<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0304</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T18:16:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0304</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/519 t/m 98/525</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0304">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0304</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:22:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0304 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 21-02-2001 / AWB 98/519 t/m 98/525</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0304:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0304:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nrs. AWB 98/519 t/m 98/525			21 februari 2001</para>
      <para>	 5040</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaken van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A &amp; B B.V., te C, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr H.J. Bronkhorst, advocaat te 's-Gravenhage, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr B.C. Brouwer, werkzaam bij de Belastingdienst/Douane district Arnhem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij afzonderlijke besluiten van 7 mei 1998 heeft de Belastingdienst/Douane district </para>
      <para>Arnhem namens verweerder de bezwaren van appellante tegen de aan haar op </para>
      <para>27 november 1995 onderscheidenlijk 27 oktober 1995 gezonden uitnodigingen tot betaling </para>
      <para>van fl. 70.307,30, fl. 114.100,--, fl. 74.250,--, fl. 74.250,--, fl. 74.775,--, fl. 74.795,-- en </para>
      <para>fl. 74.775,-- aan landbouwheffing, ongegrond verklaard.</para>
      <para>Bij afzonderlijke op 17 juni 1998 ter griffie ontvangen beroepschriften heeft appellante </para>
      <para>tegen de besluiten van 7 mei 1998 beroep ingesteld bij het College.</para>
      <para>Verweerder heeft op 24 september 1998 in de afzonderlijke zaken een verweerschrift </para>
      <para>ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 1 oktober 1999 heeft appellante het College een nadere memorie doen toekomen.</para>
      <para>Het College heeft de zaken gevoegd behandeld en onderzocht ter zitting van </para>
      <para>13 oktober 1999, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben </para>
      <para>toegelicht. Voorts zijn daar D en E als getuige gehoord. Vervolgens is het onderzoek </para>
      <para>gesloten.</para>
      <para>Bij beschikking van 9 februari 2000 heeft het College het onderzoek heropend.</para>
      <para>Bij brieven van 7 maart 2000 onderscheidenlijk 31 maart 2000 hebben partijen hun </para>
      <para>standpunt nader uiteengezet.</para>
      <para>Het onderzoek is voortgezet ter zitting van het College van 12 juli 2000 en is vervolgens </para>
      <para>gesloten.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De artikelen 203 en 204 van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) luiden als </para>
      <para>volgt:</para>
      <para>				" Artikel 203</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	1.	Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan rechten bij invoer </para>
      <para>onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.</para>
      <para>	2.	De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen aan het </para>
      <para>douanetoezicht worden onttrokken.</para>
      <para>	3.	Schuldenaren zijn:</para>
      <para>	-	de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken;</para>
      <para>	-	de personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen terwijl zij wisten </para>
      <para>of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de goederen aan het </para>
      <para>douanetoezicht werden onttrokken;</para>
      <para>	-	de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder </para>
      <para>zich hebben gehad en die op het ogenblik waarop zij de goederen </para>
      <para>verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten </para>
      <para>dat deze aan het douanetoezicht waren onttrokken;</para>
      <para>	-	alsmede, in voorkomend geval, de persoon die de verplichtingen welke </para>
      <para>voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van </para>
      <para>de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>				Artikel 204</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:</para>
      <para>a) indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten </para>
      <para>    aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen </para>
      <para>    voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het </para>
      <para>    gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst of,</para>
      <para>		    b) indien een van de voorwaarden die voor de plaatsing van de goederen </para>
      <para>		        onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij </para>
      <para>		        invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming </para>
      <para>		        van de goederen zijn gesteld, niet in acht is genomen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>		in andere gevallen, dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit </para>
      <para>verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van </para>
      <para>de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.</para>
      <para>	2.	De douaneschuld ontstaat, hetzij op het tijdstip waarop niet meer wordt </para>
      <para>voldaan aan de verplichting waarvan de niet-nakoming de douaneschuld </para>
      <para>doet ontstaan, hetzij op het tijdstip waarop de goederen onder de betrokken </para>
      <para>douaneregeling werden geplaatst, wanneer achteraf blijkt dat aan een van de </para>
      <para>voorwaarden voor de plaatsing van de genoemde goederen onder deze </para>
      <para>regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een </para>
      <para>nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen, niet is </para>
      <para>voldaan.</para>
      <para>	3.	Schuldenaar is de persoon die, naar gelang van het geval, hetzij de </para>
      <para>verplichtingen moet nakomen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer </para>
      <para>onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag of uit het </para>
      <para>gebruik van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst, </para>
      <para>hetzij de aan de plaatsing van de goederen onder de regeling verbonden </para>
      <para>voorwaarden in acht moet nemen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 215 van het CDW luidde, voorzover hier van belang:</para>
      <para>"	1. De douaneschuld ontstaat op de plaats waar de feiten zich voordoen die tot </para>
      <para>het ontstaan van deze schuld leiden.</para>
      <para>2. Indien de in lid 1 bedoelde plaats niet kan worden bepaald, wordt de douane-</para>
      <para>schuld geacht te zijn ontstaan op de plaats waar de douaneautoriteiten </para>
      <para>vaststellen dat de goederen zich in een situatie bevinden die tot het ontstaan </para>
      <para>van een douaneschuld heeft geleid.</para>
      <para>3. Indien een douaneregeling voor bepaalde goederen niet is be‰indigd, wordt </para>
      <para>de douaneschuld geacht te zijn ontstaan:</para>
      <para>	- op de plaats waar de goederen onder de regeling zijn geplaatst, of</para>
      <para>	- op de plaats waar de goederen de Gemeenschap onder de betrokken regeling </para>
      <para>zijn binnengekomen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 378 en 379 van de Toepassingsverordening van het CDW (hierna: TCDW) </para>
      <para>luiden als volgt:</para>
      <para>				" Artikel 378</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en </para>
      <para>de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, </para>
      <para>wordt deze overtreding of onregelmatigheid, onverminderd artikel 215 van het </para>
      <para>Wetboek, geacht te zijn begaan:</para>
      <para>	- in de Lid-Staat waaronder het kantoor van vertrek ressorteert, of</para>
      <para>	- in de Lid-Staat waaronder het kantoor van doorgang bij binnenkomst in de </para>
      <para>Gemeenschap ressorteert en waaraan een kennisgeving van doorgang is </para>
      <para>afgegeven, tenzij, binnen een nader te bepalen termijn als voorzien in artikel </para>
      <para>379, lid 2, ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd </para>
      <para>van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats </para>
      <para>waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.</para>
      <para>	- 2. Indien, bij gebreke van een dergelijk bewijs, de overtreding of </para>
      <para>onregelmatigheid geacht blijft te zijn begaan in de Lid-Staat van vertrek of in </para>
      <para>de Lid-Staat van binnenkomst als bedoeld in lid 1, eerste alinea, tweede </para>
      <para>streepje, worden de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door </para>
      <para>deze Lid-Staat volgens de communautaire of nationale bepalingen ge‹nd.</para>
      <para>	- 3. Indien, binnen drie jaar na geldigmaking van de aangifte T1, kan </para>
      <para>worden vastgesteld in welke Lid-Staat de overtreding of onregelmatigheid </para>
      <para>daadwerkelijk is begaan, gaat deze Lid-Staat overeenkomstig de </para>
      <para>communautaire of nationale bepalingen over tot de inning van de rechten en </para>
      <para>heffingen op de betrokken goederen (met uitzondering van die welke </para>
      <para>overeenkomstig de tweede alinea als eigen middelen van de Gemeenschap </para>
      <para>werden ge‹nd). De aanvankelijk ge‹nde rechten en heffingen worden </para>
      <para>terugbetaald (met uitzondering van die welke als eigen middelen van de </para>
      <para>Gemeenschap werden ge‹nd) zodra het bewijs van deze inning is geleverd.</para>
      <para>	- 4. De zekerheid die ten behoeve van het communautair douanevervoer </para>
      <para>werd gesteld, wordt eerst vrijgegeven na afloop van voornoemde termijn van </para>
      <para>drie jaar, of eventueel na betaling van de rechten en heffingen die van </para>
      <para>toepassing zijn in de Lid-Staat waar de overtreding of onregelmatigheid </para>
      <para>daadwerkelijk is begaan.</para>
      <para>	De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om overtredingen en </para>
      <para>onregelmatigheden te bestrijden en daar doeltreffende sancties op te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>						Artikel 379</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en </para>
      <para>de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, </para>
      <para>deelt het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk mede aan de aangever, </para>
      <para>doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor </para>
      <para>communautair douanevervoer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	- 2. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt onder andere de termijn </para>
      <para>vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de </para>
      <para>douaneautoriteiten, het bewijs moet worden geleverd van de regelmatigheid </para>
      <para>van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of </para>
      <para>onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie </para>
      <para>maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het </para>
      <para>verstrijken van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde Lid-Staat over </para>
      <para>tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen. In </para>
      <para>de gevallen waarin deze Lid-Staat niet de Lid-Staat is waarin het kantoor van </para>
      <para>vertrek is gelegen, stelt het kantoor van vertrek deze Lid-Staat daarvan </para>
      <para>onverwijld in kennis."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>-	Appellante is douane-expediteur.</para>
      <para>-	Op 27 september 1994 heeft appellante aangifte gedaan voor extern communautair </para>
      <para>douanevervoer naar Lom‚ (Togo) van twee partijen melkpoeder, elk met een </para>
      <para>nettogewicht van 25.000 kg en onder de goederencode 04021019.</para>
      <para>-	De douanepost Utrecht heeft voor voormelde aangiften van appellante zogenoemde </para>
      <para>T1-documenten afgegeven met nummer 2006989 respectievelijk 2007002</para>
      <para>-	Op 6 oktober 1994 heeft appellante aangifte gedaan voor extern communautair </para>
      <para>douanevervoer naar Lom‚ van twee partijen melkpoeder, elk met een nettogewicht </para>
      <para>van 25.000 kg en onder de goederencode 04021019. De douanepost Utrecht heeft </para>
      <para>voor deze aangiften van appellante T1-documenten afgegeven met nummer 2007210 </para>
      <para>respectievelijk 2007211.</para>
      <para>-	Op 19 oktober 1994 heeft appellante aangifte gedaan voor extern communautair </para>
      <para>douanevervoer naar Lom‚ van een partij melkpoeder met een nettogewicht van </para>
      <para>25.000 kg onder goederencode 04021019. De douanepost Utrecht heeft voor deze </para>
      <para>aangifte van appellante een T1-document afgegeven met het nummer 2007594.</para>
      <para>-	Op 28 oktober 1994 heeft appellante aangifte gedaan voor extern communautair </para>
      <para>douanevervoer naar Lom‚ van twee partijen melkpoeder met elk een netto-gewicht </para>
      <para>van 25.000 kg onder goederencode 04021019. De douanepost Utrecht heeft voor </para>
      <para>deze aangiften T1-documenten afgegeven met nummer 2007913 respectievelijk </para>
      <para>2007914.</para>
      <para>-	Op 27 januari 1995 onderscheidenlijk 2 maart 1995 heeft de douanepost Utrecht </para>
      <para>appellante bij afzonderlijke brieven verzocht om inlichtingen te verstrekken over de </para>
      <para>bestemming van de goederen in verband met de niet-zuivering van voormelde </para>
      <para>T1-documenten. Appellante heeft hierop niet gereageerd. Gelijktijdig is een verzoek </para>
      <para>tot nasporing gericht aan het kantoor van bestemming Bordeaux.</para>
      <para>- Op 7 juni 1995 is aan appellante met betrekking tot bovenvermelde T1-documenten </para>
      <para>een kennisgeving niet-zuivering gedaan en is appellante in de gelegenheid gesteld </para>
      <para>om binnen drie maanden alsnog het bewijs te leveren van de regelmatigheid van het </para>
      <para>douanevervoer of de plaats mee te delen waar de overtreding of onregelmatigheid </para>
      <para>daadwerkelijk is begaan. Hierop is door appellante niet gereageerd.</para>
      <para>-	Op 27 oktober 1995 onderscheidenlijk 27 november 1995 heeft de douanepost </para>
      <para>Utrecht appellante zeven afzonderlijke uitnodigingen tot betaling doen toekomen </para>
      <para>wegens niet-zuivering van voormelde T1-documenten. Hiertegen heeft appellante bij </para>
      <para>brieven van 2 november 1995 onderscheidenlijk 4 december 1995 bezwaar gemaakt. </para>
      <para>In deze bezwaarschriften heeft appellante het volgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	De FIOD te Groningen heeft deze zaak reeds lange tijd in behandeling i.v.m. </para>
      <para>mogelijke fraude van de genoemde afzender op het betreffende document. </para>
      <para>Derhalve is alle informatie inzake deze kwestie verschaft aan de FIOD </para>
      <para>zodat wij op dit moment geen nadere informatie kunnen verschaffen die zou </para>
      <para>kunnen leiden tot het aanzuiveren van dit document."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij schrijven van 7 november 1995 heeft de Belastingdienst/Douane district Arnhem </para>
      <para>in reactie op het bezwaar van appellante van 2 november 1995 appellante onder meer </para>
      <para>als volgt bericht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	In deze zaak stelt de Belastingdienst/FIOD een onderzoek in. Indien het </para>
      <para>onderzoek is afgerond zal ik u van de bevindingen van het onderzoek op de </para>
      <para>hoogte stellen, waarna u alsnog uw bezwaar kunt toelichten."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief van 19 december 1995 heeft de Belastingdienst/Douane district Arnhem in </para>
      <para>reactie op het bezwaar van appellante van 4 december 1995 onder meer als volgt </para>
      <para>bericht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	In deze zaak wordt door de FIOD een onderzoek ingesteld. Indien het </para>
      <para>onderzoek is afgerond zal ik u hiervan op de hoogte stellen waarna u alsnog in </para>
      <para>de gelegenheid wordt gesteld uw bezwaar nader te motiveren."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij schrijven van 11 april 1996 heeft de FIOD, vestiging Groningen, aan de </para>
      <para>Belastingdienst/Douane district Arnhem een rapport, gedateerd 10 april 1996, inzake </para>
      <para>een onderzoek naar de gang van zaken rond voormelde T1-documenten doen </para>
      <para>toekomen.</para>
      <para>-	Op 7 mei 1998 heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De bestreden besluiten</para>
      <para>Bij de bestreden besluiten heeft verweerder onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"	Door belanghebbende ben ik geattendeerd op een door de Fiod </para>
      <para>douanerecherche Groningen, onder dossiernummer 294.94GN b, ingesteld </para>
      <para>onderzoek. Blijkens het Fiod-rapport, heeft Agri Best te 's-Hertogenbosch </para>
      <para>gebruik gemaakt van belanghebbende voor het opmaken van T1-documenten  </para>
      <para>voor vervoer van melkpoeder. Deze melkpoeder zou vervolgens in Spanje of </para>
      <para>Frankrijk onttrokken zijn aan het douanetoezicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Thans kan worden vastgesteld dat er in casu sprake is van onttrekking aan het </para>
      <para>douanetoezicht. Daarom wordt de bestaande douaneschuld op basis van artikel </para>
      <para>204 CDW getransformeerd naar een douaneschuld op basis van 203 CDW. </para>
      <para>Vaststelling dat sprake is van onttrekking aan het douanetoezicht in Spanje of </para>
      <para>Frankrijk zal evenwel niet eerder plaatsvinden dan na de in artikel 378 TCDW </para>
      <para>bedoelde termijn van drie maanden na de datum van de kennisgeving ex artikel </para>
      <para>379 TCDW. Artikel 378  lid 3 TCDW geeft hierbij aan, dat de inning van de </para>
      <para>communautaire middelen  verblijft aan de Lid-Staat die de invordering reeds </para>
      <para>ter hand heeft genomen, in casu aan mij. Verleend uitstel van betaling heeft op </para>
      <para>deze omstandigheid geen invloed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In verband met het hierbovenstaande ben ik van mening, dat de bevoegdheid </para>
      <para>tot invordering van de belastingschuld, genoemd in de uitnodiging tot betaling </para>
      <para>(.), blijvend aan mij toekomt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overigens blijkt uit een ambtsbericht inzake het onderzoek naar mogelijke </para>
      <para>onttrekking aan het douanetoezich van de melkpoeder in Frankrijk, dat de </para>
      <para>(eerste) onttrekking (-handeling) in Nederland heeft plaatsgevonden. Aan de </para>
      <para>goederen werd al in Nederland een andere bestemming gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een en ander is in overeenstemming met de uitspraak van de Hoge Raad van </para>
      <para>2 oktober 1996, nr. 30.954, waar is bepaald dat voor de omzetbelasting als </para>
      <para>plaats van de onttrekking heeft te gelden, de plaats waar de verzegeling is </para>
      <para>verbroken en aan de goederen een andere bestemming werd gegeven. Ook op </para>
      <para>basis van de uit Frankrijk komende gegevens moet worden geconcludeerd dat </para>
      <para>de invorderingsbevoegdheid aan mij toekomt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn schrijven van 31 maart 2000 heeft verweerder hieraan nog het volgende toegevoegd:</para>
      <para>"	Nogmaals wil ik er op wijzen en benadrukken dat de onderhavige </para>
      <para>douaneschuld door mij geboekt is nadat ik ter zake de volledige niet-</para>
      <para>zuiveringsprocedure heb doorlopen. Op het moment van de boeking en de </para>
      <para>mededeling aan de schuldenaar (UTB) was mij niets meer en niets minder </para>
      <para>bekend dan dat de betreffende T1-documenten niet gezuiverd waren en dat </para>
      <para>noch het kantoor van bestemming (naar aanleiding van het verzoek om </para>
      <para>inlichtingen), noch appellante (naar aanleiding van zowel een verzoek om </para>
      <para>inlichtingen als de mededeling ex artikel 379 TCDW), wisten waar de </para>
      <para>onderhavige goederen waren gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien deze feiten en omstandigheden was ik op dat moment - als zijnde Lid-</para>
      <para>Staat (van het kantoor) van vertrek - (.) overeenkomstig de artikelen </para>
      <para>215, lid 3, CDW juncto 378, lid 1, TCDW op basis van artikel 378, lid 2, </para>
      <para>TCDW bevoegd tot inning (boeking en mededeling aan de schuldenaar) van </para>
      <para>een op basis van artikel 204 CDW ontstane douaneschuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 378, lid 3, TCDW staat vervolgens hoe gehandeld dient te worden, </para>
      <para>indien later - binnen drie jaar - alsnog kan worden vastgesteld in welke Lid-</para>
      <para>Staat de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan. Deze </para>
      <para>regeling laat geen andere conclusie dan dat een eenmaal door mij ge‹nde </para>
      <para>douaneschuld, in stand gelaten wordt zelfs indien vastgesteld wordt dat een </para>
      <para>overtreding of onregelmatigheid zich in een andere Lid-Staat heeft voorgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarbij merk ik nog op dat in casu zelfs nimmer is vastgesteld waar (dus in </para>
      <para>welke Lid-Staat) de goederen zijn onttrokken aan het douanetoezicht. Reeds op </para>
      <para>basis hiervan blijf ik - zelfs zonder de specifieke regeling van artikel 378, lid 3, </para>
      <para>TCDW - de tot inning bevoegde instantie op basis van artikel 215, lid 3, CDW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik heb de douaneschuld terecht geboekt op basis van artikel 204 CDW. De </para>
      <para>feiten en omstandigheden die bekend zijn geworden nadat de mededeling aan </para>
      <para>de schuldenaar is gedaan, hebben geen invloed op de bevoegdelijk door mij </para>
      <para>ge‹nde douaneschuld."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep in haar beroepschrift het volgende </para>
      <para>aangevoerd:</para>
      <para>"	a)	Verzoekster is een relatief klein bedrijf dat de activiteit van douane-</para>
      <para>	expediteur uitoefent. Zij doet dit met de grootst mogelijke </para>
      <para>correctheid en precisie, dit maal in opdracht van een relatie waarmee </para>
      <para>zij sinds lang contact heeft, de te goeder naam en faam bekend </para>
      <para>staande firma Agri-Best B.V. te 's-Hertogenbosch. Er kunnen haar in </para>
      <para>deze zaak geen feiten worden aangewreven op grond waarvan zou </para>
      <para>kunnen worden gesteld dat zij op enigerlei manier direct of indirect </para>
      <para>schuldig zou kunnen zijn aan de frauduleuze handelingen waarvan </para>
      <para>kennelijk in deze zaak sprake is.</para>
      <para>De zaak van de fraude wordt in principe behandeld door de Franse </para>
      <para>autoriteiten. De Belastingdienst is van de omstandigheid op de </para>
      <para>hoogte. Niettegenstaande acht zij het gepast om zich de bevoegdheid </para>
      <para>aan te meten tot het invorderen van de douaneschuld, zonder zich te </para>
      <para>willen realiseren dat de plaatsen van de overtreding of de </para>
      <para>onregelmatigheid gelegen is in Frankrijk of Spanje en dus de Franse </para>
      <para>of Spaanse belastingdienst ter zake competent zijn. Daarenboven </para>
      <para>ziet de Belastingdienst de zaak alsof er alleen sprake kan zijn van de </para>
      <para>aansprakelijkheid van de firma A &amp; B in deze zaak, voorbijgaand </para>
      <para>aan de daden van haar bekende personen in Frankrijk en Spanje.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	b)		In deze zaak heeft verzoekster zich alle moeite getroost om in </para>
      <para>verband met haar bewijspositie in het bezit te komen van de in deze </para>
      <para>zaak door de Franse autoriteiten opgestelde processen-verbaal en </para>
      <para>andere documenten. Dit is haar door de Belastingdienst en de FIOD </para>
      <para>geweigerd.(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat dit punt betreft, voelt verzoekster zich in de positie van </para>
      <para>gemakkelijk door verweerder te treffen slachtoffer, dat niet in de </para>
      <para>positie mag komen om zich met de juiste middelen te verdedigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij gebreke van het mogen kennisnemen van de relevante stukken, </para>
      <para>gaat verzoekster ervan uit dat zij zich mag baseren op de feiten zoals </para>
      <para>die weergegeven zijn in de niet-offici‰le vertalingen van de twee </para>
      <para>Franse rapporten, alsmede in het FIOD-rapport.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>In de beschikking wordt verzoekster ten onrechte als schuldenaar aangemerkt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Art. 203 CDW geeft aan welke de schuldenaren zijn in het geval goederen aan </para>
      <para>het douanetoezicht worden onttrokken</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder laat na aan te geven welke van de bovengenoemde bepalingen hij </para>
      <para>toepasselijk acht en tot welke categorie personen verzoekster zou behoren. Zij </para>
      <para>behoort tot geen van bovengenoemde categorie‰n personen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>a)		In de beschikking wordt een verkeerde toepassing gegeven aan art. 378 </para>
      <para>TCDW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In onderhavig geval heeft de Belastingdienst ten onrechte een nadere </para>
      <para>termijn bepaald als voorzien in art. 379, lid 2 aangezien er geen sprake is </para>
      <para>bij de Belastingdienst van het niet kunnen vaststellen van de plaats van </para>
      <para>de overtreding of de onregelmatigheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Immers, verweerder was op de hoogte, althans had op de hoogte kunnen </para>
      <para>zijn van de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid was </para>
      <para>begaan. In dit verband dient te worden vermeld dat verzoekster zelf bij </para>
      <para>brief van 2 november 1995 de Belastingdienst op de hoogte heeft gesteld </para>
      <para>van het onderzoek dat in dit verband werd ondernomen door de FIOD.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de resultaten van dat onderzoek kan worden afgeleid dat zoals </para>
      <para>verweerder stelt art. 374 TCDW in dit geval niet leidt tot </para>
      <para>inningsbevoegdheid van verzoekster. In het bijzonder is de constatering, </para>
      <para>gedaan in de tweede zin van de tweede alinea van blz. 2 van de </para>
      <para>beschikking, dat de vaststelling dat sprake is van onttrekking aan het </para>
      <para>douanetoezicht in Spanje of Frankrijk niet eerder zal plaatsvinden dan na </para>
      <para>de in art. 378 TCDW bedoelde termijn van drie maanden na de datum </para>
      <para>van de kennisgeving ex art. 379 TCDW onjuist, aangezien verweerder </para>
      <para>zoals gemeld reeds voor die datum van de toedracht der zaken op de </para>
      <para>hoogte was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>a)		Aan de Inspecteur komt geen inningsbevoegdheid toe van de </para>
      <para>communautaire middelen op grond van art. 378, lid 3 TCDW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals hierboven aangegeven is de overtreding of de onregelmatigheid in </para>
      <para>Frankrijk, dan wel Spanje begaan. Een dergelijke vaststelling is gedaan binnen </para>
      <para>drie jaar na geldig maken van de aangifte T1 (18 oktober 1994).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Toepassing van deze bepaling brengt derhalve met zich mee dat Frankrijk, dan </para>
      <para>wel Spanje overgaat tot de inning van de desbetreffende rechten. Zulks is, </para>
      <para>afgaande op de niet-offici‰le vertalingen van de twee Franse rapporten, ook </para>
      <para>geschied waardoor aan de (potenti‰le) competentie van de Nederlandse </para>
      <para>Belastingdienst/Douane een einde is gekomen.</para>
      <para>Nu de Belastingdienst nog geen aanvang heeft gemaakt met het innen van deze </para>
      <para>rechten dient op grond van het feit dat de plaats van het ontstaan van de </para>
      <para>belastingschuld kan worden vastgesteld van deze inning te worden afgezien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Nog meer subsidiair</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In onderhavig geval is de Belastingdienst nog niet met de inning van de </para>
      <para>douaneschuld begonnen en verblijft de bevoegdheid zoals hierboven gesteld op </para>
      <para>grond van art. 378, lid 3 bij de Franse of de Spaanse douane.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien - hetgeen door verzoekster wordt betwist - zou moeten worden </para>
      <para>aangenomen dat de Nederlandse Belastingdienst reeds met de inning is </para>
      <para>begonnen door het uitvaardigen van een uitnodiging tot betaling, brengt het </para>
      <para>zorgvuldigheidsbeginsel met zich mee dat de beslissing op bezwaar niet zonder </para>
      <para>meer ongegrondverklaring van het bezwaar van verzoekster had mogen </para>
      <para>inhouden, doch tevens in ieder geval hebben moeten inhouden dat inning zou </para>
      <para>worden gestaakt, totdat de Franse of Spaanse douanedienst de inningsprocedure </para>
      <para>zou hebben vervolgd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Nog meer subsidiair</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beschikking is in strijd genomen met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu </para>
      <para>nagelaten is om de schuld neer te leggen bij de personen die daartoe onder art. </para>
      <para>203, lid 3 CDW in de eerste plaats kwalificeren door hun actieve gedrag en </para>
      <para>schuld aan de zaak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus heeft de Belastingdienst nagelaten om de schuld neer te leggen bij </para>
      <para>Europe Alimentaire en haar directeuren, alsmede bij de transporteurs van </para>
      <para>goederen, zulks terwijl de Belastingdienst stelt inlichtingen te hebben over het </para>
      <para>verwijtbare gedrag van deze ondernemingen en personen en zulks terwijl </para>
      <para>verzoekster, en in haar kielzog haar opdrachtgeefster Agri-Best B.V., in geen </para>
      <para>andere rol in deze zaak verkeren dan die van slachtoffers."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In haar schrijven van 1 oktober 1999 heeft appellante nog het volgende doen betogen:</para>
      <para>"	Zoals opgemerkt in de aanvullende verzoekschriften voelt A &amp; B B.V. zich in </para>
      <para>de eerste plaats het slachtoffer van het moeten leveren van een ongelijke strijd </para>
      <para>tussen haar en de Belastingdienst/Douane. In deze zaak beschikt deze dienst </para>
      <para>namelijk over een groot aantal documenten waarvan aan verzoekster </para>
      <para>kennisname is geweigerd, maar die onmiskenbaar van belang zijn voor de </para>
      <para>bewijsrechtelijke positie van verzoekster. Het gaat om negen processenverbaal </para>
      <para>en 33 documenten die alle aanwijzingen geven over de toedracht van de </para>
      <para>gebeurtenissen. Verzoekster is noch bekend met de datum waarop deze stukken </para>
      <para>zijn opgesteld noch met hun inhoud daarvan, maar het is duidelijk, dat deze </para>
      <para>stukken verzoekster op beslissende wijze zouden kunnen helpen met </para>
      <para>betrekking tot het bewijzen van haar stellingen. Zoals bekend heeft verzoekster </para>
      <para>getracht om kennisname te verkrijgen via verzoeken gebaseerd op de wet </para>
      <para>WOB. Dat is geweigerd en verzoekster is zelfs genoodzaakt geweest om in </para>
      <para>beroep te gaan bij de rechtbank Den Bosch van deze weigering. Deze </para>
      <para>procedure is nog steeds aanhangig. Artikel 6 EVRM dat het recht op een eerlijk </para>
      <para>proces garandeert impliceert in het bijzonder het in acht nemen van het vereiste </para>
      <para>van "gelijkheid van wapens" in de zin van "fair balance" tussen partijen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het niet kunnen beschikken over bovengenoemde informatie levert strijd met </para>
      <para>bovengenoemd beginsel van "gelijkheid van wapens" op.</para>
      <para>Hierbij dient te worden bedacht, dat de "fair balance" in </para>
      <para>adminstratiefrechtelijke en strafzaken anders ligt in civiel rechterlijke zaken. In </para>
      <para>de laatstgenoemde typen zaken spelen in principe de belangen van burgers </para>
      <para>onderling, terwijl in eerstgenoemd categorie‰n zaken de overheid is die </para>
      <para>maatregelen wenst te nemen of heeft genomen tegen haar burgers. De burger </para>
      <para>moet op zijn minst kunnen controleren of die maatregel jegens hem terecht </para>
      <para>wordt genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2) Schending van de artikelen 6 EVRM en artikel een Eerste Protocol EVRM</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals bekend beschermt artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM het </para>
      <para>recht op het ongestoord genot van eigendom dat aan niemand mag worden </para>
      <para>ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien </para>
      <para>in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.</para>
      <para>De bescherming die het Verdrag al aan het eigendomsrecht toekent gaat zover, </para>
      <para>dat nagenoeg elk bestuurshandelen dat raakt aan een vermogensrechtelijk </para>
      <para>belang onder deze bepaling valt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de beslissing op bezwaar wordt geconcludeerd, dat de bevoegdheid om over </para>
      <para>te gaan tot het opleggen van de douaneschuld hoe dan ook bij de Nederlandse </para>
      <para>douane-autoriteiten blijkt berusten omdat er sprake zou zijn van verandering </para>
      <para>van vervoersdocumenten bij vertrek uit Nederland hetgeen als resultaat zou </para>
      <para>hebben gehad de onttrekking, in Nederland. De douane-autoriteiten hebben niet </para>
      <para>louter op grond van een vage zinsnede in een rapport dat vervoersdocumenten </para>
      <para>(misschien in Nederland) zouden zijn veranderd met recht uitnodigingen tot </para>
      <para>betaling hebben mogen doen uitgaan. Het aannemen dat daardoor een </para>
      <para>overtreding-onregelmatigheid zou zijn begaan in de zin van art. 215 CDW zou </para>
      <para>in strijd zijn met een fair balance die op grond van art 1 Eerste Protocol in acht </para>
      <para>te nemen is bij iedere interferentie in de eigendom van personen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte heeft appellante in haar schrijven van 7 maart 2000 onder meer nog het volgende </para>
      <para>doen betogen:</para>
      <para>"	Onttrekking aan het douanetoezicht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.		Verweerder baseert zijn beschikkingen op artikel 203 CDW wegens </para>
      <para>onttrekking aan het douanetoezicht.</para>
      <para>		Verweerder heeft zich daarbij steeds op het standpunt gesteld dat al in </para>
      <para>Nederland aan de goederen een andere bestemming werd gegeven </para>
      <para>(‚‚nnalaatste alinea van de beslissingen op bezwaar).</para>
      <para>		Verzoekster heeft zich voor het standpunt gesteld dat er geen sprake was </para>
      <para>van onttrekking in Nederland doch in Frankrijk of Spanje.</para>
      <para>		Zoals blijkt uit de uitlating van de Inspecteur tijdens de mondelinge </para>
      <para>behandeling van de corresponderende beroepen bij de Belastingkamer </para>
      <para>van het Gerechtshof te Arnhem op 23 november 1999, weergegeven in de </para>
      <para>arresten van het Hof van 31 januari jl., deelt deze thans het standpunt van </para>
      <para>verzoekster.</para>
      <para>		De desbetreffende passages uit de arresten zijn hierin volkomen duidelijk </para>
      <para>en vormen ook een correcte weergave van het door de Inspecteur </para>
      <para>betoogde."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Aan appellante zijn uitnodigingen tot betaling gericht wegens de niet-zuivering  van de </para>
      <para>desbetreffende T1-documenten. De uitnodigingen tot betaling vinden hun grondslag in de </para>
      <para>omstandigheid dat niet is voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan </para>
      <para>rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit het gebruik van de </para>
      <para>douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst. De onderhavige uitnodigingen tot betaling zijn </para>
      <para>derhalve gebaseerd op artikel 204 van het CDW. De omstandigheid dat verweerder zich bij </para>
      <para>het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat  de bestaande douaneschuld op </para>
      <para>basis van artikel 204 CDW wordt getransformeerd naar een douaneschuld op basis van </para>
      <para>artikel 203, een standpunt waaraan door verweerder generlei consequentie is verbonden en </para>
      <para>dat nadien overigens door verweerder  weer is verlaten, kan hieraan niet afdoen. De grieven </para>
      <para>van appellante voorzover deze uitgaan van toepassing van artikel 203 CDW door </para>
      <para>verweerder, missen derhalve feitelijke grondslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vast staat dat de goederen op 7 juni 1995 niet bij het kantoor van bestemming waren </para>
      <para>aangekomen en dat toen evenmin duidelijk was waar de overtreding of onregelmatigheid </para>
      <para>had plaatsgevonden. Zelfs thans lijkt nog niet vast te staan of de onttrekking van de </para>
      <para>goederen in Frankrijk, Spanje of Nederland heeft plaatsgevonden. Derhalve is de </para>
      <para>inspecteur op voormelde datum terecht tot toepassing van de procedure op grond van </para>
      <para>artikel 379 van de TCDW overgegaan. Toen appellante niet binnen de bij artikel 379, </para>
      <para>tweede lid, van de TCDW bepaalde termijn van drie maanden reageerde, laat staan het </para>
      <para>bewijs leverde van  de regelmatigheid van het communautair douanevervoer dan wel van </para>
      <para>de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan, heeft de </para>
      <para>inspecteur op 27 oktober 1995 en 27 november 1995 de UTB's ter zake aan appellante </para>
      <para>gezonden. Anders dan appellante heeft betoogd, heeft verweerder geen op hem rustende </para>
      <para>onderzoeksplicht geschonden. Weliswaar behoort de inspecteur na te gaan of de plaats </para>
      <para>waar de onregelmatigheid c.q. overtreding heeft plaatsgevonden kan worden vastgesteld, </para>
      <para>maar naar het oordeel van het College heeft de inspecteur aan zijn onderzoeksplicht </para>
      <para>voldaan door, zoals in dit soort zaken gebruikelijk is, een verzoek tot nasporing te zenden </para>
      <para>aan het kantoor van bestemming. Deze beperkte onderzoeksplicht grondt het College op de </para>
      <para>artikelen 378 e.v. van de TCDW. Hieruit blijkt dat het aan appellante is om het bewijs te </para>
      <para>leveren dat het communautair vervoer regelmatig heeft plaatsgevonden dan wel bewijs te </para>
      <para>leveren van de plaats waar de onregelmatigheid of de overtreding daadwerkelijk is begaan. </para>
      <para>Dit is ook in overeenstemming met het feit dat op de titularis van het douanedocument de </para>
      <para>verantwoordelijkheid rust dat een en ander conform de communautaire regels wordt </para>
      <para>afgehandeld. Appellante heeft binnen de termijn van drie maanden noch aangetoond dat het </para>
      <para>vervoer regelmatig heeft plaats gevonden noch het bewijs geleverd van de plaats waar de </para>
      <para>overtreding of onregelmatigheid heeft plaatsgevonden en zelfs niet binnen die termijn de </para>
      <para>inspecteur gemeld dat wellicht de FIOD nadere informatie zou hebben. Derhalve was </para>
      <para>verweerder gehouden de heffingen op te leggen, zoals hij bij de onderhavige UTB's heeft </para>
      <para>gedaan en zoals hij deze bij de bestreden besluiten heeft gehandhaafd.</para>
      <para>De grieven van appellante, dat de FIOD geen medewerking heeft willen verlenen bij het </para>
      <para>lenigen van haar bewijsnood, kunnen - wat hiervan overigens ook zij - buiten verdere </para>
      <para>bespreking blijven, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat appellante gedurende </para>
      <para>voormelde periode van drie maanden na de kennisgeving niet-zuivering enigerlei actie </para>
      <para>heeft ondernomen en met name de inspecteur toen niet op het spoor van de FIOD heeft </para>
      <para>gezet. Daarmee heeft zij haar kansen verspeeld om aan de heffingen wegens niet-zuivering </para>
      <para>te ontkomen.</para>
      <para>De stelling dat verweerder gelet op het bepaalde bij artikel 378, derde lid, van de TCDW </para>
      <para>niet meer bevoegd zou zijn de niet-zuiveringsprocedure verder af te wikkelen, is naar het </para>
      <para>oordeel van het College onjuist. Ingevolge voormeld artikellid gaat, indien binnen drie jaar </para>
      <para>na geldigmaking van de aangifte T1 duidelijk is geworden in welke Lid-Staat de </para>
      <para>onregelmatigheid is begaan, deze Lid-Staat over tot heffing van de rechten en heffingen op </para>
      <para>de betrokken goederen, met uitzondering van die welke als eigen middelen van de </para>
      <para>Gemeenschap werden ge‹nd. Zulks betekent evenwel niet dat de Lid-Staat die een UTB </para>
      <para>wegens niet-zuivering heeft doen uitgaan, deze zou moeten intrekken dan wel dat deze </para>
      <para>UTB zonder verder gevolg zou moeten blijven. Artikel 378 TCDW biedt voor zodanige </para>
      <para>opvatting geen aanknopingspunt.</para>
      <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat de grieven van appellante voorzover deze zich richten </para>
      <para>tegen de subsidiaire aanname in de bestreden besluiten dat de onttrekking in Nederland zou </para>
      <para>hebben plaatsgevonden, geen bespreking behoeven.</para>
      <para>Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr H.G. Lubberdink en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers					w.g. A. Bruining</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>