<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0539</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T13:21:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0539</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/631 t/m 633</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002471&amp;artikel=11&amp;g=2001-03-06">Wet op de loonbelasting 1964 11</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002471&amp;artikel=12&amp;g=2001-03-06">Wet op de loonbelasting 1964 12</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0539">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0539</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:23:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0539 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 06-03-2001 / AWB 99/631 t/m 633</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0539:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0539:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Nrs.AWB 99/631 t/m 99/633				6 maart 2001</para>
      <para>	27600</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, B en C, te D, appellanten,</para>
      <para>gemachtigde: mr J. Veenendaal, te Amersfoort, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Economische Zaken, verweerder, te 's-Gravenhage</para>
      <para>gemachtigden: mr drs R.F. Jassies en mr C.M. Gajadhar, werkzaam bij verweerder</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij gelijkluidende beroepschriften, bij het College ontvangen op 29 juli 1999, is namens </para>
      <para>appellanten beroep ingesteld tegen drie besluiten van verweerder van 17 juni 1999.</para>
      <para>Bij deze, gelijkluidende, besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van </para>
      <para>appellanten, tegen de verklaring als bedoeld in artikel 11, aanhef en eerste lid, onderdeel b, </para>
      <para>van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB), die verweerder aan </para>
      <para>appellanten had afgegeven.</para>
      <para>Bij brieven van 16 augustus 1999 hebben appellanten de gronden van hun beroep </para>
      <para>aangevoerd.</para>
      <para>Op 19 oktober 1999 heeft verweerder terzake van de drie beroepen gelijkluidende </para>
      <para>verweerschriften ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van het College, gehouden op 8 februari 2001, </para>
      <para>waar appellanten niet verschenen zijn en verweerder middels zijn gemachtigden zijn </para>
      <para>standpunt nader heeft uiteengezet. </para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	In de Wet IB is onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 11</para>
      <para>1. In geval in een kalenderjaar:</para>
      <para>a. (.);</para>
      <para>b. in een onderneming die de belastingplichtige voor eigen rekening feitelijk </para>
      <para>drijft voor een bedrag van meer dan f 3700 wordt ge‹nvesteerd in niet eerder </para>
      <para>gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de </para>
      <para>belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken </para>
      <para>is verklaard dat sprake is van investeringen die door Onze Minister van </para>
      <para>Financi‰n in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en </para>
      <para>na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en </para>
      <para>Milieubeheer bij ministeri‰le regeling zijn aangewezen als investeringen die in </para>
      <para>het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen), </para>
      <para>wordt - onverminderd de toepassing van onderdeel a - op verzoek bij de </para>
      <para>aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel b, </para>
      <para>aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste </para>
      <para>gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).</para>
      <para>(.)</para>
      <para>-12. Bij ministeri‰le regeling kunnen:</para>
      <para>a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken - zo nodig </para>
      <para>afwijkende - regels worden gesteld met betrekking de in het eerste lid, eerste </para>
      <para>volzin, onderdeel b, bedoelde verklaring;"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van deze bepaling is vastgesteld de Uitvoeringsregeling energie-</para>
      <para>investeringsaftrek (hierna: de Uitvoeringsregeling), waarbij onder meer is bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 2</para>
      <para>Als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie </para>
      <para>(energie-investeringen) als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, </para>
      <para>onderdeel b, van de wet worden aangewezen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen  in </para>
      <para>bijlage 1 van deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in </para>
      <para>overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, </para>
      <para>niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de in dit artikel 2 bedoelde bijlage (hierna: de Energielijst 1998) is onder meer het </para>
      <para>volgende bepaald:</para>
      <para>"	Bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor EIA dienen tenminste te </para>
      <para>bestaan uit de bestanddelen vermeld achter 'en bestaande uit'. Indien zij uit deze </para>
      <para>bestanddelen bestaan mogen de bestanddelen vermeld achter '(eventueel)' </para>
      <para>daaraan worden toegevoegd. </para>
      <para>Tot de bestanddelen kunnen tevens gerekend worden, voorzieningen </para>
      <para>(zoals leidingen, appendages en meet- en regelapparatuur) die technisch </para>
      <para>noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan deze bedrijfsmiddelen </para>
      <para>en derhalve geen zelfstandige betekenis hebben.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(220111) Infrarood-brander voor bakkerijovens</para>
      <para>Bestemd voor: het bakken van deegproducten, en bestaande uit: infrarood-</para>
      <para>brander, regelaar."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>-	Bij daartoe bestemde formulieren, door verweerder ontvangen op 3 april 1998, </para>
      <para>hebben appellanten, die in de vorm van een vennootschap onder firma een brood- </para>
      <para>en banketbakkerij exploiteren, aanvragen gedaan om verklaringen dat de daarbij </para>
      <para>aangemelde investeringen in de bedrijfsmiddelen infrarood-branders voor </para>
      <para>bakkerijovens, onder code 220111 van de Energielijst 1998, investeringen zijn, die </para>
      <para>zijn aangewezen, als zijnde in het belang van een doelmatig gebruik van energie in </para>
      <para>de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB (hierna: energie-</para>
      <para>verklaring). Op 1 september 1998 en 19 november 1998 hebben appellanten </para>
      <para>desgevraagd verweerder nadere gegevens over de bedrijfsmiddelen verstrekt. </para>
      <para>In laatstgenoemde brief hebben appellanten aan verweerder, voor zover hier van belang, als </para>
      <para>volgt bericht:</para>
      <para>"	Volgens de brochure en telefonisch contact met zowel de heer E als de heer F </para>
      <para>van uw kantoor in februari 1998, zou zowel de infrarood-branders en regelaars </para>
      <para>als de bijkomende kosten die nodig zijn om een bedrijfsmiddel bedrijfsklaar te </para>
      <para>krijgen voor aftrek in aanmerking komen. </para>
      <para>Ons inziens is het niet mogelijk om produkten alleen te bakken met infrarood-</para>
      <para>branders en regelaars en derhalve heeft cli‰nt investeringsaftrek geclaimd over </para>
      <para>de apparatuur en kleine verbouwing die noodzakelijk was om de oven te </para>
      <para>plaatsen. Wij verzoeken u de Energie-investeringsaftrek toe te passen over het </para>
      <para>volledige bedrag genoemd in onze brief d.d. 1 september 1998."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Bij besluiten van 3 februari 1999 heeft verweerder energieverklaringen afgegeven </para>
      <para>terzake van de bedrijfsmiddelen zoals door appellanten in het kader van de </para>
      <para>Uitvoeringsregeling gemeld, in dier voege dat de investeringen voor de infrarood-</para>
      <para>branders en regelaars wel en de investeringen voor de Thermo-Powerovens niet als </para>
      <para>kosten zijn aangemerkt die in aanmerking komen voor energie-investeringsaftrek. Bij </para>
      <para>die verklaringen zijn op de door appellanten aangevraagde bedragen de kosten van </para>
      <para>die ovens in mindering gebracht.</para>
      <para>- Bij brieven van 12 maart 1999 hebben appellanten tegen deze besluiten bezwaar </para>
      <para>gemaakt.</para>
      <para>- Op 22 april 1999 zijn appellanten op hun bezwaren gehoord. </para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De bestreden besluiten</para>
      <para>Bij de bestreden besluiten is onder meer als volgt overwogen en beslist:</para>
      <para>"	Benadrukt zij hier dat de Energielijst een limitatieve opsomming bevat van </para>
      <para>bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor de energie-investeringsaftrek. </para>
      <para>(.)</para>
      <para>In mijn beslissing van 3 februari 1999 heb ik de kosten voor de infrarood-</para>
      <para>branders en regelaars aangemerkt als kosten die in aanmerking komen voor </para>
      <para>energie-investeringsaftrek. De overige door u gemelde investeringskosten heb </para>
      <para>ik niet gehonoreerd. Deze kosten hebben betrekking op de aanschaf en </para>
      <para>plaatsing   van een Becker Duo Thermo-Power Wagenoven.</para>
      <para>U stelt dat het gehele investeringsbedrag zoals dat is opgenomen op het </para>
      <para>meldingsformulier voor energie-investeringsaftrek in aanmerking kan komen. </para>
      <para>De oven kan volgens u worden aangemerkt als bestanddeel (in de zin van de </para>
      <para>Uitvoeringsregeling) van het aangewezen bedrijfsmiddel infrarood-brander. </para>
      <para>Deze mening deel ik niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens de hoorzitting gehouden in het kader van een andere bezwaarzaak, </para>
      <para>waar u tijdens de hoorzitting naar verwezen hebt, is verklaard dat de brander, </para>
      <para>technisch gezien, kan functioneren z¢nder de oven. Dit betekent dat de oven </para>
      <para>niet technisch noodzakelijk is aan de brander. Reeds hierom kan de oven niet </para>
      <para>worden aangemerkt als bestanddeel in de zin van de Regeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eveneens ben ik van mening dat niet zozeer de oven dienstbaar is aan de </para>
      <para>brander, doch dat de brander dienstbaar is aan de oven.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>In hetzelfde kader ben ik van oordeel dat de oven wel degelijk een zelfstandige </para>
      <para>betekenis heeft en derhalve niet kan worden aangemerkt als een bestanddeel </para>
      <para>van de brander.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens de hoorzitting hebt u aangegeven dat u gehandeld hebt op grond van </para>
      <para>het gestelde in de brochure en na uitlatingen van twee van mijn medewerkers. </para>
      <para>Volgens uw schrijven van 19 november 1998 is medegedeeld dat zowel de </para>
      <para>infrarood-branders en regelaars als de bijkomende kosten die nodig zijn om het </para>
      <para>bedrijfsmiddel bedrijfsklaar te krijgen, voor energie-investeringsaftrek in </para>
      <para>aanmerking komen. Ik acht deze mededeling niet in tegenspraak met mijn </para>
      <para>eerdere beslissing. Zoals hiervoor in de toelichting op de energie-</para>
      <para>investeringsaftrek is aangegeven komen alleen die investeringen in </para>
      <para>bedrijfsmiddelen in aanmerking die zijn aangewezen in de Energielijst. Onder </para>
      <para>code 220111 van deze Energielijst zijn aangewezen infraroodbranders voor </para>
      <para>bakkerijoven en de bijbehorende regelaars. De investering in deze branders en </para>
      <para>regelaars inclusief het bedrijfsklaar maken daarvan kan in aanmerking </para>
      <para>genomen worden. Dit impliceert echter niet dat de gehele oven opgevoerd kan </para>
      <para>worden. Zoals reeds eerder is opgemerkt, is tijdens de hoorzitting in het kader </para>
      <para>van de andere melding, waarnaar u hebt verwezen, verklaard dat de brander in </para>
      <para>technische zin zonder de oven kan functioneren. Daarnaast is de oven niet </para>
      <para>dienstbaar aan de brander, maar de brander is dienstbaar aan de oven."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder daaraan nog het volgende toegevoegd.</para>
      <para>De opsomming van bedrijfsmiddelen in de Energielijst 1998 heeft een limitatief karakter. </para>
      <para>Gezien dit karakter moeten de uitbreidingen restrictief worden uitgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gestelde in de aanhef van de Energielijst 1998 dat bedrijfsmiddelen of onderdelen van </para>
      <para>bedrijfsmiddelen die in aanmerking kunnen komen voor energie-investeringsaftrek </para>
      <para>tenminste dienen te bestaan uit de bestanddelen vermeld achter "en bestaande uit" en het </para>
      <para>aldaar gestelde dat tot de bestanddelen tevens kunnen worden gerekend voorzieningen </para>
      <para>(zoals leidingen, appendages en meet- en regelapparatuur) moet derhalve beperkt worden </para>
      <para>uitgelegd. </para>
      <para>4.	Het standpunt van appellanten</para>
      <para>Appellanten hebben ter ondersteuning van hun beroep - samengevat - het volgende tegen </para>
      <para>de bestreden besluiten aangevoerd.</para>
      <para>De IR-branders en procescomputers met toebehoren voor de regeling van de branders zijn </para>
      <para>aan te merken als onderdeel van de Thermo-Power Wagenoven. </para>
      <para>Ten onrechte heeft verweerder geoordeeld dat de IR-branders en regelaars afzonderlijke </para>
      <para>bedrijfsmiddelen zijn  en zelfstandig, zonder voornoemde oven, kunnen functioneren. </para>
      <para>Voorts is door verweerder ten onrechte geoordeeld dat de brander dienstbaar is aan de oven </para>
      <para>en niet andersom. Voornoemde branders kunnen technisch uitsluitend in de Thermo Power </para>
      <para>Wagenoven worden ge‹nstalleerd. De beoogde energiebesparing kan slechts worden </para>
      <para>gerealiseerd door de combinatie van de oven, de branders en de regelaars. </para>
      <para>De branders en regelaars kunnen niet zelfstandig functioneren zonder oven. Er is derhalve </para>
      <para>sprake van ‚‚n bedrijfsmiddel.</para>
      <para>Tevens moet de weigering van verweerder om de gevraagde verklaringen ten behoeve van </para>
      <para>de ovens te verstrekken onrechtmatig worden geacht, daar bij verzoekers door </para>
      <para>mededelingen aan de zijde van verweerder gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt </para>
      <para>inzake de afgifte door verweerder van bovengenoemde verklaringen ten behoeve van de </para>
      <para>ovens. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zijdens verweerder verkregen informatie terzake van de energieverklaring van de ovens </para>
      <para>is voor appellanten van doorslaggevende aard geweest bij het nemen van de </para>
      <para>(omvang van de) investeringsbeslissing. Verweerder had zich daarvan bewust dienen te </para>
      <para>zijn gelet op de duidelijke vraagstelling van appellanten. Op grond van het </para>
      <para>vertrouwensbeginsel is verweerder gehouden de energieverklaring evenzeer terzake van de </para>
      <para>ovens af te geven.</para>
      <para>Appellanten vorderen vernietiging van de bestreden besluiten onder gegrondverklaring van </para>
      <para>hun beroep.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Aan de orde is de vraag of behalve de investeringen in de brander en de regelaar ook de </para>
      <para>overige investeringen van appellanten in de Thermo-Power Wagenoven, zijn aan te merken </para>
      <para>als energie-investering in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB. Het </para>
      <para>College beantwoordt die vraag ontkennend. Dienaangaande wordt het volgende </para>
      <para>overwogen.</para>
      <para>Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling komen slechts die investeringen in </para>
      <para>(onderdelen van) bedrijfsmiddelen voor een energieverklaring in aanmerking, die zijn </para>
      <para>aangewezen in de Energielijst 1998 en die bestaan uit de in die bijlage genoemde </para>
      <para>bestanddelen. Voormeld artikel sluit naar tekst en strekking aldus investeringen uit die niet </para>
      <para>op de Energielijst 1998 voorkomen. </para>
      <para>Het College is gelet op het vorenstaande van oordeel dat uit de genoemde omschrijving in </para>
      <para>rubriek 220111 van de Energielijst 1998 voortvloeit dat, in de onderhavige gevallen, </para>
      <para>slechts de infrarood-branders en regelaars zijn aan te merken als energie-investering in de </para>
      <para>zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB en niet tevens de ovens. De ovens </para>
      <para>komen immers niet voor op de Energielijst 1998. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College is voorts van oordeel dat ook uit anderen hoofde de ovens voor de toepassing </para>
      <para>van de Uitvoeringsregeling niet kunnen worden aangemerkt als bestanddeel van een </para>
      <para>bedrijfsmiddel of van een onderdeel van een bedrijfsmiddel als bedoeld in artikel 2 van de </para>
      <para>Regeling juncto bijlage. </para>
      <para>Blijkens de Energielijst 1998 dienen onder bestanddelen tevens worden gerekend </para>
      <para>voorzieningen (zoals leidingen, appendages en meet- en regelapparatuur) die technisch </para>
      <para>noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan deze bedrijfsmiddelen en derhalve </para>
      <para>geen zelfstandige betekenis hebben. </para>
      <para>Naar het oordeel van het College kunnen de ovens niet worden gekwalificeerd als zijnde </para>
      <para>noodzakelijk voor het functioneren van de branders. In dit kader wordt door het College </para>
      <para>overwogen dat uit de stukken en uit hetgeen appellanten overigens hebben verklaard, niet </para>
      <para>is gebleken dat de branders niet zonder de meergenoemde ovens kunnen functioneren. Dat </para>
      <para>de beoogde energiebesparing slechts bereikt kan worden door de combinatie van de oven, </para>
      <para>regelaars en branders doet hier niet aan af. Evenmin leidt het standpunt van appellanten dat </para>
      <para>de infraroodbranders met de oven ‚‚n bedrijfsmiddel vormen, wat daar ook van zij, tot een </para>
      <para>ander oordeel, reeds omdat de oven niet staat vermeld op de Energielijst 1998, terwijl uit </para>
      <para>artikel 2 van de Uitvoeringsregeling voortvloeit dat ook slechts onderdelen van </para>
      <para>bedrijfsmiddelen op de Energielijst kunnen worden geplaatst. </para>
      <para>Voorts overweegt het College dat uit het bepaalde bij artikel 11, eerste lid, onder b, van de </para>
      <para>Wet IB volgt dat voor het afgeven van een energieverklaring niet alleen is vereist dat het </para>
      <para>gaat om investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie, maar </para>
      <para>ook dat die investeringen als zodanig zijn aangewezen bij ministeri‰le regeling. Dit leidt </para>
      <para>ertoe dat, nu geen algemeen verbindend voorschrift of rechtsregel is aan te wijzen, waaruit </para>
      <para>voor de regelgever enige verdere normering voortvloeit inzake het opnemen van </para>
      <para>energiebesparende bedrijfsmiddelen op de Energielijst 1998, de opsomming in deze lijst </para>
      <para>als een limitatieve moet worden beschouwd waarbij een strikte uitleg van de daarin </para>
      <para>opgenomen omschrijvingen van bedrijfsmiddelen en onderdelen van bedrijfsmiddelen past. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat verweerder in de bestreden </para>
      <para>besluiten op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat de in geding zijnde ovens </para>
      <para>niet vallen binnen de omschrijving van rubriek 220111 op de Energielijst 1998.</para>
      <para>Hetgeen appellanten tevens hebben aangevoerd stelt het College voorts voor de vraag of </para>
      <para>door mededelingen die aan verweerder kunnen worden toegerekend, bij appellanten </para>
      <para>gerechtvaardigd te achten verwachtingen zijn gewekt die verweerder in dier voege had </para>
      <para>behoren te honoreren, dat hij aan appellanten bedoelde energieverklaring had behoren af te </para>
      <para>geven. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het </para>
      <para>volgende. </para>
      <para>Hetgeen namens appellanten naar voren is gebracht, kan naar het oordeel van het College </para>
      <para>geen grond bieden aan de opvatting dat daardoor bij hen rechtens te eerbiedigen </para>
      <para>verwachtingen zijn gewekt ten aanzien van de afgifte van de verklaringen. In een brief van </para>
      <para>19 november 1998 van appellanten aan verweerder is gesteld dat medewerkers van </para>
      <para>verweerder in februari 1998 aan appellanten hebben gezegd dat zowel de infrarood-</para>
      <para>branders en regelaars als de bijkomende kosten die nodig zijn om het bedrijfsmiddel </para>
      <para>bedrijfsklaar te krijgen, voor aftrek in aanmerking kwamen. Hieruit blijkt niet dat zijdens </para>
      <para>verweerder is gesteld dat de kosten van de oven aan dit criterium zouden voldoen. </para>
      <para>Integendeel, in deze brief bepleiten appellanten juist dat het criterium aldus moet worden </para>
      <para>toegepast dat ook de kosten van de oven voor aftrek in aanmerking zouden komen. De </para>
      <para>gesprekken die appellanten met verweerder hebben gehad en waaraan in de brief van </para>
      <para>appellanten van 19 november 1998 wordt gerefereerd, rechtvaardigt derhalve niet een in </para>
      <para>rechte te beschermen vertrouwen dat ook de ovens voor energieaftrek in aanmerking </para>
      <para>zouden komen. </para>
      <para>Hieruit volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr J.A. Hagen en </para>
      <para>mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen						w.g. I.K. Rapmund</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen een uitspraak waarin de begrippen "investeren" en "bedrijfsmiddelen" worden toegepast kan beroep </para>
      <para>in cassatie worden ingesteld. Verwezen wordt naar de aanbiedingsbrief bij deze uitspraak.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>