<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0295</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T14:20:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0295</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/1295</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003356&amp;artikel=17a&amp;g=2001-02-13">Wet tarieven gezondheidszorg 17a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003356&amp;artikel=17b&amp;g=2001-02-13">Wet tarieven gezondheidszorg 17b</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003356&amp;artikel=17c&amp;g=2001-02-13">Wet tarieven gezondheidszorg 17c</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0295">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0295</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:22:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-11-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0295 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 13-02-2001 / AWB 98/1295</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0295:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0295:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 98/1295						13 februari 2001</para>
      <para>	13700</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, B, C en D, appellanten,</para>
      <para>gemachtigde: mr A.J.H.W.M. Versteeg, advocaat te Amsterdam, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>het College tarieven gezondheidszorg, voorheen het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg), te Utrecht, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.G.F.M. Hoffmans, advocaat te Den Haag,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>waaraan voorts als partijen deelnemen:</para>
      <para>1. Zorgverzekeraars Nederland, gemachtigde Th. van Hemert en</para>
      <para>2. de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde, </para>
      <para>gemachtigde mr P.G. Gilhuis, advocaat te Dordrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 11 december 1998 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, </para>
      <para>waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 oktober 1998.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen een op grond van de </para>
      <para>Wet tarieven gezondheidszorg (hierna: Wtg), gegeven tariefbesluit van 11 december 1997,</para>
      <para>nr. 5300-1500-98-1, ongegrond verklaard.</para>
      <para>Bij brief van 28 januari 1999 hebben appellanten de gronden van hun beroep uiteengezet.</para>
      <para>Verweerder heeft op 19 april 1999 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Bij brieven van 24 februari 2000 en 28 februari 2000 hebben de Nederlandse Maatschappij </para>
      <para>tot bevordering der Tandheelkunde (hierna: NMT), respectievelijk Zorgverzekeraars </para>
      <para>Nederland (hierna: ZN) desgevraagd te kennen gegeven als partij aan het geding te willen </para>
      <para>deelnemen.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2000. Bij die gelegenheid </para>
      <para>hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader toegelicht. </para>
      <para>Appellant Homan is in persoon verschenen en heeft ook zelf zijn standpunt nader </para>
      <para>toegelicht. Van de zijde van de NMT heeft tevens E, hoogleraar klinische parodontologie, </para>
      <para>het woord gevoerd.</para>
      <para>ZN heeft zich ter zitting niet laten vertegenwoordigen.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Bij de Wtg is, in de tekst zoals die luidde ten tijde hier van belang, onder meer het </para>
      <para>volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 17a</para>
      <para>1. Voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen prestaties en voor </para>
      <para>prestaties van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie‰n </para>
      <para>van organen van gezondheidszorg zijn de artikelen 2, 4, 5, 7, 8, eerste en </para>
      <para>tweede lid, en 9 niet van toepassing.</para>
      <para>2. (..)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 17b</para>
      <para>	1. (..)</para>
      <para>	2. (..)</para>
      <para>	3. De goedkeuring of vaststelling van een maximumtarief geschiedt door het </para>
      <para>Centraal orgaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 17c</para>
      <para>	1. Indien overleg tussen een representatieve organisatie van organen voor </para>
      <para>gezondheidszorg en een representatieve organisatie van </para>
      <para>ziektekostenverzekeraars over het maximumtarief voor een prestatie ten </para>
      <para>aanzien waarvan artikel 17a is toegepast, tot overeenstemming heeft geleid, </para>
      <para>kunnen zij het Centraal orgaan verzoeken dat tarief goed te keuren.</para>
      <para>	2. Indien overleg als bedoeld in het eerste lid, niet tot overeenstemming leidt, </para>
      <para>kan een representatieve organisatie van organen voor gezondheidszorg of een </para>
      <para>representatieve organisatie van ziektekostenverzekeraars het Centraal orgaan </para>
      <para>verzoeken een maximumtarief vast te stellen. Daarbij wordt bepaald in welke </para>
      <para>gevallen het maximumtarief geldt.</para>
      <para>	3. Indien voor een prestatie ten aanzien waarvan artikel 17a is toegepast, geen </para>
      <para>maximumtarief is tot stand gekomen en bij het Centraal orgaan geen verzoek </para>
      <para>als bedoeld in het eerste of tweede lid in behandeling is, kunnen een of meer </para>
      <para>organen voor gezondheidszorg samen met een of meer </para>
      <para>ziektekostenverzekeraars het Centraal orgaan verzoeken een maximumtarief </para>
      <para>vast te stellen. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen het maximumtarief </para>
      <para>geldt." </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>-	Bij brief van 22 september 1997 hebben ZN, de Kontaktkommissie </para>
      <para>Publiekrechtelijke Ziektekostenregelingen voor ambtenaren (hierna: KPZ) en de </para>
      <para>NMT zich tot verweerder gewend met een gezamenlijk voorstel tot herziening van de </para>
      <para>verrichtingenlijst tandheelkundige hulp door de tandartsen-algemeen practici met </para>
      <para>ingang van 1 januari 1998. In het bijzonder zijn -voorzover hier van belang- de </para>
      <para>navolgende wijzigingen voorgesteld: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	1. t/m 3. (..)</para>
      <para>4. Vervanging van hoofdstuk XI Parodontologie, te weten:</para>
      <para>Onderdeel A betreffende in rekening te brengen verrichtingen en tarieven voor </para>
      <para>onderzoek, diagnostiek, behandeling en nazorg van pati‰nten met parodontale </para>
      <para>aandoeningen (geregistreerde CPITN-score 3 of score 4) volgens bestaande </para>
      <para>protocollen.</para>
      <para>Onderdeel B betreffende in rekening te brengen verrichtingen en tarieven voor </para>
      <para>specifieke parodontale behandelingen, ongeacht de gemeten CPITN-score.</para>
      <para>Het bestaande hoofdstuk komt te vervallen.</para>
      <para>5. Toevoeging van Algemene Bepalingen bij Onderdeel A van hoofdstuk XI </para>
      <para>Parondontologie.</para>
      <para>6. t/m 8. (..)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Ter toelichting op deze wijzigingen heeft de NMT namens partijen aan verweerder </para>
      <para>bij brief van 5 november 1997 -voor zover hier van belang- het volgende </para>
      <para>medegedeeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Partijen verwachten dat de protocollering en de daarmee gepaard gaande </para>
      <para>verduidelijking in de wijze van parodontale behandelingen op langere termijn </para>
      <para>kostenbesparend zal uitwerken. Het is de verwachting, dat op het moment van </para>
      <para>invoering het voorstel macrokostenneutraal zal uitwerken. Bijkomend voordeel </para>
      <para>van het invoeren van het protocol en de daarbij behorende wijzigingen in de </para>
      <para>UPT is dat het door de Ziekenfondsraad gesignaleerde "creatief declareren" van </para>
      <para>zogenaamde T-codes voor het verwijderen van tandsteen niet meer mogelijk </para>
      <para>is."</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>- Bij brief van 18 november 1997 heeft verweerder de bij deze brief als bijlage </para>
      <para>gevoegde richtlijn "de lijst van tandheelkundige verrichtingen met bijbehorende </para>
      <para>puntenaantallen in de ziekenfonds- en particuliere praktijk", nr. V-5300-4.2.5.-14, </para>
      <para>waarin de door ZN, de KPZ en de NMT voorgestelde wijzigingen zijn overgenomen </para>
      <para>en waarvan de datum van inwerkingtreding is gesteld op 1 januari 1998, ter </para>
      <para>goedkeuring voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport </para>
      <para>(hierna: de Minister van VWS).</para>
      <para>- Op 2 december 1997 heeft de Minister van VWS, gelet op artikel 12, eerste lid, van </para>
      <para>de Wtg, richtlijn nr. V-5300-4.2.5.-14 goedgekeurd. </para>
      <para>- Bij brief van 9 december 1997 hebben ZN, de KPZ en de NMT verweerder verzocht </para>
      <para>een drietal tariefbeschikkingen af te geven ten aanzien van de tarieven per 1 januari </para>
      <para>1998 voor tandheelkundige hulp door tandartsen aan met name genoemde </para>
      <para>categorie‰n van personen.</para>
      <para>- Hieraan heeft verweerder gevolg gegeven bij tariefbesluit van 11 december 1997, </para>
      <para>verzonden op 12 december 1997, nr. 5300-1500-98-1. Onder verwijzing naar de </para>
      <para>artikelen 17b, 17c, eerste lid, 17e en 8, derde lid, van de Wtg is daarbij besloten dat </para>
      <para>met ingang van 1 januari 1998 door met name genoemde categorie‰n tandartsen en </para>
      <para>instellingen onder meer rechtsgeldig in rekening kan worden gebracht: maximaal de </para>
      <para>bedragen, zoals die worden vermeld achter de daarop betrekking prestaties, zoals </para>
      <para>omschreven in de bijgevoegde tarievenlijst in bijlage 1. In het in deze bijlage </para>
      <para>opgenomen hoofdstuk XI "Parodontologie", dat gelijkluidend is aan het </para>
      <para>desbetreffende hoofdstuk in richtlijn nr. V-5300-4.2.5.-14, is onder "Algemeen" </para>
      <para>onder meer aangegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Onderdeel A van dit hoof	dstuk betreft de in rekening te brengen verrichtingen </para>
      <para>en tarieven voor onderzoek, diagnostiek, behandeling en nazorg van pati‰nten </para>
      <para>met parodontale aandoeningen (geregistreerde CPITN-score 3 en 4) volgens </para>
      <para>bestaande protocollen; op dit onderdeel zijn de Algemene Bepalingen van </para>
      <para>toepassing. (..)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Voorzover van belang luiden de - eveneens in bijlage 1 bij het tariefbesluit </para>
      <para>opgenomen - Algemene Bepalingen als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	ONDERDEEL A</para>
      <para>(..)</para>
      <para>1. Onderzoek, diagnostiek en behandelingsplanning</para>
      <para>A. Parodontaal onderzoek met pocketstatus (T11)</para>
      <para>1. Het tarief voor parodontaal onderzoek met pocketstatus kan uitsluitend </para>
      <para>gedeclareerd worden indien tijdens voorafgaand screeningsonderzoek een </para>
      <para>CPITN-score 3-negatief is vastgesteld, en geldt ongeacht het aantal benodigde </para>
      <para>zittingen.</para>
      <para>2. (..)</para>
      <para>3. (..)</para>
      <para>B. Parodontaal onderzoek met parodontiumstatus (T12)</para>
      <para>1. Het tarief voor parodontaal onderzoek met parodontiumstatus kan uitsluitend </para>
      <para>gedeclareerd worden indien tijdens voorafgaand screeningsonderzoek een </para>
      <para>CPITN-score 3-positief of score 4 is vastgesteld, en geldt ongeacht het aantal </para>
      <para>benodigde zittingen.</para>
      <para>2. (..)</para>
      <para>2. Initi‰le parodontale behandeling (T21, T22)</para>
      <para>1. Het tarief voor initi‰le parodontale behandeling (T21 en T22) kan uitsluitend </para>
      <para>in rekening worden gebracht na uitgevoerd parodontaal onderzoek met </para>
      <para>pocketstatus of parodontiumstatus bij pati‰nten met gemeten en geregistreerde </para>
      <para>CPITN-score 3 of 4.</para>
      <para>2. (..)</para>
      <para>3. (..)</para>
      <para>4. Het tarief T21 en T22 is uitsluitend van toepassing voor initi‰le parodontale </para>
      <para>behandeling van elementen met geregistreerde pocketdiepte &amp;gt; 4 mm.</para>
      <para>3. Herbeoordeling en behandelingsplanning (T31, T32, T33)</para>
      <para>1. t/m 3. (..)</para>
      <para>4. (..) T33 kan uitsluitend in combinatie met een herbeoordeling met </para>
      <para>pocketstatus (T31) dan wel een herbeoordeling met parodontiumstatus (T32) </para>
      <para>worden verricht en gedeclareerd.</para>
      <para>4. Parodontale nazorg (T51 t/m T56)</para>
      <para>1. Het tarief voor consult parodontale nazorg is uitsluitend van toepassing voor </para>
      <para>pati‰nten met vooraf gemeten CPITN-score 3 of 4, bij wie na een initi‰le </para>
      <para>parodontale behandeling de herbeoordeling heeft plaatsgevonden.</para>
      <para>2. t/m 6. (..)</para>
      <para>5. (..)</para>
      <para>6. (..)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Tegen deze tariefbeschikking en in het bijzonder tegen de in de Algemene </para>
      <para>Bepalingen vervatte voorschriften (hierna: het protocol voor parodontale </para>
      <para>behandeling) hebben appellanten bij brief van 21 januari 1998 een bezwaarschrift </para>
      <para>ingediend. De gemachtigde van appellanten heeft daarbij vermeld dat appellanten en </para>
      <para>de Associatie Nederlandse Tandartsen (hierna: ANT) hem hebben gevraagd hen te </para>
      <para>assisteren bij de behartiging van de belangen van appellanten en de belangen van </para>
      <para>tandartsen die de ANT vertegenwoordigt.</para>
      <para>- Bij brief van 7 mei 1998 heeft de gemachtigde van appellanten het bezwaarschrift </para>
      <para>nader onderbouwd. Daarbij heeft hij onder meer opgemerkt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Met uw brief van 20 april 1998 hebt u mijn cli‰nten, de Assiocatie Nederlandse </para>
      <para>Tandartsen en anderen, nader gezamenlijk te noemen: de ANT, in de </para>
      <para>gelegenheid gesteld de (aanvullende) gronden van bezwaar tegen de </para>
      <para>beschikking van uw Cotg van 11 december 1997, kenmerk 5300-1500-98-1 in </para>
      <para>te dienen binnen door u in die brief  bepaalde termijn.</para>
      <para>(..)</para>
      <para>4. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van dit bezwaarschrift zal </para>
      <para>de ANT de machtiging overleggen van de individuele tandartsen, organen voor </para>
      <para>gezondheidszorg, die haar de last hebben gegeven deze procedure te voeren. </para>
      <para>Uit het vorengaande mag uw Cotg al opmaken dat de ANT haar standpunt </para>
      <para>nader mondeling wenst toe te lichten.</para>
      <para>(..)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Dit bezwaarschrift heeft de gemachtigde van appellanten tijdens een op 10 september </para>
      <para>1998 gehouden hoorzitting nader toegelicht aan de hand van een pleitnotitie, </para>
      <para>aangeduid als pleitnotities in de zaak van: (.) 5. de rechtspersoonlijkheid bezittende </para>
      <para>vereniging Associatie van Nederlandse Tandartsen. De aanhef van de notitie luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Ter toelichting op het bezwaarschrift dat verzoekers, nader gezamenlijk te </para>
      <para>noemen: de ANT tegen de beschikking van uw Centraal orgaan tarieven </para>
      <para>gezondheidszorg (Cotg) van 11 december 1997, kenmerk 5300-1500-98-1 </para>
      <para>hebben ingediend, mag het volgende dienen:"</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>In het verslag van de hoorzitting is onder meer vermeld:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	4. REACTIE VAN COTG-ZIJDE</para>
      <para>Wat betreft de ANT dient opgemerkt te worden dat de ANT geen </para>
      <para>representatieve organisaties in het kader van de WTG. Het bezwaarschrift dient </para>
      <para>derhalve wat de ANT betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerster de ANT niet-ontvankelijk verklaard in haar </para>
      <para>bezwaar. Daartoe is overwogen dat, gelet op artikel 35 van de Wtg, de ANT niet de </para>
      <para>mogelijkheid heeft bezwaar en beroep tegen een tariefbesluit in te stellen, aangezien zij </para>
      <para>geen representatieve organisatie is in de zin van de Wtg en evenmin als een orgaan voor </para>
      <para>gezondheidszorg kan worden aangemerkt.</para>
      <para>Voorts heeft verweerder bij het bestreden besluit de bezwaren van appellanten ongegrond </para>
      <para>verklaard en daartoe -voorzover hier van belang- het volgende overwogen:</para>
      <para>"	(..)</para>
      <para>Het COTG is van mening dat door de tariefbeschikking de behandeling niet </para>
      <para>dwingend wordt voorgeschreven. De tariefbeschikking geeft alleen aan in </para>
      <para>welke gevallen de gevolgde behandeling declarabel is. Derhalve treedt het </para>
      <para>COTG niet in de autonomie van de tandarts.</para>
      <para>(..)</para>
      <para>Het parodontaal traject begint met een diagnose en daarna bespreken van het </para>
      <para>behandelingsplan.Tijdens die bespreking zou de pati‰nt toestemming (moeten) </para>
      <para>geven voor de behandeling volgens het protocol. Indien de pati‰nt die </para>
      <para>toestemming niet geeft, betekent dit dat de pati‰nt de tandarts niet toestaat om </para>
      <para>de onder de beroepsgenoten gebruikelijke (en door de meeste beroepsgenoten </para>
      <para>aanvaarde) behandelmethode toe te passen. Naar het idee van het protocol zou </para>
      <para>de tandarts daaruit moeten concluderen dat de pati‰nt afziet van parodontale </para>
      <para>behandeling en heeft het volgen van het parodontaal traject, dan wel het doen </para>
      <para>van bepaalde behandelingen uit het parodontaal traject, geen zin.</para>
      <para>(..)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens het protocol zou een parodontale behandeling zich niet mogen </para>
      <para>beperken tot alleen scaling en rootplaning. In het verleden (tot 1998) werd de </para>
      <para>nog apart staande code T25 "Scaling en rootplaning, per element" ad f 28,00 </para>
      <para>per element in de praktijk vaak gebruikt voor het declareren van het </para>
      <para>verwijderen van tandsteen, met name bij ziekenfondspati‰nten, waarvoor het </para>
      <para>tandsteen verwijderen niet apart declarabel is naast het cluster preventief </para>
      <para>onderhoud. E‚n van de redenen om het T-hoofdstuk te vernieuwen was om aan </para>
      <para>deze situatie een einde te maken en om een duidelijk onderscheid te cre‰ren </para>
      <para>tussen pati‰nten met en pati‰nten zonder parodontale aandoeningen.</para>
      <para>Ten aanzien van het vastleggen van de plak- en bloedingsscore merkt het </para>
      <para>COTG op dat tegelijkertijd met het vernieuwen van het T-hoofdstuk in het M-</para>
      <para>hoofdstuk (Preventie/mondhygi‰ne) twee nieuwe codes zijn toegevoegd. Dat </para>
      <para>zijn codes M31 "Plaque-score", ad f 28,00, waar Homan c.s. dus op doelen, en </para>
      <para>M32 "Eenvoudig bacteriologisch onderzoek" ad f 24,00. Deze codes stonden </para>
      <para>eerst met dezelfde tarieven apart in het T-hoofdstuk.</para>
      <para>(..)</para>
      <para>Het COTG is van mening dat bij artikel 17c lid 1, waar sprake is van een </para>
      <para>goedkeuring van een overeenkomst, in de WTG niet hoeft te staan dat het </para>
      <para>COTG eigenstandig vaststelt wanneer het maximumtarief geldt. Dat blijkt </para>
      <para>immers uit de goedgekeurde overeenkomst. Daarin is vastgelegd in welke </para>
      <para>situaties het maximumtarief geldt. Dat is in deze situatie ook gebeurd. Partijen </para>
      <para>hebben het COTG verzocht de tariefovereenkomst goed te keuren op basis van </para>
      <para>de vastgestelde beleidsregels en het verzoek van partijen d.d. 22 september </para>
      <para>1997. In de betreffende beleidsregel zijn de Algemene bepalingen ook </para>
      <para>opgenomen. Uit die Algemene bepalingen blijkt exact in welke situaties het </para>
      <para>maximumtarief geldt. Bij artikel 17c lid 2 en 3 is juist expliciet toegevoegd dat </para>
      <para>het COTG bepaalt wanneer het maximumtarief geldt, omdat dan aan de </para>
      <para>tariefbeschikking geen overeenkomst ten grondslag ligt en het COTG een </para>
      <para>eigenstandig besluit neemt. (..)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat uit de door appellanten </para>
      <para>genoemde uitspraak van het College van 11 februari 1992, nrs. 90/1997/074/090 e.a. </para>
      <para>(gepubliceerd in RZA 1992/60), volgt dat, anders dan appellanten beweren, de </para>
      <para>bevoegdheid van verweerder om tarieven vast te stellen of goed te keuren, tevens de </para>
      <para>bevoegdheid meebrengt de prestatie die bij een bepaald tarief behoort, in beleidsregels of </para>
      <para>tariefbeschikkingen te omschrijven. Nu bij een zodanige omschrijving tevens aanvullende </para>
      <para>bepalingen kunnen worden opgenomen voorzover deze redelijkerwijs noodzakelijk zijn </para>
      <para>voor een objectieve en duidelijke vaststelling van de voorwaarden waaronder het tarief in </para>
      <para>rekening kan worden gebracht, kunnen in een tariefbeschikking ook bepalingen zijn </para>
      <para>opgenomen over de vraag wanneer een maximumtarief kan worden gedeclareerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting onder meer opgemerkt dat </para>
      <para>het in het protocol opgenomen "beslissingsschema" voor parodontale behandelingen een </para>
      <para>beoordeling van tandheelkundige aard betreft, die gedragen wordt door de NMT en </para>
      <para>waarvan kan worden aangenomen dat zij overeenkomt met opvattingen binnen de </para>
      <para>beroepsgroep over een verantwoorde beroepsuitoefening, dat de representatieve </para>
      <para>organisaties, te weten de NMT en ZN, in samenwerking met de wetenschappelijke </para>
      <para>vereniging NVVP (Nederlandse Vereniging voor Parodontologie), hebben voorgesteld de </para>
      <para>verrichtingenlijst tandheelkundige hulp naar aanleiding van het protocol aan te passen, dat </para>
      <para>verweerder dit voorstel heeft gevolgd en dat verweerder er derhalve vanuit mocht gaan dat </para>
      <para>het mede op het protocol gebaseerde tariefstelsel naar het oordeel van de meerderheid van </para>
      <para>de betrokken tandartsen als het meest aanvaardbare stelsel wordt beschouwd. In dit </para>
      <para>verband heeft verweerder verwezen naar de uitspraken van het College van 28 februari </para>
      <para>1989, nrs. 86/1702/74/090 e.a. (gepubliceerd in RZA 1989/114), 14 mei 1991, nr. </para>
      <para>88/1214/74/090 (gepubliceerd in RZA 1991/145), 19 mei 1992, nrs. 91/0058/074/090 e.a. </para>
      <para>(gepubliceerd in RZA 1992/126), en 12 december 1995, nr. 93/2924/074/089 (gepubliceerd </para>
      <para>in RZA 1996/28).</para>
      <para>Ter zake van de hiervoor genoemde uitspraak van 11 februari 1992 heeft verweerder ter </para>
      <para>zitting opgemerkt dat de vergelijking met de in deze uitspraak aan de orde zijnde </para>
      <para>"tweeslagrichtlijnen" niet opgaat omdat bij die richtlijnen sprake was van een aan het tarief </para>
      <para>verbonden opschortende voorwaarde, te weten dat het (hogere) tarief voor medisch </para>
      <para>specialisten niet gold zolang geen overeenkomst tussen medisch specialisten en andere bij </para>
      <para>de zorgverlening betrokken partijen tot stand was gekomen. In het onderhavige geval is het </para>
      <para>vereiste, dat onderzoek moet zijn verricht alvorens het tarief voor een parodontale </para>
      <para>behandeling in rekening kan worden gebracht, te kwalificeren als een voorschrift; het geeft </para>
      <para>nader aan aan welke verplichtingen moet zijn voldaan om het desbetreffende tarief </para>
      <para>rechtsgeldig in rekening te kunnen brengen. Dit voorschrift bevordert de doelmatigheid en </para>
      <para>kwaliteit van de zorgverlening en past daarmee binnen de doelstellingen van de Wtg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft de grondslag van het door appellanten in bezwaar aangevochten tariefbesluit </para>
      <para>heeft verweerder ter zitting gesteld dat ZN en de NMT de volgorde van verrichtingen en de </para>
      <para>daaruit voortvloeiende gevolgen voor de tarifering zelf waren overeengekomen, dat </para>
      <para>verweerder, conform artikel 17c, lid 1, van de Wtg, het overeengekomen tarief slechts heeft </para>
      <para>goedgekeurd en dat verweerder hiermee binnen zijn bevoegdheid is gebleven. </para>
      <para>4.	Het standpunt van appellanten</para>
      <para>Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen </para>
      <para>het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Op grond van artikel 17b en 17c, eerste lid, van de Wtg is de bevoegdheid van verweerder </para>
      <para>beperkt tot het goedkeuren van een tarief in de zin van de Wtg.Verweerder heeft miskend </para>
      <para>dat artikel 17c, eerste lid, van de Wtg hem niet de bevoegdheid toekent de volgorde te </para>
      <para>bepalen waarin prestaties moeten worden verricht wil voor ieder van die prestaties het door </para>
      <para>verweerder per prestatie vastgestelde tarief in rekening worden gebracht. Door geen </para>
      <para>onderscheid te maken tussen het tarief en de gevallen waarin een tarief geldt, heeft </para>
      <para>verweerder de Wtg geschonden. Dit gebrek wordt niet geheeld doordat sprake zou zijn van </para>
      <para>een goedkeuring van een tarief in de zin van artikel 17c, eerste lid, van de Wtg, aangezien </para>
      <para>ook met betrekking tot die bepaling vorenbedoeld onderscheid geldt.</para>
      <para>Door te bepalen dat voor bepaalde prestaties uitsluitend een tarief in rekening mag worden </para>
      <para>gebracht indien die prestaties worden verricht in combinatie met andere prestaties, is </para>
      <para>verweerder getreden in de primaire bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de tandarts. </para>
      <para>De vraag of een verrichting dient te worden uitgevoerd behoort tot de professionele </para>
      <para>autonomie van de tandarts, die zich bij de vraag of een bepaalde verrichting noodzakelijk is </para>
      <para>niet mag laten leiden door het antwoord op de vraag of de prestatie al dan niet voor </para>
      <para>vergoeding in aanmerking komt. Indien de consequentie van het bestreden tariefbesluit is </para>
      <para>dat een tandarts voor deelverrichtingen, die uit oogpunt van de professionele autonomie </para>
      <para>verantwoord zijn, geen vergoeding krijgt, is die consequentie onredelijk bezwarend. Bij </para>
      <para>afweging van de betrokken belangen had verweerder in redelijkheid dan ook nimmer </para>
      <para>goedkeuring kunnen verlenen aan de dwingend voorgeschreven behandelingsmethode.</para>
      <para>Ter zake van hun op artikel 17c, eerste lid, van de Wtg betrekking hebbende grief hebben </para>
      <para>appellanten ter zitting nog opgemerkt dat de motivering van de beslissing op bezwaar niet </para>
      <para>in overeenstemming is met de tekst van deze bepaling, aangezien die bepaling  uitsluitend </para>
      <para>spreekt over de goedkeuring van een maximumtarief en niet over de goedkeuring van een </para>
      <para>overeenkomst.</para>
      <para>Ten aanzien van de grief dat verweerder met het opnemen van het protocol is getreden in </para>
      <para>de bevoegdheid van de individuele tandarts hebben appellanten er ter zitting op gewezen </para>
      <para>dat dit protocol als een richtlijn voor het handelen van de individuele tandarts moet worden </para>
      <para>beschouwd en niet als een rigide regel dient te worden toegepast en dat het tariefbesluit </para>
      <para>inbreuk maakt op het systeem dat de arts geen handelingen mag verrichten die niet </para>
      <para>noodzakelijk, dan wel onnodig belastend zijn voor de pati‰nt, aangezien bepaalde </para>
      <para>verrichtingen uitsluitend kunnen worden gedeclareerd indien zij volgen op andere </para>
      <para>verrichtingen. Appellanten hebben voorts nog op gewezen op de onredelijk bezwarende </para>
      <para>consequentie, dat wanneer de pati‰nt niet instemt met de behandeling de tandarts de op </para>
      <para>hem ingevolge de met de pati‰nt gesloten behandelovereenkomst rustende verplichtingen </para>
      <para>niet nakomt indien hij de behandeling toch uitvoert, terwijl hij de aanspraak op honorering </para>
      <para>van de behandeling die hij wel heeft gegeven verliest, indien hij in overeenstemming met </para>
      <para>de gemaakte afspraken handelt.</para>
      <para>Wat betreft de hiervoor genoemde uitspraak van het College van 11 februari 1992 hebben </para>
      <para>appellanten er ter zitting op gewezen dat de in het bestreden tariefbesluit gestelde voor-</para>
      <para>waarde, dat aan een bepaalde verrichting bepaalde andere verrichtingen vooraf dienen te </para>
      <para>gaan, aanmerkelijk verder gaat dan noodzakelijk is voor het bereiken van de nodige </para>
      <para>objectiviteit en duidelijkheid van het in rekening te brengen tarief.</para>
      <para>Ten slotte heeft de gemachtigde van appellanten nog aangevoerd dat in de bezwaarschrift-</para>
      <para>fase zijn cli‰nte, de Associatie Nederlandse Tandartsen, niet gesteld heeft een represen-</para>
      <para>tatieve organisatie te zijn, maar, in de wetenschap dat zij over die kwalificatie niet </para>
      <para>beschikt, als lasthebber op te treden. Door aan dat standpunt voorbij te gaan op de wijze als </para>
      <para>verweerder in de beslissing op bezwaar heeft gedaan, is de beschikking op dit punt </para>
      <para>ondeugdelijk gemotiveerd.</para>
      <para>5.	Het standpunt van de NMT</para>
      <para>De NMT heeft - samengevat - onder meer het volgende naar voren gebracht.</para>
      <para>Het gaat er niet om of artikel 17c, eerste lid, van de Wtg van toepassing is, maar of </para>
      <para>krachtens de Wtg voorschriften en verplichtingen aan het bestreden tariefbesluit mogen </para>
      <para>worden verbonden, zoals de voorgeschreven volgorde van parodontologische handelingen. </para>
      <para>Deze vraag dient bevestigend te worden beantwoord, aangezien met vorenbedoeld </para>
      <para>voorschrift twee van de doelstellingen van de Wtg, te weten het doelmatig functioneren </para>
      <para>van de gezondheidszorg, dat onder meer het waarborgen van een goede kwaliteit van de </para>
      <para>dienstverlening omvat, en kostenbeheersing, worden gediend; de initi‰le parodontale </para>
      <para>behandeling kan alleen in rekening worden gebracht in het kader van de integrale </para>
      <para>uitvoering van een parodontologisch behandelingsplan, terwijl zonder voorafgaand </para>
      <para>onderzoek en diagnostiek een zodanige behandeling ondoelmatig is.</para>
      <para>Voorzover appellanten met een beroep op hun professionele autonomie stellen dat </para>
      <para>verweerder de Wtg niet mag gebruiken voor het voorschrijven van de volgorde van </para>
      <para>behandelingen, dient in aanmerking te worden genomen dat het bij het bestreden </para>
      <para>tariefbesluit voorgeschreven parodontologisch behandelingsplan is ontwikkeld en ingevuld </para>
      <para>door de NVVP, waardoor het behandelingsplan volledig aan de medische standaard </para>
      <para>voldoet en aan de aanspraken van de pati‰nten beantwoordt.</para>
      <para>De vergelijking met de uitspraak van het College van 11 februari 1992 inzake de </para>
      <para>zogenoemde tweeslagrichtlijnen gaat niet op, aangezien in dat geval de tarieven afhankelijk </para>
      <para>werden gemaakt van het toetreden tot een buiten het terrein van de Wtg liggende </para>
      <para>overeenkomst, terwijl het in het onderhavige geval gaat om een doelmatigheidsvoorschrift, </para>
      <para>dat in acht moet worden genomen om de onderscheiden tarieven in rekening te kunnen </para>
      <para>brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>6.1	De gemachtigde van appellanten heeft zowel in het op 11 december 1998 ontvangen </para>
      <para>beroepschrift, als in het aanvullend beroepschrift van 28 januari 1999 aangegeven dat naast </para>
      <para>appellanten ook de ANT beroep instelt tegen verweerders besluit van 29 oktober 1998. Ter </para>
      <para>zitting is van de zijde van de ANT vervolgens gesteld dat zij niet tegen de niet-</para>
      <para>ontvankelijkverklaring van haarzelf op is gekomen, nu zij niet betwist dat die, gelet ook op </para>
      <para>de vaste jurisprudentie van het College, rechtens juist is.</para>
      <para>Genoemde gemachtigde heeft aangegeven dat het beroep geacht moet worden te zijn </para>
      <para>ingesteld namens de 1500 tandartsen die zich in de ANT hebben verbonden, en dat dit </para>
      <para>beroep zich richt tegen de - impliciete - niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar dat </para>
      <para>deze 1500 tandartsen, verbonden in de ANT, tegen het tariefbesluit van 11 december 1997 </para>
      <para>hebben ingediend.</para>
      <para>Wat er zij van de vraag of verweerder had moeten begrijpen dat het bezwaar niet door de </para>
      <para>ANT voor zichzelf, maar als collectief van 1500 tandartsen is ingediend, het College komt </para>
      <para>aan de beoordeling van deze vraag - die door de gemachtigde van appellanten als een grief </para>
      <para>inzake de motivering van het bestreden besluit is voorgelegd - niet toe. Uit het </para>
      <para>beroepschrift dat bij het College is ingediend blijkt dat het beroep is ingesteld door vier </para>
      <para>tandartsen en, als vijfde, de ANT en blijkt in het geheel niet dat het beroep tevens namens </para>
      <para>de meergenoemde 1500 tandartsen is ingediend, noch dat deze de ANT tot het indienen </para>
      <para>van dat beroep hebben gemachtigd. Onder die omstandigheden kan het College tot geen </para>
      <para>ander oordeel komen dan dat er van deze tandartsen - die, anders dan de ANT, beroep bij </para>
      <para>het College kunnen instellen - geen beroep voorligt.</para>
      <para>6.2	Met betrekking tot de zaak ten gronde stelt het College in de eerste plaats vast dat het </para>
      <para>aangevochten tariefbesluit berust op de artikelen 17b, derde lid, en 17c, eerste lid, van de </para>
      <para>Wtg. Het tariefbesluit is genomen naar aanleiding van een gezamenlijk verzoek van onder </para>
      <para>meer de NMT (een representatieve organisatie van organen voor gezondheidszorg) en ZN </para>
      <para>(een representatieve organisatie van ziektekostenverzekeraars), hetgeen impliceert dat </para>
      <para>tussen deze organisaties overeenstemming bestond over de in het tariefbesluit op te nemen </para>
      <para>maximumtarieven. </para>
      <para>6.3	Aangaande de vraag of  verweerder op grond van de Wtg bevoegd was in het tariefbesluit </para>
      <para>het in de Algemene Bepalingen bij hoofdstuk XI vervatte protocol voor parodontale </para>
      <para>behandeling op te nemen, overweegt het College als volgt.</para>
      <para>In zijn door partijen genoemde uitspraak van 11 februari 1992 betreffende de zogenoemde </para>
      <para>"tweeslagrichtlijnen" heeft het College overwogen dat de bevoegdheid van verweerder om </para>
      <para>tarieven vast te stellen of goed te keuren tevens de bevoegdheid meebrengt de prestatie, </para>
      <para>welke bij een bepaald tarief behoort, in richtlijnen of tariefbeslissingen te omschrijven en </para>
      <para>dat bij een zodanige omschrijving tevens aanvullende bepalingen kunnen worden </para>
      <para>opgenomen voorzover deze redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor een objectieve en </para>
      <para>duidelijke vaststelling van de voorwaarden waaronder het tarief in rekening kan worden </para>
      <para>gebracht. </para>
      <para>Deze overwegingen gelden ook voor verweerders goedkeuring van maximumtarieven, </para>
      <para>bedoeld in lid 1 van artikel 17c van de Wtg. Dat anders dan bij lid 1, bij de leden 2 en 3 </para>
      <para>van dit artikel is voorzien in de mogelijkheid voor verweerder te bepalen in welke gevallen </para>
      <para>het door hem vastgestelde maximumtarief geldt, leidt niet tot de gevolgtrekking dat </para>
      <para>verweerder onbevoegd zou zijn om bij de in lid 1 bedoelde goedkeuring van een </para>
      <para>maximumtarief dat tussen de representatieve organisaties is overeengekomen, deze </para>
      <para>goedkeuring uit te strekken over de prestaties waarvoor dit tarief blijkens die overeenkomst </para>
      <para>is bedoeld.</para>
      <para>Voorts ziet het College geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder in het </para>
      <para>voorliggende geval van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt op een wijze die niet </para>
      <para>verenigbaar is met de Wtg. Hiertoe overweegt het College als volgt.</para>
      <para>Anders dan in het geval van de tweeslagrichtlijnen is in het onderhavige geval geen sprake </para>
      <para>van voorwaarden die verder strekken dan noodzakelijk is voor het bereiken van de nodige </para>
      <para>objectiviteit en duidelijkheid van het in rekening te brengen tarief. Bij de tweeslag-</para>
      <para>richtlijnen ging het immers om een aan het tarief verbonden opschortende voorwaarde </para>
      <para>betreffende het sluiten van een buiten het terrein van de Wtg gelegen overeenkomst, terwijl </para>
      <para>de Algemene Bepalingen bij hoofdstuk XI van het aangevochten besluit voorschriften </para>
      <para>bevatten, die nader aangeven onder welke voorwaarden de tarieven rechtsgeldig in </para>
      <para>rekening kunnen worden gebracht. In zoverre is het protocol voor parodontale behandeling </para>
      <para>te beschouwen als zijnde noodzakelijk voor het bereiken van de nodige objectiviteit en </para>
      <para>duidelijkheid van het in rekening te brengen tarief.</para>
      <para>Ter toelichting van het voorstel, dat ertoe heeft geleid dat het gewraakte protocol in de aan </para>
      <para>het tariefbesluit van 11 december 1997 ten grondslag liggende richtlijn nr. V-5300-4.2.5.-</para>
      <para>14 werd opgenomen, hebben de NMT en ZN er in hun brief van 5 november 1997 onder </para>
      <para>meer op gewezen dat door de invoering van dat protocol het zogenoemd "creatief </para>
      <para>declareren" van bedoelde T-codes voor het verwijderen van tandsteen, waarvan verweerder </para>
      <para>bij het hiervoor ten dele weergegeven bestreden besluit uiteen heeft gezet op welke wijze </para>
      <para>dat gebeurde, niet meer mogelijk is. Appellanten hebben de juistheid van het uitgangspunt </para>
      <para>van verweerder, dat op die wijze in de praktijk werd gedeclareerd, niet weersproken. </para>
      <para>Evenmin hebben appellanten weersproken dat de wijze waarop het parodontologie-</para>
      <para>hoofdstuk thans is ingekleed, ertoe heeft geleid dat niet meer op de door verweerder </para>
      <para>geschetste wijze kan worden gedeclareerd. Nu moet worden aangenomen dat dit </para>
      <para>kostenbesparend zal uitwerken, is met het opnemen van het protocol voor parodontale </para>
      <para>behandeling ‚‚n van de doelstellingen van de Wtg, te weten het beheersen van de kosten </para>
      <para>van de gezondheidszorg, gediend. Dat de kosten van de parodontale behandeling thans in </para>
      <para>het algemeen hoger zijn dan de besparingen die het behandelingsprotocol - ook in het licht </para>
      <para>van het beoogde vermijden van niet zinvol geachte behandelingen - oplevert, hebben </para>
      <para>appellanten niet aannemelijk kunnen maken.</para>
      <para>Gelet op het vorenoverwogene is het College van oordeel dat verweerder op grond van de </para>
      <para>Wtg bevoegd was het in geding zijnde protocol in het tariefbesluit van 11 december 1997 </para>
      <para>op te nemen.</para>
      <para>6.4	Met betrekking tot de grief van appellanten dat de gevolgen van het tariefbesluit voor  </para>
      <para>tandartsen onredelijk bezwarend zijn, overweegt het College het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Richtlijn nr. V-5300-4.2.5.-14, waarin het protocol voor parodontale behandeling is </para>
      <para>opgenomen, is tot stand gekomen naar aanleiding van een daartoe strekkend voorstel van </para>
      <para>- onder meer - de representatieve organisatie voor tandartsen (de NMT). Mede op verzoek </para>
      <para>van deze organisatie is het op genoemde richtlijn berustende tariefbesluit van 11 december </para>
      <para>1997 genomen.</para>
      <para>Volgens vaste jurisprudentie van het College mag verweerder er, gelet op het in de Wtg </para>
      <para>neergelegde stelsel van representatie, in het algemeen van uitgaan dat hetgeen een </para>
      <para>representatieve organisatie van organen van gezondheidszorg naar voren brengt, geschiedt </para>
      <para>met instemming van de beroepsgroep. Dit betekent dat verweerder er in het onderhavige </para>
      <para>geval vanuit mocht gaan dat het door de NMT voorgestane tariefsysteem voor parodontale </para>
      <para>verrichtingen, waarbij een behandelprotocol is opgesteld, door de meerderheid van de </para>
      <para>betrokken tandartsen als het onder omstandigheden meest aanvaardbare tariefsysteem werd </para>
      <para>beschouwd. In samenhang hiermee en onder verwijzing naar zijn uitspraak van 28 februari </para>
      <para>1989, nrs. 86/1702/74/090 e.a. (gepubliceerd in RZA 1989/114) overweegt het College </para>
      <para>voorts dat, gegeven de aanvaarding van dit tariefsysteem door de NMT en bij het </para>
      <para>ontbreken van aan hem kenbaar gemaakte, andere binnen de beroepsgroep levende </para>
      <para>opvattingen omtrent een verantwoorde beroepsuitoefening, verweerder goede gronden had </para>
      <para>om aan te nemen dat de gemaakte keuze voor protocollering van de parodontale </para>
      <para>behandeling correspondeerde met deugdelijk gefundeerde opvattingen binnen de </para>
      <para>beroepsgroep zelf. Onder deze omstandigheden was er voor verweerder geen grond te </para>
      <para>veronderstellen dat de gevolgen van deze keuze onredelijk bezwarend voor beroepsgenoten </para>
      <para>zouden zijn en in zoverre ook geen aanleiding af te wijken van het door de NMT beoogde, </para>
      <para>in richtlijn nr. V-5300-4.2.5.-14, vervatte tariefsysteem voor parodontale verrichtingen.</para>
      <para>Gezien deze keuze van de beroepsgroep kan het College appellanten niet volgen in hun ter </para>
      <para>bestrijding van de redelijkheid van dit tariefsysteem gevoerde betoog, dat verweerder met </para>
      <para>het opnemen van meergenoemd protocol in het tariefbesluit is getreden in de autonome/ </para>
      <para>professionele bevoegdheid van de tandarts. Het is aan de individuele tandarts om te </para>
      <para>bepalen of een parodontale behandeling noodzakelijk is en zo ja, of hij deze behandeling </para>
      <para>geheel of gedeeltelijk uitvoert. De individuele tandarts loopt het risico dat, wanneer in casu </para>
      <para>bepaalde deelverrichtingen niet worden uitgevoerd, de wel uitgevoerde deelverrichtingen </para>
      <para>- althans volgens de huidige omschrijvingen van de verrichtingen waarvoor een tarief is </para>
      <para>vastgesteld - niet rechtsgeldig in rekening kunnen worden gebracht. Dit betekent echter </para>
      <para>niet dat het hun verboden is om van het behandelprotocol af te wijken.</para>
      <para>De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd, geen grond biedt voor het </para>
      <para>oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot </para>
      <para>handhaving van het aangevochten tariefbesluit heeft kunnen komen.</para>
      <para>6.5	Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr  M.J. Kuiper en mr C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>13 februari 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen				w.g. W.F. Claessens</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>