<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0547</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T15:09:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0547</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/98</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0547">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0547</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:23:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0547 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 15-02-2001 / AWB 99/98</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0547:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0547:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/98					15 februari 2001</para>
      <para>	11200</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr R.H.M. Wagemans, advocaat te Maastricht, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr L.P. de Wit, werkzaam ten departemente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 25 januari 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een </para>
      <para>besluit van verweerder van 14 december 1998.</para>
      <para>Onder dagtekening 6 april 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 4 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Aldaar heeft verweerder zijn standpunt nader uiteen doen </para>
      <para>zetten. Appellante heeft zich, ofschoon behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting doen vertegenwoordigen.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>Bij zijn oordeelsvorming gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>- Appellante exploiteert een transportonderneming, die zich toelegt op het vervoer van varkens. In verband met het </para>
      <para>uitbreken van de klassieke varkenspest vond ten tijde hier in geding het transport van varkens hoofdzakelijk plaats in het </para>
      <para>kader van de opkoopregeling van LASER, de overnameregeling van de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees </para>
      <para>(hierna: RVV) bij welzijnsproblemen op verdachte bedrijven en het transport van levende varkens op preventief te </para>
      <para>ruimen bedrijven.</para>
      <para>- Voor het gebied waarin de onderneming van appellante is gevestigd, gold een door verweerder op grond van artikel 30 </para>
      <para>van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwwd) uitgevaardigd vervoersverbod.</para>
      <para>- Van dat vervoersverbod kan ingevolge artikel 107 van de Gwwd ontheffing worden verleend. De verlening van zodanige </para>
      <para>ontheffingen is gemandateerd aan de directeur van de Veterinaire Dienst van de RVV.</para>
      <para>- Krachtens artikel 7.1 van het Besluit Dierenvervoer 1994 geldt als norm voor de beladingsdichtheid bij het vervoer van </para>
      <para>varkens van circa 100 kg een gewicht van ten hoogste 235 kg per vierkante meter. De overtreding van dit voorschrift is </para>
      <para>strafbaar gesteld ingevolge de Wet op de Economische Delicten.</para>
      <para>- Ontheffingen van de geldende vervoersverboden werden per individueel transport verleend. Daartoe meldden de </para>
      <para>varkenshouders de op te kopen, over te nemen of te ruimen varkens aan bij handelaren of bemiddelaars, die voor het </para>
      <para>laten verrichten van het vervoer konden kiezen uit een aantal op een lijst van de RVV ingeschreven vervoerders.</para>
      <para>- Bij schrijven van 13 mei 1997 heeft verweerder aan - onder meer - de Samenwerkende Veetransportbedrijven (hierna: </para>
      <para>SAVEETRA) het volgende te kennen gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Bij het vervoer van slachtvarkens en biggen voor de opkoopregeling, de overname van dieren van verdachte </para>
      <para>bedrijven en de afvoer van dieren van preventief te ruimen bedrijven worden nog steeds gevallen van overbelading </para>
      <para>van veewagens geconstateerd.</para>
      <para>Dit mag niet meer voorkomen.</para>
      <para>Op grond van het Besluit dierenvervoer 1994 is de vervoerder verantwoordelijk voor de toepassing van de </para>
      <para>voorschriften voor het vervoer van dieren. Dit is onverkort voor het hierboven bedoelde vervoer van toepassen. </para>
      <para>Ook de volgende situaties ontslaan de vervoerder niet van deze plicht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	het aantal dieren vermeld op de ritontheffing zou leiden tot overbelading;</para>
      <para>-	de door het planningsteam RVV opgedragen aantal te vervoeren dieren voor een rit zou leiden tot overbelading;</para>
      <para>-	de ritbegeleider, die namens RVV of Laser het vervoer begeleidt, treedt niet op tegen overbelading of tegen het </para>
      <para>laden van wrakke dieren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In al deze en dergelijke gevallen heeft de vervoerder de plicht er zelf voor te zorgen dat de beladingsgraad correct </para>
      <para>wordt toegepast en dat wrak vee niet wordt geladen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de AID is afgesproken dat vanaf heden streng zal worden opgetreden tegen overtredingen van de </para>
      <para>vervoersnormen. Bij constatering van een overtreding zal de AID proces-verbaal opmaken. Indien dezelfde </para>
      <para>vervoerder twee keer een proces-verbaal voor overtreding van het Besluit dierenvervoer 1994 krijgt aangezegd, dan </para>
      <para>wordt die vervoerder door de RVV en Laser voor 4 weken uitgesloten van vervoer voor opkoop- en </para>
      <para>overnameregeling en voor preventieve ruiming.</para>
      <para>Krijgt dezelfde vervoerder daarna opnieuw een proces-verbaal wegens overtreding van het Besluit dan wordt hij </para>
      <para>door de RVV en Laser voor de gehele varkenspestperiode van zulk transport uitgesloten."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- De Algemene inspectiedienst van verweerder heeft op 20 en 28 mei 1997 proces-verbaal opgemaakt ter zake van </para>
      <para>overtredingen door appellante van vorenomschreven beladingsnorm, gepleegd op 10, 13, 14 en 20 mei 1997. Op 20 mei </para>
      <para>1997 is met een vrachtwagen van appellante twee maal de beladingsnorm met meer dan 25 kg overschreden.</para>
      <para>- Bij schrijven van 29 mei 1997 is appellante, onder verwijzing naar het aan de SAVEETRA gericht schrijven van 13 mei </para>
      <para>1997, te kennen gegeven dat in verband met evenvermelde feiten haar bedrijf met onmiddellijke ingang wordt uitgesloten </para>
      <para>van het hiervoor genoemde vervoer van varkens, alsmede dat de maatregel geldt tot </para>
      <para>1 juli 1997 en betrekking heeft op alle veetransportmiddelen van haar bedrijf.</para>
      <para>- Tegen deze uitsluiting is vanwege appellante een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft appellante met drie anderen </para>
      <para>verzocht om een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). </para>
      <para>De president van het College heeft naar aanleiding daarvan bij uitspraak d.d. </para>
      <para>12 juni 1997, nrs. AWB 97/723 t/m 97/726 beslist tot schorsing van genoemde uitsluiting met ingang van 17 juni 1997. </para>
      <para>Die beslissing berust onder meer op de volgende overwegingen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Bij het door verweerder gevoerde beleid ter zake van de handhaving van de onderhavige voorschriften, leidt een </para>
      <para>herhaalde overtreding van de beladingsnorm zonder meer tot het opleggen van de uniforme sanctie van uitsluiting </para>
      <para>van deelname aan het vervoer van varkens voor een periode van vier weken. Dit betekent in de huidige </para>
      <para>omstandigheden het stilleggen van de onderneming voor die periode. Niet valt in te zien dat verweerder ter </para>
      <para>handhaving van de litigieuze norm niet een stringent handhavingsbeleid zou mogen hanteren. Daarbij dient echter </para>
      <para>het evenredigheidsbeginsel nauwkeurig in het oog te worden gehouden. Zonder de belangen van het dierenwelzijn </para>
      <para>uit het oog te verliezen zal daarbij ook met de belangen van de vervoerders rekening gehouden moeten worden. </para>
      <para>Tegen die achtergrond komt de president het hier gevolgde beleid te ongenuanceerd voor, nu dit niet voorziet in </para>
      <para>enige vorm van individuele beoordeling, waarbij rekening kan worden gehouden met factoren als de omvang van </para>
      <para>de onderneming, de mate waarin de norm is overschreden en dergelijke. Daarbij komt dat van de zijde van </para>
      <para>verweerder op geen enkele wijze duidelijk is gemaakt, waarom is gekozen voor een uitsluitingsperiode van juist </para>
      <para>vier weken.</para>
      <para>De president gaat ervan uit dat verweerder de behandeling van het bezwaarschrift zal benutten om zich op deze </para>
      <para>vragen te bezinnen. Hangende die behandeling behoren naar het oordeel van de president de verzoekende partijen </para>
      <para>niet vrij-uit te gaan. Daarbij is van belang dat in alle gevallen, ten tijde van het opmaken van het tweede </para>
      <para>procesverbaal nog steeds sprake was van overtredingen van de norm met meer dan 10%. Bovendien waren de </para>
      <para>verzoekende partijen er allen van op de hoogte dat ingeval voor de tweede keer proces-verbaal ter zake van de </para>
      <para>beladingsnorm tegen hen werd opgemaakt er maatregelen zouden volgen. De precieze datum waarop voor de eerste </para>
      <para>keer proces-verbaal tegen hen werd opgemaakt doet daarbij niet ter zake. Evenmin is doorslaggevend dat het bij het </para>
      <para>laden wellicht moeilijk in te schatten is hoe het gewicht in het totaal zal uitvallen; dan dienen de vervoerders maar </para>
      <para>aan de veilige kant te blijven.</para>
      <para>Alles overziende acht de president een effect van de besluiten, neerkomende op het uitsluiten van vervoer voor een </para>
      <para>periode van veertien dagen, in overeenstemming met de aard en ernst van de door verzoekende partijen begane </para>
      <para>overtredingen, zonder afbreuk te doen aan het door verweerder nagestreefde doel om inachtneming van de </para>
      <para>beladingsnorm te bereiken."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>-	Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.</para>
      <para>"	Ten aanzien van de inhoud van de besluiten merk ik nog het volgende op. Tot de regels die het welzijn van dieren </para>
      <para>beogen te bevorderen behoorden de beladingsnormen voor veevervoer, die er een bijdrage aan willen leveren dat </para>
      <para>vee vanuit welzijnsoogpunt op een verantwoorde wijze wordt vervoerd. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten behoeve van het vervoer van varkens in het kader van de opkoopregeling, de overnameregeling en van de </para>
      <para>preventieve ruiming van varkensbedrijven wordt in de gebieden waar een vervoersverbod geldt gebruik gemaakt </para>
      <para>van de mogelijkheid die artikel 107 van de Wet biedt om ontheffing te verlenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de protocollen die zijn opgesteld ten behoeve van het vervoer van varkens in ingesloten gebieden is steeds het </para>
      <para>voorschrift opgenomen dat de beladingsnorm van bij het transport betrokken voertuigen niet wordt overschreden. </para>
      <para>In bedoelde protocollen is steeds een afzonderlijke passage opgenomen waarin wordt ingegaan op de </para>
      <para>beladingsnormen. In de protocollen is eveneens aangegeven dat het niet naleven van de voorwaarden zal worden </para>
      <para>aangemerkt als een overtreding van het vervoersverbod en mee zal brengen dat nieuwe ontheffingen voor het </para>
      <para>betrokken vervoermiddel niet zullen worden verleend. Aan de protocollen is op ruime wijze bekendheid gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat er in de praktijk herhaaldelijk overtredingen van de beladingsnorm waren geconstateerd is aan de </para>
      <para>Samenwerkende Veetransporteurs (Saveetra) bij brief van 13 mei 1997 onder meer bericht dat de beladingsnorm </para>
      <para>die volgt uit het Besluit dierenvervoer 1994 ook geldt voor de transporten van varkens die met ontheffing worden </para>
      <para>verricht binnen de ingesloten gebieden.</para>
      <para>Daarbij is aangekondigd dat in de toekomst streng zal worden opgetreden tegen overtreding van de </para>
      <para>vervoersnormen, waaronder de norm voor belading. De AID zal van de betreffende overtreding proces-verbaal </para>
      <para>opmaken. Indien dezelfde vervoerder twee keer een proces-verbaal voor overtreding van het Besluit krijdt </para>
      <para>aangezegd, dan wordt die vervoerder voor vier weken uitgesloten van vervoer voor de opkoop- en de </para>
      <para>overnameregeling, alsmede voor het vervoer in het kader van de preventieve ruiming.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de processen-verbaal blijkt dat u verklaard heeft de protocollen en de brief van de RVV van 13 mei 1997 te </para>
      <para>kennen, zodat moet worden aangenomen dat Saveetra gevolg heeft gegeven aan het verzoek de inhoud van de brief </para>
      <para>van </para>
      <para>13 mei 1997 aan de leden bekend te maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast geldt dat het niet ongewoon is dat de overheid bij zijn bestuurs- en privaatrechtelijk handelen het </para>
      <para>voorkomen van strafbare feiten nastreeft. Dat is rechtens niet alleen toelaatbaar, maar ook gewenst. In zoverre </para>
      <para>diende u, ook los van protocollen en brieven, er rekening mee te houden dat in de toekomst geen ontheffingen meer </para>
      <para>zouden worden verleend indien er strafbare feiten worden geconstateerd. Dit klemt temeer wanneer het strafbare </para>
      <para>feiten betreft die in nauwe relatie staan met de ontheffingen die in casu aan de orde zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U voert aan dat de overtredingen die zijn begaan voor 15 mei 1997, het moment waarop het gewijzigde beleid ten </para>
      <para>aanzien van overbelading bekend is gemaakt, u niet kunnen worden tegengeworpen. Hierover merk ik het volgende </para>
      <para>op. Vast staat dat u in ieder geval op het moment dat de tweede overtreding is geconstateerd op de hoogte was van </para>
      <para>het feit dat er maatregelen genomen zouden worden. De omstandigheid dat het eerste procesverbaal reeds werd </para>
      <para>opgemaakt voor 15 mei 1997 maakt dat niet anders. De getroffen maatregelen werden immers in het vooruitzicht </para>
      <para>gesteld bij het herhalen van de overtreding. Op het moment dat de overtreding werd begaan waarop de maatregelen </para>
      <para>zouden volgen, was u uitdrukkelijk op de hoogte van de consequenties die dat met zich mee zou kunnen brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U stelt dat u destijds onder grote druk moest werken en dat het gewicht van de te laden varkens vaak moeilijk was </para>
      <para>in te schatten. Daarover merk ik het volgende op. Gezien de omstandigheden waaronder destijds moest worden </para>
      <para>gewerkt is het volstrekt duidelijk dat er regelmatig sprake is geweest van een hoge werkdruk. Dit neemt naar mijn </para>
      <para>oordeel echter niet weg dat de noodzakelijke werkzaamheden op verantwoorde wijze dienden te geschieden. Dat is </para>
      <para>een van de redenen waarom is gewerkt met zogenaamde protocollen. De inhoud van de protocollen is er op gericht </para>
      <para>te bevorderen dat de werkzaamheden op een verantwoorde wijze worden verricht. Uiteraard realiseer ik mij dat </para>
      <para>onder de gegeven omstandigheden het geen eenvoudige opgave was het gewicht van de varkens te schatten. Dat is </para>
      <para>ook de reden geweest dat eerst bij het overschrijden van de beladingsnorm met meer dan 25 kilogram per vierkante </para>
      <para>meter daarvan een proces-verbaal is opgemaakt. In andere gevallen is er door de Algemene Inspectiedienst alleen </para>
      <para>gewaarschuwd. Overigens merk ik op dat het in verband met eventuele moeilijkheden bij het schatten van de </para>
      <para>gewichten van de varkens het voor de hand zou liggen aan de veilige kant te blijven. Dit geldt temeer nadat er door </para>
      <para>de AID waarschuwingen waren gegeven en er reeds overtredingen waren geconstateerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de proportionaliteit van de opgelegde maatregelen merk ik het volgende op. Naar aanleiding van </para>
      <para>de uitspraak van de President van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 12 juni 1997, waarin het </para>
      <para>bestreden besluit is geschorst met ingang van 17 juni 1997, heb ik mijn beleid ten aanzien van de bij geconstateerde </para>
      <para>overbelading te treffen maatregelen gewijzigd. Het gewijzigde beleid kwam op het volgende neer. Bij de eerste </para>
      <para>geconstateerde overtreding van de beladingsgraad, waarbij de belading groter is dan 260 kilogram per vierkante </para>
      <para>meter, ontvangt de eigenaar van het transportmiddel waarmee de overtreding is begaan een waarschuwing. Bij een </para>
      <para>tweede overtreding wordt aan de transporteur gedurende veertien dagen na het begaan van de overtreding geen </para>
      <para>ontheffing meer verleend. Bij een derde overtreding wordt aan de transporteur gedurende vier weken geen </para>
      <para>ontheffing meer verleend. Een volgende overtreding leidt ertoe dat aan de transporteur voor onbepaalde tijd geen </para>
      <para>ontheffing meer wordt verleend.</para>
      <para>Doordat de te nemen maatregelen ingrijpender zijn naarmate het aantal overtredingen toeneemt en slechts ernstige </para>
      <para>overtredingen van de beladingsnorm (met meer dan 25 kg per vierkante meter) in aanmerking worden genomen, </para>
      <para>voldoen de beschreven maatregelen naar mijn oordeel aan de eis van evenredigheid. De doelstelling van het beleid </para>
      <para>is om door middel van het doen naleven van de beladingsnormen het dierenwelzijn te bevorderen. Het is </para>
      <para>uitdrukkelijk ook de verantwoordelijkheid van de bedrijfsleiding van de transportonderneming om naleving van de </para>
      <para>beladingsnorm door haar werknemers te bevorderen. Gezien het feit dat naleving van de beladingsnorm slechts </para>
      <para>steeksproefsgewijs wordt gecontroleerd, acht ik het niet onevenredig dat de eventueel op te leggen maatregelen </para>
      <para>betrekking hebben op alle transportmiddelen van een onderneming.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het voorgaande is uw bezwaar gegrond voorzover het zich richt tegen de maatregel om uw bedrijf voor vier </para>
      <para>weken uit te sluiten van ontheffingen van het vervoersverbod. Overeenkomstig het naar aanleiding van de uitspraak </para>
      <para>van de President van het College van Beroep voor het bedrijfsleven gewijzigde beleid had die periode geen vier </para>
      <para>weken, maar twee weken moeten zijn. Als gevolg van de door de President getroffen voorziening is de opgelegde </para>
      <para>maatregel feitelijk maar twee weken effectief geweest, te weten van 3 juni tot 17 juni 1997. Derhalve is geen </para>
      <para>aanleiding u te compenseren voor het feit dat u ten onrechte voor de periode van vier weken in plaats van voor twee </para>
      <para>bent uitgesloten van een ontheffing van het vervoersverbod.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het bovenstaande en overeenkomstig het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften, </para>
      <para>verklaar ik Uw bezwaarschrift gegrond voorzover het zich richt tegen de tijdsduur van de tegen u getroffen </para>
      <para>maatregelen. Voor het overige zijn uw bezwaren ongegrond."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft in beroep het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>"	In de beslissing op de bezwaarschriften wordt door de Minister impliciet erkend dat het schrijven d.d. 13 mei 1997 </para>
      <para>van de Minister van het Bedrijfschap voor Handel en Vee en aan Saveetra appellanten eerst op 15 mei 1997 heeft </para>
      <para>bereikt. In dat schrijven staat bovendien het strafstelsel aangekondigd indien dezelfde vervoerder tweemaal een </para>
      <para>procesverbaal voor overtreding van het</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Besluit Dierenvervoer 1994 krijgt aangezegd, omdat de vervoerder eerst dan door de RVV en Laser voor vier </para>
      <para>weken wordt uitgestoten van vervoer voor opkoop- en overnameregeling en voor preventieve ruiming. Bij een </para>
      <para>derde proces-verbaal terzake volgt algehele uitsluiting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van appellanten staat daarmee vast, dat de uitsluiting voor vier weken, later door uw College en in </para>
      <para>bezwaar teruggebracht naar twee weken, eerst als sanctie optreedt bij het tweede proces-verbaal. Naar het oordeel </para>
      <para>van appellanten kan niemand onder een normering- c.q. strafstelsel worden gebracht waarvan hij de inhoud niet </para>
      <para>kon kennen. Het schrijven d.d. 13 mei 1997 van de Minister met daarin de aankondiging van het strafstelsel is eerst </para>
      <para>bij appellanten en overige branchegenoten binnengekomen op 15 mei 1997 (vide produktie Saveetra).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een en ander brengt met zich dat overtredingen van v¢¢r die datum niet kunnen worden geteld als sanctie voor </para>
      <para>volgende overtredingen. De eerste overtreding ten aanzien van appellant C heeft plaatsgevonden op 13 mei 1997 en </para>
      <para>aldus kan die niet worden meegeteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Vervolgens volgt de eerstvolgende overtreding op 20 mei 1997 en de derde op 22 mei 1997.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een eventuele sanctie voor een sluitingsperiode van twee weken had eerst dan kunnen ingaan, met als gevolg dat de </para>
      <para>overige overtredingen niet zouden hebben kunnen plaatsvinden, omdat deze zouden zijn gevallen binnen de </para>
      <para>sanctietermijn van de eerste twee weken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast geldt in beginsel voor het sanctiestelsel met betrekking tot de overige appellanten, met in het bijzonder </para>
      <para>A, welke de facto slechts twee overtredingen hebben begaan op 20 mei 1997 en aldus zelfs in het aangekondigde </para>
      <para>stelsel nimmer tot algehele uitsluiting had kunnen worden gekomen, nu zij immers het sanctiestelsel eerst kenen </para>
      <para>op15 mei 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot appellant D was geen enkele maatregel mogelijk geweest, aangezien er na 13 mei slechts ‚‚n </para>
      <para>overtreding heeft plaatsgevonden, welke overtreding ook volgens het op dat moment kenbare beleid slechts had </para>
      <para>kunnen leiden tot geen maatregel. Hetzelfde geldt overigens met betrekking tot E.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naast de omstandigheid dat eerst sancties hadden mogen volgen als aangekondigd nadat de sanctiemaatregelen </para>
      <para>bekend waren gemaakt omdat het immers het moment was waarop appellanten daarmede rekening hadden kunnen </para>
      <para>houden, is ook het toegepaste sanctiebeleid te grofmazig, nu immers op geen enkele wijze rekening is gehouden </para>
      <para>met de omvang van de onderneming van appellanten, en de mate waarin de norm door appellanten is overschreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gehanteerde beleid voorziet niet in enige vorm van  individuele beoordeling, doch kent slechts een uniforme </para>
      <para>indicatie toegepaste uitsluiting van uiteindelijk na uitspraak van de President van uw College van twee weken, </para>
      <para>welke uitsluiting voor de gehele onderneming geldt, waardoor een onderneming met bijvoorbeeld maar ‚‚n </para>
      <para>vrachtwagen. In het ene geval staan er vijftien combinaties stil met dito schade, en in het andere geval slechts ‚‚n. </para>
      <para>Op deze wijze kan een sanctiebeleid niet worden toegepast. Het beleid is onvoldoende ge‹ndividualiseerd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	Het College ziet zich in dit geding allereerst geplaatst voor de vraag of eerdergenoemde uitsluiting, waarvan appellante kennis </para>
      <para>is gegeven bij schrijven van 3 juni 1997, kan worden aangemerkt als een besluit in de betekenis van artikel 1:3 van de Awb, </para>
      <para>zijnde een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.</para>
      <para>Blijkens hetgeen van de zijde van verweerder naar voren is gebracht, konden vervoerders die wilden deelnemen aan het </para>
      <para>transport van varkens in zogenoemde ingesloten gebieden en voldeden aan de ter zake geldende vereisten, zich laten registreren </para>
      <para>met het oog op de plaatsing op een lijst van de RVV, welke plaatsing betekende dat de betrokken transporteur voor iedere uit te </para>
      <para>voeren rit ontheffing verkreeg, als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van de Gwwd, van het destijds geldende vervoersverbod. </para>
      <para>Voor het transport van varkens in het gebied waar een vervoersverbod gold, werden bedrijven ingeschakeld, die voorkwamen </para>
      <para>op deze lijst. De werkwijze die in dat verband werd gevolgd, is neergelegd in protocollen van de RVV.</para>
      <para>Een uitsluiting als thans in het geding, hield in dat de betrokken onderneming (voor een bepaalde periode) werd geschrapt van </para>
      <para>voormelde lijst van bedrijven die voor het vervoer van varkens in het gebied waar een vervoersverbod gold, verzekerd waren </para>
      <para>van ontheffingen. In feite betekende zulk een uitsluiting dat de betrokken onderneming voor de duur van de schrapping van de </para>
      <para>lijst verstoken was van vervoersopdrachten als vorenomschreven. Toepassing van genoemd artikel 107, eerste lid, kon in een </para>
      <para>dergelijke situatie derhalve niet aan de orde komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College is in verband met vorenomschreven stelsel van toewijzing van varkenstransporten en de daaraan verbonden </para>
      <para>toepassing van evengenoemd artikellid, van oordeel dat een uitsluiting van dergelijke transporten als thans in het geding, een </para>
      <para>op rechtsgevolg gerichte handeling betreft, strekkende tot uitoefening van een publiekrechtelijke taak. Daarbij moet in </para>
      <para>aanmerking worden genomen dat verweerder bij het treffen van sancties als hier in geding, het belang van het in genoemd </para>
      <para>artikellid vermelde welzijn van dieren als maatstaf hanteerde.</para>
      <para>In verband met het voorafgaande komt het College tot een bevestigende beantwoording van de hiervoor geformuleerde vraag.</para>
      <para>5.2	Met betrekking tot de vraag of het bestreden besluit, waarbij de bezwaren van appellante voor zover gericht tegen de tijdsduur </para>
      <para>van de uitsluiting, gegrond zijn verklaard en de bezwaren voor het overige ongegrond zijn verklaard, de rechterlijke toetsing </para>
      <para>kan doorstaan, overweegt het College in de eerste plaats dat appellante de redelijkheid van de nadere normering die verweerder </para>
      <para>naar aanleiding van de hierboven genoemde uitspraak van de president van het College d.d. 12 juni 1997 heeft gegeven aan de </para>
      <para>toepassing van het middel van uitsluiting, wat de duur van de sanctie betreft niet heeft betwist.</para>
      <para>Wel heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het opleggen van een uitsluiting van twee weken, zulks onder meer op de grond </para>
      <para>dat zij eerst op 15 mei 1997 op de hoogte is geraakt van voornoemde brief aan de SAVREETA d.d. 13 mei 1997.</para>
      <para>Voorts acht appellante het onjuist dat in het kader van genoemd beleid, dat in geval van uitsluiting betekent dat de maatregel </para>
      <para>van toepassing is op alle transportmiddelen van de betrokken onderneming, niet is voorzien in een individuele bejegening </para>
      <para>waarbij rekening wordt gehouden met de situatie van die onderneming.</para>
      <para>Met betrekking tot eerstgenoemde grief overweegt het College dat weliswaar ten tijde van de door appellante op 10, 13 en 14 </para>
      <para>mei 1997 gepleegde overtredingen ter zake waarvan proces-verbaal is opgemaakt, het stringente in meergenoemde brief van 13 </para>
      <para>mei 1997 geformuleerde beleid niet aan haar bekend was, doch dat zodanige overtredingen destijds wel strafbare feiten </para>
      <para>opleverden ingevolge de Wet op de Economische Delicten.</para>
      <para>Voorts was appellante - zoals van de zijde van verweerder naar voren is gebracht - op </para>
      <para>15 mei 1997 op de hoogte van de maatregelen die waren aangekondigd in meergenoemd schrijven van 13 mei 1997, en kon zij </para>
      <para>derhalve tijdig haar handelwijze daarop afstemmen.</para>
      <para>In verband met het voorafgaande is het College van oordeel dat verweerder niet onjuist heeft gehandeld door bij de hantering </para>
      <para>van het thans aan de orde zijnde sanctiebeleid het proces-verbaal van 28 mei 1997 aan te merken als het tweede proces-verbaal </para>
      <para>ter zake overtreding van de beladingsnormen.</para>
      <para>Met betrekking tot de bezwaren inzake het uitsluiten van alle transportmiddelen van een onderneming onderschrijft het College </para>
      <para>de zienswijze van verweerder dat het beperken van de maatregel tot het voertuig waarmee de overtreding is begaan, een aantal </para>
      <para>minder gewenste effecten heeft. Daartoe is vanwege verweerder gesteld dat een transporteur die de beschikking heeft over </para>
      <para>betrekkelijk veel transportmiddelen, de maatregelen gedeeltelijk zou kunnen ontgaan door slechts die transportmiddelen </para>
      <para>waarmee reeds een overtreding is begaan, niet meer te zwaar te beladen, en dat een ondernemer die slechts ‚‚n of enkele </para>
      <para>transportmiddelen heeft, relatief zwaar wordt getroffen in zijn bedrijfsvoering.</para>
      <para>Het College ziet, in verband met het voorafgaande en gelet op de belangen die worden gediend met een zo uniform en effectief </para>
      <para>mogelijk sanctiebeleid, dat strekt ter voorkoming van overtreding van eerdergenoemde beladingsnormen, geen grond voor het </para>
      <para>oordeel dat verweerder door een uitsluiting van toepassing te doen zijn op alle transportmiddelen van de betrokken </para>
      <para>onderneming, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling heeft overschreden.</para>
      <para>Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep niet kan slagen.</para>
      <para>Het College acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de </para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr H.C. Cusell en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als </para>
      <para>griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. C.M. Wolters					w.g. W.F. Claessens</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>