-	In reactie op deze brief heeft de Minister op 27 maart 2000 onder meer het volgende meegedeeld:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Op dit moment is er nog geen regeling op grond van de wet bijzondere medische verrichtingen tot stand gebracht, </para>
      <para>houdende een verbod op het verrichten van allogene beenmergtransplantaties tenzij daartoe vergunning is verleend. </para>
      <para>Een dergelijke regeling is op dit moment wel in voorbereiding genomen en zal naar verwachting in de loop van dit </para>
      <para>jaar van kracht worden. De (door de inspectie en de Gezondheidsraad) uitgebrachte adviezen, die voor mij mede de </para>
      <para>basis zullen vormen voor een planningsbesluit, geven vooralsnog geen reden om het VU-ziekenhuis in aanmerking </para>
      <para>te laten komen voor een vergunning voor allogene beenmergtransplantatie.</para>
      <para>Het is mij bekend dat het VU-ziekenhuis in 1999 met zorgverzekeraars beperkte afspraken heeft gemaakt </para>
      <para>betreffende het uitvoeren van deze functie. Op dit moment zijn zij daartoe in principe vrij, althans is hen dat niet </para>
      <para>verboden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U verzoekt mij aan u mee te delen of ik alsnog per ultimo 1995 vergunning zal verlenen aan het VU-ziekenhuis </para>
      <para>voor het uitvoeren van allogene beenmergtransplantaties.</para>
      <para>Vooropgesteld zij dat op dit ogenblik mij geen aanvrage bekend is van de kant van dit ziekenhuis gericht op het </para>
      <para>verkrijgen van enige vergunning of toelating voor de functie allogene beenmergtransplantatie.</para>
      <para>Besluitvorming over vergunningverlening voor beenmergtransplantatie vindt eerst plaats na de vaststelling van een </para>
      <para>regeling op grond van artikel 2 en 5 van de Wet op bijzondere medische verrichtingen voor de functie </para>
      <para>beenmerg/stamceltransplantatie. Die volgt naar verwachting in de loop van dit jaar. Aan een dergelijke vergunning </para>
      <para>wordt geen terugwerkende kracht verleend."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>-	Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.</para>
      <para>"	Ten aanzien van het gestelde met betrekking tot de allogene beenmergtransplantaties merkt het CTG het </para>
      <para>navolgende op. Zoals het AZVU correct stelt is ten aanzien van de allogene beenmergtransplantaties artikel 2 van </para>
      <para>de Wet op Bijzondere Medische Verrichtingen niet van toepassing. Een dergelijke regelgeving is blijkens de brief </para>
      <para>van VWS van 27 maart 2000 wel in voorbereiding en zal naar verwachting in de loop van dit jaar van kracht </para>
      <para>worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het AZVU stelt voorts, dat door het vervallen van de Nadere Detaillering van de Erkenningsbeschikking per 1 </para>
      <para>januari 1996 de uitoefening van allogene beenmergtransplantaties niet meer beperkt wordt door de Nadere </para>
      <para>Detaillering van de Erkenning. In de CTG-beleidsregel Functiegerichte budgettering academische ziekenhuizen is </para>
      <para>evenwel ten aanzien van beenmergtransplantaties bepaald dat voor deze functies door de Minister van VWS </para>
      <para>expliciet vergunning moet zijn verleend aan het betreffende ziekenhuis in de erkenningsbeschikking ultimo 1995. </para>
      <para>In de erkenningsbeschikking ingevolge de Ziekenfondswet/AWBZ van het AZVU is uitsluitend vergunning </para>
      <para>verleend voor autologe beenmergtransplantaties. Nu het AZVU geen toelating heeft voor allogene </para>
      <para>beenmergtransplantaties is het CTG van mening dat de overeengekomen productieafspraken met betrekking tot </para>
      <para>allogene beenmergtransplantaties, conform de beleidsregel Functiegerichte budgettering academische </para>
      <para>ziekenhuizen, niet gehonoreerd dienen te worden. De brief van VWS van 27 maart 2000 brengt in voorgaande </para>
      <para>zienswijze geen verandering. Bovendien wordt door de Minister van VWS nog aangegeven dat er vooralsnog geen </para>
      <para>reden is om het AZVU in aanmerking te laten komen voor een vergunning voor allogene beenmergtransplantaties </para>
      <para>(op basis van de in ontwikkeling zijnde regelgeving).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het bovenstaande is het CTG van mening dat het bezwaarschrift ten aanzien van de allogene </para>
      <para>beenmergtransplantaties dient te worden afgewezen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Ten onrechte meent verweerder dat het systeem van erkenningsbeschikkingen uitging van een algemeen verbod voor het, met </para>
      <para>via het CTG beschikbaar gesteld budget, uitoefenen van een functie, tenzij de functie in een erkenningsbeschikking was </para>
      <para>genoemd. Het is juist andersom: de bevoegdheid om aan een erkenning  beperkingen of voorschriften te verbinden impliceert </para>
      <para>dat uitoefening van de functie is toegestaan, tenzij er beperkingen zijn opgelegd.</para>
      <para>De erkenningsbeschikkingen waren er op gericht de capaciteit van de ziekenhuisvoorzieningen (met name het aantal bedden en </para>
      <para>specialisten) te beperken en dus niet het aantal functies.</para>
      <para>Het "bevriezen" van de situatie zoals neergelegd in de erkenningsbeschikking per ultimo 1995 impliceert dat de situatie waarbij </para>
      <para>aan allogene bmt's geen beperkingen waren opgelegd, is gehandhaafd. Bijgevolg moeten allogene bmt's geacht worden juist </para>
      <para>vergund te zijn.</para>
      <para>Uit de (onder de feiten vermelde) brief van de Minister van 27 maart 2000 blijkt dat- nu het per 1 januari 1983 ingevoerde </para>
      <para>systeem van de nadere erkenning per 1 april 1996 is ingetrokken - aan de erkenningsbeschikking per ultimo 1995 geen </para>
      <para>betekenis meer mag worden toegekend. Daarmee is niet verenigbaar dat verweerder in zijn beleidsregel toch naar deze </para>
      <para>erkenningsbeschikking verwijst.</para>
      <para>Appellant acht de beleidsregel bijgevolg in strijd met de wet en dus onverbindend en daarnaast wordt deze onjuist toegepast en </para>
      <para>ge‹nterpreteerd.</para>
      <para>Nu de erkenningsbeschikking per 1996 haar werking heeft verloren dient gekeken te worden naar de WBMV. Vast staat dat de </para>
      <para>minister geen planningsbesluit ex artikel 18 Wet ziekenhuisvoorzieningen (oud) heeft genomen  en er is geen verbod op het </para>
      <para>verrichten van allogene bmt's als bedoeld in artikel 2 van de WBMV. Daarom staat het partijen (appellant en de </para>
      <para>ziektekostenverzekeraars) vrij om in het lokaal overleg afspraken te maken betreffende bmt's. Deze afspraken dienen </para>
      <para>vervolgens in het budget te worden verwerkt. Appellant meent dat hij niet het slachtoffer mag worden van het uitblijven van </para>
      <para>een planningsbesluit en/of het uitblijven van een eventuele regeling op grond van het bepaalde in artikel 2 WBMV. Het kan </para>
      <para>niet zo zijn dat verzoeken om functiewijziging ten opzichte van de situatie per ultimo 1995 zinloos zijn, zo lang de minister </para>
      <para>nalaat aangekondigde regelgeving ook werkelijk te realiseren.</para>
      <para>Appellant acht het, met verwijzing naar artikel 4:84 Awb, duidelijk dat er alle reden is voor verweerder om, onder de inmiddels </para>
      <para>ontstane omstandigheden, af te wijken van de door hem gehanteerde beleidsregel.</para>
      <para>In de eerder genoemde brief van de minister van 27 maart 2000 wordt vermeld dat op dit ogenblik niet duidelijk is of appellant </para>
      <para>voor een vergunning met betrekking tot allogene bmt's in aanmerking komt, als een besluit ex artikel 2 WBMV zal zijn </para>
      <para>genomen. Er van uit gaande dat verweerder dit aspect heeft meegewogen in de besluitvorming, rijst de vraag of verweerder het </para>
      <para>standpunt van appellant wel zou hebben gehonoreerd, als er zijdens de Minister positiever informatie was verstrekt. In ieder </para>
      <para>geval gaat het hier om oneigenlijke en niet op de wet gebaseerde argumenten. Hetzelfde geldt voor verweerders argument dat </para>
      <para>het hier om een zeer kostbare functie gaat, waaraan bovendien ethische en morele consequenties zijn verbonden.</para>
      <para>Tenslotte wijst appellant er op nadrukkelijk in aanmerking te willen komen voor de positie van vijfde </para>
      <para>stamceltransplantatiecentrum in Nederland. De vier klassieke centra ondersteunen dit standpunt en ook de Stichting Hemato-</para>
      <para>Oncologie voor Volwassenen Nederland (HOVON), waarin de medische beroepsgroep die in Nederland stamceltransplantaties </para>
      <para>uitvoert is georganiseerd, ondersteunt deze visie. Ter zitting is verklaard dat de HOVON op korte termijn in deze zin zal </para>
      <para>reageren op de concept-regeling haemopoetische stamceltransplantatie van de Minister van VWS (een op grond van de </para>
      <para>artikelen 2 en 5 van de WBMV te treffen regeling), die door verweerder is overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	Het nader standpunt van verweerder</para>
      <para>Verweerder heeft, samengevat, in het verweerschrift en ter zitting het navolgende naar voren gebracht.</para>
      <para>Verweerder signaleert, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, dat uitgangspunt bij de totstandkoming van de </para>
      <para>Wet tarieven gezondheidszorg (hierna: Wtg) is geweest dat beslissingen over bouw, capaciteit en functies van een instelling </para>
      <para>voor gezondheidszorg op grond van andere wettelijke regelingen worden genomen en niet op grond van de Wtg.</para>
      <para>Dit uitgangspunt is ook van toepassing op beslissingen over de erkenning van instellingen ingevolge de ziekenfondswet en </para>
      <para>beslissingen ingevolge de wet ziekenhuisvoorzieningen en de WBMV. De parlementaire geschiedenis leert dat de overheid de </para>
      <para>bevoegdheid had ook functies aan regulering te onderwerpen.</para>
      <para>De beleidsregel functiegerichte budgettering academische ziekenhuizen 1999 verwijst dus naar besluiten tot het nemen </para>
      <para>waarvan de minister bevoegd was. Van strijd met het uitgangspunt dat verweerder niet dient te beslissen omtrent de erkenning </para>
      <para>van functies in ziekenhuizen is geen sprake.</para>
      <para>Reeds vanaf 1990 had de overheid de intentie de functie beenmergtransplantatie te onderwerpen aan een planningsregeling. </para>
      <para>Toen deze er eind 1995, in verband met een zorgvuldige voorbereiding, nog niet was is - in verband met de te verwachten </para>
      <para>planningsregeling-bewust voor "bevriezing" gekozen. Indien daartoe niet was overgegaan zou verweerder in strijd met het </para>
      <para>genoemde uitgangspunt hebben moeten handelen bij verzoeken om opname van allogene bmt's in het tarief.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte meent verweerder dat er geen sprake is van een bijzondere situatie en/of bijzondere omstandigheden, die bij de </para>
      <para>totstandkoming van de beleidsregel niet onderkend zijn. Daarom bestaat er geen aanleiding om van de beleidsregel af te </para>
      <para>wijken. Het gegeven dat het allerminst zeker is dat het AZVU op grond van de WBMV gerechtigd zal worden om </para>
      <para>beenmergtransplantaties uit te voeren geeft daartoe al helemaal geen aanleiding,</para>
      <para>6.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Allereerst rijst de vraag of verweerder op goede gronden het uitgangspunt hanteert dat beslissingen over de bouw, capaciteit en </para>
      <para>functies van een instelling voor gezondheidszorg op grond van andere wetgeving worden genomen en niet op grond van de </para>
      <para>Wet tarieven gezondheidszorg. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.</para>
      <para>Voor wat betreft beslissingen omtrent planning en bouw is dit uitgangspunt terug te vinden in de totstandskomingsgeschiedenis </para>
      <para>van de Wtg. In dit verband kan onder meer verwezen worden naar de MvA, kamerstukken II 1978-1979, 14 182, nr. 6 pag. 32 </para>
      <para>en 34, waarin het volgende is vermeld:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>De relatie met de Wet  voorzieningen gezondheidszorg zien de ondergetekenden aldus, dat beslissingen ten aanzien </para>
      <para>van de planning en de bouw in het kader van genoemde wet een gegeven vormen voor de richtlijnen in het kader </para>
      <para>van de onderhavige wettelijke regeling. De richtlijnen beperken zich tot de wijze waarop de financi‰le gevolgen </para>
      <para>van bedoelde beslissingen in de tarieven moeten worden opgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>En (...)</para>
      <para>Voor wat de extensivering van de capaciteit betreft wordt het beleid bepaald in het kader van de Wet </para>
      <para>ziekenhuisvoorzieningen en te zijner tijd de Wet voorzieningen gezondheidszorg. De in dat kader tot stand </para>
      <para>gekomen besluiten vormen een gegeven voor het COTG.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetzelfde uitgangspunt is van toepassing op de erkenningen ingevolge de ziekenfondswet, zoals blijkt uit, onder </para>
      <para>meer, MvT, Kamerstukken II 1980-1981, 16 817, nr. 3 , p. 5. Met betrekking tot het nieuwe artikel 8a van de </para>
      <para>Ziekenfondswet wordt aldaar opgemerkt:</para>
      <para>Aan de erkenningsnormen wordt een formele basis gegeven; de materi‰le inhoud daarvan sluit aan bij de reeds </para>
      <para>vastgestelde normen. (.)</para>
      <para>- In het vierde lid onder b worden ge‹ntroduceerd &amp;lt;&amp;lt; de spreiding van en behoefte aan de door de instellingen te </para>
      <para>verlenen verstrekkingen&amp;gt;&amp;gt; waarmede wordt beoogd het volume van de instellingen te beheersen. De omschrijving </para>
      <para>biedt tevens een formele basis voor de beheersing van de functies welke binnen de instellingen worden </para>
      <para>uitgeoefend. Hierbij is aansluiting gezocht bij de gevestigde praktijk krachtens het Verstrekkingenbesluit </para>
      <para>ziekenfondsverzekering."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omtrent de bevoegdheid van de overheid om ook functies aan regulering te onderwerpen wordt in dezelfde kamerstukken </para>
      <para>onder de NvW ( nr. 8, p. 9) nog het volgende opgemerkt:</para>
      <para>"	Zoals reeds in de memorie van toelichting op het onderhavige wetsontwerp is opgemerkt biedt het nieuwe artikel </para>
      <para>8a (.) de mogelijkheid tot beheersing van het volume van de instellingen en van de functies welke daarin worden </para>
      <para>uitgeoefend. Door toepassing van het tiende lid inzake het stellen van beperkingen en voorschriften bij de </para>
      <para>erkenning kunnen die elementen ook voor elke afzonderlijke instelling worden vastgelegd; zo kan bijvoorbeeld de </para>
      <para>erkenning  worden verleend onder de beperking dat de instelling alleen de in de erkenningsbeschikking genoemde </para>
      <para>functies zal uitoefenen en dat binnen elke functie niet meer dan een aangegeven aantal personen werkzaam zal zijn </para>
      <para>. Aldus wordt  naast het kwalitatieve ook het kwantitatieve aspect van het erkenningenstelsel in de wet tot </para>
      <para>uitdrukking gebracht."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De stelling van appellant dat het systeem van erkenningsbeschikkingen uitging van het beginsel dat  uitoefening van iedere </para>
      <para>functie - te financieren uit door het CTG vastgesteld budget - toegestaan was, tenzij de functie in de erkenningsbeschikking </para>
      <para>beperkt was, miskent het eerder genoemde uitgangspunt. Daarenboven zou de kwantitatieve sturing die - zoals uit de </para>
      <para>parlementaire geschiedenis blijkt- mede beoogd werd met het erkenningssysteem daarmee de facto voor een belangrijk deel </para>
      <para>onmogelijk worden. Het noemen van een functie in de bijlage bij een erkenningsbeschikking kan - anders dan appellant meent </para>
      <para>- slechts inhouden dat die functie is toegestaan en iedere niet genoemde functie van gezondheidszorg dus niet. Het College stelt </para>
      <para>overigens vast dat onder het regiem van de WBMV geldt, dat, zolang er geen nadere regelgeving is betreffende allogene bmt's, </para>
      <para>niet geldt dat deze functie niet mag worden uitgeoefend. Daaruit kan echter geenszins worden afgeleid dat verweerder dus </para>
      <para>gehouden zou zijn de kosten van allogene bmt's in het budget van de instelling te verwerken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens ligt de vraag voor of verweerder in de beleidsregel redelijkerwijs kon over gaan tot de handhaving van de bij </para>
      <para>eerdere beleidsregels vastgestelde bevriezing vanaf 1996 van de situatie ten aanzien van bmt's, zoals die vast lag in de </para>
      <para>erkenningsbeschikking per ultimo 1995. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.</para>
      <para>Door verweerder is niet weersproken gesteld dat de minister reeds vanaf 1990 de intentie had de functie </para>
      <para>beenmergtransplantatie aan het vergunningsvereiste van artikel 18 Wet ziekenhuisvoorzieningen te onderwerpen en daarvoor </para>
      <para>een planningsregeling, onder meer inhoudende dat voor deze functie slechts een beperkt aantal vergunningen zou worden </para>
      <para>afgegeven, vast te stellen. Verweerder verwijst hiervoor naar de beleidsnotitie topklinische zorg in de jaren 1991-1994. </para>
      <para>(kamerstukken II 1990-1991, 21 944, nr. 1, p. 7), alwaar de minister van VWS aankondigt dat onder meer de functie </para>
      <para>beenmergtransplantatie tijdelijk onder artikel 18 van de Wet ziekenhuis voorzieningen zal worden gebracht. Doordat vele </para>
      <para>instanties bij het besluitvormingsproces zijn betrokken was deze planningsregeling eind 1995 nog niet vastgesteld, terwijl per 1 </para>
      <para>april 1996 wel het erkenningensysteem uit de Ziekenfondswet kwam te vervallen. Sinds eind 1997 is het wachten overigens op </para>
      <para>een op grond van artikel 2 van de WBMV vast te stellen regeling.</para>
      <para>Het College ziet geen plaats voor het oordeel dat verweerder, toen het erkenningsysteem ingevolge de Ziekenfondswet kwam </para>
      <para>te vervallen, niet in redelijkheid tot vastelling met betrekking tot bmt's van een beleidsregel is kunnen overgaan waarin de </para>
      <para>financi‰le consequenties voor de zorginstellingen van het beleid van de minister werden vastgesteld in die zin dat het deel van </para>
      <para>het budget dat aan (voorheen in de erkenningsbeschikkingen neergelegde) capaciteiten en functies was gebonden vooralsnog </para>
      <para>werd gefixeerd op het niveau van ultimo 1995 in afwachting van een aangepaste systematiek.</para>
      <para>Verweerder kon op deze wijze bereiken dat hij - overeenkomstig de bevoegdheidsverdeling die in het wettelijk systeem is </para>
      <para>neergelegd - buiten beslissingen over de bouw, capaciteit en functies van een instelling voor gezondheidszorg blijft. Door uit te </para>
      <para>gaan van het beleidsuitgangspunt van die organen dat een wijziging in de toedeling van capaciteit vanaf 1995 niet is </para>
      <para>toegestaan, tenzij daarvoor een wettelijke voorziening is geschapen, laat hij dit aldus geheel bij de daarvoor verantwoordelijke </para>
      <para>organen. Het alternatief zou zijn dat verweerder - om buiten het hiervoor bedoelde terrein, dat niet tot zijn bevoegdheid </para>
      <para>behoort, te blijven - zonder meer met financiering via budgetten/verpleegtarieven zou moeten instemmen. Dat wil zeggen ook </para>
      <para>wanneer daardoor de introductie van - uit een oogpunt van beheersing van de kostenontwikkeling van de gezondheidszorg </para>
      <para>ongewenste - uitbreidingen en veranderingen, welke in een later stadium zouden blijken te moeten worden teruggedraaid, </para>
      <para>vergemakkelijkt zou worden. Daar staat tegenover dat een dergelijke bevriezing naar haar aard slechts een tijdelijk karakter kan </para>
      <para>hebben, namelijk om een probleem dat kan ontstaan door de overgang van de ene wettelijke regulering naar de andere, op een </para>
      <para>redelijke en voor de betrokken partijen aanvaardbare wijze te ondervangen. Bij de vaststelling van de beleidsregel moet </para>
      <para>verweerder zich dan ook ervan vergewissen dat voor het betrokken terrein het uitgangspunt van beperking van functies nog </para>
      <para>steeds geldt en zo ja, wat het stadium is, waarin zich de vaststelling van nieuwe  regelgeving op grond van de WBMV bevindt. </para>
      <para>Niet is gesteld of gebleken dat daaraan in dit geval niet is voldaan.</para>
      <para>Tenslotte rijst de vraag of er in dit geval sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat onverkorte toepassing van de </para>
      <para>beleidsregel gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verband me de door de beleidsregels te dienen doelen.</para>
      <para>Het College stelt voorop dat het ongewenst is indien langdurige besluitvormingsprocessen rond het tot stand brengen van </para>
      <para>regelgeving er toe leiden dat appellant jarenlang in onzekerheid blijft omtrent de toekomst van de functie allogene </para>
      <para>beenmergtransplantaties in zijn ziekenhuis. </para>
      <para>Weliswaar berust de besluitvorming omtrent nieuwe regelgeving op grond van de WBMV niet bij verweerder, maar het </para>
      <para>uitblijven daarvan dient door verweerder wel in aanmerking te worden genomen bij de weging van de betrokken belangen.</para>
      <para>Het College merkt daaromtrent op dat naarmate de omzetting van beleidsuitgangspunten in regelgeving op grond van de </para>
      <para>WBMV langer duurt onverkorte handhaving van verweerders beleidsregel omtrent allogene beenmergtransplantaties in rechte </para>
      <para>op meer bezwaren kan stuiten. </para>
      <para>Immers, handhaving van de beleidsregel veronderstelt dat genoemde beleidsuitgangs-punten nog steeds bestaan en ook dat het </para>
      <para>onwenselijk is dat deze doorkruist worden door het scheppen van voldongen feiten. Dit terwijl er - zolang er geen regelgeving </para>
      <para>op grond van de WBMV is - geen verbod bestaat voor allogene beenmergtransplantaties.</para>
      <para>Tegen deze achtergrond acht het College het noodzakelijk dat het voldoende duidelijk is dat het gezag, dat voor de WBMV-</para>
      <para>regulering bevoegd is, ten tijde van het bestreden besluit nog steeds geen wijziging voor de onderhavige functie ten opzichte </para>
      <para>van de situatie per ultimo 1995 wenst. Alleen dan kan worden geoordeeld dat verweerder blijft binnen de grenzen van zijn </para>
      <para>bevoegdheden door te weigeren de door appellant beoogde functieuitbreiding als kosten te aanvaarden die in het tarief mogen </para>
      <para>worden verwerkt.</para>
      <para>Het uitblijven van een wettelijke regeling - hoe zeer het ook om een materie gaat die verre van eenvoudig lijkt - gedurende een </para>
      <para>reeks van jaren vormt op zich een indicatie dat aan de hiervoor bedoelde duidelijkheid kan worden getwijfeld. Verweerder </para>
      <para>heeft zich daarom op goede gronden bij brief van 10 maart 2000 tot de minister van VWS gewend om hierover opheldering te </para>
      <para>verkrijgen.</para>
      <para>Voor het oordeel dat verweerder op basis van het door de Minister gegeven antwoord op deze brief ten onrechte gemeend heeft </para>
      <para>dat meerbedoelde duidelijkheid, op dat moment althans, aanwezig was, ziet het College geen plaats.</para>
      <para>Het College is ook overigens van oordeel dat niet met vrucht kan worden gesteld dat verweerder, rekening houdend met de </para>
      <para>omstandigheden van dit geval en na afweging van de wederzijdse belangen, niet in redelijkheid kon besluiten ten tijde van het </para>
      <para>bestreden besluit hier de beleidsregel onverkort toe te passen. Daarbij heeft het College met name de volgende omstandigheden </para>
      <para>in aanmerking genomen:</para>
      <para>-	Genoemd worden, in dit verband de brief van de Minister van VWS van 27 maart 2000, het advies omtrent allogene </para>
      <para>bmt's van de Gezondheidsraad uit 1994, het rapport van de inspectie voor de gezondheidszorg "Stamceltransplantaties bij </para>
      <para>kinderen en volwassenen" uit 1999. </para>
      <para>-	Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, dat dateert van 1 mei 2000 kan het, naar appellant ter </para>
      <para>zitting heeft verklaard, binnenkort te verwachten positieve advies van de HOVON om allogene bmt's ook in het AZVU te </para>
      <para>laten plaatsvinden geen rol spelen.</para>
      <para>-	Daarnaast heeft appellant ter zitting verklaard in 1998 geen aanvraagformulier voor allogene bmt's te hebben ingediend. </para>
      <para>Verweerder werd derhalve in 1999 voor de eerste keer geconfronteerd met een verzoek om allogene bmt's in het budget </para>
      <para>van appellant op te nemen.</para>
      <para>-	Ook heeft appellant meegedeeld dat het aantal allogene bmt's in de afgelopen jaren niet is toegenomen en dat er geen </para>
      <para>wachtlijsten hiervoor zijn.</para>
      <para>-	Verder heeft appellant ter zitting verklaard dat allogene bmt's zeer intensieve zorg en nazorg vergen en dat het om een </para>
      <para>uiterst kostbare behandeling gaat. </para>
      <para>-	Vervolgens lijkt de inmiddels verschenen concept-regeling ex artikel 2, onder a en artikel 5 van de WBMV er op te </para>
      <para>wijzen dat het besluitvormingsproces in de eindfase begint te geraken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College volgt appellant niet in zijn stelling dat verweerder in zijn besluitvorming niet had mogen meewegen dat het hier </para>
      <para>om een zeer kostbare zorgfunctie gaat. Bij de afweging die verweerder heeft gemaakt omtrent de vraag of afwijking van de </para>
      <para>beleidsregel noodzakelijk is, is het zelfs voor de hand liggend dat ook hieraan is gedacht. Hetzelfde geldt voor rapporten en </para>
      <para>adviezen, op grond waarvan het ten tijde van het bestreden besluit bepaald niet zeker was, dat het uiteindelijk resultaat van het </para>
      <para>besluitvormingsproces - dat in handen ligt van de Minister van VWS - zou zijn dat de functie allogene beenmerg-transplantatie </para>
      <para>in de nabije toekomst in het AZVU zou worden toegestaan.</para>
      <para>Tenslotte heeft appellant aangevoerd  dat verweerder in zijn besluitvorming zou hebben meegewogen dat aan allogene </para>
      <para>beenmergtransplantaties ethische en morele consequenties zouden zijn verbonden. Verweerder heeft dit ontkend en het College </para>
      <para>heeft hiervoor geen aanknopingspunten in het dossier gevonden. Aan deze grief gaat het College daarom verder voorbij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien niet is gebleken dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr C.M. Wolters en mr F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van S.F.E. </para>
      <para>Raeven, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>13 maart 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen	w.g. S.F.E. Raeven</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>