<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0308</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T12:44:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0308</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/12</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0308">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0308</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:22:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0308 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 22-02-2001 / AWB 00/12</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0308:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0308:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 00/12						22 februari 2001</para>
      <para>	5135</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, </para>
      <para>te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 3 januari 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 november 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen een besluit op grond van </para>
      <para>de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) ongegrond </para>
      <para>verklaard.</para>
      <para>Verweerder heeft op 14 maart 2000 een verweerschrift met bijlagen ingediend.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2001, waarbij partijen hun </para>
      <para>standpunten nader hebben toegelicht, appellant in persoon, en verweerder bij monde van </para>
      <para>zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1 De toepasselijke regelgeving.</para>
      <para>In artikel 3 van Verordening (EEG) 3887/92 is bepaald dat het in artikel 4 van Verordening </para>
      <para>(EEG) nr. 3508/92 bedoelde identificatiesysteem zo wordt opgezet dat het betrekking heeft </para>
      <para>op de percelen landbouwgrond. De Lid-Staten kunnen besluiten te werken met een andere </para>
      <para>eenheid dan een perceel landbouwgrond zoals een kadastraal omschreven perceel of een </para>
      <para>blok cultuurgrond. In dit geval nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te </para>
      <para>garanderen dat de percelen landbouwgrond op betrouwbare wijze worden ge‹dentificeerd, </para>
      <para>met name door te verlangen dat de steunaanvragen "oppervlakten" vergezeld gaan van de </para>
      <para>door de bevoegde instanties bepaalde gegevens of documenten die het mogelijk maken elk </para>
      <para>perceel landbouwgrond te lokaliseren en te meten.</para>
      <para>	In artikel 4, eerste lid, van Verordening (EEG) 3887/92 is bepaald dat onverminderd de </para>
      <para>eisen die in de sectori‰le verordeningen worden gesteld, een steunaanvraag "oppervlakten" </para>
      <para>alle nodige gegevens moet bevatten, en met name:</para>
      <para>- de identificatie van het bedrijfshoofd,</para>
      <para>- de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf benodigde </para>
      <para>gegevens, de oppervlakte van deze percelen, hun ligging, het gebruik ervan, eventueel het </para>
      <para>feit dat het om een ge‹rrigeerd perceel gaat, en de betrokken steunregeling,</para>
      <para>- een verklaring van de producent dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden voor </para>
      <para>toekenning van de betrokken steun.</para>
      <para>	In artikel 6, negende lid, van Verordening (EEG) 3508/92 is bepaald dat wanneer een </para>
      <para>steunaanvraag of de wijzigingen daarop vergezeld moeten gaan van aanvullende </para>
      <para>documenten, deze documenten worden geacht deel uit te maken van de aanvraag.</para>
      <para>	Ingevolge artikel 4, tweede lid sub a, van Verordening (EEG) 3887/92 (door Verordening </para>
      <para>(EG) 229/95 aangevuld) mag de steunaanvraag "oppervlakten" na de uiterste datum voor </para>
      <para>de indiening ervan nog slechts worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde </para>
      <para>autoriteiten de wijzigingen uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van </para>
      <para>Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen:</para>
      <para>- wat de percelen landbouwgrond betreft, in bijzondere gevallen die naar behoren zijn </para>
      <para>gemotiveerd, zoals met name een overlijden, een huwelijk, aan- of verkoop of de sluiting </para>
      <para>van een pachtovereenkomst. De Lid-Staten stellen de desbetreffende voorwaarden vast.</para>
      <para>	Artikel 5 bis van de Verordening (EEG) 3887/92, door Verordening (EG) 229/95 </para>
      <para>ingevoegd, bepaalt dat onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 in geval van </para>
      <para>een klaarblijkelijke fout, een steunaanvraag na de indiening op elk moment kan worden </para>
      <para>aangepast.</para>
      <para>	Ingevolge artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) 3887/92 wordt, wanneer wordt </para>
      <para>vastgesteld dat de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is </para>
      <para>dan de geconstateerde oppervlakte, het steunbedrag berekend op basis van de bij de </para>
      <para>controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk </para>
      <para>geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil </para>
      <para>wanneer dit groter dan 3% van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan </para>
      <para>20% van de geconstateerde oppervlakte is.</para>
      <para>Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde </para>
      <para>verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.</para>
      <para>	Artikel 9 van voormelde Verordening is nader uitgewerkt in de artikelen 3 en 12 van de </para>
      <para>Regeling.</para>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Op 14 mei 1998 heeft appellant een formulier aanvraag oppervlakten 1998 </para>
      <para>vereenvoudigde regeling en voederareaal bij verweerders dienst Laser ingediend. Bij </para>
      <para>deze aanvraag heeft appellant als gebruikstitel voor de percelen met de volgnummers </para>
      <para>2, 3 en 4 een '1', hetgeen staat voor eigendom, opgegeven.</para>
      <para>- Op 19 november 1998 is door een ambtenaar van de AID een bedrijfscontrole bij </para>
      <para>appellant gehouden in het kader van de controle op de  uitvoering van de Regeling. </para>
      <para>Blijkens het naar aanleiding hiervan opgemaakte rapport heeft de AID de </para>
      <para>controleresultaten meegedeeld aan appellant. In het rapport staat voor zover hier van </para>
      <para>belang het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>"	Perceel 2</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bovengenoemde aanvrager heeft van perceel met het nummer 2 een besluit </para>
      <para>welke door de raad van de gemeente Born op 29 augustus 1988 is vastgesteld, </para>
      <para>waarin het bedoelde perceel aan A, C is verkocht. Tevens is dit besluit op 7 </para>
      <para>maart 1989 gezien en goedgekeurd door de Gedeputeerde Staten van Limburg. </para>
      <para>Bij het kadaster staat het bedoelde perceel niet op naam van de aanvrager.</para>
      <para>A verklaart dat in 1988 door de gemeente Born bouwgrond was verkocht welke </para>
      <para>de gemeente niet had te verkopen, daar de verkochte bouwgrond nog altijd </para>
      <para>eigendom was van A. Hiervoor heeft </para>
      <para>A in 1988 vervangende grond van de gemeente kunnen kopen. In november </para>
      <para>1998 heeft A de grond weer terug verkocht aan de gemeente Born, daar op deze </para>
      <para>grond woningbouw zal gaan plaatsvinden. Een fotokopie van het bedoelde </para>
      <para>raadsbesluit en de stempel van de goedkeuring van G.S. is als bijlage 1 bij dit </para>
      <para>rapport gevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Perceel 3</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het kadaster van de gemeente Onderbanken is perceel 3, welke door </para>
      <para>bovenvermelde aanvrager als eigendom is opgegeven, op 6 november 1998 </para>
      <para>eigendom van A, te D.</para>
      <para>Daarnaast is er op 16 november 1998 een notari‰le akte gepasseerd, waar onder </para>
      <para>andere in staat vermeld dat "Verkoper heeft blijkens een met koper in het </para>
      <para>kalenderjaar negentienhonderdvierennegentig aangegane koopovereenkomst </para>
      <para>aan koper verkocht en levert op grond daarvan aan koper, ...".</para>
      <para>Een fotokopie van de kadastrale gegevens van de gemeente onderbanken en </para>
      <para>een fotokopie van de bedoelde akte is respectievelijk als bijlage 2 en 3 bij dit </para>
      <para>rapport gevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Perceel 4</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van Perceel 4 is circa 8 tot 9 are eigendom van bovenvermelde aanvrager. De </para>
      <para>eigendomsakte van bedoeld perceel heb ik niet gezien daar A deze niet kon </para>
      <para>vinden.</para>
      <para>De resterende oppervlakte van dit perceel is eigendom van het Recreatieschap </para>
      <para>Schinveld.</para>
      <para>Volgens bovenvermelde aanvrager, is dit perceel al meer dan 30 jaar door </para>
      <para>A in gebruik. Hier is verder geen gebruikersverklaring voor opgemaakt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Daarnaast vermeldt het rapport voor de percelen 1 t/m 4 verschillen tussen de   </para>
      <para>gemeten en de opgegeven maat.</para>
      <para>-	Bij een op 7 december 1998 verzonden besluit heeft verweerder vervolgens de </para>
      <para>aanvraag van appellant afgewezen.</para>
      <para>-	Tegen deze afwijzing heeft appellant bij brief van 9 januari 1999 bezwaar gemaakt.</para>
      <para>-	Na een op 3 november 1999 gehouden hoorzitting heeft verweerder vervolgens het </para>
      <para>bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Verweerder merkt in het bestreden besluit omtrent de in het AID-rapport genoemde </para>
      <para>percelen 2, 3 en 4 het volgende op.</para>
      <para>"	Perceel 2, topografisch nummer 184 96 338 75</para>
      <para>Met betrekking tot perceel 2 overlegde u een uitspraak in kort geding van de </para>
      <para>rechtbank te Maastricht de dato 23 april 1999. U stelde dat u het eigendom van </para>
      <para>dit perceel met ingang van deze datum had overgedragen aan de gemeente </para>
      <para>Born. Bij het indienen van de aanvraag in mei 1998 was u dus eigenaar en u </para>
      <para>zou terecht gebruikstitel 1 hebben opgegeven op het aanvraagformulier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door u geschetste situatie is niet geheel juist. In 1988 kocht u het perceel </para>
      <para>van de gemeente Born. Uit de stukken gevoegd bij het AID-rapport blijkt dat </para>
      <para>het besluit tot verkoop van het perceel op 07 maart 1989 is gezien en </para>
      <para>goedgekeurd door de Gedeputeerde Staten van Limburg. Intern onderzoek </para>
      <para>heeft uitgewezen dat er tussen u en de gemeente Born nooit een voor de </para>
      <para>overdracht vereiste notari‰le akte werd opgemaakt. Levering van het </para>
      <para>betreffende perceel kwam dan ook nimmer tot stand. In 1998 werd aan het </para>
      <para>perceel een andere bestemming gegeven: het perceel bevond zich midden in </para>
      <para>een ontwikkelingsgebied voor woningbouw. Er ontstond onenigheid tussen u </para>
      <para>en de gemeente Born over de levering van het perceel en de waarde ervan. Ter </para>
      <para>be‰indiging van het geschil werd, zo blijkt uit de overlegde uitspraak in kort </para>
      <para>geding, een vaststellingsovereenkomst gesloten. Een commissie van </para>
      <para>deskundigen taxeerde het perceel en stelde de door de gemeente te betalen </para>
      <para>vergoeding vast. De gemeente kon zich niet verenigingen met het oordeel van </para>
      <para>de commissie. De rechter bepaalde in kort geding dat de gemeente zich moest </para>
      <para>schikken naar de uitkomst van het taxatierapport.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande blijkt dat u nooit eigenaar bent geweest van het perceel. </para>
      <para>Overdracht heeft nooit plaatsgevonden en uiteindelijk bent u akkoord gegaan </para>
      <para>met een vergoeding wegens niet nakoming van de koopovereenkomst die u met </para>
      <para>de gemeente in 1988 had gesloten. Ik concludeer dan ook dat u ten onrechte </para>
      <para>bent overgegaan tot opgave van het perceel onder gebruikstitel 1. Navraag bij </para>
      <para>de gemeente Born heeft overigens wel uitgewezen dat u het perceel in 1998 </para>
      <para>heeft gebruikt en dat de gemeente dit gebruik heeft goedgekeurd, dan wel </para>
      <para>gedoogd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Perceel 3, topografisch nummer 193 89 331 80</para>
      <para>Ten aanzien van perceel 3 heeft u verklaard dat dit perceel in 1994 door u werd </para>
      <para>gekocht van uw zoon, E. Hiertoe overlegde u een notari‰le akte gedateerd 16 </para>
      <para>november 1998. Blijkens deze akte werd tussen u en uw zoon in 1994 een </para>
      <para>koopovereenkomst aangegaan tot verkoop van het betreffende perceel. Echter, </para>
      <para>pas op 16 november 1998 werd de notari‰le akte verleden en werd deze </para>
      <para>ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers. Op grond van hetgeen </para>
      <para>hierboven reeds is omschreven verkreeg u pas op 16 november 1998 eigendom </para>
      <para>van het perceel en werd het dan ook op 14 mei 1998 ten onrechte door u </para>
      <para>opgegeven onder gebruikstitel 1.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Perceel 4, topografisch nummer 197 75 331 51</para>
      <para>U verklaarde in de bezwaarfase het perceel met volgnummer 4 nooit in </para>
      <para>eigendom te hebben gehad. Reeds lange tijd zegt u het perceel in gebruik te </para>
      <para>hebben, deels van uw zoon en deels van Recreatieschap Schinveld. Ik </para>
      <para>concludeer dan ook dat u het perceel ten onrechte opgaf onder vermelding van </para>
      <para>gebruikstitel 1. Ook hier was de juiste gebruikstitel titel 5 geweest, in gebruik </para>
      <para>genomen akkerland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het hierboven gestelde, concludeer ik dat u de percelen ten tijde </para>
      <para>van het indienen van uw aanvraag niet in eigendom had. U diende bij de drie </para>
      <para>percelen gebruikstitel 5 op te geven, hetgeen betekent dat u voor de percelen </para>
      <para>een "verklaring gebruik akkerland" had moeten overleggen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder laat tenslotte bij zijn besluit de door de AID geconstateerde verschillen tussen </para>
      <para>de gemeten en de opgegeven maat buiten beschouwing.</para>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende </para>
      <para>tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Allereerst merkt appellant op dat hem tijdens de hoorzitting op 3 november 1999 gevraagd </para>
      <para>werd te reageren op het hem op dat moment niet bekende AID- rapport. Dit rapport is hem </para>
      <para>pas na de hoorzitting ter hand gesteld. Appellant meent dat hij hierdoor in een nadelige </para>
      <para>positie is komen te verkeren tijdens de afhandeling van de bezwaarprocedure.</para>
      <para>Appellant heeft het perceel 2 in 1988 gekocht van de gemeente Born voor een koopprijs </para>
      <para>van fl. 25.602.- . Daaruit blijkt dat er wel degelijk sprake is geweest van een koop-</para>
      <para>overeenkomst. Daarmee lag ook de levering vast. Nadat appellant enige jaren op levering </para>
      <para>heeft aangedrongen - hetgeen resulteerde in steeds weer nieuwe toezeggingen van de zijde </para>
      <para>van de gemeente - heeft appellant uiteindelijk in 1996 bij aangetekende brief de gemeente </para>
      <para>Born gesommeerd tot levering. Uit het feit dat de gemeente het perceel heeft terug-gekocht </para>
      <para>voor een hogere prijs dan appellant het kocht blijkt reeds dat appellant het perceel wel </para>
      <para>degelijk gekocht had. Appellant kon uitsluitend een aankoopprijs tegen de vrije markt-</para>
      <para>waarde bedingen, omdat hij eigenaar was. Appellant merkt verder op dat hij niet zou weten </para>
      <para>aan wie hij had moeten vragen om een verklaring gebruik akkerland. Hij gebruikte het </para>
      <para>perceel immers, omdat hij het gekocht had.</para>
      <para>Met betrekking tot perceel 3 merkt appellant op dat hij het perceel in 1994 kocht van zijn </para>
      <para>zoon en dat hij dus sinds 1994 eigenaar is geweest. Hij acht het onbegrijpelijk dat hij een </para>
      <para>verklaring gebruik akkerland had moeten vragen aan zijn zoon die het perceel reeds in </para>
      <para>1994 aan hem verkocht had.</para>
      <para>Met betrekking tot het perceel 4 merkt appellant dat hij dit reeds jaren in gebruik heeft. </para>
      <para>Nimmer is van de zijde verweerder opgemerkt - ook niet na een controle in 1996 - dat hij </para>
      <para>niet de gebruikstitel eigenaar zou mogen voeren.  </para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Allereerst merkt het College op, dat het feit dat appellant pas na afloop van de hoorzitting </para>
      <para>op 3 november 1999 inzage krijgt in het door de AID opgemaakte bedrijfscontrolerapport,  </para>
      <para>door appellant is ervaren als een omstandigheid die het hem lastig maakte zijn belangen te </para>
      <para>bepleiten gedurende de bezwaarfase. Verweerder merkt hieromtrent - op zich juist - op dat </para>
      <para>appellant in de uitnodiging voor de hoorzitting had kunnen lezen dat alle stukken tot de </para>
      <para>hoorzitting hadden kunnen worden ingezien c.q. hadden kunnen worden opgevraagd. </para>
      <para>Niettemin vraagt het College zich af of het niet eigener beweging toezenden van een zo </para>
      <para>belangrijk stuk niet op zijn minst als minder gelukkig moet worden aangemerkt. Overigens </para>
      <para>kan deze handelwijze van verweerder er niet toe leiden dat appellant reeds op die grond </para>
      <para>voor een voor hem positieve beslissing op het beroep in aanmerking kan komen. Immers, </para>
      <para>in zijn bezwaarschrift van 9 januari 1999 gaat appellant nadrukkelijk in op de in zijn ogen </para>
      <para>onjuiste constateringen van de AID-ambtenaar omtrent de door hem bij de aanvraag </para>
      <para>ingevulde gebruikstitels. Hieruit kan  slechts worden afgeleid dat appellant op de </para>
      <para>hoorzitting niet geheel onverwacht geconfronteerd werd met de in het AID-rapport </para>
      <para>vermelde gegevens. Dit is ook in overeenstemming met het gegeven dat de AID- </para>
      <para>ambtenaar, zoals onder de vaststaande feiten vermeld, de bevindingen van zijn controle-</para>
      <para>bezoek heeft doorgesproken met appellant.</para>
      <para>Hetgeen partijen vervolgens verdeeld houdt is de vraag of  verweerder op goede gronden </para>
      <para>tot de conclusie is gekomen, dat er sprake is van een door appellant in zijn aanvraag onjuist </para>
      <para>opgegeven gebruikstitel voor de percelen 2, 3 en 4, als gevolg waarvan, na toepassing van </para>
      <para>de in artikel 3 en 12 van de Regeling en artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 </para>
      <para>omschreven sanctie, de aanvraag van appellant is afgewezen. Het College beantwoordt </para>
      <para>deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.</para>
      <para>Ingevolge artikel 4, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 moet een steun-</para>
      <para>aanvraag oppervlakten alle nodige gegevens bevatten, waaronder de voor identificatie van </para>
      <para>alle percelen landbouwgrond van het bedrijf behorende gegevens. Blijkens artikel 3 van </para>
      <para>deze Verordening moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om te garanderen dat </para>
      <para>de percelen landbouwgrond op betrouwbare wijze worden ge‹dentificeerd, met name door </para>
      <para>te verlangen dat de steunaanvragen oppervlakten vergezeld gaan van de door de bevoegde </para>
      <para>instanties bepaalde gegevens of documenten die het mogelijk maken elk perceel landbouw-</para>
      <para>grond te lokaliseren en te meten. Naar het oordeel van het College moeten daaronder, gelet </para>
      <para>op de kennelijke strekking van deze bepalingen, tevens die gegevens of documenten</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>worden begrepen die het mogelijk maken een in de steunaanvraag opgegeven perceel </para>
      <para>landbouwgrond  te identificeren als een perceel dat gedurende de relevante periode behoort </para>
      <para>tot het bedrijf van de aanvrager. Niet valt in te zien dat in dit kader de eis dat per </para>
      <para>opgegeven perceel de gebruikstitel dient te worden opgegeven overbodig of </para>
      <para>disproportioneel zou zijn.</para>
      <para>Appellant heeft met betrekking tot de percelen 2, 3 en 4 op het aanvraagformulier als </para>
      <para>gebruikstitel code 1 (eigendom) vermeld. Terecht stelt verweerder zich op het standpunt </para>
      <para>dat het hier slechts om de juridische eigendom kan gaan. In artikel 3:84 BW, eerste lid, is </para>
      <para>bepaald dat voor overdracht van een goed wordt vereist een levering krachtens geldige </para>
      <para>titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken. In artikel 3:89 BW is </para>
      <para>bepaald dat de voor overdracht van onroerende zaken vereiste levering geschiedt door een </para>
      <para>daartoe bestemde, tussen partijen opgemaakte notari‰le akte, gevolgd door de inschrijving </para>
      <para>daarvan in de daartoe bestemde openbare registers.</para>
      <para>Met betrekking tot het door appellant, blijkens besluit van de gemeenteraad van Born, op </para>
      <para>29 augustus 1988 van de gemeente Born gekochte perceel 2 blijkt uit de inhoud van het </para>
      <para>AID-rapport dat na deze datum geen notari‰le akte is opgemaakt en dat dus evenmin </para>
      <para>inschrijving van deze akte in de openbare registers heeft plaatsgevonden. Door appellant </para>
      <para>wordt dit ook niet betwist. Appellant moet zich hiervan ook bewust zijn geweest gelet op </para>
      <para>zijn verklaring ter zitting dat aanvankelijk, op zijn mondelinge vraag wanneer het transport </para>
      <para>van het door hem gekochte perceel zou gaan plaatsvinden, van de zijde van de notaris en de </para>
      <para>gemeente geruststellende signalen kwamen, dat dit wel in orde zou komen. Vervolgens </para>
      <para>belette de slechte gezondheidstoestand van zijn echtgenote appellant geruime tijd hieraan </para>
      <para>veel aandacht te besteden. Eerst bij brief van 9 september 1996 heeft appellant zich  tot de </para>
      <para>gemeente Born gewend met het verzoek de koop zo spoedig mogelijk "af te werken", </para>
      <para>waarmee slechts bedoeld kan zijn een verzoek om de overdracht te formaliseren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder deze omstandigheden kan appellant zich er niet op beroepen dat hij enkel op grond </para>
      <para>van de in 1988 tot stand gekomen koop reeds eigenaar van het perceel 2 was. Dit klemt te </para>
      <para>meer nu appellant in de brief van 9 september 1996 aan de gemeente opmerkt dat het </para>
      <para>perceel hem destijds door een gemeente-ambtenaar is aangewezen en met diens </para>
      <para>toestemming door hem in gebruik is genomen.</para>
      <para>Daarmee kan het College ook voorbij gaan aan de stelling van appellant dat hij niet </para>
      <para>begrijpt aan wie hij - zoals door verweerder noodzakelijk geacht - een verklaring "in </para>
      <para>gebruik genomen akkerland" zou hebben moeten vragen.</para>
      <para>Hieraan kan het College nog toevoegen dat verweerder met reden onder het begrip </para>
      <para>eigendom verstaat de juridische eigendom. Immers op het aanvraagformulier worden </para>
      <para>aanvullende gegevens ter identificatie van het perceel gevraagd om de controle op </para>
      <para>eventueel misbruik van de steunregeling te vergemakkelijken. Tegen deze achtergrond is </para>
      <para>het voor de hand liggend dat verweerder alleen degene die - verifieerbaar - als zodanig </para>
      <para>vermeld staat in de openbare registers  als eigenaar aanmerkt. Het College stelt bijgevolg </para>
      <para>vast dat appellant ten onrechte gebruikerscode 1 (eigendom) heeft ingevuld voor dit </para>
      <para>perceel.</para>
      <para>Met betrekking tot perceel 3 vermeldt het AID rapport dat dit blijkens de openbare </para>
      <para>registers op 6 november 1998 eigendom was van E (de zoon van appellant) en pas nadien </para>
      <para>op 16 november 1998 een notari‰le akte is gepasseerd, waarin staat dat appellant in 1994 </para>
      <para>het bewuste perceel van zijn zoon heeft gekocht. Daarmee staat - onder verwijzing naar </para>
      <para>hetgeen het College heeft overwogen met betrekking tot perceel 1 - vast dat appellant ten </para>
      <para>tijde van belang geen juridisch eigenaar was van  het bewuste perceel. Terecht neemt </para>
      <para>verweerder dus het standpunt in dat appellant gebruikerscode 5 (in gebruik genomen als </para>
      <para>akkerland) had moeten invullen en bij zijn aanvraag een verklaring "gebruik akkerland" </para>
      <para>had moeten overleggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De stelling van appellant dat perceel 4 reeds jaren bij hem in gebruik is en dat hij er bij een </para>
      <para>eerdere controle in 1996 niet op gewezen is dat hij de gebruikstitel 1 (eigendom) niet </para>
      <para>mocht opgeven, doet niet af aan het feit dat appellant - behoudens 8 … 9 are - geen eigenaar </para>
      <para>van dit perceel was; een omstandigheid waarvan hij zich blijkens het verhandelde op de </para>
      <para>hoorzitting van 3 november 1999 bewust was. Het College kan hier slechts de conclusie </para>
      <para>aan verbinden dat verweerder niet anders kon vaststellen dan dat appellant ook voor dit </para>
      <para>perceel ten onrechte de code 1 (eigendom) heeft ingevuld.</para>
      <para>Gelet op het bovenstaande heeft verweerder op goede gronden geoordeeld dat de met </para>
      <para>betrekking tot de percelen 2, 3 en 4 door appellant verstrekte gegevens niet corres-</para>
      <para>pondeerden met de werkelijke perceelssituatie.</para>
      <para>Verweerder heeft, naar het oordeel van het College terecht, vastgesteld  dat de relevante </para>
      <para>communautaire regelgeving geen mogelijkheden biedt om appellant alsnog toe te staan het </para>
      <para>aanvraagformulier te wijzigen door alsnog de juiste gebruikstitel op te nemen en voor de </para>
      <para>bewuste percelen 2, 3 en 4 een verklaring gebruik akkerland over te leggen. </para>
      <para>Gelet op artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 heeft verweerder bij het </para>
      <para>bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag terecht gehandhaafd.</para>
      <para>Gelet op het bovenstaande is het beroep van appellant derhalve ongegrond.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr  M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. M.A. van der Ham	w.g. F.W. du Marchie Sarvaas</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>