<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0647</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T19:42:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0647</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/957</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0647">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0647</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:23:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0647 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-03-2001 / AWB 99/957</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0647:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0647:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/957					14 maart 2001</para>
      <para>	4000</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>het Bedrijfschap Schildersbedrijf, te Rijswijk, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr E.L.J. van Hal, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 22 november 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een </para>
      <para>besluit van verweerder van 5 november 1999.</para>
      <para>Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de hem door verweerder bij aanslag </para>
      <para>van 5 augustus 1999 opgelegde heffing op grond van de Verordening Bestemmingsheffing Opleidingen, Research, Promotion </para>
      <para>en Continue Werkgelegenheid 1999 (hierna te noemen: de Verordening).</para>
      <para>Verweerder heeft op 17 februari 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 31 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar appellant in persoon en verweerder bij monde van zijn </para>
      <para>gemachtigde hun standpunten nader hebben toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De artikelen 1, 2, eerste lid, en 5 van de Verordening luiden als volgt.</para>
      <para>"					Artikel 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten behoeve van nader door het bestuur van het bedrijfschap bij besluit te nemen maatregelen ter bevordering van </para>
      <para>de opleiding, research en promotie alsmede de continue werkgelegenheid wordt aan allen die een onderneming </para>
      <para>drijven, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld en waarin geen personeel werkzaam is of waarin personeel </para>
      <para>werkzaam is ten aanzien waarvan de Landelijke Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Schilders-, </para>
      <para>Afwerkings- en Glaszetbedrijf toepassing mist een heffing opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>						Artikel 2</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De in artikel 1 bedoelde heffing bestaat uit:</para>
      <para>a. een basisbedrag van f 420 per onderneming per kalenderjaar voor maatregelen ter bevordering van continue </para>
      <para>werkgelegenheid</para>
      <para>b. een basisbedrag van f  30 per onderneming per kalenderjaar voor maatregelen op het gebied van opleidingen, </para>
      <para>research en promotie</para>
      <para>alsmede</para>
      <para>c. een bedrag op grondslag van de met de onderneming, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, bereikte omzet. Het </para>
      <para>tarief bedraagt f 7,50 per duizend gulden omzet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>						Artikel 5</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Dagelijks Bestuur van het bedrijfschap is bevoegd om op een daartoe strekkend verzoek ontheffing te verlenen </para>
      <para>van de betaling van een krachtens deze Verordening opgelegde heffing, indien haar dit als gevolg van bijzondere </para>
      <para>omstandigheden redelijk danwel billijk voorkomt, alsmede in door haar bij besluit nader te bepalen categorie‰n van </para>
      <para>gevallen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College </para>
      <para>komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellant heeft een schildersbedrijf en is als zodanig geregistreerd bij verweerder.</para>
      <para>- Bij aanslag van 5 augustus 1999 heeft verweerder naast de algemene heffing op grond van de Verordening algemene </para>
      <para>heffing 1999 aan appellant een heffing opgelegd op grond van de Verordening.</para>
      <para>- Naast de basisheffing van fl. 450,-- heeft verweerder de hoogte van het omzetafhankelijke deel van de heffing vastgesteld </para>
      <para>op fl. 803,--.</para>
      <para>- Appellant heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt.</para>
      <para>- Naar aanleiding van de vele, tegen de heffing op grond van de Verordening ingediende bezwaren heeft verweerder op 19 </para>
      <para>oktober 1999 een brief gericht aan alle ondernemers in het schildersbedrijf die niet aan de schilder-CAO zijn gebonden. </para>
      <para>Bij deze brief is ten eerste medegedeeld, dat het omzetafhankelijke gedeelte van de heffing - bij wijze van </para>
      <para>overgangsmaatregel en alleen voor het jaar 1999 - wordt gehalveerd en uiteindelijk 0,375 procent zal bedragen in plaats </para>
      <para>van 0,75 procent.</para>
      <para>Ten tweede wordt aangekondigd dat ondernemers desgevraagd dispensatie zal worden verleend verlenen voor het gehele </para>
      <para>omzetafhankelijke deel van de bestemmingsheffing op grond van de Verordening indien deze ondernemers vooraf, dat </para>
      <para>wil zeggen v¢¢r 1 november 1999, verklaren dat geen gebruik zal worden gemaakt van de winterregelingen.</para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt - samengevat - onder meer het volgende in.</para>
      <para>Op grond van de overweging, dat de heffing in overeenstemming is met het bepaalde in de Verordening dienen de ingediende </para>
      <para>bezwaren in beginsel ongegrond te worden verklaard. In verband echter met de in de brief van 19 oktober 1999 verwoorde </para>
      <para>beslissingen over het omzetafhankelijke gedeelte van de heffing, wordt besloten daarvan gedeeltelijk dispensatie te verlenen.</para>
      <para>Omdat appellant verweerder heeft medegedeeld af te zien van het gebruik van de regelingen winterpremie, is hem het gehele </para>
      <para>omzetafhankelijke gedeelte van de heffing op grond van de Verordening tot een bedrag van fl. 803,-- gecrediteerd.</para>
      <para>Verweerder stelt zich op het standpunt, dat uit de bestemmingsheffing meer gefinancierd wordt dan alleen de </para>
      <para>winterpremieregelingen, zodat er geen grond bestaat om appellant een nog verdergaande dispensatie te verlenen. </para>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit </para>
      <para>aangevoerd.</para>
      <para>Verweerder scheldt appellant het omzetafhankelijke gedeelte kwijt, doch handhaaft zonder enige argumentatie de basisheffing </para>
      <para>van fl. 450,--. Dusdoende wordt naar appellants mening nog steeds een bijdrage gevraagd voor iets waar hij expliciet niet bij is </para>
      <para>betrokken. Dit druist in tegen elk rechtsgevoel. Appellant meent op grond hiervan dat ook het vaste deel van de heffing dient te </para>
      <para>vervallen.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in de Verordening is appellant over het jaar 1999 aan verweerder een heffing verschuldigd bestaande </para>
      <para>uit een vast bedrag van fl. 450,-- en een omzetafhankelijk gedeelte.</para>
      <para>Verweerder heeft bij zijn besluit van 19 oktober 1999 dit omzetafhankelijk gedeelte eerst gehalveerd en vervolgens aangegeven </para>
      <para>op welke wijze de betrokkenen ook van betaling van het resterende gedeelte konden worden vrijgesteld. Het College stelt vast, </para>
      <para>dat de houdbaarheid van deze besluitvorming in het onderhavige geding niet aan de orde is.</para>
      <para>Het huidige geding heeft uitsluitend betrekking op de vraag of verweerder op basis van de Verordening appellant mag aanslaan </para>
      <para>voor betaling van (het resterende deel van) de heffing, ook al staat vast, dat appellant verklaard heeft van de daaruit </para>
      <para>gefinancierde regelingen winterpremie geen gebruik te zullen maken.</para>
      <para>Het College beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt hiertoe het volgende.</para>
      <para>Uit het bepaalde in de artikelen 71, 93 en 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie in onderlinge samenhang gelezen blijkt dat </para>
      <para>bedrijfslichamen onder andere het gemeenschappelijk belang van de aangesloten ondernemingen en de daar werkzame </para>
      <para>personen dienen te behartigen, dat zij daartoe maatregelen mogen nemen ook op het gebied van arbeidsmarktvoorzieningen en </para>
      <para>dat zij in verband daarmee heffingen mogen opleggen aan degenen, die de ondernemingen waarvoor zij zijn ingesteld, drijven.</para>
      <para>De winterpremieregelingen zijn zonder twijfel arbeidsmarktvoorzieningen als hiervoor bedoeld, zodat verweerders bestuur </para>
      <para>door de vaststelling van de Verordening met het oog op de winterpremie niet is getreden buiten de door de Wet op de </para>
      <para>bedrijfsorganisatie gestelde grenzen. Ook overigens is niet gebleken dat verweerder buiten deze grenzen is getreden. Zoals het </para>
      <para>College meermalen heeft overwogen, kan de rechtmatigheid van een verordening als de onderhavige niet worden afgemeten </para>
      <para>aan het criterium of op het niveau van de individuele ondernemingen de verhouding tussen offer en nut van de heffing gelijk is.</para>
      <para>Gelet op het bepaalde in de Verordening is verweerder verplicht de heffing voor de daaronder vallende bedrijven op te leggen. </para>
      <para>Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval geoordeeld zou moeten worden, dat ontheffing zou moeten worden </para>
      <para>verleend van de Verordening zijn gesteld noch gebleken. In het bijzonder heeft verweerder in het enkele feit, dat appellant </para>
      <para>ervoor kiest in een bepaald jaar van bepaalde door verweerder tot stand gebrachte arbeidsmarktvoorzieningen geen gebruik te </para>
      <para>maken, geen reden hoeven vinden hem te ontslaan van de verplichting om de ter financiering van deze algemeen toegankelijke </para>
      <para>regeling opgelegde heffingen te betalen.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr C.J. Borman en mr W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als </para>
      <para>griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers					w.g. Th.J. van Gessel</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>