<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0533</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T07:56:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0533</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/423 &amp; 99/424</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002471&amp;artikel=11&amp;g=2001-03-06">Wet op de loonbelasting 1964 11</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002471&amp;artikel=12&amp;g=2001-03-06">Wet op de loonbelasting 1964 12</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0533">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0533</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:22:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0533 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 06-03-2001 / AWB 99/423 &amp; 99/424</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0533:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0533:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>AM	</para>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(vijfde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nrs.AWB 99/423 en 99/424					6 maart 2001</para>
      <para>	27600</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A en B, te C, appellanten,</para>
      <para>gemachtigde: de heer W. Schaap, te Bunschoten,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr C.M. Gajadhar en mr G. Baarsma, werkzaam bij verweerder</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij gelijkluidende beroepschriften, bij het College ontvangen op 29 april 1999, is namens </para>
      <para>appellanten beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 22 maart 1999.</para>
      <para>Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten, tegen de </para>
      <para>verklaring als bedoeld in artikel 11, aanhef en eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de </para>
      <para>Inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB), die verweerder aan appellanten had afgegeven.</para>
      <para>Op 12 juli 1999 heeft verweerder terzake van de twee beroepen gelijkluidende </para>
      <para>verweerschriften ingediend.</para>
      <para>De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van het College, gehouden op </para>
      <para>27 februari 2001, waar partijen middels hun gemachtigden hun standpunt nader hebben </para>
      <para>uiteengezet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	In de Wet IB is onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 11</para>
      <para>1. In geval in een kalenderjaar:</para>
      <para>a. (.);</para>
      <para>b. in een onderneming die de belastingplichtige voor eigen rekening feitelijk </para>
      <para>drijft voor een bedrag van meer dan f 3700 wordt ge‹nvesteerd in niet eerder </para>
      <para>gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de </para>
      <para>belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken </para>
      <para>is verklaard dat sprake is van investeringen die door Onze Minister van </para>
      <para>Financi‰n in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en </para>
      <para>na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en </para>
      <para>Milieubeheer bij ministeri‰le regeling zijn aangewezen als investeringen die in </para>
      <para>het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen), </para>
      <para>wordt - onverminderd de toepassing van onderdeel a - op verzoek bij de </para>
      <para>aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel b, </para>
      <para>aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste </para>
      <para>gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).</para>
      <para>(.)</para>
      <para>-12. Bij ministeri‰le regeling kunnen:</para>
      <para>a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken - zo nodig </para>
      <para>afwijkende - regels worden gesteld met betrekking de in het eerste lid, eerste </para>
      <para>volzin, onderdeel b, bedoelde verklaring;."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van deze bepaling is vastgesteld de Uitvoeringsregeling energie-</para>
      <para>investeringsaftrek (hierna: de Uitvoeringsregeling), waarbij onder meer is bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 2</para>
      <para>Als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie </para>
      <para>(energie-investeringen) als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, </para>
      <para>onderdeel b, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfs-</para>
      <para>middelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage 1 van deze regeling, </para>
      <para>mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de </para>
      <para>bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en </para>
      <para>bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de in dit artikel 2 bedoelde bijlage (hierna: de Energielijst 1998) is onder meer het </para>
      <para>volgende bepaald:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor EIA dienen tenminste te </para>
      <para>bestaan uit de bestanddelen vermeld achter 'en bestaande uit'. Indien zij uit deze </para>
      <para>bestanddelen bestaan mogen de bestanddelen vermeld achter '(eventueel)' </para>
      <para>daaraan worden toegevoegd. </para>
      <para>Tot de bestanddelen kunnen tevens gerekend worden, voorzieningen </para>
      <para>(zoals leidingen, appendages en meet- en regelapparatuur) die technisch </para>
      <para>noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan deze bedrijfsmiddelen </para>
      <para>en derhalve geen zelfstandige betekenis hebben.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(220111) Infrarood-brander voor bakkerijovens</para>
      <para>Bestemd voor: het bakken van deegproducten, en bestaande uit: infrarood-</para>
      <para>brander, regelaar."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>-	Bij daartoe bestemde formulieren, door verweerder ontvangen op 6 april 1998, </para>
      <para>hebben appellanten, die in de vorm van een vennootschap onder firma een </para>
      <para>broodbakkerij exploiteren, aanvragen gedaan om verklaringen dat de daarbij </para>
      <para>aangemelde investeringen in een wagenoven bakkerij, onder code 220111 van de </para>
      <para>Energielijst 1998, investeringen zijn, die zijn aangewezen, als zijnde in het belang </para>
      <para>van een doelmatig gebruik van energie in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel </para>
      <para>b, van de Wet IB (hierna: energie-verklaring). Op 3 november 1998, </para>
      <para>24 november 1998 en 4 december 1998 hebben appellanten respectievelijk de </para>
      <para>ovenbouwer desgevraagd verweerder nadere gegevens over de bedrijfsmiddelen </para>
      <para>verstrekt.</para>
      <para>-	Bij besluiten van 9 december 1998 heeft verweerder energieverklaringen afgegeven </para>
      <para>terzake van de bedrijfsmiddelen zoals door appellanten in het kader van de </para>
      <para>Uitvoeringsregeling gemeld, in dier voege dat de investeringen voor de infrarood-</para>
      <para>branders en regelaars wel en de investeringen voor de Thermo-Powerovens niet als </para>
      <para>kosten zijn aangemerkt die in aanmerking komen voor energie-investeringsaftrek. Bij </para>
      <para>die verklaringen zijn slechts de kosten van de IR-brander en de kosten van de </para>
      <para>regeling in aanmerking genomen.</para>
      <para>-	Bij brieven van 5 januari 1999 hebben appellanten tegen deze besluiten bezwaar </para>
      <para>gemaakt.</para>
      <para>-	Op 8 februari 1999 zijn appellanten op hun bezwaren gehoord.</para>
      <para>-	Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De bestreden besluiten</para>
      <para>Bij de bestreden besluiten is onder meer als volgt overwogen en beslist:</para>
      <para>"	Benadrukt zij hier dat de Energielijst een limitatieve opsomming bevat van </para>
      <para>bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor de energie-investeringsaftrek. </para>
      <para>(.)</para>
      <para>In de toelichting op de Uitvoeringsregeling is tevens aangegeven dat </para>
      <para>bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor energie-investeringsaftrek op </para>
      <para>grond van de specifieke lijst tenminste dienen te bestaan uit de bestanddelen </para>
      <para>vermeld achter "bestaande uit" en indien zij uit deze bestanddelen bestaan, </para>
      <para>mogen bestanddelen vermeld achter "(eventueel)" daaraan worden toegevoegd. </para>
      <para>Tot de bestanddelen kunnen tevens gerekend worden voorzieningen (zoals </para>
      <para>leidingen, appendages en meet- en regelapparatuur) die technisch noodzakelijk </para>
      <para>zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan deze bedrijfsmiddelen en derhalve </para>
      <para>geen zelfstandige betekenis hebben. </para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In mijn beslissing van 9 december 1998 heb ik de kosten voor de infrarood-</para>
      <para>brander en regelaar aangemerkt als kosten die in aanmerking komen voor </para>
      <para>energie-investeringsaftrek. Het bedrag voor de oven inclusief de wagens </para>
      <para>(60% van f 130.943,00) heb ik niet in aanmerking genomen voor de energie-</para>
      <para>investeringsaftrek. Uw stelling dat de oven (inclusief de wagens) kan worden </para>
      <para>aangemerkt als bestanddeel (in de zin van de Uitvoeringsregeling) van het </para>
      <para>aangewezen bedrijfsmiddel infrarood-brander, deel ik niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Immers tijdens de hoorzitting is verklaard dat de brander, technisch gezien, kan </para>
      <para>functioneren z¢nder de oven. Dit betekent dat de oven niet technisch </para>
      <para>noodzakelijk is aan de brander. Reeds hierom kan de oven niet worden </para>
      <para>aangemerkt als bestanddeel in de zin van de Regeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eveneens ben ik van mening dat niet zozeer de oven dienstbaar is aan de </para>
      <para>brander, doch dat de brander dienstbaar is aan de oven.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>In hetzelfde kader ben ik van oordeel dat de oven wel degelijk een zelfstandige </para>
      <para>betekenis heeft en derhalve niet kan worden aangemerkt als een bestanddeel </para>
      <para>van de brander."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder daaraan nog het volgende toegevoegd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Slechts die investeringen in (onderdelen van) bedrijfsmiddelen komen voor een </para>
      <para>energieverklaring in aanmerking die zijn aangewezen in de Energielijst 1998 en die bestaan </para>
      <para>uit de in die bijlage genoemde bestanddelen. De branders en regelaars voldoen aan de </para>
      <para>omschrijving van code 220111 op de Energielijst 1998 zodat voor de investeringen in deze </para>
      <para>bedrijfsmiddelen de energieverklaring wordt afgegeven. De ovens vallen echter niet onder </para>
      <para>de omschrijving van code 220111 van de Energielijst 1998 zodat voor deze investeringen </para>
      <para>geen energieverklaring wordt afgegeven. </para>
      <para>De reden waarom de branders en regelaars staan vermeld op de Energielijst 1998 is </para>
      <para>gelegen in de omstandigheid dat deze bedrijfsmiddelen de meeste energiebesparing </para>
      <para>opleveren. Door de combinatie in gebruik van de branders en de ovens zal waarschijnlijk </para>
      <para>nog meer energiebesparing bereikt worden, doch dit leidt niet tot het oordeel dat om die </para>
      <para>reden de energieverklaring behoort te worden afgegeven. De oven komt immers niet voor </para>
      <para>op voornoemde Energielijst. </para>
      <para>De ovens zijn technisch niet noodzakelijk voor en uitsluitend dienstbaar aan de </para>
      <para>infraroodbrander of de regelaar, omdat de brander en de regelaar, technisch gezien, kunnen </para>
      <para>functioneren zonder de technisch aangepaste oven. Voor toepassing van de </para>
      <para>Uitvoeringsregeling is geen criterium of een (onderdeel) van een bedrijfsmiddel als </para>
      <para>bestanddeel moet worden aangemerkt. Evenmin kan het nut van een (onderdeel) van een </para>
      <para>bedrijfsmiddel daarvoor als criterium gelden. </para>
      <para>4.	Het standpunt van appellanten</para>
      <para>Appellanten hebben ter ondersteuning van hun beroep - samengevat - het volgende tegen </para>
      <para>de bestreden besluiten aangevoerd.</para>
      <para>Ten onrechte heeft verweerder voor toepassing van de Uitvoeringsregeling de oven niet </para>
      <para>aangemerkt als bestanddeel van de brander. Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld dat </para>
      <para>de oven technisch niet noodzakelijk is voor en niet uitsluitend dienstbaar is aan de brander </para>
      <para>en regelaar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten zijn van mening dat de brander en de regelaar, technisch gezien, niet kunnen </para>
      <para>functioneren zonder de technisch aangepaste oven. Een oven zonder brander heeft immers </para>
      <para>weinig nut en omgekeerd. Voornoemde branders kunnen technisch uitsluitend in de </para>
      <para>Thermo Power Wagenoven worden ge‹nstalleerd. De beoogde energiebesparing kan </para>
      <para>immers slechts worden gerealiseerd door de combinatie van de oven, de branders en de </para>
      <para>regelaars. De branders, regelaars en ovens vormen ‚‚n onlosmakelijk geheel en dienen als </para>
      <para>‚‚n bedrijfsmiddel te worden aangemerkt. </para>
      <para>Appellanten hebben voorts aangevoerd dat indien slechts ten behoeve van de branders en </para>
      <para>niet tevens ten behoeve van de oven de verzochte energieverklaring wordt afgegeven, zulks </para>
      <para>als strijdig met doel en strekking van de betreffende subsidieregeling, te weten stimulering </para>
      <para>van energiebesparingen, dient te worden aangemerkt. </para>
      <para>Appellanten hebben zich voor hun standpunt mede gebaseerd op een notitie van de </para>
      <para>ovenbouwer, waarin voorzover hier van belang, het volgende wordt gesteld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Ook diende door de ovenbouwer te worden nagegaan of de nieuwe brander </para>
      <para>mogelijk ook in de oude (Thermo-Sifon) ovens kon worden toegepast, met </para>
      <para>daarbij hetzelfde rendement. Dit bleek niet mogelijk.</para>
      <para>Het moge dus duidelijk zijn dat met aanschaf van een infrarood brander met </para>
      <para>regeling de bakker weliswaar een energiezuinige brander in huis haalt, maar </para>
      <para>hiermee niet het beoogde doel "Besparen van energie tijdens de productie van </para>
      <para>brood", kan bereiken. Noodzakelijk hiervoor is dan ook tevens de aanschaf van </para>
      <para>een oven waarin deze brander kan worden toegepast. Bij de overwegingen van </para>
      <para>Senter wordt vermeld dat de brander technisch gezien kan functioneren zonder </para>
      <para>oven. Deze overweging is echter niet waar wanneer hier bedoeld wordt dat met </para>
      <para>alleen een brander deegproducten te bakken zijn, hetgeen uiteindelijk het doel </para>
      <para>is van de bakker, en hetgeen is omschreven in de EIA-lijst. Het is onmogelijk </para>
      <para>om deegproducten te bakken met alleen een oven zonder brander, noch is het </para>
      <para>mogelijk om deegproducten te bakken met alleen een brander en de </para>
      <para>bijbehorende regeling, zonder oven. Beide zaken zijn onlosmakelijk met elkaar </para>
      <para>verbonden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten vorderen vernietiging van de bestreden besluiten onder gegrondverklaring van </para>
      <para>hun beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Aan de orde is de vraag of behalve de investeringen in de brander en de regelaar ook de </para>
      <para>overige investeringen van appellanten in de Thermo-Power Wagenoven, zijn aan te merken </para>
      <para>als energie-investering in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB. Het </para>
      <para>College beantwoordt die vraag ontkennend. Dienaangaande wordt het volgende </para>
      <para>overwogen.</para>
      <para>Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling komen slechts die investeringen in </para>
      <para>(onderdelen van) bedrijfsmiddelen voor een energieverklaring in aanmerking, die zijn </para>
      <para>aangewezen in de Energielijst 1998 en die bestaan uit de in die bijlage genoemde </para>
      <para>bestanddelen. Voormeld artikel sluit naar tekst en strekking aldus investeringen uit die niet </para>
      <para>op de Energielijst 1998 voorkomen. </para>
      <para>Het College is gelet op het vorenstaande van oordeel dat uit de genoemde omschrijving in </para>
      <para>rubriek 220111 van de Energielijst 1998 voortvloeit dat, in de onderhavige gevallen, </para>
      <para>slechts de infrarood-branders en regelaars zijn aan te merken als energie-investering in de </para>
      <para>zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB en niet tevens de ovens. De ovens </para>
      <para>komen immers niet voor op de Energielijst 1998. </para>
      <para>Het College is voorts van oordeel dat ook uit anderen hoofde de ovens voor de toepassing </para>
      <para>van de Uitvoeringsregeling niet kunnen worden aangemerkt als bestanddeel van een </para>
      <para>bedrijfsmiddel of van een onderdeel van een bedrijfsmiddel als bedoeld in artikel 2 van de </para>
      <para>Regeling juncto bijlage. </para>
      <para>Blijkens de Energielijst 1998 dienen onder bestanddelen tevens worden gerekend </para>
      <para>voorzieningen (zoals leidingen, appendages en meet- en regelapparatuur) die technisch </para>
      <para>noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan deze bedrijfsmiddelen en derhalve </para>
      <para>geen zelfstandige betekenis hebben. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van het College kunnen de ovens niet worden gekwalificeerd als zijnde </para>
      <para>noodzakelijk voor het functioneren van de branders. In dit kader wordt door het College </para>
      <para>overwogen dat uit de stukken en uit hetgeen appellanten overigens hebben verklaard, niet </para>
      <para>is gebleken dat de branders niet zonder de meergenoemde ovens kunnen functioneren. Dat </para>
      <para>de beoogde energiebesparing slechts bereikt kan worden door de combinatie van de oven, </para>
      <para>regelaars en branders doet hier niet aan af. Evenmin leidt het standpunt van appellanten dat </para>
      <para>de infraroodbranders met de oven ‚‚n bedrijfsmiddel vormen, wat daar ook van zij, tot een </para>
      <para>ander oordeel, reeds omdat de oven niet staat vermeld op de Energielijst 1998, terwijl uit </para>
      <para>artikel 2 van de Uitvoeringsregeling voortvloeit dat ook slechts onderdelen van </para>
      <para>bedrijfsmiddelen op de Energielijst kunnen worden geplaatst. </para>
      <para>Voorts overweegt het College dat uit het bepaalde bij artikel 11, eerste lid, onder b, van de </para>
      <para>Wet IB volgt dat voor het afgeven van een energieverklaring niet alleen is vereist dat het </para>
      <para>gaat om investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie, maar </para>
      <para>ook dat die investeringen als zodanig zijn aangewezen bij ministeri‰le regeling. </para>
      <para>Dit leidt ertoe dat, nu geen algemeen verbindend voorschrift of rechtsregel is aan te wijzen, </para>
      <para>waaruit voor de regelgever enige verdere normering voortvloeit inzake het opnemen van </para>
      <para>energiebesparende bedrijfsmiddelen op de Energielijst 1998, de opsomming in deze lijst </para>
      <para>als een limitatieve moet worden beschouwd waarbij een strikte uitleg van de daarin </para>
      <para>opgenomen omschrijvingen van bedrijfsmiddelen en onderdelen van bedrijfsmiddelen past. </para>
      <para>Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat verweerder in de bestreden </para>
      <para>besluiten op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat de in geding zijnde ovens </para>
      <para>niet vallen binnen de omschrijving van rubriek 220111 op de Energielijst 1998.</para>
      <para>Hieruit volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. </para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>6 maart 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. J.A. Hagen						w.g. I.K. Rapmund</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen een uitspraak waarin de begrippen "investeren" en "bedrijfsmiddelen" worden toegepast kan beroep </para>
      <para>in cassatie worden ingesteld. Verwezen wordt naar de aanbiedingsbrief bij deze uitspraak.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>