<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0859</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T02:51:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0859</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/1316</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002856&amp;artikel=76&amp;g=2001-03-20">Wet op de Accountants-administratieconsulenten 76</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0859">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0859</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:24:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0859 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 20-03-2001 / AWB 98/1316</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0859:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0859:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 98/1316							20 maart 2001</para>
      <para>	20100</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te Laren, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en </para>
      <para>Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 5 </para>
      <para>november 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij brief, verzonden op 3 december 1998, heeft de raad van tucht appellant afschrift </para>
      <para>toegezonden van zijn op 5 november 1998 genomen beslissing op een klacht, op </para>
      <para>19 december 1997 ingediend tegen appellant door B (hierna: klager).</para>
      <para>Bij een op 21 december 1998 bij het College binnengekomen beroepschrift heeft appellant </para>
      <para>tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld. </para>
      <para>De raad van tucht heeft bij brief van 30 december 1998 de op de zaak betrekking hebbende </para>
      <para>stukken doen toekomen aan de griffier van het College.</para>
      <para>Op 26 januari 1999 is een reactie van klager op de in het beroepschrift van appellant </para>
      <para>aangevoerde grieven bij het College binnengekomen.</para>
      <para>Zowel appellant als klager hebben nadien nog enige stukken in het geding gebracht.</para>
      <para>Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 27 februari 2001, waar appellant zijn </para>
      <para>standpunt heeft toegelicht. Klager is niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De vaststaande feiten</para>
      <para>Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de </para>
      <para>raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.</para>
      <para>3.	De oorspronkelijke klacht</para>
      <para>De raad van tucht heeft de tegen appellant ingediende klacht als volgt geformuleerd:</para>
      <para>"	Betrokkene heeft tijdens de faillissementsprocedure van de vof het betoog </para>
      <para>gevoerd dat de factuur van Njardar van 6 december 1996 een priv‚vordering op </para>
      <para>C betrof, terwijl hij wist dat dit betoog feitelijk onjuist was. Door deze </para>
      <para>handelwijze heeft betrokkene de eer van de stand van accountants-</para>
      <para>administratieconsulenten geschaad."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	De bestreden tuchtbeslissing</para>
      <para>Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt </para>
      <para>beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht gegrond verklaard en aan appellant de </para>
      <para>maatregel van schriftelijke berisping opgelegd.</para>
      <para>5.	De middelen van beroep</para>
      <para>Appellant heeft - samengevat - tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen </para>
      <para>voorgedragen.</para>
      <para>5.1	De raad van tucht had zich niet bevoegd moeten verklaren aangezien de klacht geen </para>
      <para>betrekking heeft op de beroepswerkzaamheden van de accountant in de zin van de Wet op </para>
      <para>de Accountants-Administratieconsulenten en de daarop gebaseerde verordeningen en </para>
      <para>besluiten.</para>
      <para>5.2	De raad van tucht heeft ten onrechte ambtshalve besloten de gewijzigde klacht te </para>
      <para>behandelen zonder appellant in staat te stellen adequaat verweer te voeren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.3	De raad van tucht heeft ten onrechte overwogen dat appellant een verklaring van </para>
      <para>C niet op zijn juistheid heeft onderzocht. Ten onrechte heeft de raad van tucht het </para>
      <para>getuigenaanbod van de hand gewezen.</para>
      <para>Op grond hiervan heeft appellant het College verzocht de bestreden beslissing te </para>
      <para>vernietigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beoordeling</para>
      <para>6.1	De raad van tucht heeft appellant met name de verklaring aangerekend die hij op </para>
      <para>8 juli 1997 tijdens de behandeling in raadkamer van de arrondissementsrechtbank te </para>
      <para>Amsterdam van een verzoek strekkende tot faillietverklaring van de vennootschap onder </para>
      <para>firma SUBREXCO (hierna: de vof) en haar vennoten heeft afgelegd. Volgens het proces-</para>
      <para>verbaal van die behandeling is appellant daar verschenen als bedrijfsjurist en accountant van </para>
      <para>gerekestreerden.</para>
      <para>Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van de Gedrags- en Beroepsregels Accountants-</para>
      <para>Administratieconsulenten (hierna: GBAA) bepaalt dat voor de toepassing van die </para>
      <para>verordening de Accountant-Administratieconsulent wordt geacht op te treden als </para>
      <para>accountant wanneer hij zich als zodanig bekendmaakt of doet bekendmaken. De </para>
      <para>hoofdstukken II en III van de GBAA zijn in dat geval op de Accountant-</para>
      <para>Administratieconsulent van toepassing.</para>
      <para>Doordat appellant zich bij de rechtbank als accountant heeft bekend gemaakt, zijn de </para>
      <para>hoofdstukken II en III van de GBAA op zijn gedragingen aldaar van toepassing. Terecht </para>
      <para>heeft de raad van tucht zich derhalve bevoegd geacht om de op die gedragingen betrekking </para>
      <para>hebbende klacht te behandelen. Of appellant bij de rechtbank al dan niet met zoveel </para>
      <para>woorden zou hebben gezegd dat hij 'de' accountant van de vof was, doet niet ter zake, </para>
      <para>aangezien reeds voldoende is dat hij zich als accountant bekend heeft gemaakt. Evenmin </para>
      <para>doet ter zake dat klager wist dat appellant zijn werkzaamheden voor de vof vooral als </para>
      <para>bedrijfs- of fiscaal jurist verrichtte, aangezien appellant in ieder geval de verweten gedraging </para>
      <para>bij de rechtbank ook als accountant heeft gedaan.</para>
      <para>Hieruit volgt dat het eerste middel tevergeefs is voorgesteld.</para>
      <para>6.2	Blijkens de stukken heeft klager aan zijn klacht bij de raad van tucht, nadat daartegen </para>
      <para>schriftelijk verweer was gevoerd door appellant, in een schriftelijke reactie van </para>
      <para>10 april 1998 diverse feiten ten grondslag gelegd, waaronder het feit dat appellant er altijd </para>
      <para>van op de hoogte is geweest dat de factuur van Njardar alleen op de vof betrekking heeft. </para>
      <para>Op grond hiervan heeft klager in die reactie onder meer geconcludeerd dat appellant de </para>
      <para>rechter opzettelijk en doelbewust op een dwaalspoor heeft gezet bij het in overweging </para>
      <para>nemen van de gronden van de beslissing. Appellant heeft op dit stuk niet meer schriftelijk </para>
      <para>gereageerd.</para>
      <para>Uit deze weergave van de feiten blijkt dat appellant al sinds de ontvangst van de reactie van </para>
      <para>10 april 1998 wist welke feiten hem door klager werden verweten. De formulering van de </para>
      <para>klacht door de raad van tucht kan dan ook niet als een verrassing voor appellant zijn </para>
      <para>gekomen. In ieder geval heeft hij voldoende gelegenheid gehad om op de feiten die aan deze </para>
      <para>klacht ten grondslag zijn gelegd, te reageren.</para>
      <para>Ook het tweede middel is derhalve vergeefs voorgesteld.</para>
      <para>6.3	Het derde middel gaat er ten onrechte van uit dat de raad van tucht appellant heeft verweten </para>
      <para>dat hij een verklaring van C niet op juistheid heeft onderzocht. Uit de uitspraak blijkt </para>
      <para>immers dat de raad van tucht appellant heeft verweten dat hij op 8 juli 1997 bij de rechtbank </para>
      <para>te Amsterdam een verklaring heeft afgelegd, van welke verklaring hij, zo hij niet wist dat die </para>
      <para>niet in overeenstemming met de werkelijkheid was, de juistheid had dienen te onderzoeken. </para>
      <para>Het gaat in deze zaak dus niet om de verklaring van C d.d. 4 augustus 1997 en evenmin om </para>
      <para>eventueel onderzoek dat appellant naar eigen zeggen rond die datum heeft verricht, maar </para>
      <para>om zijn eigen verklaring van 8 juli 1997 (te weten: de onderliggende factuur staat niet op </para>
      <para>naam van de vof, Njardar is geen crediteur van de vof en Njardar heeft geen aanschrijving </para>
      <para>ontvangen met betrekking tot een buitengerechtelijk akkoord) en het onderzoek naar de </para>
      <para>juistheid ervan dat appellant voor </para>
      <para>8 juli 1997 had dienen te verrichten.</para>
      <para>Uit hetgeen appellant bij de raad van tucht en bij het College heeft aangevoerd, kan niet </para>
      <para>worden afgeleid dat hij een dergelijk onderzoek reeds v¢¢r 8 juli 1997 heeft uitgevoerd. </para>
      <para>Zulks is ook onaannemelijk, aangezien, zoals uit de stukken is gebleken en anders dan </para>
      <para>appellant tegenover de rechtbank heeft verklaard, de factuur van Njardar wel degelijk op </para>
      <para>naam van de vof stond, Njardar ook naar eigen verklaring crediteur van de vof was en </para>
      <para>Njardar een aanschrijving had ontvangen met betrekking tot een buitengerechtelijk akkoord.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College heeft de raad van tucht appellant terecht kwalijk genomen </para>
      <para>dat hij heeft nagelaten voor 8 juli 1997 van zijn verklaring, als hij niet wist dat die niet met </para>
      <para>de werkelijkheid overeenstemde, de juistheid te onderzoeken. Dit volgt reeds uit het </para>
      <para>bepaalde in artikel 11, eerste lid, GBAA, op grond waarvan de accountant-</para>
      <para>administratieconsulent slechts mededelingen omtrent de uitkomst van zijn arbeid doet voor </para>
      <para>zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een </para>
      <para>deugdelijke grondslag vormen, waarbij hij er zorg voor draagt dat zodanige mededelingen </para>
      <para>een duidelijk beeld geven van de uitkomst van zijn werkzaamheden. Wat betreft de </para>
      <para>strafmaat heeft de raad van tucht met juistheid overwogen dat in een gerechtelijke </para>
      <para>procedure zwaarwegende gevolgen aan de verklaring van een accountant kunnen worden </para>
      <para>verbonden, zodat de accountant bij het doen van dergelijke mededelingen de grootst </para>
      <para>mogelijke zorgvuldigheid in acht moet nemen.</para>
      <para>Het College voegt hier voor de volledigheid nog aan toe dat aan het voorgaande niet af kan </para>
      <para>doen hetgeen eventueel na 8 juli 1997 nog is onderzocht en gebleken. Anders dan appellant </para>
      <para>ter zitting van het College heeft bepleit, doet ook niet ter zake welke verklaring appellant en </para>
      <para>anderen nadien bij het Gerechtshof te Amsterdam hebben afgelegd. Nu voorts het aanbod </para>
      <para>van appellant om getuigen te doen horen geen betrekking had op de vraag of appellant v¢¢r </para>
      <para>8 juli 1997 onderzoek heeft verricht, heeft de raad van tucht terecht geen aanleiding gezien </para>
      <para>daarop in te gaan.</para>
      <para>Ook het derde middel faalt derhalve.</para>
      <para>6.4	Het College acht de door de raad van tucht opgelegde maatregel in overeenstemming met </para>
      <para>de aard en de ernst van de verweten gedraging. De bestreden beslissing moet derhalve in </para>
      <para>stand blijven en het beroep moet worden verworpen.</para>
      <para>Deze beslissing berust op artikel 76 van de Wet op de Accountants-</para>
      <para>Administratieconsulenten en de artikelen 2 en 11 GBAA.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>7.	De beslissing</para>
      <para>Het College verwerpt het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. C.M. Wolters						w.g. I.K. Rapmund</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>