<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0536</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T11:16:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0536</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/577</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0536">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0536</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:22:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0536 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 08-03-2001 / AWB 99/577</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0536:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0536:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/577						8 maart 2001</para>
      <para>	33000</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr F. Knoef, advocaat te 's-Gravenhage,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, </para>
      <para>te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr F.A.G. van Kuijen, werkzaam bij het ministerie van verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 5 juli 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 juli 1999 waarbij is beslist </para>
      <para>op de bezwaren van appellante tegen een besluit van verweerder van 9 december 1997 tot </para>
      <para>weigering van aanwijzing van een diploma op grond van artikel 9, eerste lid, onder j, van </para>
      <para>de Wet op de architectentitel.</para>
      <para>Bij brief van 27 oktober 1999 heeft appellante het beroepschrift nader gemotiveerd.</para>
      <para>Op 31 januari 2000 is een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 17 november 2000 heeft verweerder een nadere memorie ingediend.</para>
      <para>Op 30 november 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben </para>
      <para>hierbij hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader toegelicht. Tevens waren </para>
      <para>appellante in persoon en dr H.A. Groeneveld, directeur van de Stichting Bureau </para>
      <para>Architectenregister, aanwezig.</para>
      <para>2.	Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder</para>
      <para>Met betrekking tot de inhoud van  het bestreden besluit volstaat het hier te vermelden dat </para>
      <para>verweerder bij dit besluit de bezwaren van appellante ongegrond heeft verklaard. Met </para>
      <para>betrekking tot de kwalificatie van de aanwijzing van een diploma op grond van artikel 9, </para>
      <para>eerste lid, onder j, van de Wet op de architectentitel heeft verweerder in zijn  memorie van </para>
      <para>17 november 2000 het volgende opgemerkt:</para>
      <para>"	Met het oog op uw uitspraken van 19 april 2000 in de zaken van</para>
      <para>F.L.M. van Rossum (kenmerk: AWB 98/1214) en A.H. Yousoufi (kenmerk: </para>
      <para>AWB 98/1294), waarin u heeft bepaald dat de aanwijzing door mij van een </para>
      <para>diploma op grond van artikel 9, eerste lid, onder j, van de Wet dient te worden </para>
      <para>aangemerkt als de vaststelling van een algemeen verbindend voorschrift, en </para>
      <para>gelet op een mogelijke vernietiging door uw College van mijn bestreden besluit </para>
      <para>in onderhavige zaak voer ik, om voormelde reden het volgende aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State </para>
      <para>van 12 juni 1995 in de zaak J.C. Carvalho Fernandes (kenmerk: R01.93.2602), </para>
      <para>die ik als bijlage 1 bij deze brief voeg, in welke zaak eveneens een aanwijzing </para>
      <para>door (destijds) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van een </para>
      <para>Braziliaans architectendiploma op grond van artikel 9, eerste lid, onder j, van </para>
      <para>de Wet aan de orde was, volgt logischerwijs dat de Afdeling van mening is dat </para>
      <para>het hier betreft een beschikking in de zin van de voormalige Wet </para>
      <para>Administratieve rechtspraak overheidsbeslissingen (hierna: Wet AROB), nu de </para>
      <para>Afdeling het bestreden besluit zonder meer inhoudelijk heeft beoordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het behoeft mijns inziens gelet op de opzet en strekking van de Algemene wet </para>
      <para>bestuursrecht geen nader betoog dat er van dient te worden uitgegaan dat wat </para>
      <para>onder de voormalige Wet AROB een (appellabele) beschikking was, op grond </para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht een appellabel besluit is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook vanuit de rechtsliteratuur met betrekking tot het beschikkingsbegrip is </para>
      <para>goed verdedigbaar dat een besluit op grond van artikel 9, eerste lid, onder j, van </para>
      <para>de Wet een beschikking betreft.</para>
      <para>Zo ben ik van mening dat het object van het onderhavige besluit, het diploma </para>
      <para>van de betreffende opleiding, zodanig concreet is dat het besluit toch als een </para>
      <para>beschikking dient te worden beschouwd. Een vergelijking doet zich hier voor </para>
      <para>met de zogenaamde statusverlenende of zaaksgerichte beschikking. Overigens </para>
      <para>wijs ik in dit verband tevens nog op de Wet op de erkende onderwijs-</para>
      <para>instellingen, waarin in artikel 26, tweede lid, van die wet wordt bepaald dat de </para>
      <para>beschikking tot verlening van een erkenning c.q. de intrekking of afwijzing van </para>
      <para>een verzoek om erkenning door de Minister (van Onderwijs, Cultuur en </para>
      <para>Wetenschappen) bekend wordt gemaakt in de Staatscourant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bovendien wordt juist de omstandigheid die uw college vermeldt onder punt 5 </para>
      <para>in de beoordeling van het geschil, namelijk dat de aanwijzing in de praktijk </para>
      <para>sterk omlijnd is, in de literatuur als van doorslaggevend belang aangemerkt </para>
      <para>voor het kwalificeren van een besluit als beschikking. De aanwijzing geldt in </para>
      <para>onderhavig geval voor een gesloten groep personen, namelijk slechts die </para>
      <para>personen die in het jaar 1985 aan de Universiteit Federal de Pernambuco te </para>
      <para>Recife, Brazili‰ hetzelfde eind-diploma hebben behaald als appellante.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Subsidiair, voor het geval uw College anders dan hierboven betoogd geen </para>
      <para>beschikking aanwezig acht, zou ik willen stellen dat sprake is van een besluit </para>
      <para>van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, en </para>
      <para>derhalve onder de Algemene wet bestuursrecht ook onder de rechtsmacht van </para>
      <para>uw College valt. Onderhavig besluit heeft weliswaar bepaalde algemene </para>
      <para>aspecten, maar voldoet mijns inziens niet aan twee elementen die in de </para>
      <para>literatuur als kenmerken van een algemeen verbindend voorschrift worden </para>
      <para>gezien, namelijk de algemeenheid van de groep geadresseerden en de </para>
      <para>abstractheid van het voorschrift -de toepasbaarheid op een open groep van </para>
      <para>gevallen- (vergelijk p. 253 van Van Wijk/Konijnenbelt en Van Male, </para>
      <para>hoofdstukken van bestuursrecht, elfde druk, 1999). Bij onderhavige besluit is </para>
      <para>sprake van een gesloten groep.</para>
      <para>Uit de door uw College aangehaalde passage van de Memorie van Toelichting </para>
      <para>bij het betreffende artikel uit de Wet en de inhoud van de overige onderdelen </para>
      <para>van het artikel van de Wet is naar mijn mening niet op te maken wat de aard </para>
      <para>van het op artikel 9, eerste lid, onder j, gebaseerde besluit is of wat de </para>
      <para>bedoeling van de wetgever daarbij was. Mijns inziens is het niet ongebruikelijk </para>
      <para>dat in ‚‚n wetsartikel algemene, als het ware direct werkende, regels worden </para>
      <para>gegeven in combinatie met het cre‰ren van een bevoegdheid van de Minister </para>
      <para>om bij beschikking (subsidiair besluit van algemene strekking) in concrete </para>
      <para>gevallen hetzelfde resultaat te bewerkstelligen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte moet worden geconstateerd dat de benadering van uw College zoals </para>
      <para>die naar voren komt in eerdergenoemde uitspraken van 19 april jl., als resultaat </para>
      <para>heeft dat voortaan in zulke -gelijke- gevallen, een beroep op de burgerlijke </para>
      <para>rechter als restrechter dient te worden gedaan. Ik vrees echter dat een dergelijk </para>
      <para>beroep bij voorbaat als tamelijk kansloos moet worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor succes is immers nodig dat de burgerlijke rechter niet alleen de Staat zou </para>
      <para>moeten gebieden een algemeen verbindend voorschrift tot stand te brengen, </para>
      <para>maar bovendien de precieze inhoud daarvan zou moeten bepalen. Dit klemt te </para>
      <para>meer daar uit het Europese recht, het geldende maar in ieder geval het komende </para>
      <para>recht (zie artikel 11 in het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van de </para>
      <para>richtlijnen 89/48/EEG en 92/91/EEG betreffende het algemeen stelsel van </para>
      <para>erkenning van beroepskwalificaties en tot aanvulling van ondermeer de </para>
      <para>richtlijn 85/384/EEG, gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 20/2000, door de </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Raad vastgesteld op 20 maart 2000, Pb C119/1: "a right of appeal before the </para>
      <para>courts under national law") voor gevallen vergelijkbaar met het onderhavige </para>
      <para>dwingt tot een recht van beroep. Zonder te willen stellen dat een beroep op de </para>
      <para>burgerlijke rechter als ontoereikend moet worden beschouwd is mijns inziens </para>
      <para>evident dat binnen het Nederlandse stelsel van rechtsbescherming vragen als </para>
      <para>die in het onderhavige beroep aan de orde zijn bij de bestuursrechter thuis </para>
      <para>horen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Om redenen waarvan hierna zal blijken, kan weergave van het standpunt van appellante </para>
      <para>achterwege blijven. </para>
      <para>4.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>In zijn uitspraken van 19 april 2000 (AB 2000, nr. 471) heeft het College beslist dat de </para>
      <para>aanwijzing van een diploma door verweerder moet worden gekwalificeerd als de </para>
      <para>vaststelling van een algemeen verbindend voorschrift. In hetgeen door verweerder in zijn </para>
      <para>memorie van 17 november 2000 is aangevoerd, ziet het College geen aanleiding op dit </para>
      <para>recent door het College ingenomen standpunt terug te komen. De omstandigheid dat de </para>
      <para>Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het verleden over de onderhavige </para>
      <para>kwestie - overigens ongemotiveerd - een keer anders heeft geoordeeld, biedt hiervoor </para>
      <para>onvoldoende grondslag. Overigens komt het betoog van verweerder er in wezen op neer </para>
      <para>dat in dit geval ook een andere waardering van de verschillende elementen die het </para>
      <para>onderscheid tussen algemeen verbindende voorschriften en andere besluiten markeren, </para>
      <para>denkbaar zou zijn. Zulks is evenmin voldoende om terug te komen op de recent door het </para>
      <para>College - gemotiveerd - gemaakte keuze.</para>
      <para>Het is de uitdrukkelijke wens van de wetgever geweest dat algemeen verbindende </para>
      <para>voorschriften niet rechtstreeks voor beroep bij de bestuursrechter vatbaar zouden zijn. De </para>
      <para>omstandigheid dat bij de rechtstreekse toetsing van algemeen verbindende voorschriften de </para>
      <para>burgerlijke rechter in beeld komt, is hiervan het onvermijdelijk gevolg en is reeds daarom </para>
      <para>niet van betekenis bij de beoordeling van de vraag of een bepaald besluit al dan niet als een </para>
      <para>algemeen verbindend voorschrift moet worden aangemerkt.</para>
      <para>Gelet op het vorenoverwogene had verweerder de bezwaren van appellante niet-</para>
      <para>ontvankelijk moeten verklaren.</para>
      <para>Het beroep moet daarom gegrond  worden verklaard en het bestreden besluit moet worden </para>
      <para>vernietigd. Het College ziet aanleiding, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de </para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien en de bezwaren van appellante </para>
      <para>alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.</para>
      <para>Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van </para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>-	verklaart de bezwaren van appellante niet-ontvankelijk;</para>
      <para>bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit en</para>
      <para>-	bepaalt dat de Staat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van </para>
      <para>fl. 225,-- (zegge: tweehonderdvijfentwintig gulden) vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. H.G. Lubberdink			w.g. F.W. du Marchie Sarvaas</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>