<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0039</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T12:23:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0039</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/947</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:81&amp;g=2001-02-12">Algemene wet bestuursrecht 8:81</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:2&amp;g=2001-02-12">Algemene wet bestuursrecht 1:2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002380&amp;g=2001-02-12">Bestrijdingsmiddelenwet 1962</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>M en R 2002, 234K</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0039">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0039</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0039 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 12-02-2001 / AWB 00/947</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0039:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0039:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/947					12 februari 2001</para>
      <para>	32010</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, verzoeker,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), zetelend te Wageningen, </para>
      <para>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Naar aanleiding van de uitspraak van het College van 1 augustus 2000, nr. AWB 99/687, </para>
      <para>heeft verweerder bij besluit van 27 oktober 2000 besloten het bestrijdingsmiddel Liberty, </para>
      <para>voorheen genaamd Finale, op basis van de werkzame stof glufosinaat-ammonium toe te </para>
      <para>laten als onkruidbestrijdingsmiddel in de teelt van genetisch gemodificeerde, herbicide-</para>
      <para>tolerante ma‹s. De toelating is verleend onder toelatingsnummer 8906 N.</para>
      <para>Tegen dit besluit van verweerder heeft verzoeker bij brief van 5 december 2000 beroep </para>
      <para>ingesteld bij het College, welk beroepschrift op 6 december 2000 door het College is </para>
      <para>ontvangen.</para>
      <para>Op 6 december 2000 heeft de president van het College van verzoeker eveneens een </para>
      <para>verzoek om een voorlopige voorziening ontvangen, strekkende tot schorsing van </para>
      <para>verweerders besluit van 27 oktober 2000. </para>
      <para>Bij griffiersbrief van 12 december 2000 is verzoeker verzocht om nader aan te geven </para>
      <para>waarom hij meent dat zijn belangen rechtstreeks betrokken zijn bij het besluit van </para>
      <para>verweerder van 17 oktober 2000.</para>
      <para>Op 27 december 2000 is ter griffie een schriftelijke reactie van verzoeker op de </para>
      <para>griffiersbrief van 12 december 2000 ontvangen.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>Artikel 8 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 luidt:</para>
      <para>"	Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende </para>
      <para>beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:</para>
      <para>"	1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij </para>
      <para>een besluit is betrokken."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van verzoeker</para>
      <para>Verzoeker heeft in zijn verzoek om voorlopige voorziening, voor zover thans van belang, </para>
      <para>het volgende aangevoerd:</para>
      <para>"	1) Het verruimd gebruik van Liberty leidt tot de situatie dat tijdens de maanden </para>
      <para>juni-juli (mogelijk augustus) het middel Liberty zonder kap over het gewas kan </para>
      <para>worden gespoten. De drift die hiermee gepaard gaat kan tot grote schade leiden </para>
      <para>in aangrenzende velden. Voor mij persoonlijk betekent dit bijv. dat als de boer </para>
      <para>van het aangrenzende veld de mais plus Liberty gaat telen, de planten in mijn </para>
      <para>moestuin allen vernietigd zullen worden. Het CTB heeft het aspect van </para>
      <para>driftgevaar onvoldoende meegewogen in haar beslissing tot goedkeuring van </para>
      <para>verruimd gebruik.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2) Het CTB heeft een onvolledige milieurisico beoordeling uitgevoerd. De </para>
      <para>beslissing van het CTB is genomen vanuit de veronderstelling dat slechts een </para>
      <para>maal per seizoen zal worden gespoten met Liberty. Verwacht mag echter </para>
      <para>worden dat het middel in veel gevallen minstens twee maal zal worden </para>
      <para>gespoten. Verder ontbreekt in de beslissing een inschatting van de gevolgen </para>
      <para>voor schimmels. Ook ontbreekt een overzicht van de samenstelling van het </para>
      <para>middel Liberty en een inschatting van de risico's die de hulpstoffen (hetzij </para>
      <para>apart, hetzij in combinatie met glufosinaat ammonium) met zich meebrengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3) Bij de verlenging van toelating van Liberty in september heeft CTB een </para>
      <para>aantal hiaten in de kennis omtrent de risico's van Liberty geconstateerd. Bij </para>
      <para>zoveel onduidelijkheid op een aantal belangrijke punten mag in mijn ogen geen </para>
      <para>toestemming voor verruimd gebruik gegeven worden, zeker ook gezien het feit </para>
      <para>dat grootschalige teelt van de gemanipuleedre mais verwacht mag worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4) De inschatting over toxicologische aspekten is onvolledig. Diverse Japanse </para>
      <para>onderzoeken hebben aangetoond dat glufosinaat-ammonium tot ernstige schade </para>
      <para>kunnen leiden bij lage doses. Nergens blijkt dat CTB dit onderzoek echt </para>
      <para>meegewogen heeft bij haar beslissing tot goedkeuring van verruimd gebruik. </para>
      <para>De omzettingsroute van glufosinaat ammonium uit de gemanipuleerde mais in </para>
      <para>dieren toont dat N-acetylglufosinaat deels wordt teruggevormd tot glufosinaat. </para>
      <para>Dit kan naar mijn mening een bedreiging betekenen voor landbouwhuisdieren </para>
      <para>die deze mais gevoerd krijgen. Bovendien denk ik dat het maximale </para>
      <para>residueniveau dreigt te worden overschreden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5) De inschatting van het CTB over de specifiteit van het PAT enzym, een </para>
      <para>belangrijke pijler van de herbicideresistentie van de maisplant is onjuist."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 19 december 2000, ontvangen ter griffie op 27 december 2000, heeft </para>
      <para>verzoeker, in antwoord op de griffiersbrief van 12 december 2000, het volgende </para>
      <para>medegedeeld:</para>
      <para>"	De door het CTB vergeven toelating betekent in principe dat glufosinaat-</para>
      <para>ammonium vanaf komend teeltseizoen kan worden toegepast op </para>
      <para>gemodificeerde mais zonder bescherming van de kap en gedurende het hele </para>
      <para>groeiseizoen. Aangegeven is dat Liberty op deze mais met name in juni/juli zal </para>
      <para>worden gebruikt. </para>
      <para>Het openlijk gebruik van Liberty op mais gaat zonder twijfel gepaard met drift. </para>
      <para>Uit de VS zijn inmiddels vele voorbeelden bekend waar deze drift tot </para>
      <para>significante schade heeft geleid in naastgelegen velden. Ik ben tuinder op een </para>
      <para>tuinencomplex dat kan worden gekenmerkt als moestuin/experimenteertuin. Op </para>
      <para>dit complex worden gangbare en zeldzame voedingsgewassen en bloemen </para>
      <para>geteeld. Het tuinencomplex waar ik deel van uitmaak, ligt pal naast een veld </para>
      <para>van een boer die mogelijk deze gemodificeerde mais kan gaan verbouwen. Dit </para>
      <para>betekent dat de daarmee gepaard gaande drift van het middel Liberty de door </para>
      <para>mij geteelde gewassen gaat vernietigen. Dit is waar mijn belangen het meest </para>
      <para>rechtstreeks en direct betrokken zijn bij het besluit tot toelating. Uiteraard geldt </para>
      <para>dit gevaar niet alleen voor mij maar ook voor al mijn medetuinders en </para>
      <para>natuurlijk ook voor iedereen die een tuin of veld heeft naast een akker waar </para>
      <para>deze gemodificeerde mais verbouwd gaat worden. Het CTB heeft het </para>
      <para>driftgevaar in mijn ogen aantoonbaar onvoldoende meegewogen in haar besluit </para>
      <para>en had nooit toestemming voor verruimd gebruik mogen verlenen vanwege de </para>
      <para>schade die door drift zal ontstaan. (.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	De beoordeling van het verzoek</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet </para>
      <para>bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep </para>
      <para>is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde </para>
      <para>spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
      <para>Met betrekking tot de voorlopige beantwoording van de vraag of de belangen van </para>
      <para>verzoeker rechtstreeks zijn betrokken bij het besluit ten aanzien waarvan thans om een </para>
      <para>voorlopige voorziening wordt verzocht, overweegt de president als volgt.</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, Awb wordt onder belanghebbende </para>
      <para>verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Blijkens vaste </para>
      <para>jurisprudentie van het College accentueert het begrip "rechtstreeks" in voormelde definitie </para>
      <para>dat er tussen het belang, waarin betrokkene zich getroffen acht, en het besluit dat daaraan </para>
      <para>debet zou zijn, een onlosmakelijk en direct verband moet bestaan. Een zodanig </para>
      <para>onlosmakelijk en direct verband tussen het belang van verzoeker en het besluit van </para>
      <para>verweerder tot toelating van het bestrijdingsmiddel Liberty als onkruidbestrijdingsmiddel </para>
      <para>in de teelt van genetisch gemodificeerde, herbicide-tolerante ma‹s, is, gelet op hetgeen </para>
      <para>verzoeker daaromtrent naar voren heeft gebracht, naar voorlopig oordeel van de president </para>
      <para>niet, althans onvoldoende, aanwezig.</para>
      <para>Geenszins valt in te zien dat uit het enkele besluit van verweerder tot (verruimde) toelating </para>
      <para>van het bestrijdingsmiddel Liberty noodzakelijkerwijs volgt dat verzoeker in zijn </para>
      <para>hoedanigheid als tuinder ter plaatse de gevolgen zal ondervinden als door hem omschreven </para>
      <para>en gevreesd. Bedoelde gevolgen zouden eventueel pas op kunnen treden, wanneer in de </para>
      <para>nabijheid van zijn terrein ook daadwerkelijk genetisch gemodificeerde, herbicide-tolerante </para>
      <para>ma‹s zou worden geteeld en daarbij bovendien ter bestrijding van onkruid zou worden </para>
      <para>gebruikgemaakt van het middel Liberty. De enkele omstandigheid dat het besluit van </para>
      <para>verweerder de mogelijkheid in het leven roept om bij een eventuele teelt van bedoeld </para>
      <para>gewas in de nabijheid van zijn terrein gebruik te maken van het bestrijdingsmiddel Liberty, </para>
      <para>kan naar voorlopig oordeel dan ook niet leiden tot de conclusie dat verzoeker hierdoor </para>
      <para>rechtstreeks in een actueel en concreet belang is getroffen. Zelfs als dit alles anders zou </para>
      <para>zijn, is in ieder geval niet gebleken van enige spoedeisendheid bij het onderliggende </para>
      <para>verzoek om voorlopige voorziening.</para>
      <para>Gelet op het vorenstaande is de president van oordeel dat het onderhavige verzoek </para>
      <para>kennelijk ongegrond is en dat er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:83, </para>
      <para>derde lid, van de Awb uitspraak te doen.</para>
      <para>De president acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.	De beslissing</para>
    <para />
    <para>De president wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van mr M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. R.R. Winter					w.g. M.S. Hoppener</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>