<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0310</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T02:33:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0310</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/978</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0310">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0310</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:22:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0310 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 22-02-2001 / AWB 99/978</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0310:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0310:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/978					22 februari 2001</para>
      <para>	5135</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Maatschap A en B, te C, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: Ir. S. Boonstra, werkzaam bij NLTO Advies te Drachten, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's- Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr L.P. de Wit, werkzaam bij verweerder</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 30 november 1999  heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, </para>
      <para>waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 oktober 1999, dat </para>
      <para>op 22 oktober 1999 werd verzonden. </para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen een besluit op grond van </para>
      <para>de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) ongegrond </para>
      <para>verklaard.</para>
      <para>Bij brief van 14 december 1999 heeft appellante de gronden voor het beroep toegezonden.</para>
      <para>Verweerder heeft op 11 februari 2000 een verweerschrift met bijlagen ingediend.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2001, waarbij verweerder zijn </para>
      <para>standpunt nader heeft toegelicht bij monde van zijn gemachtigde. Appellante en haar </para>
      <para>gemachtigde zijn,  met voorafgaande kennisgeving, ter zitting niet verschenen.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De toepasselijke regelgeving.</para>
      <para>In artikel 1, derde lid, van Verordening (EG) nr. 658/96 van de Commissie van </para>
      <para>9 april 1996, betreffende bepaalde voorwaarden voor de toekenning van </para>
      <para>compensatiebedragen in het kader van de steunregeling voor producenten van </para>
      <para>akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Bouwland, waarvoor in hetzelfde verkoopseizoen, op grond van artikel 1, lid 2, </para>
      <para>van Verordening ( EG) nr. 729/70 van de Raad gefinancierde </para>
      <para>oppervlaktesteunsteun wordt aangevraagd voor andere dan de in de </para>
      <para>Verordening ( EEG) nr. 1765/92 bedoelde akkerbouwgewassen, komt niet voor </para>
      <para>een compensatiebedrag in aanmerking."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 is, voor zover hier van belang, </para>
      <para>bepaald dat wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag oppervlakten </para>
      <para>aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, het steunbedrag wordt </para>
      <para>berekend op basis van de feitelijk geconstateerde oppervlakte. Er wordt echter geen aan de </para>
      <para>oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan </para>
      <para>20% van de geconstateerde oppervlakte.</para>
      <para>Ingevolge artikel 11, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887 kan, voor zover hier van </para>
      <para>belang, een beroep op overmacht aanvaard worden bij onteigening van een belangrijk deel </para>
      <para>van het landbouwareaal van het door het bedrijfshoofd beheerde bedrijf, indien deze </para>
      <para>onteigening op de dag van de indiening van de aanvraag niet was te voorzien. </para>
      <para>Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Regeling kan de aanvraag oppervlakten tot uiterlijk </para>
      <para>15 mei voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen worden gewijzigd. In het tweede lid </para>
      <para>van dit artikel is echter bepaald dat - onder meer - indien sprake is van een duidelijke fout </para>
      <para>de aanvraag na 15 mei kan worden gewijzigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellante heeft op een daartoe strekkend formulier op 21 april 1998 een "aanvraag </para>
      <para>oppervlakten 1998 vereenvoudigde regeling en voederareaal" ingediend bij </para>
      <para>verweerder. Na correctie door een ambtenaar van verweerders dienst Laser is </para>
      <para>definitief opgegeven een totale oppervlakte 43.16 ha voor voederareaal en 7.63 ha </para>
      <para>voor akkerbouwsteun.</para>
      <para>- Alvorens het formulier voor de aanvraag oppervlakten 1998 in te vullen is er </para>
      <para>telefonisch overleg geweest tussen appellante en de heer van der Greft (hierna: Van </para>
      <para>der Greft) van verweerder dienst Laser. Tijdens dit overleg is gesproken over de </para>
      <para>vraag hoe gehandeld moest worden nu voor enkele ma‹spercelen van appellante </para>
      <para>onduidelijk was of zij als akkerland konden worden aangemerkt. Deze </para>
      <para>onduidelijkheid ontstond tijdens de afhandeling van de aanvraag oppervlakten 1997 </para>
      <para>van appellante. Bij een door verweerder op 14 mei 1998 hieromtrent genomen </para>
      <para>beslissing op bezwaar kwam een einde aan deze onduidelijkheid.</para>
      <para>- Bij brief van 6 november 1998 heeft verweerders dienst Laser aan appellante </para>
      <para>meegedeeld dat is gebleken dat appellante op 31 maart 1998 in het kader van de </para>
      <para>Regeling gedroogde voedergewassen een contract/leveringsaangifte heeft afgesloten </para>
      <para>met grasdrogerij Oosterwolde te Oosterwolde (hierna: de grasdrogerij). Uit een </para>
      <para>vergelijking tussen de perceelsindelingslijst behorende bij dit contract en de door </para>
      <para>appellante opgegeven percelen voor voederareaal en akkerbouwsteun blijkt dat voor </para>
      <para>totaal 19 percelen met een totale oppervlakte van 46.17 ha in het kader van de </para>
      <para>regeling gedroogde voedergewassen een leveringsaangifte is ingediend. Dezelfde 19 </para>
      <para>percelen heeft appellante - tot een totale oppervlakte van 43.91 ha - tevens op de </para>
      <para>verklaring oppervlakten opgegeven voor voederareaal en voor akkerbouwsteun. Voor </para>
      <para>deze 19 percelen is daarom sprake van het (gedeeltelijk) dubbel aanvragen van steun. </para>
      <para>Aangezien het niet is toegestaan gelijktijdig voor een zelfde oppervlakte steun aan te </para>
      <para>vragen ingevolge de Regeling gedroogde voedergewassen en de Regeling dierlijke </para>
      <para>EG-premies of de EG-regeling steunverlening akkerbouwgewassen, deelt Laser mee </para>
      <para>dat overwogen wordt de oppervlakte voor akkerbouwsteun en de oppervlakte </para>
      <para>voederareaal in het kader van de Regeling dierlijke EG-premies te verminderen </para>
      <para>conform de sanctieregeling neergelegd in artikel 9, tweede lid, van Verordening </para>
      <para>(EEG) nr. 3887/92. Appellant wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op dit </para>
      <para>voornemen kenbaar te maken.</para>
      <para>- Bij brief van 17 november 1998 heeft appellante op voormelde brief gereageerd en </para>
      <para>daarbij verzocht af te zien van het voornemen tot toepassing van een sanctie.</para>
      <para>- Bij een op 27 november 1998 verzonden besluit deelt verweerder mee dat de </para>
      <para>aanvraag oppervlakten 1998 is afgewezen. Blijkens de bijlage bij dit besluit is zowel </para>
      <para>de subsidiabele oppervlakte akkerbouwgewassen als de definitieve oppervlakte </para>
      <para>voederareaal - na toepassing van een sanctie - op 0 ha vastgesteld.</para>
      <para>- Bij brief van 8 december 1998 maakt appellante vervolgens bezwaar tegen dit </para>
      <para>besluit.</para>
      <para>- Nadat appellante haar bezwaren  heeft toegelicht op een op 2 september 1999 </para>
      <para>gehouden hoorzitting heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt - samengevat - onder meer het volgende in.</para>
      <para>Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen, omdat niet is </para>
      <para>aangetoond dat bij Van der Greft ten tijde van het advies inzake de aanvraag van 1998 </para>
      <para>bekend was dat er voor de bewuste percelen ook een grasdroogcontract was afgesloten.</para>
      <para>Appellante heeft door ondertekening van het grasdroogcontract verklaard dat zij over de </para>
      <para>percelen, waarop het contract betrekking heeft, in het kalenderjaar dat begint op </para>
      <para>1 januari voor aanvang van het verkoopseizoen, geen subsidie heeft aangevraagd of zal </para>
      <para>aanvragen in het kader van de Regeling. Verder staat in het contract vermeld dat appellante </para>
      <para>kennis heeft genomen van het feit dat bij overtreding sancties zullen volgen in het kader </para>
      <para>van de Regeling en bij het uitbetalen van dierpremies. Reeds daaruit had appellante kunnen </para>
      <para>afleiden dat de toepasselijke regelgeving  het niet toelaat dat voor dezelfde oppervlakte </para>
      <para>cumulatie van subsidie kan plaatsvinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De stelling van appellante dat de onduidelijkheden omtrent de definitie van het begrip </para>
      <para>akkerland van een aantal percelen genoemd in de aanvraag oppervlakten 1997, die pas </para>
      <para>werden opgelost met de beslissing op bezwaar van 14 mei 1998, een beroep op overmacht </para>
      <para>zouden rechtvaardigen, wijst verweerder van de hand met een verwijzing naar het bepaalde </para>
      <para>bij artikel 11, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92.</para>
      <para>Verder merkt verweerder op dat appellante, na het bekend worden van de beslissing op </para>
      <para>bezwaar van 14 mei 1998, cumulatie van subsidie had kunnen voorkomen door - zonder </para>
      <para>korting - haar aanvraag tot en met 15 mei 1998 te wijzigen. Ook van de mogelijkheid om </para>
      <para>de aanvraag - met een korting van 1% per werkdag - te wijzigen tot 9 juni 1998 heeft </para>
      <para>appellante geen gebruik gemaakt.</para>
      <para>Tenslotte merkt verweerder op dat op grond van het feitencomplex in deze zaak niet kan </para>
      <para>worden gesproken van een "duidelijke" fout als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder a </para>
      <para>van de Regeling, die wijziging van de aanvraag na 15 mei 1998 mogelijk zou maken.</para>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende aangevoerd.</para>
      <para>"	Door de maatschap A-B is d.d. 21 april 1998 een Aanvraag oppervlakten 1998 </para>
      <para>ingediend. De Aanvraag Oppervlakten 1997 is door LASER eind 1997 </para>
      <para>afgewezen, in verband met onduidelijkheden omtrent de definitie Akkerland </para>
      <para>van een aantal percelen. Indertijd is tegen de afwijzing bezwaar aangetekend, </para>
      <para>omdat de maatschap een oppervlakte cultuurgrond, die wel voldeed aan de </para>
      <para>definitie Akkerland, in het kader van het Plan van Tijdelijk Gebruik </para>
      <para>ruilverkaveling "Midden Opsterland" is kwijtgeraakt aan derden. Het bezwaar </para>
      <para>is d.d. 11 mei 1998 gehonoreerd. De beslissing op het bezwaar is </para>
      <para>14 mei 1998 verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bezwarenbehandeling van de Aanvraag oppervlakten 1997 en de beslissing </para>
      <para>op het bezwaarschrift liepen echter parallel met de aanvraagperiode Aanvraag </para>
      <para>oppervlakten 1998 en het indienen van de leveringsaangifte voor de regeling </para>
      <para>Gedroogde voedergewassen 1998. In voornoemde aanvraagperioden was het </para>
      <para>volstrekt onduidelijk of de percelen opgegeven op de Aanvraag oppervlakten </para>
      <para>1998, voldeden aan de definitie Akkerland (einddatum van het indienen van de </para>
      <para>Aanvraag oppervlakten was 15 mei 1998). De beslissing op het bezwaar is </para>
      <para>binnen gekomen na de daadwerkelijke aanvraagperiode. Omdat in onderhavige </para>
      <para>aanvraagperiode toch een Aanvraag oppervlakten moest worden ingediend, is </para>
      <para>d.d. 7 april 1998 contact gezocht met LASER over hoe de Aanvraag </para>
      <para>oppervlakten 1998 moest worden opgesteld. De heer Van der Greft </para>
      <para>(regelingsdeskundige premieregelingen LASER regio Noord) adviseerde ons </para>
      <para>de percelen gewoon op te geven. De Aanvraag oppervlakten 1998 is voor de </para>
      <para>ma‹spercelen dan ook overeenkomstig de Aanvraag oppervlakten 1997 </para>
      <para>ingevuld (zie bijlage). Indien er een afwijzing zou volgen, moesten we bij </para>
      <para>LASER aan de bel trekken. De problematiek zou dan bij LASER bekend zijn. </para>
      <para>(.) Bovendien is tijdens de hoorzitting bezwarenbehandeling Aanvraag </para>
      <para>Oppervlakten 1997, d.d. 19 maart 1998, de onduidelijkheid omtrent de op te </para>
      <para>geven percelen door mij expliciet aangehaald. In het verslag van de hoorzitting </para>
      <para>is hierover vermeld: "Als er duidelijkheid is over deze 5,83 hectare, weet je wat </para>
      <para>je voor het volgend jaar moet opgeven". Daarbij is op de Aanvraag </para>
      <para>oppervlakten 1998 vermeld dat er nog een bezwarenprocedure loopt voor het </para>
      <para>aanvraagjaar 1997. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de overwegingen wordt door de regiomanager aangehaald dat de geschetste </para>
      <para>onduidelijkheid niets af doet aan het feit dat door de maatschap het </para>
      <para>contract/leveringsaangifte met de grasdrogerij is ondertekend. In de optiek van </para>
      <para>de maatschap is dit echter wel terzake. Op het moment van het afsluiten van het </para>
      <para>contract/leveringsaangifte d.d. 31 maart 1998 was de beslissing op het bezwaar </para>
      <para>Aanvraag oppervlakten 1997 nog niet bekend. Op dat moment stond niet vast </para>
      <para>of de ma‹spercelen voldeden aan de definitie Akkerland en was opgave van </para>
      <para>deze percelen voor de regeling Gedroogde voedergewassen zonder sanctie </para>
      <para>mogelijk. De aangehaalde uitspraak van het College van Beroep voor het </para>
      <para>bedrijfsleven doet hier niets aan af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de overweging wordt verder aangehaald dat de heer Van der Greft zich het </para>
      <para>gesprek kan herinneren, waarin geschetste problematiek is aangekaart, </para>
      <para>aangaande het invullen van de Aanvraag Oppervlakten 1998. Of hij gezegd </para>
      <para>heeft dat de aanvraag van 1998 overeenkomstig de aanvraag van 1997 kon </para>
      <para>worden ingevuld, voor wat betreft de ma‹spercelen weet hij niet meer, maar het </para>
      <para>zou best kunnen. Uit het telefonisch overleg d.d. 18 augustus 1998 blijkt mijns </para>
      <para>inziens alwel dat de heer Van der Greft dit heeft gezegd, nu de aanvraag 1998, </para>
      <para>conform de beslissing op het bezwaar is aangepast. Vanuit die optiek lijkt een </para>
      <para>beroep op het vertrouwensbeginsel gerechtvaardigd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Door appellante wordt niet betwist dat 19 in haar aanvraag oppervlakte 1998 als </para>
      <para>voederareaal en voor akkerbouwsteun opgegeven percelen  tevens staan vermeld op haar </para>
      <para>leveringsaangifte in het kader van de Regeling  gedroogde voedergewassen van 31 maart </para>
      <para>1998. Evenmin betwist appellante dat een dergelijke cumulatie van steunaanvragen voor </para>
      <para>dezelfde percelen op grond van de toepasselijke regelgeving niet is toegestaan.</para>
      <para>Appellante stelt dat het advies van de medewerker van Laser - inhoudende dat de </para>
      <para>onduidelijkheid rond de vraag of ma‹spercelen vermeld in de aanvraag oppervlakten 1997 </para>
      <para>als akkerland mogen worden aangemerkt, kan worden ondervangen door deze percelen in </para>
      <para>de aanvraag 1998 conform de opgave 1997 op te nemen -  een beroep op  het </para>
      <para>vertrouwensbeginsel rechtvaardigt.</para>
      <para>Het College kan appellante hierin niet volgen en overweegt daartoe als volgt.</para>
      <para>Vaststaat dat de aanleiding van het telefoongesprek tussen appellante en Van der Greft van </para>
      <para>Laser was, dat met betrekking tot enkele ma‹spercelen in verband met de lopende </para>
      <para>bezwaarprocedure inzake de aanvraag 1997 onduidelijkheid bestond of deze aan de </para>
      <para>definitie akkerland voldeden.</para>
      <para>Appellante heeft, juist gezien voormelde aanleiding van dit telefoongesprek, op geen </para>
      <para>enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de medewerker van Laser daarbij het vertrouwen </para>
      <para>heeft opgewekt dat het mogelijk zou zijn dezelfde percelen in aanmerking te brengen voor </para>
      <para>zowel akkerbouwsteun als voor subsidie op grond van de Regeling gedroogde </para>
      <para>voedergewassen.</para>
      <para>Veeleer is aannemelijk dat van de zijde van Laser het advies is gegeven om voor de </para>
      <para>bewuste ma‹spercelen de voor 1997 verstrekte gegevens ook voor 1998 te gebruiken, </para>
      <para>omdat bij een voor appellante ongunstige beslissing op het bezwaarschrift inzake 1997 </para>
      <para>deze percelen achteraf nog geschrapt hadden kunnen worden uit de aanvraag 1998.</para>
      <para>Voor zover appellante heeft willen betogen dat de onduidelijkheid rond de in 1997 voor </para>
      <para>akkerbouwsteun opgegeven percelen een beroep op overmacht rechtvaardigt kan het </para>
      <para>College appellante  hierin evenmin volgen. De onduidelijkheid vloeit immers voort uit de </para>
      <para>onteigening van een deel van het premiewaardig landbouwareaal van appellante op basis </para>
      <para>van het plan van Tijdelijk Gebruik Ruilverkaveling "Midden Opsterland". Artikel 11, derde </para>
      <para>lid, onder c, van Verordening ( EEG) 3887/92 bepaalt dat een beroep op overmacht alleen </para>
      <para>aanvaard kan worden als de onteigening op de dag van de indiening van de aanvraag niet </para>
      <para>voorzienbaar was. Daarvan is hier geen sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan </para>
      <para>moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dient het beroep </para>
      <para>ongegrond te worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr A.M. van der Ham in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. M.A. van der Ham	w.g. F.W. du Marchie Sarvaas</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>