<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0535</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T15:03:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0535</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/532</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0535">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0535</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:22:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0535 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 07-03-2001 / AWB 99/532</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0535:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0535:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/532							7 maart 2001</para>
      <para>	7710</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellante,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>Hoofdproductschap Akkerbouw, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr E.R Kleijwegt en mr G.P. Jansen, beiden werkzaam bij verweerder. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 14 juni 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een </para>
      <para>besluit van verweerder van 3 mei 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen een brief van verweerder van 24 november 1997 </para>
      <para>alsmede circulaires van verweerder van november en december 1997 en juli 1998.</para>
      <para>Bij schrijven van 12 oktober 1999 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.</para>
      <para>Verweerder heeft op 29 november 1999 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 13 december 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Verweerder heeft daar bij monde van zijn gemachtigden </para>
      <para>zijn standpunt nader toegelicht. Appellante is niet ter zitting verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Bij Verordening (EEG) nr. 1725/79, zoals nadien gewijzigd, heeft de Commissie de uitvoeringsbepalingen vastgesteld inzake </para>
      <para>de toekenning van steun voor tot mengvoeder verwerkte ondermelk en voor magere-melkpoeder bestemd voor kalvervoeding.</para>
      <para>Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Beschikking denaturatie- en verwerkingssteun magere melkpoeder 1980 (hierna: de </para>
      <para>Beschikking), zoals nadien gewijzigd, wordt de steun ter zake van de verwerking van mager melkpoeder of ondermelk </para>
      <para>verleend door verweerder. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat de steun wordt verleend naar de onderscheidingen en </para>
      <para>maatstaven en onder de beperkingen en voorwaarden, die in Verordening (EEG) nr. 804/68, de ter uitvoering daarvan </para>
      <para>vastgestelde of vast te stellen verordeningen dan wel bij of krachtens deze beschikking zijn gesteld.</para>
      <para>De artikelen 11 tot en met 15 van de Beschikking bevatten nadere regels met betrekking tot de steunverlening voor de </para>
      <para>verwerking van magere melkpoeder en ondermelk tot melkpoeder.</para>
      <para>In het kader van de toepassing van voormelde regelgeving heeft verweerder de Steunregeling voor de verwerking van magere </para>
      <para>melkpoeder en ondermelk in mengvoeder (Verordening (EEG) nr. 1725/79) opgesteld (hierna: de steunregeling), die, evenals </para>
      <para>de wijzigingen daarop, bij wege van circulaire aan de ingevolge artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 1725/79 in Nederland </para>
      <para>erkende bedrijven wordt toegezonden.</para>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College </para>
      <para>komen vast te staan.</para>
      <para>- Bij brief van 24 november 1997 heeft verweerder aan appellante interpretaties toegezonden met betrekking tot de </para>
      <para>steunregeling. Hierbij heeft verweerder meegedeeld dat deze interpretaties op korte termijn per circulaire aan de sector </para>
      <para>worden meegedeeld.</para>
      <para>- Bij brief van 28 november 1997 heeft appellante tegen voormelde brief bezwaar gemaakt. </para>
      <para>- Bij circulaire nr. 8502 van 27 november 1997 heeft verweerder belanghebbenden op de hoogte gesteld van aanpassingen </para>
      <para>en verduidelijkingen van de steunregeling, die betrekking hebben op de volgende onderdelen:</para>
      <para>- de procedure bij geconstateerde lebweibesmetting (en andere afwijkingen);</para>
      <para>- de herverwerking van kunstmelkvoeder;</para>
      <para>- de vermelding van het percentage magere melkpoeder op verpakkingen van kunstmelkvoeder;</para>
      <para>- het gehalte magere melkpoeder in mengsels;</para>
      <para>- meer- en minderverwerking.</para>
      <para>- Bij circulaire nr. 8513 van 12 december 1997 heeft verweerder meegedeeld dat de ingangsdatum van het bepaalde in </para>
      <para>circulaire nr. 8502 nader wordt bepaald op </para>
      <para>1 januari 1998.</para>
      <para>- Bij brief van 15 januari 1998 heeft appellante haar bezwaarschrift aangevuld, onder mededeling dat dit tevens is gericht </para>
      <para>tegen beide voormelde circulaires.</para>
      <para>- In aansluiting op circulaire 8502 heeft verweerder bij circulaire 8705 van </para>
      <para>15 juli 1998 aan belanghebbenden, onder verwijzing naar het feit dat in Verordening 1725/79 is bepaald dat het onder de </para>
      <para>steunregeling geproduceerde kunstmelkvoeder v¢¢r het stadium van de eindverwerker niet mag worden verwerkt of </para>
      <para>gemengd, meegedeeld onder welke voorwaarden herverwerking mag plaatsvinden.</para>
      <para>- Bij brief van 27 juli 1998 heeft verweerder appellante er op gewezen dat circulaire 8705 een wijziging inhoudt van de </para>
      <para>eerder bij brief van 24 november 1997 en circulaire 8502 gedane mededeling over steunwaardige herverwerking en dat, </para>
      <para>voor zover deze mededeling kan worden beschouwd als een besluit, het bezwaar van appellante ingevolge artikel 6:19, </para>
      <para>eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht wordt mede gericht te zijn tegen de wijziging.</para>
      <para>- Appellante heeft haar bezwaarschrift nader toegelicht.</para>
      <para>- Bij circulaire 8721 van 28 juli 1998 heeft verweerder aan belanghebbenden een nieuwe versie van de steunregeling </para>
      <para>toegezonden. Hierin zijn de wijzigingen, waarover de belanghebbenden eerder bij separate circulaires zijn ge‹nformeerd, </para>
      <para>opgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op 27 januari 1999 heeft naar aanleiding van het bezwaar van appellante, alsmede de bezwaren van twee andere </para>
      <para>mengvoederbedrijven, een hoorzitting plaatsgevonden. </para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in:</para>
      <para>"	Ten aanzien van de ontvankelijkheid  van uw bezwaren merkt het hoofdproductschap het volgende op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorzover de brieven en circulaires van het hoofdproductschap waartegen u bezwaar heeft gemaakt al kunnen </para>
      <para>worden aangemerkt als (zelfstandige) besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gaat het </para>
      <para>hierbij, gelet op de aard en inhoud, om beleidsregels zoals gedefinieerd in artikel 1:3 lid 4 Awb, waartegen volgens </para>
      <para>artikel 8:2 Awb geen beroep kan worden ingesteld. Dit geldt in ieder geval ten aanzien van de onderdelen cq. </para>
      <para>onderwerpen waartegen uw inhoudelijke bezwaren zijn gericht. Het betreft hier immers algemene regels omtrent de </para>
      <para>vaststelling van feiten (beoordeling van analyseresultaten) en de uitleg van wettelijke voorschriften </para>
      <para>(herverwerking/versnijding en meer-/minderverwerking) bij het gebruik van de bevoegdheid van het </para>
      <para>hoofdproductschap tot verlening van steun.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door de medebelanghebbende aangedragen argumenten ten aanzien van de ontvankelijkheid, waar u zich tijdens </para>
      <para>de hoorzitting achter heeft geschaard, doen hier naar de mening van het hoofdproductschap niet aan af.</para>
      <para>De aangevoerde omstandigheid dat de circulaires zijn gericht tot een concreet en eenduidig afgebakende groep </para>
      <para>adressanten heeft naar de mening van het hoofdproductschap geen invloed op het karakter van de besluiten als </para>
      <para>zijnde beleidsregels. Of sprake is van beleidsregels wordt bepaald door de inhoud van het besluit, niet door de </para>
      <para>vorm of de wijze van bekendmaking. Daarenboven is het hoofdproductschap van mening, dat de besluiten naar hun </para>
      <para>aard en inhoud niet uitsluitend zijn gericht tot een concreet en eenduidig afgebakende groep adressanten. Zij gelden </para>
      <para>immers iedere belanghebbende, ook de toekomstige. De wijze van bekendmaking is wŠl bepalend voor de </para>
      <para>inwerkingtreding van de besluiten, in casu beleidsregels. Het hoofdproductschap is evenwel van mening dat de </para>
      <para>beleidsregels bij circulaires deugdelijk bekend zijn gemaakt in overeenstemming met de bepalingen van de </para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht. De circulaires zijn naar de mening van het hoofdproductschap te beschouwen als een </para>
      <para>"andere geschikte wijze" van bekendmaking in de zin van artikel 3:42 lid 1 Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook de door de mede-belanghebbende aangehaalde uitspraken van (de Voorzitter van) het College van Beroep </para>
      <para>voor het bedrijfsleven en de President van de rechtbank 's-Gravenhage, betreffende het karakter van circulaires van </para>
      <para>het hoofdproductschap als appellabele besluiten, doen naar de mening van het hoofdproductschap niet af aan het </para>
      <para>feit dat de onderhavige besluiten niet voor beroep vatbaar zijn. Wat er ook zij van de mogelijke overeenkomsten en </para>
      <para>verschillen van de betreffende gedingen met de onderhavige zaak, feit is dat, zoals hierboven uiteengezet, de </para>
      <para>onderhavige besluiten beleidsregels betreffen waartegen geen beroep kan worden ingesteld. Gewezen wordt in dit </para>
      <para>verband op het feit dat de wetgever de appellabiliteit van algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels, </para>
      <para>waarin oorspronkelijk bij de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht zou </para>
      <para>worden voorzien, tot nader order heeft uitgesteld. Zulks ter voorkoming van een verdere juridisering van het </para>
      <para>openbaar bestuur. Vanuit deze optiek kan ook het aangevoerde argument dat de appellabiliteit vanuit een oogpunt </para>
      <para>van rechtszekerheid zou zijn vereist, niet worden aanvaard. Zo dit argument zou worden aanvaard, dan zou dit </para>
      <para>immers opgaan voor het merendeel van de door bestuursorganen vastgestelde beleidsregels en dus, alsnog, leiden </para>
      <para>tot appellabiliteit van beleidsregels, hetgeen in strijd zou zijn met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande acht het hoofdproductschap uw bezwaren niet-ontvankelijk, zodat de overige </para>
      <para>(inhoudelijke) aspecten van uw bezwaar geen bespreking behoeven. Dit laat evenwel onverlet dat de door u </para>
      <para>aangedragen inhoudelijke argumenten terdege zullen worden beoordeeld en mogelijk zullen leiden tot aanpassing </para>
      <para>van de betrokken beleidsregel(s)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Anders dan verweerder stelt kunnen de primaire besluiten niet als beleidsregels worden aangemerkt.</para>
      <para>Ten eerste zijn de primaire besluiten niet op in de artikelen 3:40 en 3:42, eerste lid, van de Awb voor besluiten van algemene </para>
      <para>strekking voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Dit formele gebrek heeft tot gevolg dat geen sprake is van een besluit van </para>
      <para>algemene strekking, waartoe appellante verwijst naar een vonnis van de president van de rechtbank te </para>
      <para>'s-Gravenhage, dat heeft geleid tot een uitspraak van de Voorzitter van het College van </para>
      <para>12 februari 1988 waarin het beroep tegen een circulaire van verweerder ontvankelijk is geacht (zaaknr. 87/3125/01/013). Ook </para>
      <para>in de in vervolg daarop gegeven uitspraak van de Voorzitter van het College van 23 augustus 1988 is uitgegaan van een </para>
      <para>ontvankelijk beroep (zaaknr. 87/3125/01/013). </para>
      <para>Nu de Awb geen beperking, doch veeleer een verruiming van de mogelijkheid van beroep tegen besluiten beoogt, is dit onder </para>
      <para>vigeur van deze wet niet anders.</para>
      <para>Bovendien miskent verweerder dat in de primaire besluiten voorwaarden aan de justitiabelen worden gesteld, die niet uit de </para>
      <para>toepasselijke regelgeving - in casu Verordening (EEG) nr. 1725/79 - voortvloeien. Gelet op artikel 1:3, vierde lid, van de Awb </para>
      <para>kunnen beleidsregels slechts betrekking hebben op wetsinterpretatie, belangenafweging en de vaststelling van feiten en dus niet </para>
      <para>op het stellen van nieuwe voorwaarden.</para>
      <para>Ten derde zijn de primaire besluiten niet aan te merken als algemene regel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, nu </para>
      <para>deze besluiten zijn gericht tot een "gesloten groep", namelijk de Nederlandse kunstmelkvoederfabrikanten die door verweerder </para>
      <para>overeenkomstig artikel 8, eerste en tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 1725/79 zijn erkend. Dit komt ook tot uiting in de </para>
      <para>wijze van bekendmaking van de circulaires aan "belanghebbenden".</para>
      <para>Tenslotte is het financi‰le belang bij het recht op steun ingevolge Verordening (EEG) </para>
      <para>nr. 1725/79 voor de kunstmelkvoederfabrikanten dermate groot dat de rechtszekerheid toetsing van de rechtmatigheid van de </para>
      <para>primaire besluiten vereist. Het is voor deze fabrikanten onevenredig bezwarend om het te laten aankomen op het aanwenden </para>
      <para>van rechtsmiddelen tegen besluiten, waarbij met toepassing van de circulaires steun wordt geweigerd of teruggevorderd. Dit </para>
      <para>klemt temeer nu de primaire besluiten evident in strijd zijn met Verordening (EEG) nr. 1725/79.</para>
      <para>Appellante verzoekt het College het bestreden besluit, alsmede de daaraan ten grondslag liggende primaire besluiten te </para>
      <para>vernietigen, met veroordeling van verweerder tot betaling van alle door appellante door deze besluiten geleden schade en de </para>
      <para>proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder de bezwaren van appellante tegen de hiervoor in rubriek 2.2 vermelde </para>
      <para>brief en circulaires op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.</para>
      <para>Ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een </para>
      <para>algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel.</para>
      <para>Onder beleidsregel wordt blijkens artikel 1:3, vierde lid, Awb verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde </para>
      <para>een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke </para>
      <para>voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de brief van 24 november 1997, de </para>
      <para>circulaire van 27 november 1997 en de circulaire van </para>
      <para>12 december 1997 niet meer bevatten dan een weergave van de volgens verweerder vanaf een bepaald tijdstip te geven uitleg </para>
      <para>van de in de regelgeving voor steunverlening voor mengvoeder gestelde voorwaarden en van de wijze waarop verweerder tot </para>
      <para>vaststelling van de in dit verband relevante feiten komt.</para>
      <para>Verweerder heeft deze brief en circulaires in zoverre op goede gronden aangemerkt als beleidsregels, waartegen geen beroep </para>
      <para>openstaat en derhalve evenmin ingevolge artikel 7:1 van de Awb een ontvankelijk bezwaarschrift kan worden ingediend.</para>
      <para>De stelling van appellante dat de door verweerder gegeven uitleg verder gaat dan de toepasselijke regelgeving kan hieraan - </para>
      <para>wat daar overigens van zij - niet afdoen. Deze stelling berust immers op een inhoudelijke beoordeling van de primaire </para>
      <para>"besluiten", die pas aan de orde kan komen indien sprake is van een ontvankelijk bezwaar.</para>
      <para>Dat de Voorzitter van het College zich in de door appellante vermelde zaken bevoegd achtte, onder de werking van de toen </para>
      <para>geldende regels, kennis te nemen van de hem toen voorgelegde besluiten, kan aan het voorgaande evenmin afdoen.</para>
      <para>Ook de omstandigheid dat ten tijde van de verzending van de brief en de circulaires sprake is van een duidelijk af te bakenen </para>
      <para>groep van belanghebbenden, namelijk de kunstmelkvoederfabrikanten die op dat moment door verweerder op grond van artikel </para>
      <para>8 van Verordening (EEG) nr. 1725/79 zijn erkend, doet aan het rechtskarakter daarvan niet af. De samenstelling van deze groep </para>
      <para>is immers in beginsel voor wijziging vatbaar, terwijl de uitleg die verweerder aan de toepasselijke regelgeving heeft gegeven </para>
      <para>ook geldt voor eventueel in de toekomst erkende fabrikanten van mengvoeders. </para>
      <para>De bekendmaking bij wege van circulaires doet evenmin afbreuk aan het rechtskarakter van verweerders mededelingen, doch is </para>
      <para>een logisch gevolg van het feit dat ten tijde van verzending ervan de erkende mengvoederfabrikanten bij verweerder bekend </para>
      <para>waren. </para>
      <para>Tenslotte kan het door appellante gestelde financi‰le belang geen reden vormen om in afwijking van het bepaalde in artikel </para>
      <para>8:1, aanhef en onder a, en artikel 7:1, eerste lid, van de Awb tot ontvankelijkheid van het bezwaar te concluderen. </para>
      <para>Op grond van het vorenstaande heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de brief van 24 november 1997 en de </para>
      <para>circulaires van 27 november 1997 en 12 december 1997 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hetzelfde geldt voor zover het </para>
      <para>bezwaar mede gericht was tegen - hangende de beslissing op bezwaar - aangebrachte wijzigingen in bedoelde brief en </para>
      <para>circulaires. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.A. van der Ham en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers					w.g. Th.J. van Gessel</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>