<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0187</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T00:55:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0187</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/968</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0187">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0187</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:21:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0187 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 09-02-2001 / AWB 00/968</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0187:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0187:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/968						9 februari 2001</para>
      <para>	11236</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, verzoeker,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, zetelend </para>
      <para>te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr L.P. de Wit en dr A.H.M. Cornelissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij brief van 3 mei 2000 heeft verzoeker aan de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) een voorstel gedaan tot wijziging van de status van zijn bedrijven en, daarop </para>
      <para>vooruitlopend, ontheffing verzocht van het verbod, vervat in artikel 11, derde lid, van de Regeling varkensleveringen. </para>
      <para>Bij besluit van 20 juni 2000 heeft de directeur van de RVV namens verweerder het verzoek om ontheffing afgewezen.  </para>
      <para>Tegen deze beslissing heeft verzoeker bij brief van 24 juli 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.</para>
      <para>Op 12 juli 2000 is door de RVV bij verzoeker een bedrijfsbezoek afgelegd.</para>
      <para>Op 11 augustus 2000 is verzoeker in het kader van de behandeling van de bezwaarprocedure op zijn bezwaren gehoord. </para>
      <para>Bij besluit van 11 december 2000 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond </para>
      <para>verklaard.</para>
      <para>Tegen dat besluit heeft verzoeker bij brief van 15 december 2000 beroep ingesteld bij het </para>
      <para>College. </para>
      <para>Bij brief van 15 december 2000 heeft verzoeker zich eveneens tot de president van het </para>
      <para>College gewend met het verzoek, bij wege van een voorlopige voorziening, het voormelde </para>
      <para>besluit van verweerder te schorsen en - bij voorkeur - op grond van het bepaalde in artikel </para>
      <para>8:86 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tevens in de hoofdzaak uitspraak te doen </para>
      <para>en daarbij het bestreden besluit te vernietigen, met veroordeling van verweerder in de </para>
      <para>kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken.</para>
      <para>Verweerder heeft bij brief van 3 januari 2001 gereageerd op het verzoek tot het treffen van </para>
      <para>een voorlopige voorziening. </para>
      <para>Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is door de president van het </para>
      <para>College behandeld ter zitting van 5 februari 2001, alwaar partijen, verzoeker bijgestaan </para>
      <para>door zijn raadsman en verweerder bij gemachtigden, hun standpunten nader hebben </para>
      <para>toegelicht. Aan de zijde van verweerder was tevens aanwezig G. Manders, werkzaam bij de </para>
      <para>RVV.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwwd) luidt - voor zover hier van </para>
      <para>belang - als volgt:</para>
      <para>"	Art. 17. - 1. Onze Minister kan hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor </para>
      <para>bepaalde gedeelten daarvan, bevelen dat dieren die door een besmettelijke </para>
      <para>dierziekte kunnen worden aangetast, daartegen op een door hem te bepalen </para>
      <para>wijze voorbehoedend worden behandeld, worden gemerkt, worden opgesloten </para>
      <para>of aangelijnd, dan wel voor die dieren andere maatregelen bevelen ter </para>
      <para>voorkoming van overbrenging van besmetting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Art.18. - 1. Onze Minister kan, hetzij voor Nederland, hetzij voor bepaalde </para>
      <para>gedeelten daarvan:</para>
      <para>a. (.)</para>
      <para>b. het op een plaats bijeenbrengen van dieren van door hem aangewezen </para>
      <para>soorten of categorie‰n van dieren afkomstig van verschillende plaatsen </para>
      <para>verbieden of daaromtrent regelen stellen.</para>
      <para>2. De regelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben </para>
      <para>op de aanvoer van dieren naar en de afvoer van dieren van markten en andere </para>
      <para>plaatsen waarop dieren afkomstig van verschillende plaatsen bijeen worden </para>
      <para>gebracht alsmede op de controle daarop (.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Art. 30. - 1. Onze Minister kan het vervoeren van dieren van een door hem te </para>
      <para>bepalen soort, van deze diersoort afkomstige produkten, diervoerder alsmede </para>
      <para>andere produkten en voorwerpen welke dragers van smetstof kunnen zijn, uit, </para>
      <para>naar of binnen Nederland of bepaalde gedeelten van Nederland verbieden dan </para>
      <para>wel verbieden indien niet wordt voldaan aan door hem te stellen regelen.</para>
      <para>- 2. (.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Art. 107.- 1. Onze Minister kan, voor zover het belang van de gezondheid of </para>
      <para>het welzijn van dieren zich daartegen niet verzet, van het bij of krachtens deze </para>
      <para>wet bepaalde vrijstelling of ontheffing verlenen.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>- 2. (.)</para>
      <para>- 3. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften of voorwaarden </para>
      <para>worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend. Zij kunnen </para>
      <para>te allen tijde worden ingetrokken."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ingevolge de Gwwd vastgestelde Regeling varkensleveringen, Stcrt.nr. 14, 20 januari </para>
      <para>2000 (hierna: de Regeling) luidt, voor zover hier van belang:</para>
      <para>"	Artikel 7</para>
      <para>Het is de exploitant van een varkenshouderijbedrijf verboden een of meer </para>
      <para>varkens te vervoeren van of naar, af te voeren of te doen afvoeren van een </para>
      <para>varkenshouderijbedrijf of een verzamelcentrum, dan wel te ontvangen of aan te </para>
      <para>voeren op een varkenshouderijbedrijf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 11</para>
      <para>1. (.)</para>
      <para>2. In afwijking van artikel 7 is het de exploitant van een C-bedrijf toegestaan </para>
      <para>een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren </para>
      <para>of te doen afvoeren, voorzover:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>3. Het afvoeren van varkens van een C-bedrijf naar een D-bedrijf </para>
      <para>overeenkomstig het tweede lid is slechts toegestaan voor varkens met een </para>
      <para>gewicht van ten minste 80 kg."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de toelichting bij de Regeling staat - onder meer - het volgende vermeld:</para>
      <para>"	In de onderhavige regeling worden de toegestane contacten afhankelijk gesteld </para>
      <para>van de veterinaire waarborgen die het desbetreffende bedrijf biedt. </para>
      <para>Daartoe kunnen de exploitanten van varkenshouderijbedrijven kiezen uit </para>
      <para>verschillende regimes, de zogenoemde A-bedrijven, B-bedrijven, C-bedrijven </para>
      <para>en D-bedrijven. Bij elk type bedrijf behoort een specifiek eisenpakket, dat </para>
      <para>bepalend is voor het toegestaan aantal contacten met andere </para>
      <para>varkenshouderijbedrijven. Ondernemers kunnen het type kiezen dat het best bij </para>
      <para>hun bedrijfsvoering past. </para>
      <para>Bij het vaststellen van genoemde eisenpakketten is een zorgvuldige afweging </para>
      <para>gemaakt tussen de desbetreffende veterinaire eisen en de bedrijfseconomische </para>
      <para>effecten daarvan.</para>
      <para>(.) </para>
      <para>Teneinde verspreiding van smetstof te voorkomen is in de onderhavige </para>
      <para>regeling als uitgangspunt gekozen dat varkens slechts eenmaal in hun leven van </para>
      <para>varkenshouderij naar varkenshouderij worden vervoerd. </para>
      <para>Fokvarkens worden van een fokbedrijf naar een vermeerderaar vervoerd, </para>
      <para>waarbij de bestaande praktijk van opfok beperkt blijft. Vleesvarkens mogen na </para>
      <para>aanvoer op het vleesvarkensbedrijf alleen nog naar het slachthuis. Het vervoer </para>
      <para>van vleesvarkens tussen varkenshouderijbedrijven onderling, anders dan van </para>
      <para>vermeerderaar naar vleesvarkensbedrijf, vormt juist een risico waar geen </para>
      <para>bestaande bedrijfseconomische noodzaak tegenover staat.</para>
      <para>(.) </para>
      <para>Tot slot zullen vleesvarkensbedrijven in de regel als D-bedrijf in de zin van de </para>
      <para>regeling worden beschouwd. D-bedrijven is het niet toegestaan om aan andere </para>
      <para>varkenshouderijbedrijven te leveren.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Voorzover C-bedrijven aan D-bedrijven leveren is in het derde lid bepaald dat </para>
      <para>C- bedrijven aan D-bedrijven slechts varkens mogen leveren van ten minste </para>
      <para>80 kg. </para>
      <para>(.)</para>
      <para>Als C-bedrijven varkens van ieder gewicht mogen leveren aan een D-bedrijf, </para>
      <para>zou een mogelijk type vervoer worden toegestaan dat thans niet bestaat. Gelet </para>
      <para>op het streven het aantal transporten van varkens te beperken, is het niet </para>
      <para>gewenst een type vervoer te cre‰ren dat onder de Regeling </para>
      <para>vervoersbeperkingen varkens niet is toegestaan.</para>
      <para>(.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de </para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>-	Verzoeker exploiteert te B op twee locaties zijn in 1997 gerenoveerde </para>
      <para>varkenshouderijbedrijf: aan de C(straat) (UBN 2304467) en aan de D(straat) (UBN: </para>
      <para>1809303). Op de eerstgenoemde locatie is sinds 1998 een zeugenbedrijf gevestigd </para>
      <para>dat in het kader van de Regeling de B-status heeft verkregen. </para>
      <para>-	De tweede locatie dient voor vleesvarkens en de opvang van de op het B-bedrijf </para>
      <para>geproduceerde biggen. Er vindt geen andere aanvoer van dieren plaats. </para>
      <para>Laatstgenoemd bedrijf heeft de D-status.</para>
      <para>-	Tengevolge van de vervoersvoorschriften van de op 1 april 2000 van kracht </para>
      <para>geworden Regeling alsmede de te gering gebleken afmestcapaciteit op het D-bedrijf </para>
      <para>zijn op verzoekers bedrijf overschotten aan vleesbiggen ontstaan waarvoor ingevolge </para>
      <para>de Regeling geen afzet naar een andere varkenshouderij is toegestaan.</para>
      <para>-	Bij brief van 3 mei 2000 heeft verzoeker het voorstel gedaan om aan locatie 1 de </para>
      <para>A-status en aan locatie 2 de C-status toe te kennen, nadat de daarvoor vereiste </para>
      <para>voorzieningen zijn aangebracht. Voorts heeft verzoeker in die brief, vooruitlopend op </para>
      <para>die statuswijzigingen, ontheffing verzocht van het verbod om varkens met een lager </para>
      <para>levend gewicht dan 80 kg af te voeren van een C-bedrijf naar een D-bedrijf, als </para>
      <para>genoemd in artikel 11, derde lid, van de Regeling.</para>
      <para>-	Hangende de behandeling van de onderhavige aanvraag is aan verzoeker op 3 juni </para>
      <para>2000 en op 10 juli 2000 een ontheffing verleend om, in verband met dreigende </para>
      <para>welzijnsproblemen, tijdelijk dieren af te voeren naar een ander </para>
      <para>varkenshouderijbedrijf. </para>
      <para>-	Naar aanleiding van een door verzoeker bij het College ingediend verzoek tot het </para>
      <para>treffen van een voorlopige voorziening, heeft het College bij uitspraak van </para>
      <para>21 november 2000 dit verzoek toegewezen, in dier voege dat verzoeker wordt </para>
      <para>behandeld als ware hem onder de gebruikelijke voorwaarden een tijdelijke ontheffing </para>
      <para>verleend van het verbod, vervat in artikel 7 van de Regeling, voor het eenmalig </para>
      <para>vervoeren in week 47 of 48 van ten hoogste 300 biggen in maximaal ‚‚n levering </para>
      <para>vanaf het bedrijf UBN 1809303 naar een varkenshouderijbedrijf dat ingevolge de </para>
      <para>Regeling varkensleveringen geldt als D-bedrijf. </para>
      <para>-	Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de </para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>3.	Het bestreden besluit waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en het </para>
      <para>standpunt van verweerder</para>
      <para>Bij het bestreden besluit van 11 december 2000 is onder meer als volgt overwogen en </para>
      <para>beslist:</para>
      <para>"	In de brief van de RVV d.d. 20 juni 2000 is aangegeven dat een ontheffing </para>
      <para>waar u op doelt niet verleend zal worden. Deze ontheffing betreft een </para>
      <para>voorwaarde voor een C-bedrijf. De mededeling dat deze ontheffing niet </para>
      <para>verleend wordt, heeft geen rechtsgevolg voor een B- of D-bedrijf. De brief </para>
      <para>d.d. 20 juni 2000 is derhalve enkel een feitelijke mededeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aanpassingen noodzakelijk om uw bedrijven te laten voldoen aan de </para>
      <para>voorwaarden van een A- en een C-bedrijf vergen echter grote investeringen. </para>
      <para>U heeft aangegeven dat dit u ongeveer f 150.000,- gaat kosten. Als u deze </para>
      <para>investeringen niet doet, zal een aanvraag voor aanwijzing van uw bedrijf als </para>
      <para>C-bedrijf worden afgewezen.  De investeringen en de aanwijzingen van uw </para>
      <para>bedrijven als A- en C-bedrijf hebben voor u enkel nut indien de gevraagde </para>
      <para>ontheffing wordt verleend. U heeft derhalve belang bij de wetenschap of de </para>
      <para>gevraagde ontheffing wordt verleend, alvorens u de noodzakelijke </para>
      <para>aanpassingen aan uw bedrijven zou gaan maken. Het alternatief dat u heeft, </para>
      <para>namelijk uw bedrijf aanpassen aan de voorwaarden van een C-bedrijf en </para>
      <para>vervolgens een aanvraag doen voor aanwijzing als C-bedrijf en ontheffing van </para>
      <para>artikel 11, derde lid, van de Regeling, acht ik een onevenredig belastende weg. </para>
      <para>De brief d.d. 20 juni 2000 wordt derhalve aangemerkt als besluit.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>De bedrijfsvoering op uw bedrijf maakt een extra, tweede vervoer van 2000 … </para>
      <para>3000 biggen per jaar noodzakelijk. Door dit extra transport wordt het risico op </para>
      <para>verslepen van ziekten vergroot. Het transport vindt immers plaats over de </para>
      <para>openbare weg. Er is dus een kans dat er door een transport bijvoorbeeld </para>
      <para>smetstof op de openbare weg terechtkomt en door andere gebruikers van de </para>
      <para>openbare weg verder verspreid wordt. Die kans op verspreiding van smetstof </para>
      <para>bestaat ondanks de door u getroffen maatregelen. </para>
      <para>(.) </para>
      <para>In het geval er op ‚‚n van de locaties een besmetting wordt geconstateerd, is er </para>
      <para>bovendien direct sprake van twee besmettingshaarden in plaats van ‚‚n.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Het enkele feit dat de opzet van uw onderneming meebrengt dat er in het geval </para>
      <para>van een besmetting sprake is van twee haarden, geeft reeds een verhoogd risico </para>
      <para>op verspreiding van de besmettelijke ziekte.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>C-bedrijven vormen een uitzondering op het algemene uitgangspunt van de </para>
      <para>Regeling; met aan- en afvoer van en naar een C-bedrijf wordt een varken </para>
      <para>immers tweemaal in zijn leven van varkenshouderijbedrijf naar </para>
      <para>varkenshouderijbedrijf vervoerd. </para>
      <para>De status C-bedrijf is bedoeld voor opfokbedrijven van fokvarkens. C-</para>
      <para>bedrijven vormen een schakel die in de huidige praktijk noodzakelijk is. </para>
      <para>(.)</para>
      <para>Om te voorkomen dat er te weinig aanvoer van fokmateriaal is, zijn </para>
      <para>C-bedrijven dus (nog) toegestaan. Om deze reden is het veterinair risico van </para>
      <para>het tweede vervoer van varkens vanaf C-bedrijven aanvaard. Dit risico is </para>
      <para>zoveel mogelijk beperkt door in de artikelen 2 en 3 van de Regeling extra </para>
      <para>veterinaire waarborgen te stellen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door te voldoen aan de extra veterinaire eisen kan een vleesvarkensbedrijf </para>
      <para>C-bedrijf worden. Als vleesvarkensbedrijven de C-status verkrijgen neemt </para>
      <para>echter het aantal bedrijven met twee vervoersbewegingen per varken fors toe. </para>
      <para>Dit zou leiden tot een groot aantal extra vervoersbewegingen in Nederland en </para>
      <para>dus tot een grotere kans op verspreiding van smetstof. Tegenover dit grote </para>
      <para>risico staat geen bedrijfseconomische noodzaak die hiertegen opweegt. Er is </para>
      <para>geen verschil in activiteit tussen de bedrijven waar biggen worden afgemest tot </para>
      <para>25 kg en bedrijven waar biggen worden afgemest tot slachtgewicht. Doel is de </para>
      <para>varkens zo snel mogelijk op slachtgewicht te krijgen. Vervoer van varkens </para>
      <para>tussen vleesvarkensbedrjiven onderling is daarom niet toegestaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 11, derde lid, van de Regeling is derhalve de eis opgenomen van een </para>
      <para>minimumgewicht van 80 kilogram voor de afvoer van varkens van een </para>
      <para>C-bedrijf naar een D-bedrijf. Bij 80 kg is een (fok)varken geslachtsrijp en dus </para>
      <para>geschikt voor afvoer naar een vermeerderaar of fokkerij. </para>
      <para>80 kg is echter een te hoog gewicht om afmesten van een vleesvarken op een </para>
      <para>ander, derde bedrijf nog lucratief te maken. </para>
      <para>(.)</para>
      <para>Op de bovenstaande gronden ben ik van mening dat het verlenen van de </para>
      <para>gevraagde ontheffing een extra veterinair risico met zich meebrengt. Dat risico </para>
      <para>kan naar mijn mening niet voldoende beperkt worden door extra voorwaarden </para>
      <para>aan de ontheffing te verbinden. Hier doet niet aan af dat u een groot financieel </para>
      <para>belang hebt bij de gevraagde ontheffing. </para>
      <para>(.)</para>
      <para>In zijn algemeenheid dient - gelet op hetgeen ik hiervoor heb overwogen - bij </para>
      <para>afweging van de betrokken belangen, het individuele belang bij het ongemoeid </para>
      <para>laten van de bedrijfsvoering te wijken voor de algemene belangen die worden </para>
      <para>gediend bij het voorkomen van verdere verspreiding van besmettelijke </para>
      <para>dierziekten. De ontheffing is naar mijn mening op de juiste gronden geweigerd.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Ik merk op dat de door u gekozen bedrijfsopzet, verkoop van vleesbiggen van </para>
      <para>het ene vleesvarkensbedrijf aan het andere, ook onder de Regeling </para>
      <para>Vervoersbeperkingen Varkens niet toegestaan was."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij verweerschrift en ter zitting heeft verweerder hieraan onder meer het volgende </para>
      <para>toegevoegd.</para>
      <para>Niet is gebleken dat er sprake is van een spoedeisend belang, nu verzoeker niet </para>
      <para>aannemelijk heeft gemaakt dat het weigeren van de ontheffing dermate ernstige financi‰le </para>
      <para>gevolgen heeft dat de continu‹teit van het bedrijf in gevaar wordt gebracht. </para>
      <para>Verweerder benadrukt dat het beperken van het aantal vervoerscontacten de meest </para>
      <para>effici‰nte manier wordt geacht om verspreiding van besmettelijke dierziekten tegen te </para>
      <para>gaan. De transporten die niet strikt noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van de sector </para>
      <para>zijn niet toegestaan. </para>
      <para>Het veterinaire risico is niet in hoofdzaak gelegen in het vervoer van varkens tussen de </para>
      <para>B- en D-locaties van verzoeker, doch in het beoogde vervoer van het D-bedrijf van </para>
      <para>verzoeker naar een D-bedrijf van een derde. </para>
      <para>Het beleid van verweerder is redelijk te achten. </para>
      <para>4.	Het standpunt van verzoeker</para>
      <para>Verzoeker heeft - samengevat - het volgende aangevoerd.</para>
      <para>Verzoeker heeft reeds in 1996 een vergunning gekregen voor de exploitatie van zijn </para>
      <para>bedrijven, ten behoeve daarvan financiering van de bank gekregen en heeft reeds in 1997 </para>
      <para>investeringen gedaan om zijn bedrijf grondig te renoveren. Daarbij heeft hij rekening </para>
      <para>kunnen noch hoeven houden met de latere, naar aanleiding van de uitbraak van de </para>
      <para>klassieke varkenspest gevormde, regelgeving. De regeling die aan de huidige Regeling </para>
      <para>vooraf is gegaan, betrof overigens slechts een tijdelijke regeling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bedrijfsvoering en samenhangende financiering van verzoeker zijn afgestemd op het </para>
      <para>fokken van biggen op de B-locatie, de opfok van die biggen op de D-locatie en vervolgens </para>
      <para>de afvoer van die biggen naar derden. In het geval dat het verzoeker niet is toegestaan de </para>
      <para>biggen van zijn D-locatie aan derden te verkopen en transporteren, is verzoeker niet langer </para>
      <para>in staat zijn D-locatie te exploiteren.</para>
      <para>Er bestaan geen uitbreidingsmogelijkheden voor de beide locaties. Uitbreiding van de </para>
      <para>B-locatie is niet mogelijk om reden van de verleende milieuvergunning en de grootte van </para>
      <para>het bouwblok. Uitbreiding van het D-bedrijf is financieel niet haalbaar. Reductie van de </para>
      <para>zeugenstapel is evenmin financieel haalbaar. </para>
      <para>In zijn brief van 3 mei 2000 aan de RVV heeft verzoeker voor de bij zijn bedrijfsvoering </para>
      <para>gerezen problemen een oplossing aangedragen, die naar zijn mening de enige denkbare en </para>
      <para>financieel haalbare is. </para>
      <para>Het door verzoeker gedane voorstel bestaat uit aanpassing van de bedrijven, waardoor het </para>
      <para>bedrijf aan de C(straat), thans B-bedrijf, de A-status en het bedrijf aan de B(straat), thans </para>
      <para>D-bedrijf, de C-status verkrijgt, onder verlening van ontheffing van het bepaalde in art. 11, </para>
      <para>derde lid Awb, zodat hij biggen met een lager gewicht dan 80 kg kan afvoeren van het </para>
      <para>beoogde C-bedrijf naar een D-bedrijf. </para>
      <para>Indien niet aan zijn voorstel tegemoet wordt gekomen, zal dat zal zijn faillissement </para>
      <para>betekenen. </para>
      <para>Het belang van verzoeker bij verlening van de verzochte ontheffing is groter dan het belang </para>
      <para>van verweerder bij niet verlening daarvan. Verzoeker is van oordeel dat door verlening van </para>
      <para>de ontheffing de veterinaire risico's niet worden vergroot. In dit verband noemt verzoeker </para>
      <para>dat er sprake is van twee UBN-nummers, dat de beide locaties door verzoeker worden </para>
      <para>ge‰xploiteerd, dat op slechts ‚‚n van de locaties varkens van derden worden aangevoerd, </para>
      <para>dat beide locaties samen het aantal afvoercontracten van ‚‚n bedrijf hebben, dat bij het </para>
      <para>transport geen grondgebied van derden wordt betreden anders dan via de openbare weg, dat </para>
      <para>‚‚n locatie is ingericht voor het houden van zeugen, dat de andere locatie is ingericht voor </para>
      <para>het houden van gespeende biggen, dat het transport plaatsvindt met eigen vervoer en dat </para>
      <para>ieder vervoer wordt gemeld overeenkomstig de RVL- en I&amp;R-verplichtingen. </para>
      <para>Verzoeker voldoet aan nagenoeg alle voorwaarden van de Regeling die gesteld worden bij </para>
      <para>ontheffingen voor bedrijven met twee vestigingen aan weerszijden van een weg. Aan </para>
      <para>slechts twee voorwaarden wordt niet voldaan, namelijk de afstand van maximaal 100 meter </para>
      <para>en de ligging van varkensbedrijven tussen de locaties. </para>
      <para>In casu bedraagt de afstand 900 meter tussen de beide locaties en bevinden zich twee </para>
      <para>varkensbedrijven langs de route. In dit kader dient met het oog op de bedrijfsbelangen van </para>
      <para>verzoeker, een veterinaire beoordeling plaats te vinden. </para>
      <para>Uit het feit dat een ontheffingsregeling in het leven is geroepen, blijkt dat van het </para>
      <para>uitgangspunt dat varkens slechts ‚‚nmaal in hun leven mogen worden vervoerd, afgeweken </para>
      <para>kan worden. Niet valt in te zien dat een dergelijke uitzondering voor verzoeker niet </para>
      <para>gemaakt kan worden. In dit verband heeft verzoeker opgemerkt dat de afstand zeer kort is, </para>
      <para>dat het transport slechts ‚‚nmaal per drie tot vier weken plaatsvindt (‚‚n rit), dat het eigen </para>
      <para>vervoermiddel nimmer voor externe ritten wordt gebruikt, dat het eigen vervoermiddel na </para>
      <para>iedere drie- tot vierwekelijkse rit wordt gereinigd en ontsmet en dat op beide bedrijven </para>
      <para>vergaande hygi‰nemaatregelen zijn getroffen. Besmettingsrisico wordt daardoor zonder </para>
      <para>meer uitgesloten. De door verweerder genoemde veterinaire risico's, bestaande uit het extra </para>
      <para>transport over de openbare weg, de contacten tussen de twee locaties en het aantal </para>
      <para>afvoercontacten bij een C-bedrijf doen zich naar de mening van verzoeker dan ook niet </para>
      <para>voor, of zijn op eenvoudige wijze te ondervangen. Er is voorts sprake van een gesloten </para>
      <para>bedrijfsvoering, externe contacten vinden niet plaats. </para>
      <para>Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd dat middels transport van varkens, er sprake is </para>
      <para>van een re‰el besmettingsrisico. Evenzeer is de stelling van verweerder onvoldoende </para>
      <para>onderbouwd dat indien er op ‚‚n van de beide locaties een besmetting wordt geconstateerd, </para>
      <para>direct sprake is van twee besmettingshaarden. Het bedrijf van verzoeker brengt in dit </para>
      <para>opzicht geen groter risico met zich mee. </para>
      <para>Verzoeker ziet niet in dat het vervoer van varkens met een lager gewicht dan 80 kg, een </para>
      <para>groter veterinair risico met zich zou meebrengen dan het vervoer van varkens zwaarder dan </para>
      <para>80 kg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft zich te dien aanzien slechts bediend van algemene termen en heeft </para>
      <para>nagelaten om, in verband met de concrete omstandigheden van het geval, te bezien of een </para>
      <para>ontheffing mogelijk is. Er is onvoldoende ingegaan op het bedrijfsbelang van verzoeker, </para>
      <para>terwijl verzoeker de bedrijfseconomische noodzaak voor de verzochte ontheffing heeft </para>
      <para>aangetoond. </para>
      <para>Verzoeker is van mening dat aan de ontheffing voorwaarden kunnen worden gesteld, </para>
      <para>waaraan verzoeker bereid is en in staat zal zijn te voldoen, waardoor het besmettingsrisico </para>
      <para>tot een minimum beperkt zal worden. Gelet op het bedrijfsbelang van verzoeker dient </para>
      <para>verweerder deze mogelijkheden te bezien.</para>
      <para>Het besluit is naar de mening van verzoeker in strijd met het bepaalde in artikel 3: 4 Awb. </para>
      <para>Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening. Ter </para>
      <para>zitting heeft verzoeker verzocht, indien door de president niet onmiddellijk uitspraak wordt </para>
      <para>gedaan in de hoofdzaak op grond van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid Awb, te </para>
      <para>bepalen dat hij word behandeld als ware de ontheffing op voorhand verleend, zodat hem, in </para>
      <para>afwachting van de voorgenomen structurele oplossing, incidentele vervoersvergunningen </para>
      <para>verleend kunnen worden. Zijn belang bij de verzochte ontheffing is aanzienlijk, aangezien </para>
      <para>op zijn bedrijf sprake is van acute welzijnsproblemen voor de dieren. Voorts staat de </para>
      <para>toekomst van het bedrijf van verzoeker en van zijn gezin op het spel en dreigt zijn </para>
      <para>faillissement. </para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid van de Wet </para>
      <para>bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep </para>
      <para>is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op </para>
      <para>verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op </para>
      <para>de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij artikel 8:86, eerste lid, Awb is bepaald dat indien de president van oordeel is dat, na de </para>
      <para>behandeling van de voorlopige voorziening ter zitting, nader onderzoek redelijkerwijs niet </para>
      <para>kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de </para>
      <para>hoofdzaak. De president is, na de behandeling van het geschil op 5 februari 2001, van </para>
      <para>oordeel dat hiervoor geen aanleiding bestaat. </para>
      <para>Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift overweegt de president dat </para>
      <para>naar zijn voorlopig oordeel verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft </para>
      <para>gesteld dat in dit geval de weigering op voorhand van de gevraagde ontheffing is aan te </para>
      <para>merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. </para>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen partijen met betrekking tot de materiele kant van het geschil </para>
      <para>over en weer hebben gesteld overweegt de president het volgende.</para>
      <para>De kern van het geschilpunt dat partijen verdeeld houdt betreft in wezen de beantwoording </para>
      <para>van de vraag of aan het besluit van verweerder ten aanzien waarvan thans een voorlopige </para>
      <para>voorziening wordt gevraagd, terecht het oordeel ten grondslag is gelegd dat in het geval </para>
      <para>van verzoeker geen aanleiding bestaat op voorhand ontheffing te verlenen van het verbod </para>
      <para>om varkens met een lager levend gewicht dan 80 kg af te voeren van het D-bedrijf van </para>
      <para>verzoeker - en beoogd C-bedrijf - naar een D-bedrijf, bedoeld in artikel 11, derde lid </para>
      <para>Regeling varkensleveringen. Dienaangaande overweegt de president als volgt. </para>
      <para>Gelet op de hierboven geformuleerde vraag beperkt de president zich tot de vraag of de </para>
      <para>bestreden beslissing onmiskenbaar onrechtmatig is, waaruit zou voortvloeien dat deze </para>
      <para>hangende de beroepsprocedure geen werking zou dienen te hebben, zodat een onmiddellijk </para>
      <para>ingrijpen bij wege van voorlopige voorziening geboden is. Hetgeen verzoeker heeft </para>
      <para>aangevoerd, noch hetgeen overigens is gebleken, leidt de president tot het voorlopig </para>
      <para>oordeel dat aangenomen moet worden dat het College het bestreden besluit van verweerder </para>
      <para>niet in stand zal laten.</para>
      <para>Daartoe overweegt de president dat het besluit voorshands niet lijkt te zijn genomen met </para>
      <para>miskenning van wettelijke voorschriften en de vigerende ministeri‰le regeling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen zijdens verzoeker naar voren is gebracht geeft op voorhand evenmin aanleiding tot </para>
      <para>het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig zou zijn geweest of dat zou moeten worden </para>
      <para>gesproken van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen </para>
      <para>dat moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot het aangevallen besluit </para>
      <para>heeft kunnen komen. </para>
      <para>De president deelt vooralsnog niet de opvatting van verzoeker dat de Regeling </para>
      <para>varkensleveringen geen grondslag kan vinden in de Gwwd, omdat niet zou zijn gebleken </para>
      <para>dat het vervoer van varkens vergroting van het veterinair risico meebrengt. Naar het </para>
      <para>voorlopig oordeel van de president staat genoegzaam vast dat verspreiding van het </para>
      <para>varkenspestvirus mede wordt veroorzaakt door het vervoer van de dieren. Aan beperking </para>
      <para>van het aantal vervoerscontacten ter voorkoming van het uitbreken van een epidemie op </para>
      <para>grote schaal komt derhalve betekenis toe.</para>
      <para>Verweerder heeft voorts op goede gronden het standpunt ingenomen dat het tweede </para>
      <para>vervoer van opfokvarkens wel, het tweede vervoer van vleesvarkens niet in het belang van </para>
      <para>de sector is. De beperking van de vervoersmogelijkheid vanaf een C-bedrijf naar een ander </para>
      <para>bedrijf tot varkens met een groter levend gewicht dan 80 kg - waardoor dit vervoer de facto </para>
      <para>beperkt blijft tot opfokvarkens - is derhalve adequaat. Structurele verlening van ontheffing </para>
      <para>van de gewichtsklasse als door verzoeker gevraagd - waardoor de mogelijkheid wordt </para>
      <para>geboden vleesvarkens in plaats van opfokvarkens naar een ander bedrijf te vervoeren - </para>
      <para>druist in tegen verweerders op dit punt verantwoorde beleid. </para>
      <para>De president is van oordeel dat verweerder bij afweging van het individuele belang van </para>
      <para>verzoeker tegen het algemene belang dat is gelegen in handhaving van de Regeling en </para>
      <para>voorkoming van precedentwerking in redelijkheid aan laatstgemeld belang </para>
      <para>doorslaggevende betekenis heeft kunnen toekennen. Van strijd van de aangevallen </para>
      <para>beslissing met artikel 3:4 van de Awb is naar het voorlopig oordeel van de president dan </para>
      <para>ook geen sprake. </para>
      <para>Gelet op het vorenstaande is de president voorshands van oordeel dat geen sprake is van </para>
      <para>een onrechtmatig besluit.</para>
      <para>Nu de president ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden, die </para>
      <para>meebrengen dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van </para>
      <para>enigerlei voorziening vereist, dient het daartoe strekkende verzoek te worden afgewezen. </para>
      <para>De president acht geen termen aanwezig artikel 8:75 Awb toe te passen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6.	De beslissing</para>
    <para />
    <para>De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. C.M. Wolters					w.g. I.K. Rapmund</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>