<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0293</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T19:03:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0293</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/982</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0293">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0293</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:22:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-09-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0293 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 15-02-2001 / AWB 98/982</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0293:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0293:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 98/982					15 februari 2001</para>
      <para>	13700</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stichting De Contour, te Nunspeet, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr R. Greijdanus, medewerker van DAS Rechtsbijstand, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>het College tarieven gezondheidszorg, (voorheen: het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg), te Utrecht, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.G.F.M. Hoffmans, advocaat te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 16 september 1998 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, </para>
      <para>waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 augustus 1998.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen zijn </para>
      <para>tariefbeschikking van 22 december 1997.</para>
      <para>Appellante heeft de gronden voor het beroep uiteengezet bij brief van 12 oktober 1998.</para>
      <para>Op 26 februari 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 4 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun </para>
      <para>standpunten nader hebben toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De Richtlijn kosten van geschillen, een door het Centraal Orgaan Tarieven </para>
      <para>Gezondheidszorg in 1989 vastgestelde beleidsregel, bepaalt dat voor de instelling waarop </para>
      <para>een richtlijn "Aanvaardbare kosten" van toepassing is, een aanpassing van de aanvaardbare </para>
      <para>kosten uit hoofde van de toepassing van deze richtlijn "Kosten van geschillen" uitsluitend </para>
      <para>kan plaatsvinden indien er sprake is van:</para>
      <para>1.	kosten als gevolg van een gerechtelijke uitspraak, inclusief kosten van </para>
      <para>rechtskundige bijstand, en</para>
      <para>2.	deze kosten, na vermindering met de kosten van suppletie die ten laste van de </para>
      <para>instelling zouden komen indien de voor betrokken werknemer toepasselijke </para>
      <para>wachtgeldregeling zou zijn gevolgd, meer bedragen dan 1« % van het bedrag van de </para>
      <para>aanvaardbare kosten (exclusief kapitaalslasten) in het (de) jaar (jaren) waarin de kosten ten </para>
      <para>gevolge van de gerechtelijke uitspraak optreden. Bij deze (theoretische) berekening van de </para>
      <para>kosten van suppletie op basis van de gebruikelijke wachtgeldregeling wordt maximaal de </para>
      <para>suppletieperiode overeenkomstig de NWW gehanteerd.</para>
      <para>Onder gerechtelijke uitspraak wordt in de beleidsregel verstaan:</para>
      <para>"	Een gerechtelijke uitspraak in een geschil gerezen tussen partijen op </para>
      <para>uitdrukkelijke tegenspraak, waar de instelling zich klaarblijkelijk heeft </para>
      <para>verweerd en de werkgever niet uit eigener beweging reeds een hoger aanbod </para>
      <para>mag hebben gedaan dan maximaal de suppletieregeling conform de in de </para>
      <para>instelling eventueel gebruikelijke wachtgeldregeling. Uitspraken van het </para>
      <para>Scheidsgerecht van het Ziekenhuiswezen en van de Geschillencommissie ex </para>
      <para>CAO Dagverblijven en Tehuizen voor Gehandicapten, worden gelijkgesteld </para>
      <para>aan gerechtelijke uitspraken."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Op 31 januari 1995 heeft appellante bij de kantonrechter te Harderwijk een verzoek </para>
      <para>ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een van haar </para>
      <para>medewerksters (hierna: de werkneemster).</para>
      <para>- In het verzoekschrift heeft appellante zich bereid verklaard de werkneemster </para>
      <para>financieel schadeloos te stellen door het aanbieden van de wachtgeldregeling </para>
      <para>conform de CAO. Toepassing van deze regeling betekent volgens het verzoekschrift </para>
      <para>in het uiterste geval een vergoeding van Ÿ 87.000,- bruto, als aanvulling op de aan de </para>
      <para>werkneemster toekomende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.</para>
      <para>- In haar verweerschrift heeft de werkneemster zich tegen het verzoek verweerd, </para>
      <para>waarbij zij heeft opgemerkt dat appellante haar tijdens onderhandelingen het aanbod </para>
      <para>heeft gedaan van de wachtgeldregeling zoals omschreven in de CAO, vermeerderd </para>
      <para>met Ÿ 70.000,- bruto. Zij heeft, voor het geval de kantonrechter zou overwegen de </para>
      <para>arbeidsovereenkomst te ontbinden, verzocht dat slechts te doen onder toekenning van </para>
      <para>een vergoeding ter hoogte van 30 maanden bruto salaris (Ÿ 154.530,-), wachtgeld </para>
      <para>conform de CAO alsmede betaling van het door haar gekozen outplacementbureau </para>
      <para>(begroot op Ÿ 22.500,-).</para>
      <para>- Tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling van het verzoek op 22 februari </para>
      <para>1995 hebben appellante en de werkneemster een regeling getroffen, die vervolgens is </para>
      <para>vastgelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting. Deze regeling hield onder </para>
      <para>meer in dat appellante de aanspraken van de werkneemster op toepassing van de </para>
      <para>CAO-wachtgeldregeling gedurende 60 maanden erkende, alsmede een vergoeding </para>
      <para>van Ÿ 90.000,- bruto zou betalen en de kosten van outplacement voor haar rekening </para>
      <para>zou nemen tot een maximum van Ÿ 23.000,-.</para>
      <para>- Naar aanleiding hiervan heeft de kantonrechter bij beschikking van 22 februari 1995 </para>
      <para>de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 1995 ontbonden, aan de </para>
      <para>werkneemster ten laste van appellante een schadevergoeding toegekend van </para>
      <para>Ÿ 90.000,- bruto, en wegens kosten van outplacement een maximumbedrag </para>
      <para>toegekend van Ÿ 23.000,- inclusief BTW.</para>
      <para>- Op 6 december 1996 hebben appellante en het verbindingskantoor Groene Land </para>
      <para>Verzekeringen verweerder voorgesteld de definitieve aanvaardbare kosten 1995 goed </para>
      <para>te keuren c.q. vast te stellen op Ÿ 2.466.885,-. Onderdeel hiervan is een eenmalige </para>
      <para>budgetaanpassing van Ÿ 76.200,- in verband met de uitspraak van de kantonrechter, </para>
      <para>welk bedrag is berekend volgens de normen van de onder 2.1 genoemde beleidsregel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>- Bij besluit van 22 december 1997 heeft verweerder appellante bericht dat de kosten </para>
      <para>met betrekking tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet in aanmerking </para>
      <para>komen voor budgetaanpassing en ten laste van het beschikbare budget dienen te </para>
      <para>komen.</para>
      <para>- Bij brief van 28 januari 1998 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.</para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in.</para>
      <para>Uit de beschikking van de kantonrechter blijkt dat appellante vooraf heeft aangegeven </para>
      <para>akkoord te gaan met de vergoeding. Er is geen sprake geweest van 'uitdrukkelijke </para>
      <para>tegenspraak' en een 'klaarblijkelijk verweren' zoals de beleidsregel Kosten van geschillen  </para>
      <para>vereist. Aangezien niet is voldaan aan het begrip 'gerechtelijke uitspraak' is een beroep op </para>
      <para>de beleidsregel niet mogelijk.</para>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende </para>
      <para>tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Er is wel degelijk sprake geweest van 'uitdrukkelijke tegenspraak' en een 'klaarblijkelijk </para>
      <para>verweren'. Gedurende de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter enige malen </para>
      <para>geschorst ten einde partijen te bewegen tot een minnelijk vergelijk. Het standpunt van </para>
      <para>appellante is ten aanzien van de schadevergoeding geweest een berekening conform de </para>
      <para>kantongerechtsformule en ten aanzien van wachtgeld een vergoeding conform de </para>
      <para>toepasselijke CAO-bepalingen. Onder leiding van de kantonrechter is vervolgens een </para>
      <para>vergoeding van Ÿ 90.000,- ter zake van schade door inkomensderving geaccordeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het door de kantonrechter in de beschikking vastgestelde bedrag is het resultaat van een </para>
      <para>vordering die op tegenspraak en dus op basis van 'klaarblijkelijk verweer' tot stand is </para>
      <para>gekomen. Er is geen sprake van dat deze schadevergoeding door appellante vooraf is </para>
      <para>geaccordeerd. Verweerders standpunt zou ertoe leiden dat schadevergoedingen die door de </para>
      <para>kantonrechter in ontbindingsvorderingen worden toegewezen ingevolge de beleidsregel </para>
      <para>niet of nauwelijks voor vergoeding zijdens verweerder in aanmerking komen.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Vast staat dat de vergoedingen die de kantonrechter in zijn beschikking heeft vastgesteld, </para>
      <para>uitgaan boven de suppletie ingevolge de bij appellante geldende wachtgeldregeling. De </para>
      <para>vraag die partijen verdeeld houdt, is of appellante eigener beweging het aanbod hiertoe </para>
      <para>heeft gedaan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit zo is, maar appellante heeft </para>
      <para>aangevoerd dat zij zich juist tegen een dergelijk bedrag heeft verzet en dat zij pas tot </para>
      <para>overeenstemming met de werkneemster is gekomen nadat de kantonrechter hen daartoe had </para>
      <para>aangespoord. Volgens appellante is dit de gebruikelijke gang van zaken bij een </para>
      <para>ontbindingsprocedure.</para>
      <para>Het College is van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden heeft geoordeeld </para>
      <para>dat appellante het aanbod eigener beweging heeft gedaan. Uit de stukken blijkt dat het </para>
      <para>ontbindingsverzoek was gebaseerd op een ernstige vertrouwensbreuk, die volgens </para>
      <para>appellante voor een groot gedeelte aan de werkneemster verwijtbaar was. Daarvan </para>
      <para>uitgaande was er voor appellante geen reden om tegemoet te komen aan het verzoek om </para>
      <para>een hoge vergoeding en wel om zich daartegen te verweren. Als de kantonrechter ondanks </para>
      <para>een dergelijk verweer niettemin tot toekenning van de gevraagde vergoeding was </para>
      <para>overgegaan, zou appellante met vrucht een beroep op de beleidsregel hebben kunnen doen. </para>
      <para>In dit geval is appellante echter zelf tijdens onderhandelingen de werkneemster tegemoet </para>
      <para>gekomen en heeft de kantonrechter niet meer gedaan dan het onderhandelingsresultaat in </para>
      <para>zijn beschikking over te nemen. Anders dan appellante lijkt te betogen, is er geen reden om </para>
      <para>een onderhandelingsresultaat, dat tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling </para>
      <para>van het ontbindingsverzoek wordt bereikt, anders te behandelen dan een onderhandelings-</para>
      <para>resultaat dat elders tot stand komt. Gesteld noch gebleken is dat het appellante niet vrij </para>
      <para>stond om tijdens de kantongerechtsprocedure aan haar eerdere standpunt vast te houden dat </para>
      <para>geen hogere vergoeding dan conform de suppletieregeling zou worden verstrekt. Door dus </para>
      <para>dit standpunt vrijwillig te verlaten, is appellante eigener beweging tot een bod gekomen dat </para>
      <para>boven de suppletieregeling uitging.</para>
      <para>De slotsom is dat appellante geen beroep op de beleidsregel toekomt. Van bijzondere </para>
      <para>omstandigheden die verweerder ertoe hadden moeten leiden om in afwijking van de </para>
      <para>beleidsregel tot de door appellante gewenste budgetaanpassing te besluiten, is niet </para>
      <para>gebleken.</para>
      <para>Het beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr H.C. Cusell en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. C.M. Wolters						w.g. A.J. Medze</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>