<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0290</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T11:48:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0290</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/13</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002320&amp;artikel=30c&amp;g=2001-02-20">Algemene wet inzake rijksbelastingen 30c</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002320&amp;artikel=30d&amp;g=2001-02-20">Algemene wet inzake rijksbelastingen 30d</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007632&amp;artikel=1&amp;g=2001-02-20">Douanewet 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007632&amp;artikel=2&amp;g=2001-02-20">Douanewet 2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0290">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0290</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:22:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0290 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 20-02-2001 / AWB 98/13</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0290:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0290:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB98/13						20 februari 2001</para>
      <para>	5090</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr A.T.M. Jansen,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr T. Robbertsen, werkzaam bij Belastingdienst/Douane district Arnhem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 9 januari 1998 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een door de  inspecteur Belastingdienst/Douane district </para>
      <para>Utrecht genomen besluit van  28 november 1997.</para>
      <para>Bij dit besluit is beslist op het bezwaar van appellante tegen een aan haar op grond van </para>
      <para>artikel 204, tweede lid, juncto artikel 221 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 tot </para>
      <para>vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: het CDW) gerichte uitnodiging </para>
      <para>tot betaling (hierna: UTB) van 20 juni 1997.</para>
      <para>Appellante heeft haar beroep nader aangevuld bij schrijven van 29 april 1998.</para>
      <para>Verweerder heeft op 30 juni 1998 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 3 november 1999 heeft het onderzoek ter zitting plaats gevonden, waar partijen bij </para>
      <para>monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht.</para>
      <para>Bij beschikking van 15 december 1999 is het onderzoek heropend teneinde verweerder de </para>
      <para>gelegenheid te geven schriftelijk een vraag te beantwoorden.</para>
      <para>Bij schrijven van 5 januari 2000 heeft verweerder het College geantwoord, waarop </para>
      <para>appellante bij schrijven van 20 januari 2000 heeft gereageerd.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 11 april 2000, bij welke gelegenheid partijen bij </para>
      <para>monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Artikel 4, aanhef en onder 10 en 11 van het CDW luidden tot 1 januari 1997 als volgt:</para>
      <para>"	In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder:</para>
      <para>10.	 rechten bij invoer:</para>
      <para>	-	de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van </para>
      <para>goederen van toepassing zijn;</para>
      <para>	-	de landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn </para>
      <para>vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in </para>
      <para>het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking </para>
      <para>van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. rechten bij uitvoer:</para>
      <para>	-	de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de uitvoer van </para>
      <para>goederen van toepassing zijn;</para>
      <para>	-	de landbouwheffingen en andere belastingen bij uitvoer die zijn </para>
      <para>vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in </para>
      <para>het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking </para>
      <para>van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 20, derde lid, van het CDW, aanhef en onder c, luidde tot 1 januari 1997 als volgt:</para>
      <para>"	Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>c. de percentages en andere heffingsgrondslagen die op goederen welke in de </para>
      <para>gecombineerde nomenclatuur zijn opgenomen normaal van toepassing zijn met </para>
      <para>betrekking tot:</para>
      <para>- de douanerechten, en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- de landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in </para>
      <para>het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de </para>
      <para>specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten </para>
      <para>verkregen goederen van toepassing zijn;"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 4, aanhef en onder 10 en 11 van het CDW luiden sinds 1 januari 1997 als volgt:</para>
      <para>"	In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder:</para>
      <para>10. rechten bij invoer:</para>
      <para>- de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van </para>
      <para>goederen van toepassing zijn;</para>
      <para>- de belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van de het </para>
      <para>gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van specifieke regelingen </para>
      <para>die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen </para>
      <para>van toepassing zijn;</para>
      <para>11. rechten bij uitvoer:</para>
      <para>- de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de uitvoer van </para>
      <para>goederen van toepassing zijn;</para>
      <para>- de andere belastingen bij uitvoer die zijn vastgesteld in het kader van het </para>
      <para>gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke </para>
      <para>regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen </para>
      <para>goederen van toepassing zijn;"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 20, derde lid, aanhef en onder c, van het CDW luidt sinds 1 januari 1997 als volgt:</para>
      <para>"	Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>c. de percentages en andere heffingsgrondslagen die op goederen welke in de </para>
      <para>gecombineerde nomenclatuur zijn opgenomen normaal van toepassing zijn met </para>
      <para>betrekking tot :</para>
      <para>- de douanerechten, en</para>
      <para>- de belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het </para>
      <para>gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke </para>
      <para>regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen </para>
      <para>goederen van toepassing zijn;"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verordening (EG) nr. 3290/94 van de Raad van 22 december 1994 inzake de aanpassingen </para>
      <para>en de overgangsmaatregelen in de landbouwsector voor de tenuitvoerlegging van de </para>
      <para>overeenkomsten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-</para>
      <para>Ronde, zoals gewijzigd bij de Verordeningen (EG) van 26 juni 1996, nr. 1193/96, van 25 </para>
      <para>juni 1996, nr. 1161/97 en van 24 juni 1998, nr. 1340/98 houdt, onder meer het volgende in:</para>
      <para>"	DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegende dat de Gemeenschap in het kader van de multilaterale </para>
      <para>handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde na onderhandeling </para>
      <para>overeenstemming heeft bereikt over een aantal overeenkomsten (hierna </para>
      <para>"GATT-overeenkomsten" te noemen); dat enkele van deze overeenkomsten, </para>
      <para>met name de Overeenkomst inzake de landbouw (hierna "de Overeenkomst" te </para>
      <para>noemen), betrekking hebben op de landbouwsector; dat, aangezien de </para>
      <para>concessies inzake interne steunverlening kunnen worden nageleefd door de </para>
      <para>prijzen en de steunbedragen op een passend niveau vast te stellen, </para>
      <para>dienaangaande geen specifieke bepalingen behoeven te worden vastgesteld; dat </para>
      <para>de Overeenkomst, gespreid over een periode van zes jaar, voorziet in </para>
      <para>vergroting van de toegang van landbouwprodukten uit derde landen tot de </para>
      <para>markt van de Gemeenschap enerzijds en geleidelijke verlaging van de steun </para>
      <para>van de Gemeenschap voor de uitvoer van landbouwprodukten anderzijds; dat </para>
      <para>de landbouwwetgeving inzake het handelsverkeer met derde landen bijgevolg </para>
      <para>aangepast moet worden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegende dat de Overeenkomst met de verplichting om alle maatregelen </para>
      <para>die de invoer van landbouwprodukten beperken in douanerechten om te </para>
      <para>rekenen (tarificatie) en met het verbod om in de toekomst dergelijke </para>
      <para>maatregelen toe te passen, meebrengt dat de variabele heffingen bij invoer en </para>
      <para>de andere maatregelen en belastingen bij invoer die momenteel gelden in het </para>
      <para>kader van de gemeenschappelijke marktordeningen, moeten worden afgeschaft; </para>
      <para>dat de douanerechten volgens de Overeenkomst van toepassing zijn voor </para>
      <para>landbouwprodukten, zullen worden vastgesteld in het gemeenschappelijk </para>
      <para>douanetarief; dat echter voor bepaalde sectoren, zoals granen, rijst, wijn en </para>
      <para>groenten en fruit, met het oog op de invoering van aanvullende of andere </para>
      <para>regelingen dan stabiele douanerechten afwijkingsbepalingen in de </para>
      <para>basisverordeningen moeten worden opgenomen; dat voorts op grond van de </para>
      <para>Overeenkomst de maatregelen ter bescherming van de markt van de </para>
      <para>Gemeenschap tegen de invoer van rozijnen en krenten en verwerkte kersen </para>
      <para>voor vijf jaar gehandhaafd mogen worden; dat het voorts, om problemen op het </para>
      <para>vlak van de voorziening van de markt van de Gemeenschap te voorkomen, </para>
      <para>dienstig is toe te staan dat voor bepaalde produkten van de sector suiker de </para>
      <para>toepassing van de douanerechten wordt geschorst;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegende dat, met het oog op het behoud van een minimum aan </para>
      <para>bescherming tegen de nadelige marktconsequenties die het gevolg kunnen zijn </para>
      <para>van bovengenoemde tarificatie, het in de Overeenkomst inzake </para>
      <para>vrijwaringsmaatregelen is toegestaan om onder nauwkeurig bepaalde </para>
      <para>voorwaarden en uitsluitend voor de produkten waarvoor de tarificatie geldt </para>
      <para>aanvullende douanerechten toe te passen; dat derhalve in de betrokken </para>
      <para>basisverordeningen een bepaling in bovengenoemde zin moet worden </para>
      <para>opgenomen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegende dat als gevolg van de bij deze verordening vastgestelde </para>
      <para>wijzigingen in de landbouwwetgeving talrijke verordeningen van de Raad die </para>
      <para>afgeleid zijn van de basisverordeningen geen zin meer hebben: dat het, met het </para>
      <para>oog op juridische duidelijkheid, dienstig is die verordeningen in te trekken; dat </para>
      <para>tegelijk ook een aantal bepalingen moet worden ingetrokken die weliswaar niet </para>
      <para>rechtstreeks verband houden met de GATT-overeenkomsten, maar die ook </para>
      <para>achterhaald zijn; dat hetzelfde geldt voor een aantal verordeningen van de Raad </para>
      <para>(zogenaamde verordeningen van de "tweede generatie"), waarvan het </para>
      <para>merendeel in de betrokken basisverordeningen kan worden opgenomen;"</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1</para>
      <para>Bij deze verordening worden de aanpassingen en overgangsmaatregelen </para>
      <para>vastgesteld voor de tenuitvoerlegging in de landbouwsector van de </para>
      <para>overeenkomsten die zijn gesloten in het kader van de multilaterale </para>
      <para>handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2</para>
      <para>De in artikel 1 bedoelde aanpassingen zijn opgenomen in de bijlagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3</para>
      <para>1. Als in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid maatregelen </para>
      <para>nodig zijn om de overgang te vergemakkelijken van de huidige regeling naar de </para>
      <para>regeling die het resultaat is van de aanpassingen aan de eisen die voortvloeien </para>
      <para>uit de in artikel 1 bedoelde overeenkomsten, worden deze </para>
      <para>overgangsmaatregelen vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van </para>
      <para>Verordening nr. 136/66/EEG of, naar gelang van het geval, de daarmee </para>
      <para>corresponderende artikelen van de andere verordeningen houdende een </para>
      <para>gemeenschappelijke marktordening voor landbouwprodukten of van </para>
      <para>Verordening (EG) nr. 3448/93.</para>
      <para>Bij de vaststelling van deze maatregelen wordt, met inachtneming van de </para>
      <para>verplichtingen op grond van de in artikel 1 bedoelde overeenkomsten, rekening </para>
      <para>gehouden met de specifieke omstandigheden in de verschillende sectoren van </para>
      <para>de landbouw.</para>
      <para>2. De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen worden vastgesteld tot en met 30 </para>
      <para>juni 1999 en uiterlijk tot die datum worden toegepast. De Raad kan de </para>
      <para>betrokken periode op voorstel van de Commissie en met gekwalificeerde </para>
      <para>meerderheid van stemmen verlengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 6</para>
      <para>1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1995.</para>
      <para>2. Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 1995.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bepalingen:</para>
      <para>a. van de artikelen 3 en 4, lid 2, zijn echter van toepassing met ingang van </para>
      <para>1 januari 1995;</para>
      <para>b. die in de bijlagen zijn vastgesteld met betrekking tot de invoerrechten en de </para>
      <para>aanvullende invoerrechten voor de in de bijlagen XIII en XVI bedoelde </para>
      <para>produkten waarvoor een invoerprijs wordt toegepast, zijn echter in 1995 van </para>
      <para>toepassing vanaf het begin van het verkoopseizoen van de betrokken produkten </para>
      <para>in 1995;</para>
      <para>c. die betrekking hebben op de uitvoerrestituties zijn echter van toepassing</para>
      <para>  - met ingang van 1 september 1995 voor de bijlagen II en XVI, -met ingang </para>
      <para>van 1 oktober 1995 voor bijlage IV, -met ingang van 1 november 1995 voor </para>
      <para>bijlage V;</para>
      <para>d. die zijn vastgesteld in bijlage XV zijn echter van toepassing met ingang van </para>
      <para>1 januari 1995;</para>
      <para>e. die zijn vastgesteld in bijlage XVI, onderdeel l, punt 2, zijn echter van </para>
      <para>toepassing met ingang van 1 januari 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks </para>
      <para>toepasselijk in elke Lid-Staat."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verordening (EG) nr. 1035/96 van de Commissie van 8 mei 1996 tot wijziging van bijlage </para>
      <para>I van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en </para>
      <para>statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief houdt onder meer het </para>
      <para>volgende in:</para>
      <para>"	DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegende dat de gecombineerde nomenclatuur gewijzigd dient te worden </para>
      <para>vanwege:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	gewijzigde eisen op het gebied van de statistieken en het handelsbeleid, met </para>
      <para>name ingevolge Besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 </para>
      <para>betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de </para>
      <para>onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale </para>
      <para>handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) </para>
      <para>voortvloeiende overeenkomsten, Verordening (EG) nr. 3093/95 van de Raad </para>
      <para>van 22 december 1995 houdende vaststelling van de uit de onderhandelingen in </para>
      <para>het kader van artikel XXIV, lid 6, van de GATT voortvloeiende rechten die de </para>
      <para>Gemeenschap dient toe te passen als gevolg van de toetreding van Oostenrijk, </para>
      <para>Finland en Zweden tot de Europese Unie en van andere bepalingen die door de </para>
      <para>Raad of door de Commissie zijn vastgesteld;</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:</para>
    <para />
    <para>					Artikel 1</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onverminderd de bepalingen van Verordening (EG) nr. 344/96 van de Raad </para>
      <para>van 26 februari 1996 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2658/87 met </para>
      <para>betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk </para>
      <para>douanetarief, wordt bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 </para>
      <para>overeenkomstig de bijlagen bij deze verordening gewijzigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>					Artikel 2</para>
    <para />
    <para>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 1996.</para>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>										invoerrecht</para>
      <para>GN-code			Omschrijving		autonoom	conventioneel</para>
      <para>									    (%)		     (%)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	  1					         2			     3		       4</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1509				Olijfolie en fracties </para>
      <para>					daarvan, ook indien</para>
      <para>					geraffineerd, doch niet </para>
      <para>					chemisch gewijzigd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1509 10			- verkregen bij de</para>
      <para>					  eerste persing:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1509 10 10		- - lampolie........153,2 Ecu/	143 Ecu/</para>
      <para>								         100 kg/net	100 kg/net</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1509 10 90		- - andere.........155,6 Ecu/	145,2 Ecu/</para>
      <para>								         100 kg/net	100 kg/net"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verordening (EG) nr. 2146/95 van de Commissie van 8 september 1995 betreffende de </para>
      <para>voorlopige aanpassing van de speciale regelingen voor invoer van olijfolie van oorsprong </para>
      <para>uit Algerije, Libanon, Marokko, Tunesi‰ en Turkije met het oog op de uitvoering van de </para>
      <para>landbouwovereenkomst in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uruguay-Ronde en houdende afwijkingen van de Verordeningen (EEG) nr. 1514/76, </para>
      <para>(EEG) nr. 1620/77, (EEG) nr.1521/76, (EEG) nr. 1508/76 en (EEG) nr. 1580/77 van de </para>
      <para>Raad, houdt onder meer het volgende in:</para>
      <para>"	DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegende dat de Gemeenschap zich er in de landbouwovereenkomst in het </para>
      <para>kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde toe </para>
      <para>heeft verbonden de variabele landbouwheffingen te tariferen en ze per 1 juli </para>
      <para>1995 door vaste douanerechten te vervangen; dat de speciale regelingen door </para>
      <para>deze vervanging onwerkbaar dreigen te worden en dat bijgevolg, in afwachting </para>
      <para>van nieuwe regelingen, voorlopig moet worden afgeweken van de </para>
      <para>Verordeningen (EEG) nr. 1514/76, (EEG) nr. 1620/77, (EEG) nr. 1521/76, </para>
      <para>(EEG) nr. 1508/76 en (EEG) nr. 1180/77;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1477/95 van de Commissie van </para>
      <para>28 juni 1995 tot vaststelling van een aantal overgangsmaatregelen voor de </para>
      <para>tenuitvoerlegging van de landbouwovereenkomst in het kader van de Uruguay-</para>
      <para>Ronde in de sector olijfolie, de rechten zijn vastgesteld die bij invoer van </para>
      <para>olijfolie in de periode van 1 juli tot en met 31 oktober 1995 moeten worden </para>
      <para>toegepast in de plaats van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegende dat bijgevolg moet worden bepaald dat de forfaitaire verlagingen </para>
      <para>voor de verschillende soorten olijfolie gedurende een overgangsperiode gelden </para>
      <para>voor de van toepassing zijnde douanerechten van het gemeenschappelijk </para>
      <para>douanetarief; dat deze verlagingen respectievelijk 4,661 en 8,754 ecu per </para>
      <para>100 kg van de bedoelde olie bedragen; dat bijgevolg voor Algerije, Marokko en </para>
      <para>Tunesi‰ die bedragen eveneens moeten gelden, en voor Turkije 80 % ervan;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegende dat wegens de vervanging van de heffingen door vaste rechten en </para>
      <para>de afwijkingen van de genoemde verordeningen van de Raad ook wijzigingen </para>
      <para>moeten worden aangebracht in de Verordeningen (EEG) nr. 1587/76, (EEG) </para>
      <para>nr. 1880/77, (EEG) nr. 1588/76, (EEG) nr. 1586/76 en (EEG) nr. 1401/77 van </para>
      <para>de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen voor de invoer van olijfolie van </para>
      <para>oorsprong uit respectievelijk Algerije, Libanon, Marokko, Tunesi‰ en Turkije; </para>
      <para>dat het dienstig is duidelijkheidshalve deze verordeningen in te trekken en </para>
      <para>nieuwe uitvoeringsbepalingen vast te stellen, maar daarbij de essentie van de </para>
      <para>vroegere bepalingen te behouden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:</para>
    <para />
    <para>					Artikel 1</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In afwijking van de artikelen 1,3, 4 en 5 van de Verordeningen (EEG) nr. </para>
      <para>1514/76, (EEG) nr. 1620/77, (EEG) nr. 1521/76 en (EEG) nr. 1508/76, en van </para>
      <para>de artikelen 9 en 10 van Verordening (EEG) nr. 1180/77 worden in deze </para>
      <para>verordening de voorschriften vastgesteld voor de speciale regelingen voor de </para>
      <para>invoer van olijfolie van oorsprong uit Algerije, Libanon, Marokko, Tunesi‰ en </para>
      <para>Turkije voor de periode van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>					Artikel 2</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Het toe te passen recht bij invoer in de Gemeenschap van olijfolie van de </para>
      <para>GN-codes 1509 10 en 1510 00 10 die geen raffinageproces heeft ondergaan, </para>
      <para>volledig in Algerije, Libanon, Marokko, Tunesi‰ of Turkije is verkregen en </para>
      <para>rechtstreeks van die landen naar de Gemeenschap is vervoerd, wordt </para>
      <para>verminderd met 0,7245 ecu per 100 kilogram.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Als Algerije, Marokko en Tunesi‰ een bijzondere uitvoerheffing toepassen </para>
      <para>op olijfolie van de in lid 1 bedoelde GN-codes die volledig in Algerije, </para>
      <para>Marokko of Tunesi‰ is verkregen en rechtstreeks van die landen naar de </para>
      <para>Gemeenschap wordt vervoerd, wordt het toe te passen recht bovendien </para>
      <para>verminderd met een bedrag dat gelijk is aan dat van de bijzondere </para>
      <para>uitvoerheffing, maar maximaal 14,60 ecu per 100 kilogram."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verordening (EG) nr. 1477/95 van de Commissie van 28 juni 1995 tot vaststelling van een </para>
      <para>aantal overgangsmaatregelen voor de tenuitvoerlegging van de landbouwovereenkomst in </para>
      <para>het kader van de Uruguay-Ronde, in de sector olijfolie, houdt onder meer het volgende in:</para>
      <para>"	Overwegende dat, mede gezien de huidige marktsituatie, die wordt gekenmerkt </para>
      <para>door hoge prijzen voor olijfolie uit de Gemeenschap, moet worden </para>
      <para>geconstateerd dat door het aanzienlijke verschil tussen het op grond van de </para>
      <para>overeenkomsten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de </para>
      <para>Uruguay-Ronde (hierna "de overeenkomsten" genoemd) toe te passen recht en </para>
      <para>de momenteel toegepaste heffing de markt zou worden verstoord als vanaf 1 </para>
      <para>juli 1995 het recht onmiddellijk volledig zou worden toegepast; dat bijgevolg </para>
      <para>moet worden bepaald dat tot aan het einde van dit verkoopseizoen een verlaagd </para>
      <para>recht zal worden toegepast;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:</para>
    <para />
    <para>					Artikel 1</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In afwijking van het bepaalde in artikel 2 bis van Verordening nr. 136/66/EEG </para>
      <para>worden bij invoer van de in de bijlage genoemde produkten in de periode van </para>
      <para>1 juli tot en met 31 oktober 1995 de in de bijlage vastgestelde rechten </para>
      <para>toegepast.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>					Artikel 5</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar </para>
      <para>bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 1995.</para>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>					BIJLAGE</para>
    <para />
    <para>					Olijfolie</para>
    <para />
    <para>	GN-code			ecu/100 kg</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	1509 10 10			      75</para>
      <para>	1509 10 90			      76</para>
      <para>	1509 90 00			      87</para>
      <para>	1510 00 10			      82</para>
      <para>	1510 00 90			     128."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verordening (EG) nr.2572/95 van de Commissie van 31 oktober 1995 houdende wijziging </para>
      <para>van Verordening (EG) nr. 1477/95 houdt onder meer het volgende in:</para>
      <para>"				Artikel 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1477/95 wordt vervangen door:</para>
    <para />
    <para>	"Artikel 1</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In afwijking van het bepaalde in artikel 2 bis van Verordening nr. 136/66/EEG </para>
      <para>worden bij de invoer van de in de bijlage genoemde produkten in de periode </para>
      <para>van 1 november 1995 tot en met 30 juni 1996 de in de bijlage vastgestelde </para>
      <para>rechten toegepast".</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>					Artikel 2</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar </para>
      <para>bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Zij is van toepassing met ingang van 1 november 1995."</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verordening (EG) nr. 1217/96 van de Commissie van 28 juni 1996 houdende wijziging </para>
      <para>van Verordening (EG) nr. 1477/95 houdt onder meer het volgende in:</para>
      <para>"				Artikel 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verordening (EG) nr. 1477/95 wordt als volgt gewijzigd:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In artikel 1 wordt de datum "30 juni 1996" vervangen door "31 oktober </para>
      <para>1996".</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. In artikel 5 wordt de tweede alinea vervangen door:</para>
    <para />
    <para>	"Zij is van toepassing van 1 juli 1995 tot en met 31 oktober 1996.""</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 30c en 30d, lid 1,van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: de </para>
      <para>AWR) luidden ten tijde van belang als volgt:</para>
      <para>"				Art. 30c</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, wordt onder rechter verstaan </para>
      <para>de Tariefcommissie indien de uitspraak, bedoeld in artikel 26, betrekking heeft </para>
      <para>op een uitnodiging tot betaling met betrekking tot douanerechten, dan wel op </para>
      <para>een beschikking die is genomen op grond van wettelijke bepalingen in de zin </para>
      <para>van de Douanewet, andere dan die van hoofdstuk 5 van die wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					Art. 30d</para>
      <para>-	1. Tegen een uitnodiging tot betaling ter zake van anti-dumpingheffingen, </para>
      <para>compenserende heffingen of landbouwheffingen, onderscheidenlijk een in </para>
      <para>artikel 886, eerste lid, van de toepassingsverordening Communautair </para>
      <para>douanewetboek bedoelde beschikking tot terugbetaling of kwijtschelding ter </para>
      <para>zake van deze heffingen, staat, in afwijking van hetgeen omtrent bezwaar en </para>
      <para>beroep in de andere artikelen van dit hoofdstuk is bepaald, beroep open op het </para>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>-2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan degene die een </para>
      <para>douaneaangifte heeft gedaan en in verband met de toepassing van de wettelijke </para>
      <para>voorschriften inzake antidumpingheffingen, compenserende heffingen of </para>
      <para>landbouwheffingen bezwaar heeft tegen de door de inspecteur voor die </para>
      <para>goederen toegepaste indeling in het douanetarief, bedoeld in artikel 20, derde </para>
      <para>lid, van het Communautair douanewetboek, een bezwaarschrift indienen op de </para>
      <para>voet van artikel 23."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Douanewet bevat onder meer de volgende bepalingen:</para>
      <para>"	Artikel 1</para>
      <para>(.)</para>
      <para>2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder </para>
      <para>rechten bij invoer :</para>
      <para>a. douanerechten in de zin van het vierde lid  en heffingen van gelijke werking </para>
      <para>die bij de invoer van goederen van toepassing zijn;</para>
      <para>b. landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in </para>
      <para>het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in dat van de </para>
      <para>specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten </para>
      <para>verkregen goederen van toepassing zijn.</para>
      <para>3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder </para>
      <para>rechten bij uitvoer :</para>
      <para>a. douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de uitvoer van </para>
      <para>goederen van toepassing zijn;</para>
      <para>b. landbouwheffingen en andere belastingen bij uitvoer die zijn vastgesteld in </para>
      <para>het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in dat van de </para>
      <para>specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten </para>
      <para>verkregen goederen van toepassing zijn;</para>
      <para>4. Onder de naam ' douanerechten ' wordt een belasting geheven </para>
      <para>overeenkomstig hetgeen dienaangaande, mede onder de benaming invoerrecht, </para>
      <para>is bepaald bij of krachtens het Koninkrijk verbindende verdragen en  in al hun </para>
      <para>onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte </para>
      <para>volkenrechtelijke organisaties.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Artikel 2</para>
      <para>(.)</para>
      <para>2. In deze wet en de andere wetten inzake de rechten bij invoer en de rechten </para>
      <para>bij uitvoer, alsmede de daarop berustende bepalingen, wordt in aanvulling op </para>
      <para>de begripsbepalingen van het Communautair douanewetboek verstaan onder :</para>
      <para>(.)</para>
      <para>c. landbouwheffingen: zowel landbouwheffingen als andere belastingen bij </para>
      <para>invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk </para>
      <para>landbouwbeleid of in dat van specifieke regelingen die op bepaalde door </para>
      <para>verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn ;</para>
      <para>(.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting zijn in deze zaak de volgende </para>
      <para>feiten en omstandigheden vast komen te staan.</para>
      <para>-	Op 4 november en 21 november 1996 heeft appellante onder de nummers </para>
      <para>00006099900-96-14914 en 00006099900-96-15131 twee aangiften van invoer </para>
      <para>gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van respectievelijk 13603 en 11850 liter </para>
      <para>olijfolie met Marokko als land van oorsprong.</para>
      <para>-	De Belastingdienst/Douanepost Utrecht heeft de aangiften aanvaard en de hiermee </para>
      <para>gemoeide aan rechten bij invoer/landbouwheffing handmatig berekend. Deze </para>
      <para>bedroegen respectievelijk f 18.583,10 en f 14.829,10. Het laatste bedrag staat op het </para>
      <para>desbetreffende aangifteformulier vermeld. De berekening is geschied </para>
      <para>overeenkomsting de wijze als bepaald in Verordening (EG) nr. 1477/95.`</para>
      <para>-	Op 20 juni 1997 zond de inspecteur Belastingdienst/Douanepost Utrecht aan </para>
      <para>appellante een UTB. Deze bevat onder meer de volgende passages:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	De Centrale Douane Administratie heeft op 15-5-1997 geconstateerd dat voor </para>
      <para>de volgende aangiften ten invoer welke hierna worden vermeld een te lage </para>
      <para>Landbouwheffing is uitgetrokken. De oorzaak hiervan is dat door Brussel de </para>
      <para>Heffing met terugwerkende kracht is verhoogd, waardoor er in eerste instantie </para>
      <para>een te lage Landbouwheffing is berekend. Het gevolg hiervan is dat er ook een </para>
      <para>correctie is op de verschuldigde Omzetbelasting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het betreft:		IM 4 6099900 96 00014914 zie bijlage,</para>
      <para>					IM 4 6099900 96 00015131 zie bijlage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De berekening van de verschuldigde rechten bij invoer luidt als volgt: zie </para>
      <para>bijlagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>IM 4 6099900 97 00014914		Landbouwheffing	fl. 20314,90</para>
      <para>								Omzetbelasting	fl.   1218,80</para>
      <para>IM 4 6099900 97 00015131		Landbouwheffing	fl. 16210,90</para>
      <para>								Omzetbelasting	fl.     972,60</para>
      <para>									TOTAAL	fl. 38717,20"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Op 22 juli 1997 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen deze UTB.</para>
      <para>-	Hierop heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. </para>
      <para>Hij heeft hierbij onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"	Door de omzetting van de landbouwheffingen per 1 juli 1995 in vaste </para>
      <para>douanerechten dreigden de regelingen in het kader van de Uruguay ronden </para>
      <para>onwerkbaar te worden. In de Verordening (EG) nr. 2146/95 van 8 september </para>
      <para>1995 zijn voorlopige aanpassingen van de speciale regelingen voor de invoer </para>
      <para>van olijfolie uit o.a. Marokko vastgesteld. Deze verordening is van toepassing </para>
      <para>van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996. Door deze regeling is het mogelijk </para>
      <para>douanerechten te verlagen. In de Verordening (EG) nr. 1193/96 van 26 juni </para>
      <para>1996 is bepaald dat de periode waarin de overgangsmaatregelen kunnen </para>
      <para>worden genomen in de zin van bovengenoemde verordening is verlengd tot </para>
      <para>30 juni 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Verordening (EG) nr. 3290/94 van 22 december 1994 zijn aanpassingen </para>
      <para>en overgangsmaatregelen in de landbouwsector voor de tenuitvoerlegging van </para>
      <para>de overeenkomsten van de Uruguay ronden opgenomen. Deze houden een </para>
      <para>verlaging in van de rechten in een aantal gevallen. In de Verordening (EG) nr. </para>
      <para>1477/95 van 28 juni 1995 is bepaald dat voor een periode van 1 juli 1995 tot en </para>
      <para>met 30 juni 1996 een verlaagd recht wordt toegepast voor olijfolie in plaats van </para>
      <para>de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief. Omdat de marktsituatie op </para>
      <para>grond waarvan de verlaging is vastgesteld niet is veranderd, is in Verordening </para>
      <para>(EG) nr. 1217/96 van (.) 28 juni 1996 de verlaging verlengd. Deze verlaging </para>
      <para>is voor de invoer uit Marokko verlengd tot 31 oktober 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarna is door de EG-Commissie besloten de verlaging niet meer te verlengen. </para>
      <para>Dit besluit om niets te doen (geen nieuwe verordening met een verlenging van </para>
      <para>de verlaging) heeft inderdaad niet geleid tot een beslissing in de vorm van een </para>
      <para>verordening. Het "normale" tarief vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1035/96 </para>
      <para>van 8 mei 1996 was gewoon weer van toepassing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De douaneadministraties in de lidstaten, en ook het Productschap voor </para>
      <para>Minerale Vetten en Oli‰n, gingen ervan uit dat de laatste verordening tot </para>
      <para>verlaging van de rechten, die geldig was tot 31 oktober 1996, verlengd zou </para>
      <para>worden. De Commissie in Brussel heeft echter geen besluit tot verlenging van </para>
      <para>de verlaging genomen. De Commissie gaf als reden aan dat de verlaging niet </para>
      <para>gehandhaafd kon blijven in verband met de marktontwikkelingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 11 december 1996 heeft het Productschap MVO, in de circulatie met </para>
      <para>volgnummer 1445/96, de per 1 november 1996 geldende tarieven gepubliceerd </para>
      <para>en aan de aangesloten bedrijven verzonden. De importeur, volgens de aangiften </para>
      <para>Bourmana te Utrecht, had dus vanaf 11 december 1996 van de geldende </para>
      <para>rechten bij invoer op de hoogte moeten en kunnen zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door deze omstandigheden is vanaf 1 november 1996 in het tariefsysteem van </para>
      <para>de douane een onjuist tarief gehanteerd. De douaneadministratie, ook middels </para>
      <para>de circulaire van het Productschap MVO in kennis gesteld, moest toen </para>
      <para>uitzoeken welke aangiften landelijk tegen het onjuiste tarief waren </para>
      <para>afgehandeld. De te volgens procedures bij deze landelijke actie heeft ertoe </para>
      <para>geleid, dat u pas op 20 juni 1997 een uitnodiging tot betaling heeft ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door middel van een uitnodiging tot betaling is de te weinig betaalde heffing </para>
      <para>alsnog nagevorderd op basis van artikel 220 van het CDW. De boeking </para>
      <para>achteraf van het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten blijft achterwege </para>
      <para>als, het niet boeken het gevolg was van een fout (vergissing) van de </para>
      <para>douaneautoriteiten zelf, die niet redelijkerwijs door belastingschuldige kon </para>
      <para>worden ontdekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van een douane-expediteur wordt verwacht dat hij op de hoogte is van de van </para>
      <para>toepassing zijnde wettelijke tarieven bij invoer, zodat hij weet of kon weten dat </para>
      <para>de verlaagde heffing na 31 oktober 1996 niet rechtsgeldig was. De wettelijke </para>
      <para>bepalingen terzake zijn gepubliceerd in de daarvoor bestemde bladen. De </para>
      <para>douane-expediteur heeft een onderzoeksplicht in deze.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geval heeft niemand voorzien dat het Europese marktbeleid voor olijfolie </para>
      <para>zou worden bijgesteld. Ik ben het met u eens dat dit een commercieel beleid </para>
      <para>niet makkelijk maakt. De douane is echter slechts een uitvoerende instantie in </para>
      <para>deze."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn schrijven van 5 januari 2000 heeft verweerder medegedeeld dat aan de </para>
      <para>betalingsverplichting van appellante een conventioneel recht van invoer ten grondslag ligt </para>
      <para>als ingesteld in Verordening (EG) nr. 1035/96 tot wijziging van bijlage I van Verordening </para>
      <para>(EEG) nr. 2658/87. Hierop is een verminderingsbedrag toegepast als vastgesteld in </para>
      <para>Verordening (EG) nr. 2146/95. Deze verordening verandert het karakter van op grondslag </para>
      <para>van een conventioneel invoerrecht geboekte bedragen niet. Voor deze rechten van invoer is </para>
      <para>de Tariefcommissie bevoegd.</para>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Ter ondersteuning van haar beroep heeft appellante - voorzover thans van belang - het </para>
      <para>volgende aangevoerd.</para>
      <para>Op 20 juni 1997 heeft de inspecteur Belastingdienst/ Douanepost Utrecht aan appellante </para>
      <para>een UTB doen toekomen voor f 36.525, 80 aan landbouwheffingen. Voor </para>
      <para>landbouwheffingen is het College de bevoegde rechter. Het College is derhalve bevoegd te </para>
      <para>oordelen over de rechtsgeldigheid van de litigieuze UTB. Nu  ter zake van de invoer van </para>
      <para>olijfolie uit Marokko geen landbouwheffing is verschuldigd, moet de UTB worden </para>
      <para>vernietigd. Het is in het bijzonder in strijd met artikel 104 van de Grondwet om gedurende </para>
      <para>een bezwaar- of beroepsprocedure de grondslag van een betalingsverplichting te wijzigen. </para>
      <para>Het is aan de inspecteur om na vernietiging te beoordelen of het wettelijk nog mogelijk is </para>
      <para>een nieuwe UTB te zenden.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Bij verordening (EG) nr. 3290/94 zijn aanpassingen en overgangsmaatregelen in de </para>
      <para>landbouwsector vastgesteld om uitvoering te geven aan de overeenkomsten die zijn </para>
      <para>gesloten in het kader van de Uruquay-ronde. De aanpassingen zijn opgenomen in de </para>
      <para>bijlagen van deze verordening. De overeenkomst inzake de landbouw is in werking </para>
      <para>getreden op 1 januari 1995. Behoudens een aantal hier niet ter zake doende uitzondering is </para>
      <para>deze verordening van toepassing vanaf 1 juli 1995.</para>
      <para>Ingevolge deze verordening worden - voorzover hier van belang - landbouwheffingen </para>
      <para>omgerekend in douanerechten (tarificatie).</para>
      <para>Vaststaat dat in het onderhavige geval zodanige omgerekende rechten zijn geheven, en dat </para>
      <para>derhalve de op de UTB van 23 april 1997 gebezigde terminologie "landbouwheffing" toen </para>
      <para>had moeten luiden: "douanerechten". De term "landbouwheffing" komt immers sinds </para>
      <para>1 januari 1997 in het CDW niet meer voor.</para>
      <para>Deze omstandigheid brengt met zich mee dat, gelet op de bevoegdheidsverdeling tussen </para>
      <para>het College en de Tariefcommissie in de artikelen 30c en 30d van de AWR, wat betreft </para>
      <para>vanaf 1 januari 1997 geheven douanerechten de Tariefcommissie exclusief bevoegd is ook </para>
      <para>indien deze - per abuis - onder de benaming "landbouwheffing" aan belanghebbenden </para>
      <para>bekend zijn gemaakt.</para>
      <para>Het beroepschrift zal met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht </para>
      <para>(hierna: Awb) worden doorgezonden aan de Tariefcommissie.</para>
      <para>Het College zal de beslissing omtrent de proceskosten reserveren tot de einduitspraak van </para>
      <para>de Tariefcommissie.</para>
      <para>Een redelijke toepassing van artikel 8:74, lid 2, van de Awb brengt met zich dat aan </para>
      <para>appellante het door haar gestorte griffiegeld door de griffier van het College wordt vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>-	verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep;</para>
      <para>-	stelt de door appellante in verband met de behandeling van het beroep bij het College gemaakte proceskosten vast op fl. 2840,--</para>
      <para>-	draagt de griffier op het door appellante voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ad fl. 420,-- aan appellante te vergoeden;</para>
      <para>-	draagt de griffier op het dossier van deze zaak door te zenden aan de Tariefcommissie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr H.G. Lubberdink en mr F.H.M. Possen in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers						w.g. A. Bruining</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>