<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0307</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T02:33:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0307</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/630</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:10&amp;g=2001-02-22">Algemene wet bestuursrecht 6:10</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0307">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0307</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:22:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-05-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0307 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 22-02-2001 / AWB 99/630</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0307:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0307:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>No. AWB 99/630     22 februari 2001</para>
    <para>	</para>
    <para>5135</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A Landbouwbedrijf B.V., te B, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder, </para>
      <para>gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerders ministerie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 29 juli 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 juni 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder appellantes bezwaar tegen het op nul stellen van haar </para>
      <para>oppervlakte voederareaal ongegrond verklaard.</para>
      <para>Verweerder heeft op 29 oktober 1999 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2000, waarbij beide </para>
      <para>partijen hun standpunt bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht.</para>
      <para>Bij brief van 6 december 2000 heeft verweerder vervolgens, zoals afgesproken ter zitting, </para>
      <para>aan het College nog een ontbrekend gegeven verschaft. Hierop heeft appellante gereageerd </para>
      <para>bij brief van 11 december 2000</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1 Bij artikel 4g, derde lid, tweede gedachtestreepje, van Verordening (EEG) nr. 805/86 is het </para>
      <para>volgende bepaald:</para>
      <para>"	het voederareaal: de oppervlakte van het bedrijf die gedurende het hele </para>
      <para>kalenderjaar voor rundveehouderij alsmede voor de schapen- en/of </para>
      <para>geitenhouderij beschikbaar is. Daarbij worden niet meegerekend: de </para>
      <para>oppervlakte van gebouwen, bossen, vijvers en wegen, en van percelen die </para>
      <para>worden gebruikt voor andere produkten waarvoor een communautaire </para>
      <para>steunregeling geldt, voor meerjarige teelten, voor de tuinbouw of voor teelten </para>
      <para>waarvoor dezelfde regeling geldt als voor de producenten van bepaalde </para>
      <para>akkerbouwteelten of die onder een ander nationaal of communautair </para>
      <para>braakleggingsprogramma vallen dan bedoeld in artikel 2, lid 3, derde alinea, </para>
      <para>onder a), van Verordening (EEG) nr. 2328/91. Het voederareaal omvat, volgens </para>
      <para>regels die zullen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 27, ook </para>
      <para>gezamenlijk gebruikt voederareaal alsook percelen die worden gebruikt voor </para>
      <para>gemengde teelten."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 luidt als volgt:</para>
      <para>"	Voor de toepassing van deze verordening geldt het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>elk voederareaal moet gedurende een periode van ten minste zeven maanden </para>
      <para>die begint op een door de Lid-Staat te bepalen datum tussen 1 januari en </para>
      <para>31 maart, beschikbaar zijn voor het houden van dieren."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden komen vast te staan.</para>
      <para>- Verweerder heeft op 12 mei 1998 van appellante een formulier aanvraag </para>
      <para>oppervlakten 1998 vereenvoudigde regeling en voederareaal ontvangen.</para>
      <para>- Bij schrijven van 13 november 1998 is appellante bericht dat haar oppervlakte </para>
      <para>voederareaal door verweerder is vastgesteld op 20.29 ha.</para>
      <para>- Bij een op 26 januari 1999 verzonden brief heeft verweerder appellante vervolgens </para>
      <para>bericht dat voormelde vaststelling van het voederareaal is ingetrokken als gevolg van </para>
      <para>een herbeoordeling en dat de definitieve oppervlakte voederareaal is vastgesteld op </para>
      <para>0 ha. Tevens is appellante hierbij medegedeeld dat zij als gevolg hiervan niet in </para>
      <para>aanmerking kan komen voor dierlijke premies in het kader van de Regeling dierlijke </para>
      <para>EG-Premies.</para>
      <para>- Tegen deze herbeoordeling heeft appellante bij een niet gedateerde brief, die op </para>
      <para>4 februari 1999 door verweerder is ontvangen, bezwaar gemaakt.</para>
      <para>- Appellante is op 1 juni 1999 gehoord terzake van het door haar gemaakte bezwaar.</para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
      <para>- Bij besluit van 19 mei 1999 heeft verweerder appellantes aanvragen voor premie op </para>
      <para>grond van de regeling dierlijke EG- premies, verkoopseizoen 1998 (stieren/ossen), </para>
      <para>afgewezen. Tegen dit besluit is door appellante geen bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"	Percelen die worden opgegeven voor voederareaal dienen aan een aantal </para>
      <para>voorwaarden te voldoen. Zo moet het perceel gedurende een aaneengesloten </para>
      <para>periode van ten minste zeven maanden, gerekend vanaf 31 maart van het jar </para>
      <para>waarin u de dierlijke premie aanvraagt, beschikbaar zijn voor rundvee. Percelen </para>
      <para>die u niet als voederareaal mag opgeven zijn oppervlakten van gebouwen, </para>
      <para>bossen, vijvers en wegen, en van percelen die worden gebruikt voor andere </para>
      <para>producten waarvoor een communautaire steunregeling geldt en voor meerjarige </para>
      <para>teelten (zie ook bladzijde 8 van de brochure Aanvraag oppervlakten 1998 voor </para>
      <para>opgave: Vereenvoudigde regeling en Voederareaal). Gebleken is dat ten tijde </para>
      <para>van het indienen van de aanvraag oppervlakten op het betreffende perceel nog </para>
      <para>appel- en perenbomen stonden (meerjarige teelt). U heeft dit perceel derhalve </para>
      <para>ten onrechte opgegeven als voederareaal. Reeds op die grond moet worden </para>
      <para>geconstateerd dat het perceel niet aan de voorwaarden voor voederareaal </para>
      <para>voldoet en derhalve niet opgegeven had mogen worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien u een perceel wenst op te geven voor voerderareaal dient het perceel met </para>
      <para>ingang van 31 maart van dat jaar beschikbaar te zijn. In beginsel dient het </para>
      <para>voederareaal gedurende het hele kalenderjaar beschikbaar te zijn voor de </para>
      <para>rundveehouderij. Met het oog op een soepel mogelijke toepassing van het </para>
      <para>begrip voederareaal in de praktijk, wordt de mogelijkheid geboden om het </para>
      <para>voederareaal ten minste zeven maanden beschikbaar te stellen voor het houden </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>van dieren. Dit vereiste is van communautaire aard en het staat mij niet vrij </para>
      <para>daarvan af te wijken. Uw stelling dat u aan dit vereiste zou kunnen voldoen </para>
      <para>door voor u zelf vast te stellen dat u het perceel als voederareaal zult gaan </para>
      <para>gebruiken is gelet op het voorgaande niet voldoende om aan de verplichtingen </para>
      <para>in dit opzicht te voldoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In uw bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting stelt u dat u steeds de intentie </para>
      <para>heeft gehad om het onderhavige perceel voor voederareaal aan te wenden. U </para>
      <para>heeft echter niet op tijd kunnen rooien omdat uw aanvraag inzake de </para>
      <para>Rooiregeling Appels en Peren 1998, naar later bleek ten onrechte, is </para>
      <para>afgewezen, zo stelt u. U doet feitelijk een beroep op overmacht, in die zin dat u </para>
      <para>door omstandigheden die buiten uw macht liggen, niet aan uw verplichtingen </para>
      <para>ingevolge de regeling heeft kunnen voldoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik wijs u op hetgeen is bepaald in artikel 11, derde lid, van Verordening (EEG) </para>
      <para>3887/92 en artikel 13 van de regeling waarin is bepaald dat een beroep op </para>
      <para>overmacht slechts ontvankelijk is, indien de producent, binnen 10 werkdagen te </para>
      <para>rekenen vanaf de dag dat er sprake is van een overmachtssituatie, LASER </para>
      <para>daarvan in kennis heeft gesteld. In het kader van de regeling wordt volgens </para>
      <para>vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen </para>
      <para>te Luxemburg onder overmacht niet alleen verstaan de volstrekte </para>
      <para>onmogelijkheid om een verplichting na te komen, maar ook abnormale en </para>
      <para>buiten toedoen van de betrokkene ingetreden omstandigheden waarvan de </para>
      <para>gevolge - alle zorgvuldigheid ten spijt - slechts ten koste van onevenredig grote </para>
      <para>offers te vermijden zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot uw beroep op overmacht stel ik vast, dat LASER geen </para>
      <para>schrijven van uw zijde heeft ontvangen waarin is aangegeven dat u door </para>
      <para>overmacht niet in staat was te voldoen aan uw verplichting om het betreffende </para>
      <para>perceel op 31 maart 1998 beschikbaar te hebben als voederareaal. Daarmee </para>
      <para>komt vast te staan dat u LASER niet op de juiste wijze in kennis heeft gesteld, </para>
      <para>te weten binnen 10 werkdagen voorzien van bewijsstukken nadat de </para>
      <para>overmachtssituatie is ontstaan. Op die grond kan uw beroep op overmacht </para>
      <para>derhalve niet slagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast merk ik op dat de gang van zaken rond de behandeling van uw </para>
      <para>subsidieaanvraag voor het rooien van de bomen op het onderhavige perceel niet </para>
      <para>te beschouwen is als een situatie waarin sprake is van overmacht. U heeft het </para>
      <para>perceel eerst gebruikt voor fruitteelt en op enig moment heeft u ervoor gekozen </para>
      <para>de bomen op het betreffende perceel te rooien, om dit vervolgens in gebruik te </para>
      <para>nemen als voederareaal. Indien het afbouwen van de boomgaard nog niet </para>
      <para>gereed is en u desondanks toch het perceel wenst aan te wenden voor een ander </para>
      <para>doel, is er geen sprake van overmacht, maar van een ondernemerskeuze. Het </para>
      <para>feit dat de afbouw van de boomgaard nog niet rond was, ontslaat u niet van de </para>
      <para>verplichtingen die u aangaat op het moment dat u uw perceel als voederareaal </para>
      <para>opgeeft op de aanvraag oppervlakten. Nogmaals wijs ik u er op dat u zich door </para>
      <para>ondertekening van het aanvraagformulier akkoord heeft verkaard met de </para>
      <para>verplichtingen die uit de toepasselijke regelgeving voortvloeien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik neem hierbij in aanmerking dat uit bestudering van het dossier inzake de </para>
      <para>subsidieaanvraag in het kader van de Rooiregeling Appels en Peren 1998 het </para>
      <para>navolgende is gebleken. U heeft op 27 januari 1998 een aanvraag ingediend. </para>
      <para>De Uitvoeringsregeling EG-rooisubsidies 1998 geeft in artikel 9, tweede lid, </para>
      <para>aan dat er binnen 10 weken moet worden beslist op de aanvraag. U heeft op </para>
      <para>27 maart 1998 bericht gekregen van de teammanager, derhalve binnen de </para>
      <para>gestelde termijn, waarin u is bericht dat de aanvraag is afgewezen. Indien de </para>
      <para>teammanager u echter op dat moment zou hebben meegedeeld dat uw aanvraag </para>
      <para>is goedgekeurd, zou u het onderhavige perceel eveneens niet op 31 maart 1998 </para>
      <para>beschikbaar kunnen hebben als voederareaal. De aanvrager dient immers </para>
      <para>LASER ten minste ‚‚n week voor de aanvang van de rooiwerkzaamheden </para>
      <para>schriftelijk in kennis te stellen van de datum waarop gerooid gaat worden </para>
      <para>(artikel 9, derde lid, Uitvoeringsregeling EG-rooisubsidies 1998)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft in haar beroepschrift het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:</para>
      <para>"	Niet wordt door cli‰nte ontkend dat op 31 maart 1998 de fruitbomen op het </para>
      <para>perceel met volgnummer 1 nog niet waren gerooid. Deze omstandigheid was </para>
      <para>echter niet te wijten aan verwijtbaar handelen zijdens cli‰nte. Zij had namelijk </para>
      <para>op grond van de Uitvoeringsregeling EG-rooisubsidies 1998 (verder te </para>
      <para>noemen: de rooiregeling) een bijdrage gevraagd voor het rooien van de zich op </para>
      <para>het perceel bevindende fruitbomen. Daar deze bijdrage aanvankelijk werd </para>
      <para>geweigerd en de bomen eerst konden worden gerooid na het bekend worden </para>
      <para>van het besluit op bezwaar, kon cli‰nte niet anders dan wachten op een </para>
      <para>eindbeschikking op de aanvraag om een bijdrage op grond van de rooiregeling. </para>
      <para>Eerst op dat moment konen de bomen worden gerooid en kon de ma‹s worden </para>
      <para>ingezaaid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In casu is sprake van meerdere connexe regelingen. Wanneer verweerder de </para>
      <para>bijdrage op grond van de rooiregeling direct zou hebben toegekend, zouden de </para>
      <para>bomen tijdig zijn gerooid en zou de ma‹s tijdig zijn ingezaaid. Niet cli‰nte, </para>
      <para>maar verweerder heeft de problemen doen ontstaan. Dit, zo blijkt thans, heeft </para>
      <para>grote problemen voor de gevraagde bijdragen op grond van andere regelingen. </para>
      <para>Naast de bijdrage op grond van de regeling dreigt cli‰nte tevens de premie op </para>
      <para>grond van de Regeling EG-premies (mannelijke runderen verkoopseizoen </para>
      <para>1998) mis te lopen. Op geen enkele wijze is het gerechtvaardigd dat de </para>
      <para>gevolgen van een dergelijke samenloop van omstandigheden voor rekening en </para>
      <para>risico van cli‰nte blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Cli‰nte heeft altijd de intentie gehad om te voldoen aan de eisen die op grond </para>
      <para>van de regelingen aan het toegekend krijgen van een bijdrage worden gesteld. </para>
      <para>Op een bepaald moment zat hij echter gevangen tussen de verschillende eisen. </para>
      <para>Hij mocht namelijk op 31 maart 1998 nog niet rooien op grond van de </para>
      <para>rooiregeling en moest daarnaast op die datum wel reeds ma‹s hebben ingezaaid, </para>
      <para>althans het perceel beschikbaar hebben voor het zaaien ervan. Nu daarop nog </para>
      <para>bomen stonden concludeert verweerder simpelweg dat client niet heeft voldaan </para>
      <para>aan de eisen die aan het verkrijgen van een bijdrage op `grond van de regeling </para>
      <para>worden gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder verwijt cli‰nte niet tijdig een beroep te hebben gedaan op </para>
      <para>overmacht. Dit argument treft geen doel, nu verweerder daarbij uitdrukkelijk </para>
      <para>overweegt dat de overmachtsituaties limitatief staan genoemd in de regeling en </para>
      <para>dat, gelet op de situatie waarom het in casu gaat, cli‰nte geen beroep toekomt </para>
      <para>op overmacht. Overigens kan het niet binnen 10 dagen hebben gemeld van </para>
      <para>overmacht in dit geen geval geen argument zijn de bijdrage te weigeren. Bij </para>
      <para>verweerder was namelijk bekend dat cli‰nt geen bijdrage op grond van de </para>
      <para>rooiregeling was toegekend en dat daartegen bezwaar was ingediend. Onder </para>
      <para>dergelijke omstandigheden voert het te ver om aan het niet tijdig melden fatale </para>
      <para>gevolgen te verbinden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Met betrekking tot de ontvankelijkheid overweegt het College als volgt. Appellante heeft, </para>
      <para>gelet op de inhoud van het schrijven van verweerder van 26 januari 1999, in redelijkheid </para>
      <para>kunnen menen dat het besluit om de aanvragen dierpremie af te wijzen, dat in </para>
      <para>werkelijkheid pas genomen is op 19 mei 1999, toen reeds genomen was. Het College is op </para>
      <para>grond hiervan van oordeel dat verweerder het bezwaar van appellante, dat door verweerder </para>
      <para>is ontvangen op 4 februari 1999 en derhalve voor het begin van de bezwaartermijn is </para>
      <para>ingediend, terecht ontvankelijk heeft verklaard.</para>
      <para>Met betrekking tot de zaak ten gronde overweegt het College als volgt.</para>
      <para>Niet in geschil is dat appellantes perceel nummer 1 op 31 maart 1998 was beplant met </para>
      <para>fruitbomen. Op goede gronden heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, dat perceel </para>
      <para>1 daarom niet als voederareaal kon worden aangemerkt, omdat het toen niet beschikbaar </para>
      <para>was voor de rundveehouderij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellantes beroep op overmacht faalt, reeds omdat, zoals verweerder terecht heeft </para>
      <para>overwogen, appellante hiervan niet overeenkomstig het bepaalde bij artikel 11, tweede lid, </para>
      <para>van Vo. 3887/92 binnen tien werkdagen vanaf het tijdstip dat dit voor appellante mogelijk </para>
      <para>was, melding heeft gemaakt. Het College merkt in dit verband nog op dat in artikel 11 geen </para>
      <para>limitatieve opsomming van gevallen van overmacht wordt gegeven.</para>
      <para>Gelet op het vorenoverwogene moet het beroep van appellante ongegrond worden </para>
      <para>verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. H.G. Lubberdink 	w.g. F.W. du Marchie Sarvaas</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>