<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0538</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T15:03:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0538</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/627</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0538">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0538</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:22:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-03-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0538 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 01-03-2001 / AWB 99/627</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0538:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0538:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(vijfde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 99/627					1 maart 2001</para>
      <para>	26000</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
      <para>A, te B, appellant,</para>
      <para>gemachtigde: C, werkzaam bij appellante, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Algemene Directie voor de Arbeidsvoorziening, verweerster,</para>
      <para>gemachtigde: mr D. Wekker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 28 juli 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 juli 1999.</para>
      <para>Onder dagtekening 5 november 1999 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Bij brieven 3 januari 2001 en 9 januari 2001 heeft appellante nadere stukken in het geding </para>
      <para>gebracht.</para>
      <para>Op 18 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaats gehad, waar partijen hun </para>
      <para>standpunten nader hebben uiteengezet.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>Bij zijn oordeelsvorming gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>- Bij schrijven van 30 november 1998 heeft appellante zich gericht tot het </para>
      <para>Arbeidsbureau Apeldoorn met de mededeling dat haar administratie had verzuimd </para>
      <para>tijdig verklaringen als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelastingen en </para>
      <para>premie voor de volksverzekeringen (hierna: Wva), aan te vragen met betrekking tot </para>
      <para>een aantal langdurig werklozen die bij haar in dienst waren getreden, en heeft </para>
      <para>appellante in verband met het financi‰le belang bij het verkrijgen van zodanige </para>
      <para>verklaringen verzocht alsnog tot afgifte daarvan over te gaan.</para>
      <para>- Naar aanleiding van een telefoongesprek, dat een werknemer van appellante, D, met </para>
      <para>een medewerkster van het arbeidsbureau heeft gevoerd op 4 maart 1999, is appellante </para>
      <para>in de persoon van D bij schrijven van gelijke datum vanwege het arbeidsbureau </para>
      <para>verzocht de aanvraag om afgifte van verklaringen als vorenbedoeld, binnen 14 dagen </para>
      <para>in te dienen.</para>
      <para>- Bij brief van - eveneens - 4 maart 1999 heeft D namens appellante een aanvraag met </para>
      <para>bijbehorende bescheiden aan het arbeidsbureau toegezonden.</para>
      <para>- Het arbeidsbureau heeft appellante in een schrijven d.d. 1 april 1999, ter attentie van </para>
      <para>D, mededeling gedaan omtrent het aantal personen voor wie een verklaring kon </para>
      <para>worden gevraagd.</para>
      <para>- De Regionale Directie voor de Arbeidsvoorziening heeft appellante bij schrijven van </para>
      <para>7 april 1999 het volgende te kennen gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Namens de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, gelet op het bepaalde in artikel 9, </para>
      <para>eerste lid, WVA en het mandaatbesluit WVA van de Algemene Directie voor </para>
      <para>de Arbeidsvoorziening van 5 maart 1997, heb ik besloten uw aanvraag niet in </para>
      <para>behandeling te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De reden hiervoor is dat uw aanvraag niet binnen de wettelijk gestelde termijn </para>
      <para>van twee maanden na aanvang van de dienstbetrekking (volgens artikel 2, </para>
      <para>Uitvoeringsregeling langdurig werklozen) bij ons is ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hierbij ontvangt u de aanvraag retour.</para>
    <para />
    <para>Ik hoop u hiermee voldoende te hebben ge‹nformeerd."</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Genoemd schrijven, gesteld ter attentie van D, was - naar op grond van de </para>
      <para>gedingstukken en het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen - tezamen </para>
      <para>met stukken betreffende de toepassing van de Wva, die waren bestemd voor </para>
      <para>appellantes medewerker E gevoegd in een envelop, waarvan het venster de naam van </para>
      <para>appellante en die van E toonde.</para>
      <para>-	Nadat het arbeidsbureau D, naar aanleiding van diens vraag aangaande het uitblijven </para>
      <para>van een beslissing op eerdervermelde verzoeken, mededeling had gedaan omtrent de </para>
      <para>verzending van genoemd stuk d.d. 7 april 1999, heeft appellante, nadat het stuk bij E </para>
      <para>was achterhaald, appellante tegen de daarin vervatte afwijzing een bezwaarschrift </para>
      <para>ingediend.</para>
      <para>-	Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het bezwaarschrift van appellante </para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn van zes weken </para>
      <para>welke in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is gesteld voor </para>
      <para>indiening van een bezwaarschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.</para>
      <para>"	De Algemene Directie stelt vast dat de bestreden beslissing gericht aan </para>
      <para>verzoekster ter attentie van de heer D (met het adres postbus F) tijdig in het </para>
      <para>bezit was van verzoekster. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan niet </para>
      <para>verantowoordelijk worden gehouden voor het feit dat de bestreden beslissing </para>
      <para>niet tijdig in het bezit is gekomen van de juiste contactpersoon </para>
      <para>(de heer D) binnen de organisatie van verzoekster. Dit is immers terug te </para>
      <para>voeren op de wijze waarop verzoekster gestalte geeft aan haar bedrijfsvoering. </para>
      <para>In dit geval met name de wijze waarop de afhandeling van poststukken </para>
      <para>plaatsvindt door medewerk(st)ers die post ontvangen welke niet voor hem of </para>
      <para>haar is bestemd. De gevolgen van de niet tijdige doorgeleiding van poststukken </para>
      <para>binnen de organisatie van verzoekster, dienen voor haar rekening en risico te </para>
      <para>komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen verzoekster omtrent de termijnoverschrijding van haar bezwaarschrift </para>
      <para>heeft gesteld kan niet leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding </para>
      <para>verschoonbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het grote (191) aantal medewerkers ten behoeven van wie een </para>
      <para>verklaring langdurige werkloze ingevolgde de Wet is geweigerd, heeft de </para>
      <para>Algemene Directie kennis genomen van de inhoud van de primaire beslissing </para>
      <para>alsmede van de bezwaren van verzoekster. Dit geeft aanleiding tot de volgende </para>
      <para>overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven </para>
      <para>dient aan de termin van artikel 2, van de ULW, strikt de hand te worden </para>
      <para>gehouden. Slechts indien bijzondere omstandigheden zulks rechtvaardigen </para>
      <para>wordt een termijnoverschrijding verschoonbaar geacht.</para>
      <para>De keuze van verzoekster voor haar, thans voormalige, hoofd financi‰le zaken </para>
      <para>als degene die verantwoordelijk si voor het co”rdineren en indienen van de </para>
      <para>onderhavige WVA-aanvragen, is terug te voeren op de wijze waarop </para>
      <para>verzoekster gestalte geeft aan haar bedrijfsvoering binnen haar organisatie. Dit </para>
      <para>is een aangelegenheid die geheel voor rekening en risico van verzoekster komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het argument van verzoekster dat voor haar organisatie de </para>
      <para>afdrachtvermindering financieel noodzakelijk is, omdat zij slechts een beperkt </para>
      <para>budget tot haar beschikking heeft, merkt de Algemene Directie op dat de Wet </para>
      <para>niet voorziet in een hardheidsclausule. De Wet is een stimuleringsmaatregel en </para>
      <para>voorziet slechts in objectieve criteria die gelijkduidend zijn voor een ieder. </para>
      <para>Derhalve kan geen onderscheid worden gemaakt naar achtergrond en de </para>
      <para>situatie van de aanvrager. Dit zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel. Dat </para>
      <para>de bestreden beslissing voor verzoekster mogelijk verderstrekkende gevolgen </para>
      <para>heeft, doet aan het voorgaande niet af."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep, samengevat weergegeven, onder meer </para>
      <para>het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Het kan appellante niet euvel worden geduid dat E, die zich als salarisadministrateur bezig </para>
      <para>houdt met de afhandeling van lopende zaken betreffende de uitvoering van de Wva, </para>
      <para>eerdergenoemde aan hem gericht envelop, waarin zich aan hem gerichte stukken bevonden </para>
      <para>aangaande dergelijke zaken die geen spoedeisend karakter hadden, na vluchtige </para>
      <para>bestudering ter afhandeling op een later tijdstip, terzijde heeft gelegd en geen aandacht </para>
      <para>heeft besteed aan het zich achter de voor hem bestemde stukken bevindende document </para>
      <para>betreffende de afwijzing van de aanvraag om afgifte van verklaringen ingevolge de Wva.</para>
      <para>Naar de mening van appellante had verweerster in verband met de aard van het onderwerp </para>
      <para>en de omstandigheid dat de contacten werden onderhouden met D, de primaire beslissing </para>
      <para>in een afzonderlijke aan hem gerichte envelop behoren te versturen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Met betrekking tot het voorafgaande overweegt het College dat, nu moet worden </para>
      <para>vastgesteld dat het bezwaarschrift van appellante te laat is ingediend, nagegaan dient te </para>
      <para>worden of niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift achterwege had behoren te </para>
      <para>blijven op de in artikel 6:11 van de Awb genoemde grond, dat redelijkerwijs niet kan </para>
      <para>worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.</para>
      <para>Het College is tot een bevestigende beantwoording van de hiervoor geformuleerde vraag </para>
      <para>gekomen en heeft daarbij in overweging genomen:</para>
      <para>- dat de correspondentie, betreffende vorenomschreven - vertraagde - aanvragen om </para>
      <para>verklaringen ingevolge de Wva, tussen het arbeidsbureau en appellante is gelopen via D;</para>
      <para>- dat het aan D gerichte document van 7 april 1999, dat geacht kan worden een besluit te </para>
      <para>bevatten op evenbedoelde aanvraag, gezien de hiervoor weergegeven tekst van dit </para>
      <para>document niet duidelijk de kenmerken vertoont van een zodanig besluit, daarbij mede in </para>
      <para>aanmerking genomen dat het document geen vermelding bevat van de mogelijkheid van </para>
      <para>indiening van een bezwaarschrift en uit de gedingstukken niet is gebleken dat appellante </para>
      <para>daarop overigens is gewezen;</para>
      <para>- dat genoemd document zich bevond in een aan E gerichte envelop, die voor het overige </para>
      <para>stukken bevatte inzake de uitvoering van de Wva, die bestemd waren voor E en geen </para>
      <para>spoedeisend karakter hadden;</para>
      <para>- dat onder deze omstandigheden niet kan worden gesproken van een toereikende </para>
      <para>bekendmaking van het primaire besluit aan appellante en het niet ondernemen van actie </para>
      <para>door E na ontvangst van genoemd document, niet als een rechtens relevant verzuim aan </para>
      <para>appellante valt toe te rekenen;</para>
      <para>- dat appellante aanstonds nadat van het bestaan van het document was gebleken, een </para>
      <para>bezwaarschrift heeft ingediend.</para>
      <para>Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat verweerster ten onrechte heeft beslist tot </para>
      <para>niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift van appellante, en dat derhalve het </para>
      <para>bestreden besluit niet in stand kan blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In verband hiermede dient ingevolge artikel 8:74 van de Awb het door appellante betaalde </para>
      <para>griffierecht te worden vergoed.</para>
      <para>Voor toepassing van artikel 8:75 acht het College ten slotte geen termen aanwezig, nu niet </para>
      <para>is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>-	bepaalt dat het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van Ÿ 450,-- aan haar wordt vergoed door de Arbeidsvoorzienigsorganisatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr H.C. Cusell in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. H. C. Cusell	w.g. W.F. Claessens</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>