<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0311</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T12:53:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0311</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-01-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/225</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0311">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0311</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:22:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0311 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 18-01-2001 / AWB 99/225</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0311:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0311:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(vijfde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/225						18 januari 2001</para>
      <para>	21500</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Stichting Toezicht Effectenverkeer, zetelend te Amsterdam, verweerster,</para>
      <para>gemachtigde: mr drs M.J. Bloot, werkzaam bij verweerster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 9 maart 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerster van 28 januari 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar van appellant tegen de voor 1998 </para>
      <para>opgelegde heffing ingevolge de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995).</para>
      <para>Bij brief van 2 april 1999 heeft appellant de gronden van zijn beroep uiteengezet.</para>
      <para>Op 28 mei 1999 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 7 december 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar partijen hun </para>
      <para>standpunt hebben toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Aan appellant is een vergunning verleend als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de </para>
      <para>Wte 1995 als effecteninstelling voor het uitoefenen van de functie van local trader op </para>
      <para>de AEX Agrarische Termijnmarkt (AAT).</para>
      <para>- Bij besluit van 30 september 1998 heeft verweerster aan appellant een heffing </para>
      <para>opgelegd als bedoeld in de Kostenregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995 </para>
      <para>(Kostenregeling) en de daarbij behorende Regeling van 10 juni 1998 houdende </para>
      <para>vaststelling van de bedragen voor 1998 (Regeling 1998). </para>
      <para>- Hiertegen heeft appellant bij brief van 12 oktober 1998 een bezwaarschrift ingediend.</para>
      <para>- Bij het bestreden besluit van 28 januari 1999 heeft verweerster de bezwaren van </para>
      <para>appellant met betrekking tot het vaste deel van de heffing gegrond verklaard en met </para>
      <para>betrekking tot het variabele deel van de heffing ongegrond verklaard.</para>
      <para>- Het beroep is gericht tegen laatstvermeld onderdeel van het bestreden besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerster onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"	A is een aan AEX toegelaten instelling waaraan op grond van artikel 9 Wte </para>
      <para>1995 een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 7, eerste lid Wte 1995 </para>
      <para>voor het uitoefenen van de functie van local trader op AAT. Uit het hierboven </para>
      <para>beschreven wettelijk kader volgt dat het opleggen van een heffing is gekoppeld </para>
      <para>aan een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid Wte 1995. Op grond van </para>
      <para>artikel 5, zesde lid Kostenregeling valt de heffing voor de instellingen die zijn </para>
      <para>toegelaten tot een erkende effectenbeurs in de zin van artikel 22 Wte 1995, </para>
      <para>uiteen in een bedrag dat afhankelijk is van de functie welke de instelling </para>
      <para>uitoefent en een bedrag dat afhankelijk is van de omvang van het eigen </para>
      <para>vermogen van de instelling. Daarbij is van belang dat het voor de heffing niet </para>
      <para>relevant is of de diensten waarvoor een vergunning is verleend daadwerkelijk </para>
      <para>worden verricht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals hierboven reeds aangehaald is A een vergunning verleend bij brief d.d. 3 </para>
      <para>juli 1998, voor het uitoefenen van de functie van local trader op AAT. Met </para>
      <para>betrekking tot het vaste deel van de heffing bepaalt de Regeling 1998 dat een </para>
      <para>tussenpersoon AAT Ÿ 3.200,- in rekening wordt gebracht. Andere functies op </para>
      <para>AAT waren ten tijde van de vaststelling van de Regeling 1998 niet </para>
      <para>gereglementeerd. De functie van local trader AAT is pas sinds 20 april 1998 </para>
      <para>gereglementeerd, de datum waarop het gewijzigde AAT reglement in werking </para>
      <para>is getreden. Nu de functie van local trader niet in de Regeling 1998 is </para>
      <para>opgenomen, is de STE van oordeel dat de grondslag voor een heffing voor de </para>
      <para>uitoefening van deze functie ontbreekt en uw bezwaar op dit onderdeel gegrond </para>
      <para>is. De door u genoemde mogelijkheid de vaste kosten gelijk te stellen aan de </para>
      <para>heffing voor instellingen welke dezelfde functie uitoefenen op AEX </para>
      <para>Optiebeurs, behoeft derhalve geen verdere bespreking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 5, zesde lid Kostenregeling bepaalt dat het variabele deel van de heffing </para>
      <para>afhankelijk is van de omvang van het eigen vermogen van de instelling. Gezien </para>
      <para>het feit dat A als rechtsvorm een eenmanszaak is, vormt het persoonljik </para>
      <para>vermogen van de bestuurder onderdeel van het eigen vermogen van A, om </para>
      <para>reden dat de bestuurder van de eenmanszaak met zijn volledige vermogen </para>
      <para>aansprakelijk is. Derhalve is de hoogte van de variabele kosten mede </para>
      <para>afhankelijk van het persoonlijk vermogen van de heer A. De STE is dan ook </para>
      <para>van oordeel dat voor dit onderdeel van de heffing een grondslag bestaat en uw </para>
      <para>bezwaar voor dit onderdeel ongegrond is."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Het beroep van appellant richt zich tegen de wijze van berekening van het variabele deel </para>
      <para>van de opgelegde heffing. Naar zijn mening dient slechts het door hem voor de uitoefening </para>
      <para>van zijn functie van local trader gereserveerde werkkapitaal van fl. 200.000,-- als grondslag </para>
      <para>voor de berekening van dit deel van de heffing te gelden. Hij vindt het onredelijk dat voor </para>
      <para>eenmanszaken, als de zijne, dat deel van de heffing wordt vastgesteld op basis van het </para>
      <para>gehele eigen vermogen. Daarnaast is naar zijn mening de gehele heffingensystematiek </para>
      <para>nadelig voor de kleinere handelaren.</para>
      <para>Voorts verwijt hij verweerster hem niet te hebben gehoord alvorens een beslissing te </para>
      <para>nemen op zijn bezwaarschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Hetgeen appellant heeft aangevoerd stelt op de eerste plaats de redelijkheid van de </para>
      <para>(toepassing van) Kostenregeling en van de Regeling 1998 aan de orde. Het College </para>
      <para>overweegt hieromtrent als volgt. </para>
      <para>De in het geding zijnde heffing strekt tot het in rekening brengen van de kosten van het </para>
      <para>door verweerster uit te oefenen toezicht ten aanzien van de onder haar toezicht gestelde </para>
      <para>personen en instellingen. In de Kostenregeling is de vaststelling van de te heffen bedragen </para>
      <para>gerelateerd aan de door verweerster over het betrokken jaar te maken kosten en worden de </para>
      <para>te heffen bedragen gedifferentieerd naar de door de effecteninstelling te verrichten diensten </para>
      <para>en het eigen vermogen, zulks in verband met de aard en reikwijdte van het uit te oefenen </para>
      <para>toezicht. Op grond daarvan zijn in de Regeling 1998 concrete bedragen neergelegd.</para>
      <para>Gegeven het bepaalde in de Wte 1995 ziet het College geen grond voor het oordeel dat de </para>
      <para>Kostenregeling en de bijbehorende Regeling 1998 in strijd zijn met de wet of met een </para>
      <para>andere regeling van hogere orde. Evenmin valt in te zien dat de Kostenregeling de toets aan </para>
      <para>de algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan.</para>
      <para>Gelet op de overwegingen die aan de Kostenregeling ten grondslag liggen kan voorts niet </para>
      <para>worden staande gehouden dat de Regelgever, te weten de Minister van Financi‰n, in </para>
      <para>aanmerking genomen de belangen die hem ten tijde van de totstandkoming van de </para>
      <para>Kostenregeling bekend waren of behoorden te zijn, waaronder mede begrepen de belangen </para>
      <para>van eenmansbedrijven als die van appellant, bij afweging van alle betrokken belangen niet </para>
      <para>in redelijkheid tot de vaststelling van de Kostenregeling en van de Regeling 1998 is </para>
      <para>kunnen overgaan.</para>
      <para>Ten aanzien van hetgeen appellant heeft gesteld omtrent de heffing bezien in relatie tot zijn </para>
      <para>positie als eenmanszaak, merkt het College nog op dat de rechtsvorm waarin een </para>
      <para>onderneming wordt uitgeoefend een keuze is van de betrokkene, welke keuze kan worden </para>
      <para>gemaakt op basis van de afweging van de voor- en nadelen die aan de verschillende </para>
      <para>rechtsvormen zijn verbonden.</para>
      <para>In verband met het voorafgaande moet worden geconcludeerd dat de Kostenregeling en de </para>
      <para>Regeling 1998 alsmede de toepassing daarvan in het onderhavige geval, de rechterlijke </para>
      <para>toetsing kunnen doorstaan.</para>
      <para>Het College volgt appellant tenslotte niet in zijn betoog met betrekking tot verweersters </para>
      <para>hoorplicht. Ingevolge het bepaalde bij artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht </para>
      <para>(Awb) kan een bestuursorgaan indien uit het bezwaarschrift aanstonds blijkt dat de </para>
      <para>bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over </para>
      <para>die conclusie, afzien van het horen. Het College is van oordeel dat verweerster, gezien het </para>
      <para>gebonden karakter van de toepasselijke voorschriften, op goede gronden heeft kunnen </para>
      <para>afzien van het horen van appellant.</para>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep van appellant ongegrond te </para>
      <para>worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr J.A. Hoovers-Backaert, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2001.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. H.C. Cusell				de griffier bevindt </para>
      <para>zich in de </para>
      <para>onmogelijkheid de        </para>
      <para>uitspraak mede te          </para>
      <para>ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>