<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0543</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T08:04:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0543</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/945</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0543">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0543</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:23:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0543 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 01-03-2001 / AWB 99/945</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0543:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0543:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(vijfde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 99/945						1 maart 2001</para>
      <para>	26100</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr M.G. van Westrenen, advocaat te Hilversum, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Regionale Directie voor de Arbeidsvoorziening Midden-Nederland, verweerster,</para>
      <para>gemachtigde: mr J. Huisman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 17 november 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een </para>
      <para>besluit van verweerster van 6 oktober 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerster de bezwaren van appellant tegen verweersters </para>
      <para>ongedateerde besluit, vervangen door verweersters besluit van 8 juni 1999, waarbij is geweigerd appellant in te schrijven als </para>
      <para>werkzoekende, ongegrond verklaard.</para>
      <para>Verweerster heeft op 17 januari 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2001. Bij die gelegenheid heeft verweerster bij monde van haar </para>
      <para>gemachtigde haar standpunt nader toegelicht. </para>
      <para>Appellant heeft het College bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De toepasselijke voorschriften</para>
      <para>	Bij artikel 69, eerste lid, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (hierna ook: de Wet), is voor zover hier van belang, bepaald dat </para>
      <para>het recht zich als werkzoekende door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te laten registreren toekomt aan:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>c. vreemdelingen die beschikken over een krachtens de Vreemdelingenwet afgegeven vergunning, welke is </para>
      <para>voorzien van een aantekening van Onze Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen </para>
      <para>beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid;"</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College </para>
      <para>komen vast te staan.</para>
      <para>- Bij het primaire besluit heeft verweerster geweigerd appellant, die de Marokkaanse nationaliteit bezit, in te schrijven als </para>
      <para>werkzoekende op de grond dat appellant niet in het bezit is van een geldige vergunning tot verblijf, waaraan geen </para>
      <para>beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid.</para>
      <para>- Tegen dit besluit heeft appellant een bezwaarschrift ingediend.</para>
      <para>- Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, waartoe onder meer het </para>
      <para>volgende is overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit.</para>
      <para>Verzoeker behoort derhalve niet tot de categorie werkzoekenden, als vermeld in artikel 69, eerste lid, aanhef en </para>
      <para>onder a en b, van de Arbeidsvoorzieningenwet 1996.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Verzoeker behoort niet tot de categorie personen, als bedoeld in artikel 69, eerste lid, aanhef en onder c, van de </para>
      <para>Arbeidsvoorzieningenwet 1969; evenmin behoort verzoeker tot de categorie van personen als bedoeld in de </para>
      <para>Algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 69, eerste lid, aanhef en onder d, van de </para>
      <para>Arbeidsvoorzieningenwet 1969.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens informatie van de Vreemdelingendienst te C beschikt verzoeker thans ook niet over een geldige </para>
      <para>vergunning tot verblijf. Uit het voorgaande volgt dan ook, dat verzoeker ten tijde van de bestreden beslissing, </para>
      <para>alsmede ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift niet in het bezit was van een (voor arbeid in loondienst) </para>
      <para>geldige vergunning tot verblijf en dat hij niet rechtmatig  in Nederland verbleef. Mitsdien kan verzoeker geen </para>
      <para>aanspraak maken op arbeidsbemiddeling en tewerkstelling in Nederland."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit </para>
      <para>aangevoerd.</para>
      <para>In 1996 heeft appellant een WW-uitkering genoten, hetgeen betekent dat hij destijds als werkzoekende ingeschreven heeft </para>
      <para>gestaan, terwijl zijn verblijfsstatus op dat moment minder stabiel was dan ten tijde van het indienen van het beroepschrift. </para>
      <para>Voorts is appellant het niet eens met verweersters stelling dat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft. Hij wijst er in dit </para>
      <para>verband op dat hij tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning bezwaar heeft gemaakt en ter zake van </para>
      <para>deze afwijzing tevens een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend en dat hij nadien niets meer heeft vernomen.</para>
      <para>Ten slotte heeft appellant het College bij brief van 17 januari 2001 medegedeeld dat hij inmiddels over een verblijfsvergunning </para>
      <para>beschikt.</para>
      <para>4.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het College stelt vast dat appellant ten tijde hier in geding - het moment waarop het bestreden besluit werd genomen - niet </para>
      <para>beschikte over een verblijfsdocument, als omschreven in artikel 69, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet. Reeds op grond </para>
      <para>hiervan kan het College tot geen andere conclusie komen dan dat aan appellant niet het recht toekwam zich als werkzoekende </para>
      <para>te laten inschrijven en - in samenhang hiermee - dat verweerster gehouden was de inschrijving van appellant als werkzoekende </para>
      <para>te weigeren. Dat appellant ten tijde hier in geding een bezwaar- en voorlopige voorzieningprocudure ter zake van de afwijzing </para>
      <para>van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning had lopen, doet hier niet aan af. Zoals het College al eerder heeft uitgesproken, </para>
      <para>te weten in onder meer zijn uitspraak van 1 november 2000, nr. 00/571, kan in deze situatie immers niet worden staande </para>
      <para>gehouden dat appellant ten tijde hier in geding een verblijfsrechtelijke status bezat die gelijk kan worden gesteld met de in </para>
      <para>evengenoemd voorschrift vermelde verblijfstitel. De omstandigheid dat appellant inmiddels een verblijfsvergunning heeft </para>
      <para>gekregen, is in dezen evenmin relevant; dit betreft een na het bestreden besluit ontstane nieuwe feitelijke situatie, die bij de </para>
      <para>beoordeling van dit besluit geen rol kan spelen.</para>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet kan slagen.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar </para>
      <para>op 1 maart 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. H.C. Cusell	w.g. mr W.F. Claessens</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>