<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0858</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T21:29:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0858</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/6</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOR 2001/122</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0858">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0858</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:24:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0858 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 13-03-2001 / AWB 00/6</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0858:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0858:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/6					13 maart 2001</para>
      <para>	24200</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant,</para>
      <para>gemachtigden: mr A. Boer en mr E. Lems, beiden advocaat te Barendrecht, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Justitie, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr E.B.M.H. de Brouwer, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 29 december 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 november 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de </para>
      <para>weigering van een verklaring als bedoeld in artikel 2:179 van het Burgerlijk Wetboek </para>
      <para>(hierna: BW).</para>
      <para>Verweerder heeft op 8 maart 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 9 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Het onderzoek ter zitting </para>
      <para>is geschorst in verband met afwezigheid van verweerder en voortgezet op 30 januari 2001. </para>
      <para>Partijen hebben hun standpunt nader doen toelichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Artikel 2:175, tweede lid, van het BW luidt, voor zover van belang, als volgt:</para>
      <para>''	De vennootschap wordt door een of meer personen opgericht bij notari‰le akte </para>
      <para>op het ontwerp waarvan Onze Minister van Justitie een verklaring heeft </para>
      <para>verleend dat hem van geen bezwaren is gebleken. (.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2:179, tweede lid, van het BW luidt:</para>
      <para>"	De verklaring mag alleen worden geweigerd op grond dat er, gelet op de </para>
      <para>voornemens of de antecedenten van de personen die het beleid van de </para>
      <para>vennootschap zullen bepalen of mede bepalen, gevaar bestaat dat de </para>
      <para>vennootschap zal worden gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden of dat haar </para>
      <para>werkzaamheid zal leiden tot benadeling van haar schuldeisers; of dat de akte in </para>
      <para>strijd is met de openbare orde of de wet."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Richtlijnen 1986 voor het beoordelen van oprichtingen en statutenwijzigingen van </para>
      <para>naamloze- en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (Stcrt. 1985, 227) </para>
      <para>zijn gewijzigd bij besluit van verweerder van 10 september 1998 (Stcrt. 1998, 195). Deze </para>
      <para>wijziging is in werking getreden op 15 oktober 1998. De tekst van deze Richtlijnen </para>
      <para>(hierna: Richtlijnen preventief toezicht) luidt, voor zover hier van belang, na de wijziging, </para>
      <para>als volgt:</para>
      <para>"	Oprichting en statutenwijziging</para>
      <para>Paragraaf 1. De beoordeling bij oprichting</para>
      <para>Indien gerede twijfel bestaat aan de (morele of financi‰le) betrouwbaarheid of </para>
      <para>integriteit van bij de vennootschap betrokken beleidsbepalende personen, wordt </para>
      <para>de gevraagde verklaring van geen bezwaar voor de oprichting van een </para>
      <para>vennootschap geweigerd. In die gevallen kan immers worden aangenomen dat </para>
      <para>er gevaar bestaat dat hetzij de vennootschap voor ongeoorloofde doeleinden zal </para>
      <para>worden gebruikt, hetzij haar werkzaamheid zal leiden tot benadeling van </para>
      <para>schuldeisers. De beoordeling van de betrouwbaarheid en integriteit vindt plaats </para>
      <para>aan de hand van een controle op criminele en financi‰le antecedenten. In </para>
      <para>bijlage A bij deze richtlijnen wordt aangegeven welke criminele, </para>
      <para>respectievelijk financi‰le antecedenten in ieder geval relevant zijn voor de </para>
      <para>beoordeling van de betrouwbaarheid en de integriteit van de bij de </para>
      <para>vennootschap betrokken beleidsbepalende personen (.) Een verklaring van </para>
      <para>geen bezwaar wordt niet geweigerd wanneer dit kennelijk onredelijk is, </para>
      <para>bijvoorbeeld wanneer uit informatie van de curator aannemelijk wordt dat het </para>
      <para>faillissement of de surseance van betaling niet in belangrijke mate aan de </para>
      <para>betrokken persoon is te wijten."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In bijlage A is onder meer bepaald:</para>
      <para>"	3. Financi‰le antecedenten</para>
      <para>Onder financi‰le antecedenten, op basis waarvan tot het oordeel gekomen kan </para>
      <para>worden dat de financi‰le betrouwbaarheid of integriteit van het bedrijf in het </para>
      <para>geding is en die in beginsel leiden tot een weigering van de verklaring van geen </para>
      <para>bezwaar voor de oprichting van een vennootschap, worden verstaan:</para>
      <para>A. Faillissementen en surseance van betaling</para>
      <para>De betrokken persoon is bij rechterlijke uitspraak, uitgesproken in de acht jaren </para>
      <para>voorafgaand aan de dagtekening van de aanvraag, dan wel na die datum doch </para>
      <para>voor de beslissing op de aanvraag, in staat van faillissement verklaard, dan wel </para>
      <para>is aan de betrokken persoon voorlopige surseance van betaling of surseance </para>
      <para>van betaling verleend, dan wel is de betrokken persoon betrokken (geweest) bij </para>
      <para>een faillissement of surseance van betaling van een rechtspersoon in de </para>
      <para>hiervoor genoemde periode."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellant was tezamen met C en D oprichter van Erenef 2000 BV. De vennootschap </para>
      <para>is opgericht op 23 juli 1993.</para>
      <para>- Appellant was van 15 februari 1993 tot 23 juli 1993 medevennoot en directeur van </para>
      <para>Erenef 2000 BV in oprichting.</para>
      <para>- Appellant heeft op 23 juli 1993, evenals D, zijn aandelen in Erenef 2000 BV </para>
      <para>overgedragen aan C. Laatstgenoemde is met ingang van deze datum ook enig </para>
      <para>directeur van de vennootschap.</para>
      <para>- Per 31 juli 1993 zijn E, F en D aangesteld als directeur van Erenef 2000 BV. C is met </para>
      <para>ingang van deze datum uitgetreden als directeur. F is op 24 augustus 1993 uit functie </para>
      <para>getreden.</para>
      <para>- Per 8 maart 1994 is het faillissement van Erenef 2000 BV uitgesproken.</para>
      <para>- De curator van Erenef 2000 BV heeft in haar verslag d.d. 18 april 1994 als haar </para>
      <para>oordeel uitgesproken dat de oorzaak van het faillissement voornamelijk is gelegen in </para>
      <para>het feit dat onenigheid is ontstaan tussen de bestuurders onderling. Zij heeft </para>
      <para>geconcludeerd dat de bestuurders hun taak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld. In </para>
      <para>het verslag is verder opgemerkt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	In aanmerking genomen hun handelswijze (ook F) zijn de bestuurders mijns </para>
      <para>inziens persoonlijk aansprakelijk te houden voor de tekorten. Het boedelactief, </para>
      <para>de incassokansen en de procesrisico's bieden echter geen andere oplossing dan </para>
      <para>dat de Rechtbank wordt verzocht het faillissement bij gebrek aan baten op te </para>
      <para>heffen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Appellant heeft per 1 februari 1994 tezamen met D v.o.f. G opgericht, die </para>
      <para>soortgelijke activiteiten ontplooide als die welke voordien door Erenef 2000 BV </para>
      <para>werden verricht.</para>
      <para>- Appellant is per 9 maart 1994 benoemd tot statutair directeur van "Rex" Rederij BV. </para>
      <para>Rex Rederij BV is opgericht op 26 november 1963. Sinds 1988 is C enig </para>
      <para>aandeelhouder.</para>
      <para>- Rex Rederij BV is op 28 februari 1995 failliet verklaard.</para>
      <para>- Omtrent oorzaken en achtergronden van het faillissement is in het verslag van de </para>
      <para>curator van 14 maart 1995 het volgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Het banksaldo van "REX" bedroeg in december 1993 circa Ÿ 40.000,--.</para>
      <para>In januari 1994 heeft de heer C, waarschijnlijk in het zicht van voornoemde </para>
      <para>overeenkomst tot aandelenoverdracht, Ÿ 20.000,-- van de bankrekening van </para>
      <para>"REX"opgenomen. Naar zijn zeggen was de vennootschap hem nog een bedrag </para>
      <para>van circa Ÿ 60.000,-- verschuldigd. Vanaf dat moment is het saldo van de </para>
      <para>vennootschap nooit boven de Ÿ 20.000,-- gekomen.</para>
      <para>De heren H en A begonnen in maart 1994 als directeur. De omzet van </para>
      <para>"REX"bedroeg aanvankelijk Ÿ 11.000,--. De heren H en A keerden zichzelf een </para>
      <para>nettosalaris uit van Ÿ 5.700,-- ieder. Voorts hadden zij twee lease-auto's ten </para>
      <para>bedrage van Ÿ 3.800,-- per maand. Genoemde bedragen zijn in de loop der tijd </para>
      <para>enigszins gereduceerd, mede omdat de omzet van de onderneming in de loop </para>
      <para>van de tijd afnam.</para>
      <para>Op een gegeven moment liep de omzet dermate terug dat de vaste kosten niet </para>
      <para>meer konden worden voldaan. Bovendien ondervond "REX"een aantal </para>
      <para>financi‰le tegenslagen, waaronder een investering van US$ 25.000,-- in een </para>
      <para>partij sigaretten, welk bedrag later bleek te zijn voldaan aan een niet bestaande </para>
      <para>vennootschap.</para>
      <para>Uiteindelijk kon de "REX"niet meer aan haar verplichtingen voldoen en er </para>
      <para>werd bij bijzondere aandeelhoudersvergadering van vrijdag 17 februari 1994 </para>
      <para>besloten het faillissement van de vennootschap aan te vragen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>-	In het verslag van de curator d.d. 4 september 1995 is onder meer vermeld:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Bij de controle van Rex Rederij bleek mij dat enkele priv‚-telefoonrekeningen </para>
      <para>van de voormalige directeuren van Rex, de heren A en H, door Rex Rederij </para>
      <para>werden betaald (in totaal voor een bedrag van Ÿ 2.939,--) (.) De kwestie is </para>
      <para>uiteindelijk geschikt in dier voege dat de heren A en H Ÿ 2000,-- hebben </para>
      <para>betaald."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	De notaris van appellant heeft op 25 november 1998 verzocht een verklaring van </para>
      <para>geen bezwaar af te geven voor het oprichten van een vennootschap F.T.B. Beheer BV </para>
      <para>met appellant als oprichter, bestuurder en enig aandeelhouder.</para>
      <para>-	Verweerder heeft de notaris van appellant bij brief d.d. 28 december 1998 informatie </para>
      <para>gevraagd met betrekking tot de betrokkenheid van appellant bij het faillissement van </para>
      <para>Rex Rederij BV en Erenef 2000 BV. De notaris van appellant heeft vervolgens </para>
      <para>verweerder bij brief d.d. 26 februari 1999 diverse verslagen van de curatoren in de </para>
      <para>respectievelijke faillissementen toegezonden.</para>
      <para>-	Verweerder heeft appellant bij brief d.d. 22 maart 1999 in kennis gesteld van zijn </para>
      <para>voornemen het Openbaar Ministerie te verzoeken hem nader te adviseren. Appellant </para>
      <para>heeft verweerder medegedeeld hiertegen geen bezwaren te hebben. Bij brief van </para>
      <para>22 april 1999 heeft verweerder een verzoek als bedoeld aan de procureur-generaal bij </para>
      <para>het Gerechtshof Den Haag gericht. Dit verzoek is niet beantwoord.</para>
      <para>-	Bij brief d.d. 27 mei 1999 heeft verweerder appellant ge‹nformeerd omtrent van zijn </para>
      <para>voornemen het verzoek om een verklaring van geen bezwaar af te wijzen en appellant </para>
      <para>in de gelegenheid gesteld zijn visie kenbaar te maken. Appellant heeft hiervan niet </para>
      <para>binnen de gestelde termijn gebruik gemaakt.</para>
      <para>-	Bij beschikking van 20 juli 1999 is de gevraagde verklaring van geen bezwaar </para>
      <para>geweigerd.</para>
      <para>-	De zienswijze van appellant met betrekking tot het voornemen negatief te beslissen, </para>
      <para>aan verweerder kenbaar gemaakt bij brief d.d. 23 juli 1999, is met instemming van </para>
      <para>appellant aangemerkt en behandeld als een bezwaarschrift.</para>
      <para>-	Op 6 oktober 1999 is appellant ter zake van zijn bezwaren gehoord.</para>
      <para>-	Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.</para>
      <para>"	Vast is komen te staan dat bezwaarde connecties heeft met Eneref 2000 B.V. </para>
      <para>en Rex rederij B.V. Van Eneref 2000 B.V. is bezwaarde medeoprichter en </para>
      <para>directeur geweest. Vlak na de oprichting heeft bezwaarde zijn aandelen </para>
      <para>verkocht aan de heer C. Het bedrijf is vervolgens binnen ‚‚n jaar gefailleerd. </para>
      <para>De faillissementscurator heeft in zijn verslag aangegeven dat de bestuurders </para>
      <para>kennelijk onbehoorlijk hun taken hebben vervuld. Aangezien bezwaarde </para>
      <para>vrijwel direct zijn aandelen heeft doorverkocht kan niet worden gesteld dat </para>
      <para>hem onbehoorlijk bestuur kan worden verweten aangezien hij gedurende dat </para>
      <para>jaar geen beleidsbepalende persoon is geweest. In deze onderschrijf ik de </para>
      <para>stelling van de gemachtigde van bezwaarde. Ik kan mij echter niet aan de </para>
      <para>indruk onttrekken dat het voornemen om de aandelen direct na oprichting over </para>
      <para>te dragen niet reeds voor de oprichting bestond. Daarnaast is bezwaarde </para>
      <para>betrokken geweest bij de oprichting van een VOF (G), die zich heeft opgesteld </para>
      <para>als concurrent van Eneref 2000 B.V. en als zodanig -aldus het curatorverslag- </para>
      <para>klanten van Eneref 2000 B.V. heeft overgenomen. Daarbij is opvallend dat het </para>
      <para>contract dat Eneref 2000 B.V. met een Engelse fabrikant had gesloten op 14 </para>
      <para>januari 1994 is be‰indigd en de VOF op 15 januari 1994 met dit Engelse </para>
      <para>bedrijf een nieuw contract heeft gesloten (N.B. ten name van Eneref i.o.!)(zie </para>
      <para>datzelfde curatorverslag).</para>
      <para>Het voorgaande is naar mijn stellige overtuiging voldoende reden om gerede </para>
      <para>twijfel te hebben aan de morele betrouwbaarheid van bezwaarde.</para>
      <para>Voorts is bezwaarde betrokken bij het faillissement van Rex Rederij B.V. Van </para>
      <para>dit bedrijf zijn bezwaarde en H in maart 1994 aangesteld als directeur en </para>
      <para>hebben zij een lease-auto tot hun beschikking gehad en een salaris uitgekeerd </para>
      <para>gekregen dat in geen verhouding stond tot de omzet van de onderneming. </para>
      <para>Daarnaast werd ook nog de priv‚telefoonrekening van de bestuurders door de </para>
      <para>B.V. betaald. Naar mijn stellige overtuiging heeft dit alles bijgedragen aan het </para>
      <para>faillissement van de B.V. in februari 1995. Het verweer van de gemachtigde </para>
      <para>dat de arbeidsvoorwaarden door de aandeelhouders is bepaald en niet door de </para>
      <para>bestuurders zelf, maakt het voorgaande niet anders. Als enig aandeelhouder </para>
      <para>stond C geregistreerd, die bovendien een goede bekende van bezwaarde is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik ben van mening dat bezwaarde als bestuurder wist dan wel redelijkerwijs </para>
      <para>had kunnen weten dat het onttrekken van dergelijke bedragen aan de B.V. een </para>
      <para>bijdrage kunnen leveren aan een faillissement. Bezwaarde was immers geen </para>
      <para>onbekende in ondernemersland. Overigens is ook dit bedrijf binnen ‚‚n jaar na </para>
      <para>het bestuurdersschap van bezwaarde failliet gegaan. Dit geeft op zijn minst te </para>
      <para>denken.</para>
      <para>Het feit dat de curator bezwaarde niet als bestuurder aansprakelijk heeft </para>
      <para>gehouden, maakt het voorgaande niet anders. Immers, de beslissing om een </para>
      <para>bestuurder aansprakelijk te stellen hangt niet uitsluitend af van het oordeel over </para>
      <para>(on)behoorlijk bestuur, maar ook van andere factoren, zoals eventuele </para>
      <para>verhaalsmogelijkheden en procesrisico's."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>4.1	In het eerste middel heeft appellant betoogd dat geen aanleiding bestaat voor de twijfel </para>
      <para>omtrent zijn betrouwbaarheid, die door verweerder wordt ontleend aan zijn connecties met </para>
      <para>Erenef 2000 BV en Rex Rederij BV.</para>
      <para>Wat betreft Erenef 2000 BV heeft appellant het volgende naar voren gebracht:</para>
      <para>-	De indruk dat het voornemen bestond de aandelen direct na oprichting over te </para>
      <para>dragen, is onjuist. Dit heeft ook niets te maken met twijfel aan zijn morele </para>
      <para>betrouwbaarheid.</para>
      <para>-	Verweerder moet bewijzen dat het faillissement in belangrijke mate aan appellant te </para>
      <para>wijten is. Appellant bestrijdt dat dit het geval is. Hij heeft een deel van het </para>
      <para>aandelenkapitaal verschaft om zijn vader van dienst te zijn. Al snel meldde zich de </para>
      <para>heer E, die wel affiniteit had met de handel in kunststofkozijnen, als belangstellende </para>
      <para>voor deelname in Erenef B.V. Appellant heeft direct na oprichting zijn aandelen aan </para>
      <para>C overgedragen. Appellant stelt dat de gedragingen van de heer E een faillissement </para>
      <para>onvermijdelijk maakten.</para>
      <para>-	Appellant bestrijdt dat hij zich als concurrent van Erenef 2000 B.V. heeft opgesteld. </para>
      <para>Erenef 2000 B.V. was al in staat van faillissement, ontplooide althans geen </para>
      <para>activiteiten meer toen v.o.f. G actief werd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft Rex Rederij B.V. heeft appellant gesteld:</para>
      <para>-	Hij was in dienst van een vennootschap van C en op diens verzoek bij Rex Rederij </para>
      <para>B.V., een andere vennootschap van C, te werk is gesteld tegen dezelfde </para>
      <para>arbeidsvoorwaarden als waarvoor hij al in dienst was.</para>
      <para>-	De arbeidsvoorwaarden zijn niet door hemzelf vastgesteld maar door de algemene </para>
      <para>vergadering van aandeelhouders van Rex Rederij B.V.</para>
      <para>-	Toen bleek de omzet achterbleef, heeft hij eigener beweging zijn salaris verlaagd.</para>
      <para>-	De curator heeft appellant niet aansprakelijk gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2	Bij wijze van tweede middel heeft appellant aangevoerd dat verweerder in redelijkheid niet </para>
      <para>tot de weigering van de verklaring van geen bezwaar heeft kunnen komen. Appellant komt </para>
      <para>hierdoor in een moeilijke positie. Hij drijft een onderneming in zeebevrachting. In deze </para>
      <para>branche worden belangrijke financi‰le risico's gelopen. Het uitblijven van betaling brengt </para>
      <para>mee dat appellant persoonlijk wordt aangesproken. Voorts is het moeilijk financiering te </para>
      <para>krijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 2:179 BW mag een verklaring van geen bezwaar alleen </para>
      <para>worden geweigerd indien, voor zover hier van belang, gelet op de antecedenten van de </para>
      <para>personen die het beleid van de vennootschap zullen bepalen of mede bepalen, gevaar </para>
      <para>bestaat dat de werkzaamheden van de vennootschap zullen leiden tot benadeling van haar </para>
      <para>schuldeisers.</para>
      <para>Blijkens de Richtlijnen preventief toezicht kan worden aangenomen dat gevaar bestaat dat </para>
      <para>hetzij de vennootschap voor ongeoorloofde doeleinden zal worden gebruikt, hetzij haar </para>
      <para>werkzaamheid zal leiden tot benadeling van schuldeisers, indien gerede twijfel bestaat aan </para>
      <para>de morele of financi‰le betrouwbaarheid of integriteit van de bij de vennootschap </para>
      <para>betrokken (mede)beleidsbepalende persoon. De beoordeling hiervan vindt plaats aan de </para>
      <para>hand van een controle op criminele en financi‰le antecedenten. Relevant hierbij is of de bij </para>
      <para>de vennootschap betrokken (mede)beleidsbepalende persoon betrokken is (geweest) bij een </para>
      <para>faillissement of surseance van betaling van een rechtspersoon in de acht jaren voorafgaand </para>
      <para>aan de dagtekening van de aanvraag, dan wel na die datum doch voor de beslissing op de </para>
      <para>aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de bestreden beslissing is de verklaring van geen bezwaar geweigerd omdat gegronde </para>
      <para>redenen aanwezig worden geacht om te twijfelen aan de morele betrouwbaarheid van </para>
      <para>appellant. Dit oordeel is gebaseerd op enerzijds de betrokkenheid van appellant bij het </para>
      <para>faillissement van Erenef 2000 BV en anderzijds de betrokkenheid van appellant bij het </para>
      <para>faillissement van Rederij Rex BV.</para>
      <para>Wat betreft de betrokkenheid van appellant bij het faillissement van Erenef 2000 BV heeft </para>
      <para>verweerder in de bestreden beslissing vastgesteld dat appellant geen onbehoorlijk bestuur </para>
      <para>kan worden verweten aangezien hij vanaf de oprichting van de vennootschap op </para>
      <para>23 juli 1993 tot aan de datum van faillissement, 8 maart 1994, geen beleidsbepalende </para>
      <para>persoon is geweest. Het College begrijpt dat verweerder hiermee afstand heeft genomen </para>
      <para>van zijn aanvankelijke opvatting dat appellant als bestuurder betrokken is geweest bij het </para>
      <para>faillissement van Erenef 2000 BV.</para>
      <para>Verweerder heeft in verband met de gang van zaken voorafgaand aan het faillissement van </para>
      <para>Erenef 2000 BV twee redenen genoemd om gerede twijfel te hebben aan de morele </para>
      <para>betrouwbaarheid van appellant. Als eerste heeft verweerder genoemd zijn indruk dat het </para>
      <para>voornemen om aandelen direct na oprichting over te dragen reeds voor de oprichting van </para>
      <para>de vennootschap bij appellant bestond. De tweede reden is dat appellant betrokken is </para>
      <para>geweest bij de oprichting van v.o.f. G die zich heeft opgesteld als concurrent van Erenef </para>
      <para>2000 BV en als zodanig klanten van Erenef 2000 BV heeft overgenomen. De bestreden </para>
      <para>beslissing vermeldt hierbij de omstandigheid dat het distributiecontract dat Erenef 2000 </para>
      <para>BV met een Engelse fabrikant had gesloten op 14 januari 1994 werd be‰indigd terwijl deze </para>
      <para>fabrikant op 15 januari 1994 een distributiecontract met de VOF sloot.</para>
      <para>Het College stelt vast dat deze overwegingen van verweerder niet betreffen de financi‰le of </para>
      <para>criminele antecedenten van appellant zoals gepreciseerd in bijlage A bij de Richtlijnen </para>
      <para>preventief toezicht. De strekking van deze bijlage is, zoals kan worden afgeleid uit de </para>
      <para>formulering van de Richtlijnen preventief toezicht, evenwel slechts aan te geven welke </para>
      <para>antecedenten in ieder geval relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en de </para>
      <para>integriteit van de bij de vennootschap betrokken beleidsbepalende persoon en niet om </para>
      <para>andere in specifieke gevallen relevante omstandigheden a priori uit te sluiten.</para>
      <para>Met betrekking tot het eerste argument heeft appellant ter zitting toegelicht dat het </para>
      <para>inderdaad zijn bedoeling was zich zo snel mogelijk volledig uit de vennootschap terug te </para>
      <para>trekken. Toen medeoprichter C in de door hem gehouden aandelen daadwerkelijk </para>
      <para>ge‹nteresseerd was deed zich daartoe een door hem benutte gelegenheid voor.</para>
      <para>Vooreerst zij vastgesteld dat de aandelenoverdracht waarbij appellant partij was op zich </para>
      <para>zelf niet onrechtmatig was en zonder bijzondere nadere feiten en omstandigheden geen </para>
      <para>grondslag kan vormen voor gerede twijfel aan de integriteit van appellant.</para>
      <para>Zoals ook door verweerder is erkend betreft de op een dergelijke aandelen overdracht </para>
      <para>betrekking hebbende vraag op de ter verkrijging van een verklaring van geen bezwaar </para>
      <para>ingevulde en ingediende Vragenlijst A uitsluitend transacties als gevolg waarvan binnen </para>
      <para>een jaar na oprichting stemrecht op aandelen in de op te richten vennootschap toekomt aan </para>
      <para>anderen dan de oprichters. De handelwijze van appellant wijkt niet af van zijn </para>
      <para>beantwoording van de desbetreffende vraag.</para>
      <para>Appellant heeft uitdrukkelijk betwist van de overdracht van aandelen door C aan derden, </para>
      <para>die plaatsvond kort nadat appellant zijn aandelen aan C had overgedragen, vooraf op de </para>
      <para>hoogte te zijn geweest. Verweerder heeft zijn indruk dat reeds voor de oprichting van </para>
      <para>Erenef 2000 BV het voornemen tot deze opeenvolgende aandelenoverdrachten bestond niet </para>
      <para>nader vorm gegeven.</para>
      <para>Onder deze omstandigheden kunnen zonder nadere motivering de opeenvolgende </para>
      <para>aandelenoverdrachten geen grondslag vormen voor de conclusie van verweerder dat gerede </para>
      <para>twijfel bestaat aan de betrouwbaarheid of integriteit van de bij de vennootschap betrokken </para>
      <para>beleidsbepalende persoon zodat kan worden aangenomen dat gevaar bestaat dat de </para>
      <para>werkzaamheid van de vennootschap zal leiden tot benadeling van schuldeisers.</para>
      <para>Met betrekking tot de activiteiten van v.o.f. G stelt het College vast dat deze plaatsvonden </para>
      <para>nadat de betrokkenheid van appellant bij Erenef 2000 BV reeds geruime tijd was </para>
      <para>be‰indigd. Appellant kan geen verwijt worden gemaakt van het feit dat hij zich bewust als </para>
      <para>concurrent van Erenef 2000 BV heeft opgesteld, zelfs als dat tot mogelijk gevolg zou </para>
      <para>hebben gehad dat het faillissement van deze vennootschap is versneld.</para>
      <para>Daarbij komt dat in het verslag van 18 april 1994 van de curator met betrekking tot het </para>
      <para>faillissement van Erenef 2000 BV wordt geconstateerd dat Erenef 2000 BV feitelijk sedert </para>
      <para>eind 1994 niet meer bestond. Ook appellant heeft aangegeven dat de activiteiten van Erenef </para>
      <para>2000 BV reeds in december 1994 waren gestaakt. De feitelijke juistheid van de opvatting </para>
      <para>van verweerder dat v.o.f. G met Erenef 2000 BV zou hebben geconcurreerd staat derhalve </para>
      <para>niet vast.</para>
      <para>Zoals uit het meergenoemde verslag van de curator van Erenef 2000 BV blijkt is ook </para>
      <para>onjuist de veronderstelling van verweerder dat de distributieovereenkomst van Erenef 2000 </para>
      <para>BV met de Engelse fabrikant nagenoeg zonder onderbreking door v.o.f. G zou zijn </para>
      <para>voortgezet. Anders dan verweerder heeft gesteld is een distributieovereenkomst met v.o.f. </para>
      <para>G eerst op 15 april 1994 en niet op 15 januari 1994 gesloten.</para>
      <para>In de bestreden beslissing is derhalve evenmin genoegzaam onderbouwd dat de </para>
      <para>betrokkenheid van appellant in zijn hoedanigheid van vennoot van v.o.f. G van dien aard </para>
      <para>was dat gerede twijfel bestaat aan de betrouwbaarheid of integriteit van de bij de </para>
      <para>vennootschap betrokken beleidsbepalende persoon zodat kan worden aangenomen dat </para>
      <para>gevaar bestaat dat de werkzaamheid van de vennootschap zal leiden tot benadeling van </para>
      <para>schuldeisers.</para>
      <para>Het College is van oordeel dat de redenen die verweerder ontleent aan de gang van zaken </para>
      <para>met betrekking tot Erenef 2000 BV feitelijk onjuist zijn dan wel onvoldoende zijn gestaafd </para>
      <para>om gerede twijfel te hebben aan de morele betrouwbaarheid van appellant.</para>
      <para>Wat betreft de betrokkenheid van appellant bij het faillissement van Rex Rederij B.V. staat </para>
      <para>niettegenstaande dat appellant de vraag of hij betrokken is geweest bij een faillissement of </para>
      <para>surseance van betaling gedurende de laatste acht jaar op aanvraagformulier B ter </para>
      <para>verkrijging van een verklaring van geen bezwaar ontkennend heeft beantwoord, vast, zoals </para>
      <para>hij ter zitting heeft erkend, dat hij statutair bestuurder van deze vennootschap was op het </para>
      <para>moment van faillietverklaring en aldus betrokken is geweest bij het faillissement van een </para>
      <para>vennootschap in de acht jaar voorafgaande aan de beslissing op het verzoek om een </para>
      <para>verklaring van geen bezwaar.</para>
      <para>De enkele omstandigheid dat appellant als statutair bestuurder betrokken was bij het </para>
      <para>faillissement van een vennootschap leidt evenwel volgens de Richtlijnen preventief </para>
      <para>toezicht als weergegeven in rubriek 2.1, niet zonder meer tot de conclusie dat de financi‰le </para>
      <para>betrouwbaarheid of integriteit in het geding is.</para>
      <para>Ten aanzien van de rol van appellant bij het faillissement van Rex Rederij BV heeft </para>
      <para>verweerder in de bestreden beslissing overwogen dat de honorering (salaris en auto) van </para>
      <para>appellant als directeur in geen verhouding stond tot de omzet en dat de vennootschap ook </para>
      <para>de priv‚-telefoonrekening van de bestuurders betaalde. Verweerder meent dat deze </para>
      <para>onttrekkingen hebben bijgedragen tot het faillissement van de vennootschap in februari </para>
      <para>1995.</para>
      <para>Appellant heeft onweersproken betoogd dat enerzijds de door hem ontvangen beloning in </para>
      <para>de branche voor een dergelijke functie niet ongebruikelijk was en hij bovendien dezelfde </para>
      <para>arbeidsvoorwaarden genoot als waarvoor hij voordien bij een andere vennootschap in </para>
      <para>dienst was en anderzijds dat de bezoldiging van appellant als bestuurder van Rex Rederij </para>
      <para>BV is vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders.</para>
      <para>Ter zake van de rol van appellant bij het faillissement van Rex Rederij B.V. merkt het </para>
      <para>College op dat de curator in zijn verslag de dato 14 maart 1995 onder het kopje oorzaken </para>
      <para>en achtergronden van het faillissement naast zijn opmerkingen over de honorering van de </para>
      <para>beide directeuren, bovendien melding heeft gemaakt van een relatief belangrijke </para>
      <para>onttrekking door de enig aandeelhouder van de vennootschap ten laste van de </para>
      <para>bankrekening van Rex Rederij BV in januari 1994, van teruglopende omzet en van fraude </para>
      <para>met een omvang van $ 25.000 waarvan de vennootschap slachtoffer is geworden. Uit dit </para>
      <para>verslag blijkt dat voor het faillissement meer oorzaken waren aan te geven. Verweerder </para>
      <para>heeft ter terechtzitting aangegeven dat deze oorzaken niet afzonderlijk zijn gewogen maar </para>
      <para>dat uit de combinatie daarvan een bepaald beeld met betrekking tot appellant is ontstaan.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College kon verweerder onder deze omstandigheden niet op de in </para>
      <para>de bestreden beslissing ten aanzien van Rederij Rex BV gereleveerde gronden concluderen </para>
      <para>dat het faillissement in belangrijke mate aan appellant en diens compagnon te wijten is, in </para>
      <para>die zin dat daardoor gelet op de antecedenten van verzoeker gevaar bestaat dat de </para>
      <para>werkzaamheden van de vennootschap zullen leiden tot benadeling van de schuldeisers. In </para>
      <para>aanvulling hierop merkt het College op dat, anders dan verweerder heeft gesteld, de curator </para>
      <para>in het eerder bedoelde verslag niet tot het oordeel is gekomen dat de bestuurders, of althans </para>
      <para>appellant, zich schuldig hebben gemaakt aan onbehoorlijk bestuur.</para>
      <para>Aangezien noch hetgeen door verweerder in de bestreden beslissing is vastgesteld en </para>
      <para>overwogen ten aanzien van de betrokkenheid van appellant bij het faillissement van Erenef </para>
      <para>2000 BV noch hetgeen is vastgesteld en overwogen ten aanzien van de betrokkenheid van </para>
      <para>appellant bij het faillissement van Rex Rederij BV de conclusie rechtvaardigt dat gerede </para>
      <para>twijfel bestaat aan de betrouwbaarheid of integriteit van appellant als bij de vennootschap </para>
      <para>betrokken beleidsbepalende persoon, in die zin dat gevaar bestaat dat de werkzaamheden </para>
      <para>van de vennootschap die hij beoogt op te richten, zullen leiden tot benadeling van haar </para>
      <para>schuldeisers, is het College van oordeel dat de bestreden beslissing niet berust op een </para>
      <para>deugdelijke motivering.</para>
      <para>De conclusie is dat het beroep van appellant gegrond is en dat het bestreden besluit moet </para>
      <para>worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb, met bepaling dat </para>
      <para>verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw beslist </para>
      <para>op het bezwaarschrift.</para>
      <para>Het College acht termen aanwezig om, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, </para>
      <para>verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellant, welke op voet van </para>
      <para>het bepaalde bij het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op (1 punt voor </para>
      <para>beroepschrift plus 1« punt voor zitting en nadere zitting met wegingsfactor 1, ad fl. 710,-- </para>
      <para>per punt) fl. 1.775,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>-	bepaalt dat verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw beslist op het bezwaarschrift;</para>
      <para>-	veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van appellant, welke worden vastgesteld op fl. 1.775,-- (zegge: zeventienhonderdvijfenzeventig gulden) en dienen </para>
      <para>te worden vergoed door de Staat;</para>
      <para>-	gelast dat aan appellant het door hem gestorte griffierecht ad fl. 225,- (zegge: tweehonderdvijfentwintig gulden) wordt vergoed door de Staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door C.M. Wolters, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. C.M. Wolters	w.g. M.S. Hoppener</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>