<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0309</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T10:51:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0309</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/970</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0309">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0309</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:22:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0309 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 22-02-2001 / AWB 99/970</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0309:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0309:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/970					22 februari 2001</para>
      <para>	5135</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B</para>
      <para>gemachtigde: mr D. Kik, werkzaam bij de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie te Goes,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's- Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr L.P. de Wit, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 25 november 1999  heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, </para>
      <para>waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 oktober 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder appellants bezwaar tegen een besluit op grond van de </para>
      <para>Regeling EG- steunverlening akkerbouwgewassen ( hierna: de Regeling) ongegrond </para>
      <para>verklaard.</para>
      <para>Verweerder heeft op 21 februari 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2001, waarbij partijen hun </para>
      <para>standpunt nader hebben toegelicht, appellant in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde </para>
      <para>en C, werkzaam bij de DLV, en verweerder bij monde van zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De toepasselijk regelgeving.</para>
      <para>Artikel 6 van de Regeling bepaalt dat de producent, om voor een subsidie in aanmerking te </para>
      <para>komen, een aanvraag oppervlakten dient in te dienen bij verweerders dienst Laser. </para>
      <para>Als periode voor het indienen van een aanvraag oppervlakten 1999 is bij  de Regeling </para>
      <para>vaststelling indieningsperiode ( besluit van 26 maart 1999) , zoals gewijzigd bij besluit van </para>
      <para>7 mei 1999, de periode vastgesteld die loopt van 1 april 1999 tot en met 14 mei 1999.</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van Verordening (EEG) 3887/92 leidt het te </para>
      <para>laat indienen van een aanvraag , behoudens overmacht, tot een verlaging van de </para>
      <para>steunbedragen, waarop de aanvraag betrekking heeft en waarop het bedrijfshoofd recht zou </para>
      <para>hebben indien hij de aanvraag tijdig zou hebben ingediend, met 1% per werkdag. De </para>
      <para>aanvraag is, behoudens overmacht, niet- ontvankelijk, indien de uiterste datum van </para>
      <para>indiening - ingevolge het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van Verordening  (EEG) </para>
      <para>3887/92, zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) 1648/95 en artikel 8 van de Regeling- </para>
      <para>meer dan 25 kalenderdagen is overschreden.</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde bij artikel 11, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 is een </para>
      <para>beroep op overmacht slechts ontvankelijk, indien de producent binnen 10 werkdagen, te </para>
      <para>rekenen vanaf de dag waarop hij kennis heeft gekregen van de omstandigheden die </para>
      <para>mogelijk op overmacht duiden Laser daarvan in kennis heeft gesteld. Met name de </para>
      <para>volgende omstandigheden kunnen duiden op overmacht;</para>
      <para>- overlijden van de producent;</para>
      <para>- langdurige arbeidsongeschiktheid van de producent;</para>
      <para>- onteigening van van een belangrijk deel van het voor een compenserende betaling in </para>
      <para>aanmerking gebrachte akkerland, voorzover deze onteigening op de dag van de indiening </para>
      <para>niet voorzienbaar was;</para>
      <para>- een ernstige natuurramp, die aanmerkelijke schade voor het voor een compenserende </para>
      <para>betaling in aanmerking gebrachte akkerland of het daarop verbouwde gewas veroorzaakt.</para>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>-	Bij brief van 15 juli 1999 heeft appellant verweerder het originele formulier aanvraag </para>
      <para>oppervlakten 1999 toegezonden, onder vermelding dat dit formulier op 15 april 1999 </para>
      <para>reeds werd ingevuld en dat dit vervolgens direct, tezamen met het het formulier voor </para>
      <para>de landbouwtelling in dezelfde enveloppe, in copie is toegezonden aan Laser Zuid </para>
      <para>West. Het formulier landbouwtelling is blijkens een ontvangstbevestiging op </para>
      <para>21 april 1999 bij Laser ontvangen.</para>
      <para>-	Op 16 juli 1999 heeft verweerder het formulier aanvraag oppervlakten 1999 </para>
      <para>algemene regeling en voederareaal - blijkens een daarop geplaatste aantekening - </para>
      <para>ontvangen.</para>
      <para>-	Bij besluit van 19 juli 1999 deelt verweerder mee dat de aanvraag niet-ontvankelijk is </para>
      <para>verklaard, wegens niet tijdige indiening.</para>
      <para>-	Bij brief van 22 juli 1999 maakt appellant bezwaar tegen dit besluit tot niet-</para>
      <para>ontvankelijk verklaring.</para>
      <para>-	Na een op 21 september 1999 gehouden hoorzitting heeft verweerder vervolgens het </para>
      <para>bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt - samengevat - onder meer het volgende in.</para>
      <para>Verweerder heeft, ook na intern onderzoek, niet kunnen vaststellen dat in de periode </para>
      <para>1 april 1999 tot en met 8 juni 1999 een aanvraag oppervlakten 1999 van appellant is </para>
      <para>ontvangen. Verweerder moet er daarom van uit gaan dat het formulier - zoals onder de </para>
      <para>vaststaande feiten vermeld - pas op 16 juli 1999 werd ontvangen. Ingevolge het bepaalde </para>
      <para>bij artikel 8 van de Regeling heeft verweerder de aanvraag, wegens niet tijdige indiening, </para>
      <para>daarom niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder ziet geen aanleiding om op dit besluit </para>
      <para>terug te komen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is er niet in geslaagd aan te tonen dat de aanvraag gelijktijdig met het formulier </para>
      <para>landbouwtelling in dezelfde enveloppe werd toegezonden. Appellant is zelf </para>
      <para>verantwoordelijk voor een tijdige indiening van de aanvraag oppervlakten. Tenslotte is er </para>
      <para>van overmacht geen sprake nu appellant op geen enkele wijze heeft aangetoond dat er </para>
      <para>sprake is geweest van omstandigheden die het hem onmogelijk maakten de aanvraag tijdig </para>
      <para>in te dienen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft in het beroepschrift ter ondersteuning van het beroep onder meer het </para>
      <para>volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>"	Het beroep wordt ingesteld om de volgende reden:</para>
      <para>bedoelde aanvraag is niet-ontvankelijk verklaard omdat zij te laat zou zijn </para>
      <para>ingediend. Echter, een kopie van het ingevulde aanvraagformulier is door mijn </para>
      <para>cli‰nt tijdig verzonden en wel samen met de landbouwtellinggegevens en de </para>
      <para>MINAS-aangifte in een envelop. Deze envelop is kennelijk op 21 april 1999 </para>
      <para>ontvangen door LASER, waarna de landbouwtellingen en de MINAS-aangifte </para>
      <para>verder zijn verwerkt. Mijn cli‰nt vernam daarna niets meer omtrent de </para>
      <para>aanvraag Steunverlening Akkerbouwgewassen. Wel heeft mijn cli‰nt op 15 juli </para>
      <para>1999, na geconstateerd te hebben dat hij dit nog in zijn bezit had, het originele </para>
      <para>aanvraagformulier nagezonden naar LASER.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mijn cli‰nt heeft het formulier onder toezicht en met behulp van Mevrouw C, </para>
      <para>werkzaam bij DLV, ingevuld, ondertekend en verzonden naar LASER. Behalve </para>
      <para>de werkstaat van Mevrouw C kan mijn cli‰nt geen bewijsmiddelen overleggen. </para>
      <para>Duidelijk moge zijn dat mijn cli‰nt als ondernemer niet lichtvaardig enige </para>
      <para>inkomensbron aan zich voorbij zal laten gaan. Hij heeft zijns inziens de nodige </para>
      <para>zorgvuldigheid betracht in zijn berichtgeving naar LASER. Ook in voorgaande </para>
      <para>jaren heeft hij van een dergelijke, zorgvuldigheid blijk gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik verzoek u voormelde argumenten ten volle mee te wegen en mijn cli‰nt </para>
      <para>ontvankelijk en gegrond te verklaren in zijn beroep en voormelde beslissing </para>
      <para>van LASER te vernietigen met veroordeling van LASER in de kosten en uw </para>
      <para>beslissing hierheen te leiden dat mijn cli‰nt alsnog wordt toegelaten tot </para>
      <para>bovenvermelde EG-Regeling met toekenning van de hem ingevolge deze </para>
      <para>regeling toekomende financi‰le steun."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting is van de zijde van appellant opgemerkt dat, anders dan in het beroepschrift </para>
      <para>vermeld, de MINAS-aangifte niet in dezelfde enveloppe is verzonden, daar deze naar een </para>
      <para>andere instantie - Bureau Heffingen - is gestuurd.</para>
      <para>Appellant heeft ter zitting nog betoogd dat de op 16 april toegezonden enveloppe niet </para>
      <para>aangetekend is verzonden, maar dat ook aangetekende verzending appellant niet zou </para>
      <para>hebben gebaat, nu verweerder ontkent dat het in deze enveloppe mede verzonden formulier </para>
      <para>voor de aanvraag oppervlakten ooit is ontvangen. Appellant meent dat hij gedetailleerd en </para>
      <para>met een getuige heeft aangetoond dat hij in de bewuste enveloppe wel degelijk ook het </para>
      <para>formulier aanvraag oppervlakten heeft verstuurd. Onder deze omstandigheden getuigt het </para>
      <para>standpunt van verweerder dat niet is aangetoond dat het formulier wel in deze enveloppe </para>
      <para>heeft gezeten niet van evenwichtige belangenafweging.  </para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het College is van oordeel dat verweerder, die ondanks interne naspeuringen niet heeft </para>
      <para>kunnen vaststellen dat het formulier aanvraag oppervlakten ooit is ontvangen, op goede </para>
      <para>gronden als uitgangspunt heeft genomen dat het de verantwoordelijkheid van appellant is </para>
      <para>om conform de geldende voorschriften - en dus tijdig - zijn aanvraag in te dienen. Deze </para>
      <para>verantwoordelijkheid brengt met zich mee dat appellant zodanige voorzieningen dient te </para>
      <para>treffen, dat hij kan aantonen dat het bewuste aanvraagformulier tijdig bij verweerder is </para>
      <para>ingediend. Hierin is appellant in dit geval niet geslaagd. Hiertoe overweegt het College als </para>
      <para>volgt.</para>
      <para>De enkele mededeling van appellant dat hij in de enveloppe waarin het formulier </para>
      <para>landbouwtelling is verzonden ook het formulier aanvraag oppervlakten heeft verzonden </para>
      <para>rechtvaardigt niet de conclusie dat, nu het formulier landbouwtelling op 21 april 1999 is </para>
      <para>ontvangen, ook de aanvraag oppervlakten op die datum bij verweerders dienst LASER </para>
      <para>moet zijn ontvangen. De stelling van appellant dat DLV-medewerkster C er bij aanwezig </para>
      <para>was toen hij beide formulieren in een enveloppe deed, doet hieraan niet af. Terzijde merkt </para>
      <para>het College op dat het weinig aannemelijk is dat, als mevrouw C de verzending van twee </para>
      <para>formulieren in dezelfde enveloppe bewust zou hebben vastgesteld, de abusievelijke </para>
      <para>toezending van het kopie-aanvraagformulier niet zou zijn opgemerkt.</para>
      <para>Het betoog dat appellant, ook als hij de bewuste enveloppe aangetekend verzonden zou </para>
      <para>hebben, nimmer kan aantonen dat hij daarin twee formulieren heeft verzonden treft geen </para>
      <para>doel. Door ieder formulier aangetekend in een aparte enveloppe te verzenden had appellant </para>
      <para>zich kunnen behoeden voor de bewijsrechtelijk moeilijke positie waarin hij is komen te </para>
      <para>verkeren.</para>
      <para>Nu verweerder onweersproken heeft gesteld dat hij altijd een ontvangstbevestiging </para>
      <para>verzendt voor het formulier aanvraag oppervlakten, rijst de vraag waarom appellant - die </para>
      <para>wel een ontvangstbevestiging voor het formulier landbouwtelling, maar geen bericht </para>
      <para>omtrent het formulier aanvraag oppervlakten ontving - niet nog binnen de termijn voor </para>
      <para>indiening van zijn aanvraag  navraag bij verweerder heeft gedaan.</para>
      <para>Het betoog dat verweerder bij zorgvuldige belangenafweging niet kan volstaan met de </para>
      <para>mededeling dat het formulier aanvraag oppervlakten niet tijdig is ontvangen, miskent het </para>
      <para>uitgangspunt dat appellant voor een correcte, en dus tijdige, indiening van het formulier </para>
      <para>verantwoordelijk is.</para>
      <para>Het beroep op overmacht van appellant strandt op de vaste jurisprudentie van het Hof van </para>
      <para>Justitie van de Europese Gemeenschappen inhoudende, dat daarvan slechts sprake is, </para>
      <para>indien het niet tijdig indienen van de aanvraag het gevolg is van de volstrekte </para>
      <para>onmogelijkheid om de geldende termijn na te leven, dan wel dat dit te wijten is aan </para>
      <para>abnormale en onvoorzienbare omstandigheden , die vreemd zijn aan degene die zich </para>
      <para>daarop beroept en waarvan de gevolgen, in weerwil van alle mogelijke voorzorgen, niet </para>
      <para>konden worden vermeden. Hiervan is het College op geen enkele wijze gebleken.</para>
      <para>Aangezien ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan </para>
      <para>moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dient het beroep </para>
      <para>ongegrond te worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. M.A. van der Ham	w.g. F.W. du Marchie Sarvaas</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>