<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0860</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T15:15:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0860</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/509</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003356&amp;g=2001-03-13">Wet tarieven gezondheidszorg</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0860">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0860</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:24:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0860 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 13-03-2001 / AWB 99/509</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0860:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0860:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/509							13 maart 2001</para>
      <para>	13700</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Stichting Hulpverlening Zwangerschapsonderbreking Noord Holland (Stizo) en</para>
      <para>de Stichting Bloemenhove kliniek, beide gevestigd te Heemstede, appellanten,</para>
      <para>gemachtigde: mr drs R.M. Hermans, advocaat te 's-Gravenhage, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>het College Tarieven Gezondheidszorg, voorheen het Centraal Orgaan Tarieven </para>
      <para>Gezondheidszorg, te Utrecht, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr M.B. de Witte-van den Haak, advocaat te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 7 juni 1999 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 april 1999. Op </para>
      <para>30 augustus 1999 hebben appellanten de gronden van het beroep ingediend.</para>
      <para>Bij besluit van 28 april 1999 heeft verweerder, ter uitvoering van de uitspraken van het </para>
      <para>College van 19 januari 1999, no. 94/1650/074/090, 96/0778/074/089 en 97/220, opnieuw </para>
      <para>beslist op het bezwaar dat appellanten hebben gemaakt tegen verweerders tariefbesluiten </para>
      <para>d.d. 17 maart 1992 (kenmerken 370/1200/92/1 en 370/1201/92/1), 15 januari 1993 </para>
      <para>(kenmerk 370/1200/1201/93/1), 11 mei 1994 (kenmerken 370-1200/94/1 en </para>
      <para>370/1201/94/1) en 23 juli 1996 (kenmerken 370-1200-96-2 en 370-1201-96-2).</para>
      <para>In dat besluit zijn de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard.</para>
      <para>Op 3 november 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. </para>
      <para>Op 23 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij appellanten en </para>
      <para>verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben doen </para>
      <para>toelichten. Voor appellanten is tevens verschenen A, directeur van appellanten. Voor </para>
      <para>verweerder is tevens verschenen B, werkzaam bij verweerder.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>-	Bij tariefbeschikkingen van 17 maart 1992, met kenmerken 370/1200/92/1 en </para>
      <para>370/1201/92/1 en 15 januari 1993, met kenmerk 370/1200/1201/93/1, heeft </para>
      <para>verweerder de tarieven voor niet AWBZ-gerechtigde pati‰nten vastgesteld voor de </para>
      <para>jaren 1992 en 1993. </para>
      <para>Bij tariefbeschikkingen van 11 mei 1994, met kenmerken 370/1200/94/1 en </para>
      <para>370/1201/94/1, heeft verweerder de tarieven voor niet AWBZ-gerechtigde pati‰nten </para>
      <para>vastgesteld voor het jaar 1994. </para>
      <para>Naar aanleiding van de door appellanten ingediende begrotingen voor de jaren 1995 </para>
      <para>en 1996 en de exploitaties over de periode 1985-1994 heeft verweerder bij </para>
      <para>tariefbeschikkingen van 23 juli 1996, met kenmerken 370/1200/96/2 en </para>
      <para>370/1201/96/2, heeft verweerder de tarieven voor niet AWBZ-gerechtigde pati‰nten, </para>
      <para>met ingang van 1 augustus 1996 vastgesteld.</para>
      <para>-	Op 16 februari 1995 heeft omtrent de in aanmerking te nemen kosten overleg </para>
      <para>plaatsgevonden tussen appellanten en verweerder. </para>
      <para>Naar aanleiding van het overleg heeft verweerder bij brief van 27 februari 1995 </para>
      <para>appellanten, voor zover hier van belang, als volgt bericht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	1. De jaren 1985 tot en met 1994 zullen door het COTG worden afgerekend op </para>
      <para>basis van de integrale, werkelijke exploitatiekosten zoals die blijken uit de </para>
      <para>jaarrekeningen van de Stichtingen Stizo, Bloemenhovekliniek en Huisvesting </para>
      <para>Mezo.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ontbrekende jaarrekeningen van de Stichting Huisvesting Mezo over de </para>
      <para>jaren 1985-1994 en de toekomstige jaarrekeningen van die stichting zullen door </para>
      <para>u worden verstrekt. Voor de huisvestings- en rentekosten wordt verwezen naar </para>
      <para>punt 3.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	2. De klinieken zullen binnen drie   vier weken onderbouwde voorstellen doen </para>
      <para>aan het COTG met betrekking tot een tarief voor een overnachting en een </para>
      <para>toeslag voor een behandeling met prostaglandine. Deze voorstellen zullen - na </para>
      <para>een positieve beslissing hierover van het COTG - voor de toekomst voor </para>
      <para>Stizo/Bloemenhoeve gaan gelden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij eerdergenoemde uitspraken van 19 januari 1999, tussen partijen, heeft het College </para>
      <para>de besluiten van verweerder van 2 maart 1994, 22 juli 1996 en 18 december 1996, </para>
      <para>strekkende tot ongegrondverklaring van de bezwaren van appellanten tegen de </para>
      <para>tariefbesluiten vernietigd en verweerder onder meer opgedragen een nieuwe beslissing </para>
      <para>op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in genoemde uitspraken is </para>
      <para>overwogen. </para>
      <para>-	Voor de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende feiten en omstandigheden  </para>
      <para>verwijst het College naar zijn vorengenoemde uitspraken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In deze uitspraken is onder meer door het College overwogen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Het College deelt verweerders zienswijze niet en oordeelt dat de argumenten </para>
      <para>van appellanten betrekking hebben op de toepassing van de richtlijnen door </para>
      <para>verweerder. De stelling van appellanten dat hij in hun geval niet onverkort aan </para>
      <para>de richtlijnen had mogen vasthouden, heeft hij daarbij, geplaatst tegen de </para>
      <para>achtergrond van al hetgeen appellanten gemotiveerd hebben aangedragen ter </para>
      <para>ondersteuning van hun opvatting dat hun positie een bijzondere is, onvoldoende </para>
      <para>gemotiveerd weersproken. Het enkele weerwoord dat appellanten door hun </para>
      <para>wijze van werken de - kostenverhogende - vraag van hun specifieke doelgroep </para>
      <para>naar hun eigen aanbod genereren en versterken, volstaat daartoe niet, nu naar </para>
      <para>het oordeel van het College op basis van de thans vaststaande feiten voldoende </para>
      <para>overtuigend  door appellanten naar voren is gebracht dat de afwijkende positie </para>
      <para>van met name Stichting Bloemenhove voortvloeit uit een historisch gegroeide </para>
      <para>situatie, versterkt door een doorverwijzingspraktijk van de overige instellingen, </para>
      <para>waaraan zij zich niet zomaar kan onttrekken. Het bestreden besluit berust </para>
      <para>derhalve in zoverre niet op een deugdelijke motivering."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief van 12 maart 1999 aan appellanten, heeft de accountant van appellanten </para>
      <para>uiteengezet welke kosten in de jaren 1985 tot en met 1994 zijn betaald via </para>
      <para>onttrekkingen aan de aanwezige fondsen. Het betrof daarbij kosten vermeld als </para>
      <para>afboekingen vorderingen, afvloeiing personeel, alsmede de kosten van Forman </para>
      <para>Grayling (public relations advies, 1993 en 1994), Mons (projectmanagement), </para>
      <para>diversen, Delphi (onderzoek), Greep (advies strategie), Sern‚ &amp; Oliemans </para>
      <para>(ontwikkelen leergang) en FMD (1994).</para>
      <para>-	Verweerder heeft appellanten op hun bezwaren gehoord op 25 maart 1999.</para>
      <para>-		Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in.</para>
      <para>Verweerder heeft in het verleden erkend dat appellanten in zeker opzicht een aparte positie </para>
      <para>innemen ten opzichte van de andere abortusklinieken. Dit is in het beleid tot uiting gekomen </para>
      <para>door ten aanzien van de bijzondere verrichtingen door appellanten, de kosten van </para>
      <para>overnachtingen (bij late tweedetrimesterbehandelingen), alsmede de kosten verbonden aan </para>
      <para>het toedienen van medicamenten, buiten de beleidsregels om te aanvaarden. In materieel </para>
      <para>opzicht zijn op deze wijze alle kosten die betrekking hebben op de bijzondere behandelingen </para>
      <para>die bij appellanten plaatsvinden en waarin appellanten zich van andere abortusklinieken </para>
      <para>onderscheiden, door verweerder aanvaard. </para>
      <para>Ten aanzien van de in de brief van 12 maart 1999 van de accountant van appellanten </para>
      <para>genoemde onttrekkingen "afboekingen vorderingen" in de periode 1985-1992, 1993 en </para>
      <para>1994 geldt het volgende.</para>
      <para>Het door appellanten  in dat verband gedane beroep op de brief van 27 februari 1995 dient </para>
      <para>te falen, aangezien deze brief na eerdergenoemde uitspraken van het College niet meer aan </para>
      <para>de orde is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College heeft zich in de genoemde uitspraken integraal uitgesproken over de door </para>
      <para>verweerder gepleegde kostenbeoordeling over de bestreden jaren en deze als rechtmatig </para>
      <para>beoordeeld, behoudens voor wat betreft de bijzondere positie van Bloemenhove.</para>
      <para>Voorts houden deze kostenposten over de jaren 1992 en 1993 geen verband met de </para>
      <para>bijzondere positie van appellanten, doch hebben deze betrekking op de normale exploitatie- </para>
      <para>kosten. Vorengenoemd standpunt is bovendien namens appellanten in een brief van </para>
      <para>26 maart 1999 zelf ingenomen. Dit geldt ook ten aanzien van de kosten van afvloeiing van </para>
      <para>personeel. </para>
      <para>De onttrekkingen aan de fondsen  ten behoeve van Forman Grayling (public relations </para>
      <para>advies) in de jaren 1993 en 1994 en in 1994 ten behoeve van Mons (project-management), </para>
      <para>Delphi (onderzoek), Greep (advies strategie), en Sern‚ &amp; Oliemans (ontwikkelen leergang), </para>
      <para>houden niet rechtstreeks verband met de bijzondere behandelingen bij appellanten. Deze </para>
      <para>kosten betreffen marketinggerelateerde kosten, die door verweerder bij geen enkele </para>
      <para>instelling aanvaardbaar worden geacht.</para>
      <para>Verweerder accepteert om dezelfde redenen de onttrekkingen in het kader van de </para>
      <para>nacalculatie 1985-1994 niet.</para>
      <para>In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder daaraan nog het volgende toegevoegd.</para>
      <para>In het onderhavige geval is uitsluitend de vraag aan de orde of, gelet op de bijzondere </para>
      <para>positie van appellanten, aanleiding bestaat om af te wijken van de richtlijnen. Niet aan de </para>
      <para>orde is de betekenis van de brief van 27 februari 1995. Indien al aan de orde, dan worden in </para>
      <para>voornoemde brief met werkelijke exploitatiekosten, de extra kosten die verband houden met </para>
      <para>de bijzondere behandelingen, die in 1995 als zodanig zijn opgevoerd, bedoeld. Verweerder </para>
      <para>was destijds niet bekend met de in de onderhavige procedure opgevoerde posten en kosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De omstandigheid dat verweerder toentertijd over enige jaarrekeningen beschikte doet daar </para>
      <para>niet aan af. Bovendien lag onttrekking aan de fondsen op deze wijze niet voor de hand. Bij </para>
      <para>die stand van zaken kunnen appellanten zich niet met vrucht beroepen op het </para>
      <para>vertrouwensbeginsel. </para>
      <para>Naar de mening van verweerder wordt de bijzondere positie van appellanten bepaald door </para>
      <para>de aard van de behandelingen en de samenstelling van de pati‰ntenpopulatie. </para>
      <para>De verhouding tussen ABWZ-gerechtigden en niet AWBZ-gerechtigden is niet dermate </para>
      <para>afwijkend van de verhouding in enkele andere abortusklinieken dat daarom moet worden </para>
      <para>afgeweken van de richtlijnen. Appellanten hebben er zelf voor gekozen om buitenlandse, </para>
      <para>niet AWBZ-gerechtigde, minder draagkrachtige vrouwen te behandelen. Het incasso-risico </para>
      <para>is het gevolg van de eigen beleidskeuze. </para>
      <para>Verweerder heeft desgevraagd opgemerkt dat tussen ziekenhuizen, niet zijnde </para>
      <para>abortusklinieken en zorgverzekeraars afspraken bestaan over niet betalende pati‰nten. Deze </para>
      <para>afspraken bestaan uit het opnemen van een bedrag voor de afschrijving van oninbare </para>
      <para>vorderingen, hetwelk in het budget en de tarieven van die zorginstellingen wordt verwerkt. </para>
      <para>Een dergelijke regeling bestaat niet voor abortusklinieken. Analoge toepassing van een </para>
      <para>dergelijke regeling ten behoeve van oninbare vorderingen voor buitenlandse pati‰nten zou </para>
      <para>denkbaar zijn. </para>
      <para>Verweerder heeft tenslotte aangevoerd dat appellanten in staat zijn geweest fondsen te </para>
      <para>vormen waaraan gelden konden worden onttrokken. Voor de exploitatiekosten bestond </para>
      <para>dekking. Hieruit volgt dat de exploitatie niet verlieslatend is geweest en de continu‹teit van </para>
      <para>de zorg niet in gevaar is gekomen. Ook gelet hierop bestaat geen aanleiding om van de </para>
      <para>richtlijnen af te wijken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellanten</para>
      <para>Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Ten onrechte neemt verweerder als uitgangspunt dat in de onderhavige procedure </para>
      <para>uitsluitend aan de orde is de vraag of, gelet op de bijzondere positie van appellanten, </para>
      <para>aanleiding bestaat om van de richtlijnen af te wijken. Naar de mening van appellanten diende </para>
      <para>verweerder niet slechts acht te slaan op het onderdeel van het beroep dat door het College </para>
      <para>gegrond is bevonden, maar ook op die gronden waarover het College geen beslissing heeft </para>
      <para>gegeven. Appellanten wijzen in dit verband met name op de toezegging die verweerder op </para>
      <para>16 februari 1995 heeft gedaan, zoals bevestigd in de brief van </para>
      <para>27 februari 1995. Het College heeft zich in zijn uitspraken niet uitgelaten over de juistheid </para>
      <para>van dit beroep. </para>
      <para>Verweerder kon niet een identieke beslissing op bezwaarschrift nemen met slechts een </para>
      <para>verbeterde motivering. Verweerder diende, gelet op die uitspraken, in ieder geval </para>
      <para>gedeeltelijk aan het bezwaar van appellanten tegemoet te komen. Het ex nunc karakter van </para>
      <para>de beslissing op bezwaarschrift brengt mee dat verweerder rekening diende te houden met </para>
      <para>alle relevante nieuwe informatie, waaronder de brief van de accountant van appellanten d.d. </para>
      <para>12 maart 1999.</para>
      <para>In 1994 hebben appellanten en verweerder overleg gevoerd over de tussen hen bestaande </para>
      <para>geschillen. Partijen hebben hierover overeenstemming bereikt zoals is vastgelegd in de brief </para>
      <para>van 27 februari 1995. Ongeacht de beweegredenen voor dit compromis brengt het </para>
      <para>vertrouwensbeginsel mee dat verweerder zich aan het overeengekomen in bedoelde brief </para>
      <para>houdt. Met deze toezegging is het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de werkelijke </para>
      <para>exploitatiekosten niet meer aan de beleidsregels zouden worden getoetst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit voornoemde brief blijkt niet dat de toezegging er uitsluitend toe zou strekken om </para>
      <para>toetsing aan de richtlijnen achterwege te laten ter zake van de kosten die verband houden </para>
      <para>met de bijzondere positie van appellanten. Bovendien beschikte verweerder ten tijde van die </para>
      <para>brief over jaarrekeningen met daarin enige onttrekkingen aan fondsen. </para>
      <para>Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende rekening gehouden met de </para>
      <para>bijzondere positie van appellanten, die afwijkt van de andere abortusklinieken door de aard </para>
      <para>van de behandelingen die zij verrichten en door de samenstelling van het pati‰ntenbestand. </para>
      <para>Het pati‰ntenbestand van appellanten bestaat grotendeels uit buitenlandse, niet AWBZ-</para>
      <para>gerechtigde vrouwen, die vaak minder draagkrachtig zijn en niet of niet volledig in staat zijn </para>
      <para>de kosten van de behandeling te dragen. Aan het verrichten van behandelingen voor deze </para>
      <para>pati‰ntenpopulatie kunnen appellanten zich niet zomaar onttrekken. </para>
      <para>Meer specifiek hebben appellanten het volgende naar voren gebracht. </para>
      <para>Met betrekking tot de post "afboekingen vorderingen" in de jaren 1992 en 1993 geldt de </para>
      <para>toezegging door verweerder van 16 februari 1995. Deze posten zien op de bijzondere </para>
      <para>positie van appellanten, gelet op de aard van de hierboven genoemde pati‰ntenpopulatie.  </para>
      <para>De kosten van afvloeiing van personeel en het ontwikkelen van de leergang voor </para>
      <para>abortusverpleegkundigen behoren tot de normale exploitatiekosten, waarop de toezegging </para>
      <para>van 16 februari 1995 ziet. </para>
      <para>De onttrekkingen aan de fondsen  ten behoeve van Forman Grayling, (public relations </para>
      <para>advies) in de jaren 1993 en 1994 en in 1994 ten behoeve van Mons (project-management), </para>
      <para>Delphi (onderzoek), Greep (advies strategie) en Sern‚ &amp; Oliemans (ontwikkelen leergang), </para>
      <para>houden rechtstreeks verband met hun bijzondere positie. Ook hier geldt dat het gaat om </para>
      <para>exploitatiekosten die zonder toetsing aan de richtlijnen zouden worden geaccepteerd. </para>
      <para>Verweerder is om dezelfde redenen gehouden om de onttrekkingen in het kader van de </para>
      <para>nacalculatie 1985-1994 te accepteren.</para>
      <para>Appellanten menen dat, gelet op de gelijke situatie, aanleiding bestaat voor analoge </para>
      <para>toepassing van de regeling bij ziekenhuizen, niet-zijnde abortusklinieken en </para>
      <para>zorgverzekeraars met betrekking tot oninbare vorderingen. </para>
      <para>Appellanten zijn tenslotte van mening dat de vraag niet aan de orde is of zij eerst hun eigen </para>
      <para>vermogen zouden moeten aanspreken in geval van een exploitatietekort.</para>
      <para>Het standpunt van verweerder dat fondsen gevormd zijn, rechtvaardigt niet de conclusie dat </para>
      <para>de exploitatie niet verlieslatend is geweest. </para>
      <para>Appellanten vorderen vernietiging van het bestreden besluit onder gegrondverklaring van </para>
      <para>hun beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het College staat voor de beantwoording van de vraag of door verweerder, toen hij </para>
      <para>opnieuw besliste op de bezwaren die door appellanten waren ingebracht tegen voornoemde </para>
      <para>besluiten in primo, gelet op de historisch gegroeide, bijzondere positie van appellanten, aan </para>
      <para>de richtlijnen geen of een andere toepassing had moeten zijn gegeven. </para>
      <para>Het bestreden besluit strekt ertoe met inachtneming van hetgeen door het College is </para>
      <para>overwogen en besloten een beslissing te nemen op de door appellanten ingediende </para>
      <para>bezwaarschriften. Dienaangaande wordt het volgende overwogen. </para>
      <para>Blijkens hetgeen verweerder in de onderhavige procedure in het verweerschrift heeft gesteld </para>
      <para>en bij het onderzoek ter zitting naar voren heeft gebracht, is niet in geschil dat de bijzondere </para>
      <para>positie van appellanten bepaald wordt door zowel de bijzondere aard van de </para>
      <para>behandelingen, als de bijzondere samenstelling van het pati‰ntenbestand. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit verband overweegt het College dat hij in eerdergenoemde uitspraken reeds heeft </para>
      <para>overwogen dat appellanten hun stelling dat zij een van de andere abortusklinieken afwijkend </para>
      <para>pati‰nten-bestand bedienen, met statistische gegevens hebben onderbouwd en verweerder </para>
      <para>de bijzondere positie van appellanten heeft onderkend. </para>
      <para>Gelet op het vorenstaande behoorde verweerder ook de bijzondere samenstelling van het </para>
      <para>pati‰ntenbestand te betrekken bij de vraag of daarin aanleiding bestond om aan de richtlijnen </para>
      <para>geen of een andere toepassing te geven en hierop gemotiveerd in het bestreden besluit in te </para>
      <para>gaan.</para>
      <para>Verweerder heeft echter het bestreden besluit uitsluitend doen steunen op de bijzondere </para>
      <para>positie van appellanten, voor zover deze ziet op de aard van de behandelingen en is daarbij </para>
      <para>met name ingegaan op de posten zoals weergegeven in de fax van de accountant van </para>
      <para>appellanten van 12 maart 1999. </para>
      <para>In het bestreden besluit heeft verweerder niet aangegeven waarom de door de accountant </para>
      <para>opgegeven posten niet voortvloeien uit de bijzondere samenstelling van de </para>
      <para>pati‰ntenpopulatie c.q. waarom, indien dit wel het geval zou zijn, daarin niettemin geen </para>
      <para>aanleiding had moeten zijn gevonden af te wijken van de richtlijnen. </para>
      <para>Het College volgt appellanten derhalve in hun betoog dat verweerder de stelling van </para>
      <para>appellanten dat in hun geval, gelet op het bijzondere samenstelling van het pati‰nten-</para>
      <para>bestand, niet onverkort aan de richtlijnen had mogen worden vasthouden, in het bestreden </para>
      <para>besluit onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Het bestreden besluit berust in zoverre </para>
      <para>niet op een deugdelijke motivering en dient te worden vernietigd. </para>
      <para>Hetgeen appellanten hebben aangevoerd biedt echter geen aanknopingspunt voor het </para>
      <para>oordeel dat verweerder had moeten besluiten tot vaststelling van een tarief ten behoeve van </para>
      <para>appellanten in afwijking van de richtlijnen. Het College overweegt dienaangaande het </para>
      <para>volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de brief van 27 februari 1995 van verweerder, overweegt het College in </para>
      <para>de eerste plaats dat deze brief weliswaar aan de orde is geweest in de procedures die tot de </para>
      <para>hogergenoemde uitspraken hebben geleid, maar dat die omstandigheid niet meebrengt dat </para>
      <para>daaraan thans geen betekenis meer toekomt. De brief dateert van een tijdstip dat gelegen is </para>
      <para>na het eerdere bestreden besluit van 2 maart 1994 en geldt derhalve als een omstandigheid </para>
      <para>die bij de beoordeling van de nieuwe beslissing op het tegen de beslissing in primo </para>
      <para>ingediende bezwaar kan worden meegewogen. Uit de uitspraken met betrekking tot de </para>
      <para>bestreden besluiten van 22 juli 1996 en 18 december 1996 blijkt voorts niet dat het College </para>
      <para>de vraag of sprake was van toezeggingen waaraan appellanten de gerechtvaardigde </para>
      <para>verwachting konden ontlenen dat alle door hun gemaakte exploitatiekosten in het tarief </para>
      <para>zouden worden verwerkt, heeft beantwoord. In zoverre deelt het College het standpunt van </para>
      <para>verweerder niet.</para>
      <para>Het College is evenwel van oordeel dat noch uit genoemde brief noch uit de overige </para>
      <para>stukken blijkt van een toezegging van verweerder, zoals door appellanten is gesteld. </para>
      <para>Immers, niet is gebleken van een verweerder toe te rekenen intentie om andere dan de </para>
      <para>kosten die verband houden met de bijzondere positie van appellanten, zonder toetsing aan </para>
      <para>de richtlijnen, te aanvaarden. Het moet appellanten steeds duidelijk zijn geweest dat deze </para>
      <para>mededelingen van verweerder er slechts toe strekten de werkelijke exploitatiekosten die </para>
      <para>verband houden met de bijzondere positie van appellanten, die in 1995 als zodanig zijn op-</para>
      <para>gevoerd, in afwijking van de richtlijnen te aanvaarden. In dat verband wordt opgemerkt dat </para>
      <para>de mededelingen van verweerder om af te rekenen op basis van de werkelijke kosten, in het </para>
      <para>kader van onderhandelingen tussen partijen om bij de gerezen geschillen tot een compro-mis </para>
      <para>te komen, niet zover kunnen reiken, dat bepaalde, niet op de bijzondere positie van </para>
      <para>appellanten betrekking hebbende kosten, buiten de richtlijnen zouden worden aanvaard. </para>
      <para>Het College is dan ook van oordeel dat appellanten door de mededelingen van verweerder </para>
      <para>van 16 februari 1995 niet de verwachting konden hebben dat toetsing van hun aanvragen </para>
      <para>aan de richtlijnen geheel achterwege zou blijven. Het beroep van appellanten op het </para>
      <para>vertrouwensbeginsel treft naar het oordeel van het College dan ook geen doel. </para>
      <para>Naar het oordeel van het College is, wat er ook overigens zij van de stelling van appellanten </para>
      <para>dat de posten zoals neergelegd in de fax van de accountant van appellanten van 12 maart </para>
      <para>1999 verband houden met hun bijzondere positie, in het specifieke geval van appellanten </para>
      <para>geen plaats voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit </para>
      <para>heeft kunnen komen. </para>
      <para>Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat de toekenning van budgetten overeenkomstig </para>
      <para>de richtlijnen tot gevolg heeft gehad dat appellanten de hun toevertrouwde hulpverlening </para>
      <para>niet naar behoren hebben kunnen vervullen. Verweerder heeft in dit verband in het </para>
      <para>verweerschrift terecht het standpunt ingenomen dat appellanten in staat zijn geweest </para>
      <para>fondsen te vormen en daaraan gelden te onttrekken en de aan hen toevertrouwde </para>
      <para>hulpverlening op verantwoorde wijze te voldoen.</para>
      <para>Het College merkt daarbij voorts op dat ook uit hetgeen appellanten naar voren hebben </para>
      <para>gebracht valt af te leiden dat zij in staat zijn geweest eigen vermogen op te bouwen en </para>
      <para>daaraan gelden te onttrekken, zodat voor de exploitatiekosten dekking is geweest. </para>
      <para>Appellanten hebben nog aangevoerd dat verweerder, gelet op de eerdere uitspraken van het </para>
      <para>College, gehouden was om in ieder geval gedeeltelijk aan hun bezwaren tegemoet te komen. </para>
      <para>Naar het oordeel van het College kan zulks niet met vrucht worden gesteld. Ingevolge </para>
      <para>vorengenoemde uitspraken was verweerder gehouden om opnieuw op de bezwaren van </para>
      <para>appellanten een beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraken. In die eerdere </para>
      <para>uitspraken valt naar het oordeel van het College niet te lezen dat verweerder in ieder geval </para>
      <para>gedeeltelijk aan het bezwaarschrift van appellanten tegemoet dient te komen. </para>
      <para>Het College is gelet op vorenstaande van oordeel dat de vraag of door verweerder, toen hij </para>
      <para>opnieuw besliste, op de bezwaren die door appellanten waren ingebracht tegen de besluiten </para>
      <para>in primo, gelet op de historisch gegroeide, bijzondere positie van appellanten, aan de </para>
      <para>richtlijnen geen of een andere toepassing had moeten zijn gegeven, ontkennend moet </para>
      <para>worden beantwoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van al het vorenstaande komt het College tot de slotsom dat het beroep gegrond </para>
      <para>is, het bestreden besluit moet worden vernietigd en termen aanwezig zijn om met toepassing </para>
      <para>van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde </para>
      <para>besluit geheel in stand te laten.  </para>
      <para>Het College acht voorts termen aanwezig voor nadere beslissingen als hierna in het dictum </para>
      <para>van deze uitspraak vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>-	bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;</para>
      <para>-	veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellanten, welke worden vastgesteld op een bedrag van fl. 1410,-- (zegge:eenduizendvierhonderdentien gulden);</para>
      <para>- 	bepaalt dat aan appellanten het betaalde griffierecht ten bedrage van fl. 450,-- (zegge: </para>
      <para>vierhonderdenvijftig gulden) wordt vergoed door verweerder;</para>
      <para>- 	wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr M.A. Fierstra en mr J.A.W. Scholten-Hinloopen in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>13 maart 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. C.M. Wolters						w.g. I.K. Rapmund</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>