<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0038</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T09:19:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0038</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/944, 00/945 en 00/972</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0038">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0038</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0038 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 09-02-2001 / AWB 00/944, 00/945 en 00/972</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0038:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0038:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/944, 00/945 en 00/972			9 februari 2001</para>
      <para>	18050</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Vereniging voor Energie, Milieu en Water, te Woerden,</para>
      <para>2. Vereniging voor Nederlandse Chemische Industrie, gevestigd te Leidschendam,</para>
      <para>3. Vereniging FME-CWM, gevestigd te Zoetermeer,</para>
      <para>verder te noemen: verzoeksters,</para>
      <para>gemachtigde: mr M.R. het Lam, advocaat te Amsterdam,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Directeur van de Dienst uitvoering en toezicht energie, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr E.J. Daalder en mr A.Th. Meijer, advocaten te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan dit geding neemt tevens deel:</para>
      <para>de B.V. Nederlands Elektriciteits Administratiekantoor (rechtsopvolgster van de N.V. </para>
      <para>Samenwerkende elektriciteits-productiebedrijven (SEP), gevestigd te Arnhem,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.K. de Pree, advocaat te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij besluit van 16 november 2000 (nummer 00-074), zoals gepubliceerd in de Staats-</para>
      <para>courant van 17 november 2000, nummer 224, heeft verweerder onder verwijzing naar </para>
      <para>artikel 36, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, onder meer, de voorwaarden </para>
      <para>vastgesteld met betrekking tot de toewijzing van de transportcapaciteit </para>
      <para>buitenlandverbindingen voor het jaar 2001. Bij dat besluit is onder artikel 5.6.4.1 bepaald </para>
      <para>dat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet in staat wordt gesteld om op de </para>
      <para>landsgrensoverschrijdende verbindingen de benodigde ruimte voor het transport van </para>
      <para>elektriciteit te reserveren om de verbintenissen uit overeenkomsten, gesloten met de </para>
      <para>aangewezen vennootschap als bedoeld in artikel 96 van de Elektriciteitswet 1998, na te </para>
      <para>komen, met dien verstande dat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet tot de </para>
      <para>hierna te noemen tijdstippen op aanvraag ten hoogste de hierna te noemen hoeveelheid </para>
      <para>capaciteit voor het transport van elektriciteit kan toewijzen aan de aanvrager, indien deze </para>
      <para>aanvrager verbintenissen tot invoer van elektriciteit nakomt die voortvloeien uit een of </para>
      <para>meer van de hierna te noemen overeenkomsten, zoals deze luidden op 1 augustus 1998:</para>
      <para>"	a. voor zover het de in 1989 tussen de aangewezen vennootschap enerzijds en </para>
      <para>Electricit‚ de France anderzijds gesloten overeenkomsten betreft: 600 MW </para>
      <para>voor de periode tot en met 31 maart 2002 en 750 MW voor de periode van </para>
      <para>1 april 2002 tot en met 31 maart 2009;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	b. voor zover het de in 1989 tussen de aangewezen vennootschap enerzijds en </para>
      <para>Preussen Elektra A.G. anderzijds gesloten overeenkomsten betreft: 300 MW </para>
      <para>voor de periode tot en met 31 december 2005;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	c. voor zover het de in 1990 tussen de aangewezen vennootschap enerzijds en </para>
      <para>Vereinigte Elektrizit„tswerke Westfalen A.G. anderzijds gesloten overeen-</para>
      <para>komsten betreft: 600 MW voor de periode tot en met 31 maart 2003."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen genoemde beslissing van verweerder hebben verzoeksters sub 1 en sub 2 bij brieven </para>
      <para>van 4 december 2000 een bezwaarschrift ingediend. Verzoekster sub 3 heeft bij brief van </para>
      <para>18 december 2000 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.</para>
      <para>Verzoeksters sub 1 en sub 2 hebben zich op 5 december 2000 tot de president van het </para>
      <para>College gewend met het verzoek bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat:</para>
      <para>-	de in afdeling 5.6.4. van het Besluit toewijzing transportcapaciteit buitenland-</para>
      <para>verbindingen 2001 (besluitnummer 00-074) opgenomen bijzondere regeling voor </para>
      <para>de reservering van capaciteit voor de invoering van de daarin bedoelde transporten </para>
      <para>ter uitvoering van door SEP in het verleden gesloten overeenkomsten wordt </para>
      <para>geschorst;</para>
      <para>-	de in afdeling 5.6.4. van het Besluit toewijzing transportcapaciteit buitenland-</para>
      <para>verbindingen 2001 gereserveerde importcapaciteit voor de uitvoering van de aldaar </para>
      <para>bedoelde SEP-transporten wordt toegewezen aan de veiling;</para>
      <para>-	de uitvoering door TenneT van de SEP-transporten geschiedt op basis van </para>
      <para>voorwaarden zoals deze gelden voor andere marktpartijen in gelijkwaardige positie;</para>
      <para>-	c.q. hebben verzoeksters verzocht nadere maatregelen te treffen die de president </para>
      <para>geboden acht en hebben verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van de </para>
      <para>onderhavige procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 19 december 2000, die diezelfde dag ter griffie is binnengekomen, heeft </para>
      <para>verzoekster sub 3 een gelijkluidend verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.</para>
      <para>Bij brieven van 20 december hebben verzoeksters sub 1 en sub 2 desgevraagd nadere </para>
      <para>informatie verstrekt omtrent de spoedeisendheid van de onderhavige procedures.</para>
      <para>Op 16 januari 2001 heeft verweerder, onder overlegging van 30 producties (voorzien van </para>
      <para>een bijbehorende inventarislijst), schriftelijk op de verzoeken om voorlopige voorziening </para>
      <para>gereageerd. De producties 13 tot en met 26, zoals vermeld op genoemde inventarislijst, </para>
      <para>heeft verweerder met een beroep op het vertrouwelijk karakter van deze stukken, slechts </para>
      <para>aan het College verzonden en niet aan de overige partijen. Bij griffiersbrief van </para>
      <para>16 januari 2001 is aan verweerder verzocht om, voorzover hij met betrekking tot deze </para>
      <para>stukken een beroep wenst te doen op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht </para>
      <para>(Awb), dit verzoek nader te motiveren. Verweerder heeft bij faxbericht van 17 januari 2001 </para>
      <para>op deze brief gereageerd.</para>
      <para>De verzoeken om voorlopige voorziening zijn door de president behandeld ter zitting van </para>
      <para>24 januari 2001, alwaar, na voorafgaande schriftelijke aankondiging, de inhoudelijke </para>
      <para>behandeling van de onderhavige verzoeken door de president is beperkt tot de vraag naar </para>
      <para>de effectiviteit van de verzochte voorziening, gelet op de, beweerdelijke, op handen zijnde </para>
      <para>volledige inwerkingtreding van artikel 13 van de Overgangswet </para>
      <para>elektriciteitsproductiesector (Wet van 21 december 2000, houdende regels met betrekking </para>
      <para>tot het be‰indigen van de overeenkomst van samenwerking van de </para>
      <para>elektriciteitsproductiesector en tot het aandeelhouderschap van de netbeheerder van het </para>
      <para>landelijk hoogspanningsnet, Stb. 607) (verder aan te duiden als: de Overgangswet). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting hebben partijen zich, bij monde van hun gemachtigden, daaromtrent uitgelaten. </para>
      <para>Bij die gelegenheid heeft verweerder toestemming gevraagd en - nadat van bezwaren van </para>
      <para>de andere partijen niet was gebleken - gekregen om na afloop van de zitting nog een in het </para>
      <para>vooruitzicht gestelde brief in het geding te brengen. </para>
      <para>Bij beschikking van 29 januari 2001 heeft de president het verzoek om beperking van de </para>
      <para>kennisneming, als bedoeld bij artikel 8:29 Awb, gerechtvaardigd geacht met betrekking tot </para>
      <para>productie 13, voorzover die productie bestaat uit documenten afkomstig van de Europese </para>
      <para>Commissie, en de producties 14 en 15, waarbij de beperking van de kennisneming met </para>
      <para>betrekking tot de overige producties niet gerechtvaardigd is geacht. Bij brieven van </para>
      <para>30 januari 2001 is aan (de gemachtigden van) partijen een afschrift van deze beschikking </para>
      <para>verzonden en zijn aan hen (alsnog) de stukken verzonden waarvan de beperking van de </para>
      <para>kennisneming niet gerechtvaardigd is geacht.</para>
      <para>Daartoe uitgenodigd door de president heeft de B.V. Nederlands Elektriciteits </para>
      <para>Administratiekantoor bij faxbericht van 31 januari 2001 te kennen gegeven dat zij er niet </para>
      <para>mee kan instemmen dat de president mede op grond van de stukken, waarvan de beperkte </para>
      <para>kennisneming gerechtvaardigd is geoordeeld, zal beslissen op het onderhavige verzoeken </para>
      <para>om een voorlopige voorziening. Bij faxbericht van 1 februari 2001 heeft de gemachtigde </para>
      <para>van verzoeksters in dit kader te kennen gegeven dat verzoeksters er mee kunnen instemmen </para>
      <para>dat de president bij de beslissing op de onderhavige verzoeken om een voorlopige </para>
      <para>voorziening mede acht zal slaan op de stukken die afkomstig zijn van de Europese </para>
      <para>Commissie. Bij deze brief wordt de president ten behoeve van die beslissing evenwel geen </para>
      <para>toestemming verleend voor het gebruik van de producties 14 en 15.</para>
      <para>Naar aanleiding van bovengenoemde reacties en met inachtneming van artikel 8:29, vijfde </para>
      <para>lid, van de Awb zijn de stukken waarvan de beperking van de kennisname gerechtvaardigd </para>
      <para>is geacht bij bovengenoemde beschikking van 29 januari 2001 uit het dossier verwijderd en </para>
      <para>bij griffiersbrief van 2 februari 2001 aan verweerder geretourneerd. </para>
      <para>Op 6 februari 2001 hebben verzoeksters het terzake van deze procedures verschuldigde </para>
      <para>griffierecht voldaan.</para>
      <para>Vervolgens is heden uitspraak gedaan.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De regelgeving</para>
      <para>Artikel 6 van de Elektriciteitswet 1998 luidt als volgt:</para>
      <para>"Artikel 6 </para>
      <para>  -1. De Directeur van de dienst oefent de hem in deze wet en de Gaswet </para>
      <para>toegekende taken en bevoegdheden uit onder verantwoordelijkheid van Onze </para>
      <para>Minister.</para>
      <para>  -2. Alvorens onze Minister een aanwijzing geeft met betrekking tot de </para>
      <para>uitoefening van in deze wet en de Gaswet aan de directeur van de dienst </para>
      <para>toegekende bevoegdheden, stelt hij de directeur-generaal van de Nederlandse </para>
      <para>Mededingingsautoriteit in de gelegenheid zijn zienswijze over het voornemen </para>
      <para>daartoe kenbaar te maken.</para>
      <para>  -3. Onze Minister legt algemene aanwijzingen aan de directeur van de dienst </para>
      <para>met betrekking tot de uitoefening van de aan hem in deze wet en de Gaswet </para>
      <para>toegekende bevoegdheden vast in beleidsregels.</para>
      <para>  -4. De bekendmaking van deze beleidsregels geschiedt door plaatsing in de </para>
      <para>Staatscourant."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 24 van de Elektriciteitswet 1998 luidde tot en met 31 december 2000 (laatstelijk) </para>
      <para>als volgt:</para>
      <para>"Artikel 24 </para>
      <para>   -1. De Netbeheerder is verplicht aan degene die daarom verzoekt een aanbod te </para>
      <para>doen om met gebruikmaking van het door hem beheerde net ten behoeve van </para>
      <para>de verzoeker transport van elektriciteit uit te voeren tegen een tarief en tegen </para>
      <para>andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de paragrafen 5 en 6 van </para>
      <para>dit hoofdstuk.</para>
      <para>  -2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de </para>
      <para>netbeheerder voor het gevraagde transport redelijkerwijs geen capaciteit ter </para>
      <para>beschikking heeft, met inachtneming van artikel 25.</para>
      <para>  -3. De netbeheerder onthoudt zich van iedere vorm van discriminatie tussen </para>
      <para>degenen jegens wie de verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 2001 is door de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van artikel 16 </para>
      <para>van de Overgangswet elektriciteitsproductiesector (Koninklijk Besluit van 21 december </para>
      <para>2000, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een aantal artikelen </para>
      <para>van de Overgangswet elektriciteitsproductiesector, Stb. 608) de zinsnede "met </para>
      <para>inachtneming van artikel 25" in het tweede lid van artikel 24 van de Elektriciteitswet 1998 </para>
      <para>komen te vervallen.</para>
      <para>Door de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van artikel 16 van de Overgangswet is met </para>
      <para>ingang van 1 januari 2001 artikel 25 van de Elektriciteitswet vervallen. Artikel 25 van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998 luidde voordien (laatstelijk) als volgt:</para>
      <para>"Artikel 25 </para>
      <para>  -1. Het is de Netbeheerder verboden capaciteit op het door hem beheerde net bij </para>
      <para>voorrang te bestemmen voor een verzoeker, tenzij dit strekt ter uitvoering van:</para>
      <para>  a. noodzakelijk transport van elektriciteit in het kader van onderlinge hulp en </para>
      <para>bijstand ten behoeve van de instandhouding van de integriteit van de netten; </para>
      <para>  b. een besluit van Onze Minister als bedoeld in artikel 100, tweede lid, dan wel;</para>
      <para>  c. een besluit van de directeur van de dienst als bedoeld in artikel 26.</para>
      <para>  -2. Indien de capaciteit voor het transport van elektriciteit op een net te beperkt </para>
      <para>is om alle verzoeken om transport op een bepaald tijdstip volledig te kunnen </para>
      <para>uitvoeren, voert de netbeheerder in ieder geval het transport uit dat </para>
      <para>noodzakelijk is ten behoeve van de onderlinge hulp en bijstand of dat wordt </para>
      <para>verzocht door de degene ten behoeve van wie op grond van artikel 26 of 100, </para>
      <para>tweede lid, bij voorrang capaciteit voor het transport van elektriciteit is </para>
      <para>bestemd, voor zover dat verzoek de voor hem bestemde capaciteit niet te boven </para>
      <para>gaat. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 26 van de Elektriciteitswet 1998 luidde tot 31 december 2000 (laatstelijk) als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 26 </para>
      <para>  -1. De directeur van de dienst kan op aanvraag besluiten dat capaciteit voor het </para>
      <para>transport van elektriciteit tot een door hem te bepalen omvang en voor een door </para>
      <para>hem te bepalen tijdsduur bij voorang wordt bestemd voor door hem aan te </para>
      <para>geven verzoekers om transport om elektriciteit, indien:</para>
      <para>  a. de aanvraag betrekking heeft op een landsgrensoverschrijdend net als </para>
      <para>bedoeld in artikel 16, zesde lid, of</para>
      <para>  b. het bij voorrang bestemmen van capaciteit voor transport van elektriciteit </para>
      <para>bijdraagt aan een goede marktwerking op de elektriciteitsmarkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>  -2. Bij het nemen van het besluit, bedoeld in het eerste lid, kan de directeur van </para>
      <para>de dienst voorwaarden en tarieven voor het transport van elektriciteit </para>
      <para>vaststellen die afwijken van de voorwaarden en tarieven, vastgesteld op grond </para>
      <para>van de artikelen 36 en 41.</para>
      <para>  -3. De directeur van de dienst neemt het besluit, bedoeld in het eerste lid, </para>
      <para>aanhef en onderdeel a., met inachtneming van het belang dat </para>
      <para>landsgrensoverschrijdende netten op een economisch verantwoorde wijze </para>
      <para>worden aangelegd en ge‰xploiteerd, van het belang dat derden eveneens </para>
      <para>toegang hebben tot het desbetreffende landsgrensoverschrijdende net en van </para>
      <para>het belang dat het landsgrensoverschrijdende handelsverkeer wordt bevorderd.</para>
      <para>  -4. Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van het net, bedoeld in artikel </para>
      <para>100, eerste lid.</para>
      <para>  -5. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt bekend gemaakt in de </para>
      <para>Staatscourant".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van artikel 16 van de Overgangswet is met </para>
      <para>ingang van 1 januari 2001 artikel 26, vierde lid, van de Elektriciteitswet 1998 gewijzigd en </para>
      <para>luidt thans als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 26 </para>
      <para>-4. Het besluit, bedoeld in het eerste lid mag niet tot gevolg hebben dat de </para>
      <para>hoeveelheid capaciteit die de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet </para>
      <para>reserveert om noodzakelijk transport van elektriciteit in het kader van </para>
      <para>onderlinge hulp en bijstand ten behoeve van de instandhouding van de </para>
      <para>integriteit van de netten te kunnen uitvoeren of de hoeveelheid capaciteit die </para>
      <para>wordt toegewezen op grond van artikel 13 van de Overgangswet </para>
      <para>elektriciteitsproductiesector, wordt beperkt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 luidt als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 31</para>
      <para>1. De gezamenlijke netbeheerders zenden aan de directeur van de dienst een </para>
      <para>voorstel voor de voorwaarden met betrekking tot:</para>
      <para>a. de wijze waarop netbeheerders en afnemers alsmede netbeheerders zich </para>
      <para>jegens elkaar gedragen ten aanzien van het in werking hebben van de netten, </para>
      <para>het voorzien van een aansluiting op het net en het uitvoeren van ransport van </para>
      <para>elektriciteit over het net,</para>
      <para>b. de wijze waarop netbeheerders en afnemers alsmede netbeheerders zich </para>
      <para>jegens elkaar gedragen ten aanzien van het meten van gegevens betreffende het </para>
      <para>transport van elektriciteit en de uitwisseling van meetgegevens,</para>
      <para>c. de wijze waarop de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet </para>
      <para>enerzijds en afnemers en de overige netbeheerders anderzijds zich jegens elkaar </para>
      <para>gedragen ten aanzien van de systeemdiensten,</para>
      <para>d. de gebiedsindeling van de netbeheerders,</para>
      <para>e. de regeling van de samenwerking tussen de netbeheerders ten aanzien van de </para>
      <para>uitvoering van de taken, bedoeld in de onderdelen a, b en c, alsmede ten </para>
      <para>behoeve van het waarborgen van het netbeheer van alle netten en het transport </para>
      <para>van elektriciteit in buitengewone omstandigheden,</para>
      <para>f. de kwaliteitscriteria waaraan netbeheerders moeten voldoen met betrekking </para>
      <para>tot hun dienstverlening, welke in ieder geval betrekking hebben op te hanteren </para>
      <para>technische specificaties, het verhelpen van storingen in het transport van </para>
      <para>elektriciteit, de klantenservice en het voorzien in compensatie bij ernstige </para>
      <para>storingen.</para>
      <para>2. In de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden in ieder </para>
      <para>geval de voorwaarden opgenomen met betrekking tot de programma-</para>
      <para>verantwoordelijkheid, waarbij wordt bepaald dat de programma-</para>
      <para>verantwoordelijkheid kan worden overgedragen aan een andere natuurlijke </para>
      <para>persoon of rechtspersoon, met uitzondering van een netbeheerder."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van artikel 16 van de Overgangswet zijn met </para>
      <para>ingang van 1 januari 2001 vijf leden aan artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 </para>
      <para>toegevoegd, welke als volgt luiden:</para>
      <para>"	3. In de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt in ieder </para>
      <para>geval een regeling opgenomen voor het bepalen van de omvang van de </para>
      <para>capaciteit voor het transport van elektriciteit over landsgrensoverschrijdende </para>
      <para>netten en voor het toewijzen van de beschikbare capaciteit op die netten, </para>
      <para>waaronder tevens begrepen wordt het veilen van capaciteit dan wel het volgens </para>
      <para>een andere marktconforme methode toewijzen van capaciteit, en het toewijzen </para>
      <para>van capaciteit die een afnemer niet gebruikt. De voorwaarden bevatten de </para>
      <para>nodige voorzieningen gericht op het voorkomen van belemmeringen voor </para>
      <para>goede marktwering.</para>
      <para>4. De omvang van de capaciteit die toegewezen kan worden door middel van </para>
      <para>een veiling of een andere marktconforme methode is ten hoogste de totale </para>
      <para>omvang van de capaciteit voor het transport van elektriciteit over </para>
      <para>landsgrensoverschrijdende netten na aftrek van:</para>
      <para>a. de hoeveelheid capaciteit die de netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet reserveert om noodzakelijk transport van elektriciteit in het </para>
      <para>kader van onderlinge hulp en bijstand ten behoeve van de instandhouding van </para>
      <para>de integriteit van de netten te kunnen uitvoeren,</para>
      <para>b. de hoeveelheid capaciteit die wordt toegewezen op grond van artikel 13 van </para>
      <para>de Overgangswet elektriciteitsproductiesector en</para>
      <para>c. de hoeveelheid capaciteit die de directeur van de dienst op grond van artikel </para>
      <para>26 heeft bestemd voor bepaalde verzoekers om transport van elektriciteit.</para>
      <para>5. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet benut de opbrengst van </para>
      <para>het veilen of op een andere marktconforme methode toewijzen van capaciteit </para>
      <para>overeenkomstig de regeling, bedoeld in het derde lid, voor het opheffen van </para>
      <para>beperkingen in de transportcapaciteit op landsgrensoverschrijdende netten dan </para>
      <para>wel voor andere, door de directeur van de dienst te bepalen doelen.</para>
      <para>6. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voert een afzonderlijke </para>
      <para>boekhouding met betrekking tot de opbrengst van het veilen of op een andere </para>
      <para>marktconforme methode toewijzen van capaciteit. Artikel 43 is van </para>
      <para>overeenkomstige toepassing.</para>
      <para>7. Onze Minister kan, in aanvulling op de voorwaarden, bedoeld in het eerste </para>
      <para>lid, onderdeel b, nadere regels stellen over het meten en verstrekken van </para>
      <para>gegevens als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel h, waarbij kan worden </para>
      <para>bepaald dat de gegevens ook aan anderen dan de producenten van de daar </para>
      <para>bedoelde elektriciteit kunnen worden verstrekt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 luidt als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 36</para>
      <para>1. De directeur van de dienst stelt de tariefstructuren en voorwaarden vast met </para>
      <para>inachtneming van:</para>
      <para>a. het voorstel van de gezamenlijke netbeheerders als bedoeld in artikel 27, 31 </para>
      <para>of 32 van het overleg, bedoeld in artikel 33, eerste lid,</para>
      <para>b. het belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygi‰nisch </para>
      <para>verantwoord functioneren van de elektriciteitsvoorziening,</para>
      <para>c. het belang van de bevordering van de ontwikkeling van het handelsverkeer </para>
      <para>op de elektriciteitsmarkt,</para>
      <para>d. het belang van de bevordering van het doelmatig handelen van afnemers en</para>
      <para>e. het belang van een goede kwaliteit van de dienstverlening van netbeheerders.</para>
      <para>2. De directeur van de dienst stelt de voorwaarden niet vast dan nadat hij zich </para>
      <para>met inachtneming van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn ervan vergewist </para>
      <para>heeft dat de voorwaarden de interoperabiliteit van de netten garanderen, </para>
      <para>objectief en niet discriminerend zijn, aan de Commissie van de Europese </para>
      <para>Gemeenschappen in ontwerp zijn meegedeeld en de van toepassing zijnde </para>
      <para>termijnen, bedoeld in artikel 9 van de notificatierichtlijn, zijn verstreken.</para>
      <para>3. Indien een voorstel als bedoeld in artikel 27, 31 of 32 naar het oordeel van de </para>
      <para>directeur van de dienst in strijd is met het belang, bedoeld in het eerste lid, </para>
      <para>onderdeel b, c, d of e, of met de eisen, bedoeld in het tweede lid, draagt de </para>
      <para>directeur van de dienst de gezamenlijke netbeheerders op het voorstel </para>
      <para>onverwijld zodanig te wijzigen dat deze strijd wordt opgeheven. Artikel 4:15 </para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.</para>
      <para>4. Indien de gezamenlijke netbeheerders niet binnen vier weken het voorstel </para>
      <para>wijzigen overeenkomstig de opdracht van de directeur van de dienst, bedoeld in </para>
      <para>het derde lid, stelt de directeur van de dienst de tariefstructuren of de </para>
      <para>voorwaarden vast onder het aanbrengen van zodanige wijzigingen dat deze in </para>
      <para>overeenstemming zijn met de belangen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b </para>
      <para>tot en met e, en met de eisen, bedoeld in het tweede lid."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij Koninklijk Besluit van 20 juli 2000, houdende vaststelling van het tijdstip van </para>
      <para>inwerkingtreding van een aantal artikelen van de Gaswet, Stb. 318) is onder meer bepaald </para>
      <para>dat op 10 augustus 2000 artikel 69, onderdeel O, van de Gaswet (Wet van 22 juni 2000, </para>
      <para>houdende regels omtrent het transport en de levering van gas, Stb. 305) in werking treedt, </para>
      <para>bij welk artikel artikel 82 van de Elektriciteitswet 1998 wordt gewijzigd. Artikel 82 van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998 luidt sedertdien als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 82</para>
      <para>1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit, met uitzondering van een </para>
      <para>besluit als bedoeld in de artikelen 76 en 98 tot en met 101, kan een </para>
      <para>belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het </para>
      <para>bedrijfsleven. Voorzover een besluit, genomen op grond van artikel 27 of 31, </para>
      <para>aangemerkt wordt als algemeen verbindend voorschrift, kan een belang-</para>
      <para>hebbende in afwijking van artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht </para>
      <para>beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.</para>
      <para>2. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit op grond van artikel 76 is, in </para>
      <para>afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtbank te </para>
      <para>Rotterdam bevoegd.</para>
      <para>3. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit op grond van de artikelen 98 </para>
      <para>tot en met 101 is, in afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet </para>
      <para>bestuursrecht, de rechtbank te Arnhem bevoegd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 13 van de Overgangswet luidt als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 13</para>
      <para>1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet wijst op aanvraag tot en </para>
      <para>met 31 maart 2005 ten hoogste 900 MW en van 1 april 2005 tot en met </para>
      <para>31 maart 2009 ten hoogste 750 MW toe aan de aangewezen vennootschap voor </para>
      <para>het transport van elektriciteit, indien dit transport strekt ter uitvoering van de </para>
      <para>overeenkomsten, gesloten in 1989 en 1990 tussen de aangewezen vennootschap </para>
      <para>enerzijds en Electricit‚ de France, Preussen Elektra A.G., onderscheidenlijk </para>
      <para>Vereinigte Elektrizit„tswerke Westfalen A.G. anderzijds, zoals deze luidden op </para>
      <para>1 augustus 1998 en voor zover deze overeenkomsten nog van kracht zijn.</para>
      <para>2. Een aanvraag om transportcapaciteit op grond van het eerste lid heeft </para>
      <para>betrekking op de toewijzing van capaciteit:</para>
      <para>a. voor een periode van ten hoogste drie maanden en</para>
      <para>b. voor ten hoogste de hoeveelheid uren die in de periode van 1 augustus 1999 </para>
      <para>tot en met 1 augustus 2000 in de overeenkomende periode van drie maanden </para>
      <para>door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet werden toegewezen </para>
      <para>voor de nakoming van de desbetreffende overeenkomst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3. De aangewezen vennootschap is aan de netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet voor iedere MW capaciteit die op grond van het eerste lid </para>
      <para>wordt toegewezen, een bedrag verschuldigd dat gelijk is aan het bedrag dat een </para>
      <para>afnemer verschuldigd is voor een MW capaciteit voor de uitvoering van een </para>
      <para>jaarcontract die aan hem wordt toegewezen door middel van het veilen van </para>
      <para>capaciteit dan wel het volgens een andere marktconforme methode toewijzen </para>
      <para>van capaciteit, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998. </para>
      <para>Indien geen capaciteit wordt toegewezen voor de uitvoering van een </para>
      <para>jaarcontract, is de aangewezen vennootschap een bedrag verschuldigd dat </para>
      <para>gelijk is aan het bedrag dat een afnemer verschuldigd is voor de uitvoering van </para>
      <para>een contract dat het meest vergelijkbaar is met de in het eerste lid bedoelde </para>
      <para>overeenkomsten. Het bedrag dat de netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet op grond van dit lid verkrijgt, wordt door hem benut bij het </para>
      <para>doen van een voorstel voor de tarieven die hij ten hoogste mag berekenen voor </para>
      <para>een aansluiting op het landelijk hoogspanningsnet, het transport van </para>
      <para>elektriciteit over dat net of het verrichten van de systeemdiensten, dan wel </para>
      <para>wordt door hem overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 8, aan Onze </para>
      <para>Minister afgedragen ten behoeve van de tegemoetkoming in de kosten, bedoeld </para>
      <para>in artikel 7.</para>
      <para>4. Indien de aangewezen vennootschap de overeenkomsten, bedoeld in het </para>
      <para>eerste lid, overdraagt aan een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die </para>
      <para>een aanvraag doet om toewijzing van transportcapaciteit, wijst de netbeheerder </para>
      <para>van het landelijk hoogspanningsnet de in het eerste lid bedoelde hoeveelheid </para>
      <para>capaciteit toe aan die andere natuurlijke persoon of rechtspersoon. Het tweede </para>
      <para>en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.</para>
      <para>5. De aangewezen vennootschap, dan wel de natuurlijke persoon of </para>
      <para>rechtspersoon, bedoeld in het vierde lid, kan de hem toegewezen capaciteit </para>
      <para>vervreemden aan derden. Indien hij de hem toegewezen capaciteit gedurende </para>
      <para>een bepaalde periode niet zal gebruiken en hij deze niet heeft vervreemdt, </para>
      <para>meldt hij dat aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet </para>
      <para>overeenkomstig de procedure die deze hanteert inzake capaciteit die is </para>
      <para>toegewezen maar die niet wordt gebruikt. Na deze melding vervalt de </para>
      <para>toewijzing van de desbetreffende capaciteit voor de aangegeven periode.</para>
      <para>6. Onze Minister kan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet </para>
      <para>opdragen de toewijzing van capaciteit voor het transport van elektriciteit op </para>
      <para>grond van het eerste lid aan de aangewezen vennootschap, dan wel de </para>
      <para>natuurlijke persoon of rechtspersoon, bedoeld in het vierde lid, te beperken tot </para>
      <para>door hem te bepalen tijdstippen, hoeveelheden of overeenkomsten, indien dat </para>
      <para>nodig is in verband met de opvatting van de Commissie van de Europese </para>
      <para>Gemeenschappen dienaangaande."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij Koninklijk Besluit van 21 december 2000, houdende vaststelling van het tijdstip van </para>
      <para>inwerkingtreding van een aantal artikelen van de Overgangswet elektriciteits-</para>
      <para>productiesector, Stb. 608) zijn de artikelen 1 tot en met 5, 10, 12, 13, met uitzondering van </para>
      <para>het eerste, derde en vijfde lid, eerste volzin, 15, 16, met uitzondering van onderdelen D, E, </para>
      <para>F, onder 1, L en P, onder 2, 17 tot en met 20, 22 en 23 van de Overgangswet in werking </para>
      <para>getreden op 1 januari 2001.</para>
      <para>Bij brief van 24 januari 2001 heeft de Minister van Economische Zaken aan de Voorzitter </para>
      <para>van de Tweede Kamer, onder meer, het volgende medegedeeld:</para>
      <para>"	Op 23 november 2000 heeft de Tweede Kamer de Overgangswet </para>
      <para>elektriciteitsproductiesector aangenomen. Artikel 13 van deze wet regelt de </para>
      <para>toewijzing van transportcapaciteit ten behoeve van op naam van Sep staande </para>
      <para>importcontracten uit het verleden. Als gevolg van door de Tweede Kamer </para>
      <para>aangenomen amendementen bevat artikel 13 een verplichting voor Sep om </para>
      <para>voor de toegewezen transportcapaciteit ten behoeve van die importcontracten </para>
      <para>een geldsom te betalen, alsook een vermindering van de voorrang op het </para>
      <para>transportnet voor die importcontracten van 1500 MW naar 900 MW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>  De elektriciteitsproductiebedrijven hebben over de mogelijke effecten van de </para>
      <para>aangenomen amendementen op de overeenkomst van 10 oktober 2000 contact </para>
      <para>met mij opgenomen. Naar aanleiding van de besprekingen die ik vervolgens </para>
      <para>met die bedrijven heb gevoerd, heb ik besloten dat de artikelleden die </para>
      <para>betrekking hebben op de genoemde onderwerpen, te weten artikel 13, eerste, </para>
      <para>derde en vijfde lid, eerste volzin, uiterlijk op 1 maart 2001 in werking treden in </para>
      <para>plaats van op 1 januari 2001. Met inwerkingtreding op uiterlijk die datum </para>
      <para>wordt de bedrijven en hun wederpartijen de noodzakelijke tijd gegeven zich op </para>
      <para>de inwerkingtreding ervan te kunnen voorbereiden."</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de </para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>-	Bij besluit van 12 november 1999 (nummer 005) heeft verweerder, onder </para>
      <para>verwijzing naar artikel 36 van de Elektriciteitswet, onder meer de voorwaarden </para>
      <para>vastgesteld met betrekking tot de buitenlandtransporten voor het jaar 2000, </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>waaronder begrepen een reservering ten behoeve van de SEP op de transport-</para>
      <para>capaciteit op landsgrensoverschrijdende verbindingen. De voorwaarden met </para>
      <para>betrekking tot deze buitenlandtransporten zijn neergelegd in paragraaf 5.6 van de </para>
      <para>Netcode. </para>
      <para>-	Op 31 mei 2000 heeft verweerder van de beheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet (TenneT) een voorstel ontvangen met betrekking tot wijziging </para>
      <para>van paragraaf 5.6 van de Netcode in het kader van de allocatie van </para>
      <para>transportcapaciteit op de buitenlandverbindingen voor het jaar 2001.</para>
      <para>-	Bij brief van 6 juli heeft de directeur-generaal van de Nederlandse Mededingings-</para>
      <para>autoriteit de Minister van Economische Zaken op de hoogte gesteld van zijn </para>
      <para>zienswijze met betrekking tot het voornemen van de Minister tot geven van een </para>
      <para>bijzondere aanwijzing op grond van artikel 6 van de Elektriciteitswet 1998. In deze </para>
      <para>brief staat onder meer het navolgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>"	(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para> -kern van de zienswijze</para>
      <para>  Voor een goed functionerende elektriciteitsmarkt en daadwerkelijke vergroting </para>
      <para>van de concurrentiemogelijkheden dient de toegang tot de </para>
      <para>grensoverschrijdende transportcapaciteit zo ruim als mogelijk te zijn en open te </para>
      <para>staan voor een in beginsel zo breed mogelijke groep marktpartijen. </para>
      <para>Onduidelijkheid over de grondslag van de voor de SEP-invoercontracten te </para>
      <para>reserveren transportcapaciteit leidt tot voortdurende onzekerheid, die de </para>
      <para>werking en de aantrekkelijkheid van de Nederlandse Elektriciteitsmarkten niet </para>
      <para>ten goede komt. Ook over de omvang van de afnameverplichtingen die uit de </para>
      <para>contracten voortvloeien bestaat onduidelijkheid. Bij de Nma wordt over de </para>
      <para>verdeling van de schaarse grensoverschrijdende transportcapaciteit ook </para>
      <para>herhaaldelijk geklaagd.</para>
    </parablock>
    <para>   </para>
    <parablock>
      <para>Een en ander noopt tot een eenduidige, bij wet vast te leggen, beslissing over </para>
      <para>de vraag of de naleving van de bestaande SEP-invoercontracten kan en moet </para>
      <para>leiden tot verregaande en langdurige beperking van de </para>
      <para>concurrentiemogelijkheden voor derden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op 11 juli 2000 heeft de Minister van Economische Zaken, de directeur-generaal </para>
      <para>van de Nederlandse Mededingingsautoriteit gehoord hebbende, de Directeur DTe </para>
      <para>op grond van artikel 6 van de Elektriciteitswet 1998 een bijzondere aanwijzing </para>
      <para>gegeven, welke aanwijzing, conform artikel 6, derde lid, van de Elektriciteitswet </para>
      <para>1998 is vervat in beleidsregels, welke op 14 juli 2000 zijn gepubliceerd in de </para>
      <para>Staatscourant, nr. 134. Aldaar is bepaald:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Artikel 1, eerste lid</para>
      <para>1. De Directeur van de dienst stelt de netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet in staat zijn verbintenissen uit overeenkomsten, gesloten met </para>
      <para>de aangewezen vennootschap als bedoeld in artikel 96 van de Elektriciteitswet </para>
      <para>1998, na te komen, met dien verstande dat hij toelaat dat de netbeheerder van </para>
      <para>het landelijk hoogspanningsnet tot de hierna te noemen tijdstippen op aanvraag </para>
      <para>ten hoogste de hierna te noemen hoeveelheid capaciteit voor het transport van </para>
      <para>elektriciteit kan toewijzen aan de aanvrager, indien deze aanvrager </para>
      <para>verbintenissen tot invoer van elektriciteit nakomt die voortvloeien uit een of </para>
      <para>meer van de hierna te noemen overeenkomsten, zoals deze luidden op </para>
      <para>1 augustus 1998: </para>
      <para>a. voor zover het de in 1989 tussen de aangewezen vennootschap enerzijds en </para>
      <para>Electricit‚ de France anderzijds gesloten overeenkomst betreft:</para>
      <para>600 MW voor de periode tot en met 31 maart 2002 en 750 MW voor de </para>
      <para>periode 1 april 2002 tot en met 31 maart 2009;</para>
      <para>b. voor zover het de in 1989 tussen de aangewezen vennootschap enerzijds en </para>
      <para>Preussen Elektra A.G. anderzijds gesloten overeenkomst betreft:</para>
      <para>300 MW voor de periode tot en met 31 december 2005;</para>
      <para>c. voor zover het de in 1990 tussen de aangewezen vennootschap enerzijds en </para>
      <para>Vereinigte Elektrizit„tserke Westfalen A.G. anderzijds gesloten overeenkomst </para>
      <para>betreft: 600 MW voor de periode tot en met 31 maart 2003.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3</para>
      <para>1. De directeur kan met inachtneming van de artikelen 32 tot en met 38 van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998 voorwaarden vaststellen als bedoeld in artikel 31, eerste </para>
      <para>lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998, voor het bepalen van de omvang </para>
      <para>van de capaciteit voor het transport van elektriciteit over </para>
      <para>landsgrensoverschrijdende netten en voor het toewijzen van de beschikbare </para>
      <para>capaciteit op die netten, waaronder tevens begrepen wordt het veilen van </para>
      <para>capaciteit dan wel het volgens een andere marktconforme methode toewijzen </para>
      <para>van capaciteit, en het toewijzen van capaciteit die een afnemer niet gebruikt.</para>
      <para>2. De omvang van de capaciteit die toegewezen kan worden door middel van </para>
      <para>een veiling of een andere marktconforme methode is ten hoogste de totale </para>
      <para>omvang van de capaciteit voor het transport van elektriciteit over </para>
      <para>landsgrensoverschrijdende netten na aftrek van:</para>
      <para>a. de hoeveelheid capaciteit die de netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet reserveert om noodzakelijk transport van elektriciteit in het </para>
      <para>kader van onderlinge hulp en bijstand ten behoeve van de instandhouding van </para>
      <para>de integriteit van de netten te kunnen uitvoeren,</para>
      <para>b. de hoeveelheid capaciteit die wordt toegewezen op grond van artikel 1 en</para>
      <para>c. de hoeveelheid capaciteit die de directeur van de dienst op grond van artikel </para>
      <para>26 heeft bestemd voor bepaalde verzoekers om transport van elektriciteit.</para>
      <para>3. De directeur van de dienst bepaalt in de regeling tevens dat de netbeheerder </para>
      <para>van het landelijk hoogspanningsnet de opbrengst van het veilen of op een </para>
      <para>andere marktconforme methode toewijzen van capaciteit overeenkomstig de </para>
      <para>regeling, bedoeld in het derde lid, in ieder geval benut voor het opheffen van </para>
      <para>beperkingen in de transportcapaciteit."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief van 25 juli 2000 heeft verweerder zijn ontwerp-besluit tot wijziging van </para>
      <para>hoofdstuk 5.6 van de Netcode, onder verwijzing naar artikel 32, tweede lid, van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998 verzonden aan EnergieNed, Sectie Elektriciteitsnet-</para>
      <para>beheerders, in welke brief gewezen wordt op de omstandigheid dat op grond van </para>
      <para>artikel 34, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 de gezamenlijke netbeheerders </para>
      <para>hun zienswijze op het ontwerp-besluit kenbaar kunnen maken aan de directeur DTe </para>
      <para>binnen twaalf weken na het tijdstip waarop het ontwerp-besluit aan hen is </para>
      <para>gezonden.</para>
      <para>-	Verweerder heeft het ontwerp-besluit vervolgens tot 8 september 2000 ter inzage </para>
      <para>gelegd (publicatie Staatscourant 27 juli 2000, nr. 143).</para>
      <para>-	Bij brief van 14 augustus 2000 aan verweerder heeft EnergieNed zich namens de </para>
      <para>gezamenlijke netbeheerderders (met uitzondering van TenneT) onthouden van </para>
      <para>commentaar op het ontwerp-besluit.</para>
      <para>-	Op 5 september 2000 heeft ten kantore van verweerder een hoorzitting </para>
      <para>plaatsgevonden met betrekking tot het ontwerp-besluit. </para>
      <para>- Bij besluit van 16 november 2000 (nummer 00-074; besluit tot wijziging van </para>
      <para>besluit nummer 005), heeft verweerder, onder verwijzing naar artikel 36, eerste lid, </para>
      <para>van de Elektriciteitswet 1998, onder meer, als onderdeel van de Netcode de </para>
      <para>voorwaarden vastgesteld met betrekking tot de toewijzing van de </para>
      <para>transportcapaciteit buitenland-verbindingen voor het jaar 2001. Aldaar is onder </para>
      <para>meer bepaald:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>"	artikel 5.6.4.1</para>
      <para>De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet wordt in staat wordt </para>
      <para>gesteld om op de landsgrensoverschrijdende verbindingen de benodigde ruimte </para>
      <para>voor het transport van elektriciteit te reserveren om de verbintenissen uit </para>
      <para>overeenkomsten, gesloten met de aangewezen vennootschap als bedoeld in </para>
      <para>artikel 96 van de Elektriciteitswet 1998, na te komen, met dien verstande dat de </para>
      <para>netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet tot de hierna te noemen </para>
      <para>tijdstippen op aanvraag ten hoogste de hierna te noemen hoeveelheid capaciteit </para>
      <para>voor het transport van elektriciteit kan toewijzen aan de aanvrager, indien deze </para>
      <para>aanvrager verbintenissen tot invoer van elektriciteit nakomt die voortvloeien uit </para>
      <para>een of meer van de hierna te noemen overeenkomsten, zoals deze luidden op </para>
      <para>1 augustus 1998:</para>
      <para>a. voor zover het de in 1989 tussen de aangewezen vennootschap enerzijds en </para>
      <para>Electricit‚ de France anderzijds gesloten overeenkomsten betreft: 600 MW </para>
      <para>voor de periode tot en met 31 maart 2002 en 750 MW voor de periode van </para>
      <para>1 april 2002 tot en met 31 maart 2009;</para>
      <para>b. voor zover het de in 1989 tussen de aangewezen vennootschap enerzijds en </para>
      <para>Preussen Elektra A.G. anderzijds gesloten overeenkomsten betreft: 300 MW </para>
      <para>voor de periode tot en met 31 december 2005;</para>
      <para>c. voor zover het de in 1990 tussen de aangewezen vennootschap enerzijds en </para>
      <para>Vereinigte Elektrizit„tswerke Westfalen A.G. anderzijds gesloten overeen-</para>
      <para>komsten betreft: 600 MW voor de periode tot en met 31 maart 2003.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>artikel 5.6.4.7</para>
      <para>Artikel 5.6.4.1 vervalt zodra artikel 12 betreffende de reservering van </para>
      <para>transportcapaciteit ten behoeve van de aangewezen vennootschap van het </para>
      <para>wetsvoorstel met nummer 27250 dat bij de Tweede Kamer is ingediend </para>
      <para>(hieronder: Overgangswet Elektriciteitsproductiesector) van kracht wordt. De </para>
      <para>artikelen 5.6.4.2 tot en met 5.6.4.4 alsmede de overige relevante bepalingen uit </para>
      <para>dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 12 van de </para>
      <para>Overgangswet Elektriciteitsproductiesector genoemde reservering voor zover </para>
      <para>de inhoud van genoemde bepalingen niet afwijkt van de van kracht geworden </para>
      <para>Overgangswet Elektriciteitsproductiesector.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>artikel 5.6.5 </para>
      <para>De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet wijst de </para>
      <para>landgrensoverschrijdende transportcapaciteit voor het jaar 2001 toe door </para>
      <para>middel van veilingen, na aftrek van respectievelijk:</para>
      <para>a. de hoeveelheid capaciteit die de netbeheerder van het hoogspanningsnet </para>
      <para>conform artikel 5.6.2.1 reserveert om noodzakelijk transport van elektriciteit in </para>
      <para>het kader van onderlinge hulp en bijstand ten behoeve van de instandhouding </para>
      <para>van de integriteit van de netten te kunnen uitvoeren;</para>
      <para>b. de hoeveelheid capaciteit die de netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet conform artikel 5.6.3.1 reserveert ter uitvoering van een </para>
      <para>besluit van de directeur Dte op grond van artikel 26, eerste lid, van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998;</para>
      <para>c. de hoeveelheid capaciteit die de netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoospanningsnet conform artikel 5.6.4.1 reserveert om de verbintenissen uit </para>
      <para>overeenkomsten , gesloten met de aangewezen vennootschap als bedoeld in </para>
      <para>artikel 96 van de Elektriciteitswet 1998, na te komen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van verzoeksters</para>
      <para>Verzoeksters hebben in hun verzoekschrift onder aanvoering van de daartoe leidende </para>
      <para>argumenten in den brede betoogd dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven wegens </para>
      <para>strijdigheid met het gemeenschapsrecht c.q. met verschillende artikelen van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998. Weergave van die argumenten kan hier, om redenen die hierna </para>
      <para>zullen blijken, achterwege worden gelaten.</para>
      <para>Ter zitting van de president op 24 januari 2001 is door verzoeksters met betrekking tot de </para>
      <para>effectiviteit van de gevraagde voorziening, betoogd dat ook na inwerkingtreding van artikel </para>
      <para>13, eerste lid, van de Overgangswet (de president van) het College bevoegd blijft kennis te </para>
      <para>nemen van geschillen welke voortvloeien uit reserveringen van transportcapaciteit voor </para>
      <para>elektriciteit op de landsgrensoverschrijdende verbindingen. </para>
      <para>Na inwerkingtreding van artikel 13, eerste lid, voornoemd blijft artikel 5.6.5 van de </para>
      <para>Netcode immers van toepassing, althans voorziet de Netcode niet in het van rechtswege </para>
      <para>vervallen van deze bepaling op dat moment. Indien de reservering op grond van artikel 13, </para>
      <para>eerste lid, van de Overgangswet strijdig is met het gemeenschapsrecht en dientengevolge </para>
      <para>onverbindend moet worden geacht, mag deze reservering niet worden afgetrokken van de </para>
      <para>te veilen totale beschikbare transportcapaciteit in het kader van het besluit op grond van </para>
      <para>artikel 5.6.5 van de Netcode. Aangezien laatstgenoemd besluit een besluit is op grond van </para>
      <para>de Elektriciteitswet 1998, is en blijft (de president van) het College bevoegd kennis te </para>
      <para>nemen van geschillen die uit een dergelijke aftrek voortvloeien. Daarbij kan (de president </para>
      <para>van) het College bij wege van exceptieve toetsing zijn oordeel uitspreken over de </para>
      <para>geldigheid van artikel 13 van de Overgangswet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat betekent dat een eventueel getroffen voorziening na inwerkingtreding van artikel 13 </para>
      <para>van de Overgangswet niet buiten bereik komt te liggen van de bevoegdheid van (de </para>
      <para>president van) het College.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van verweerder</para>
      <para>Verweerder heeft hetgeen verzoeksters hebben aangevoerd gemotiveerd bestreden. </para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Naar voorlopig oordeel van de president is het besluit ten aanzien waarvan thans om </para>
      <para>voorlopige voorziening wordt verzocht niet genomen op grond van de artikelen 76 of 98 tot </para>
      <para>en met 101 van de Elektriciteitswet 1998. De president is derhalve van oordeel dat hij gelet </para>
      <para>op het bepaalde bij artikel 82, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, mede bezien in het </para>
      <para>licht van de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel, bevoegd is van de </para>
      <para>onderhavige verzoeken om voorlopige voorziening kennis te nemen.</para>
      <para>De president stelt in de eerste plaats vast dat het onderdeel van het besluit waar </para>
      <para>verzoeksters bezwaren zich in hoofdzaak tegen richten, te weten het bepaalde in het </para>
      <para>hiervoor weergegeven besluit van 16 november 2000 (nummer 00-074) onder artikel </para>
      <para>5.6.4.1, thans en in iets afgezwakte vorm, is vervat in artikel 13, eerste lid, van de </para>
      <para>Overgangswet (artikel 12 van het wetsvoorstel).</para>
      <para>Wanneer artikel 13 voornoemd in zijn geheel in werking is getreden zal het door </para>
      <para>verzoekster gewraakte systeem van reserveringen van transportcapaciteit voor elektriciteit </para>
      <para>op de landsgrensoverschrijdende verbindingen in de wet zijn vervat. Tevens zal tengevolge </para>
      <para>van het bepaalde bij artikel 5.6.4.7 van de Netcode het aangevallen onderdeel van het </para>
      <para>besluit van verweerder van 16 november 2000 alsdan vervallen. </para>
      <para>De president gaat er thans, blijkens het gestelde in de brief van 24 januari 2001 van de </para>
      <para>Minister van Economische Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, vanuit dat </para>
      <para>artikel 13 van de Overgangswet binnenkort, doch uiterlijk voor 1 maart 2001, volledig in </para>
      <para>werking zal treden.</para>
      <para>Na volledige inwerkingtreding van artikel 13 van de Overgangswet ligt het in </para>
      <para>omstandigheden als hier aan de orde niet langer binnen het bereik van de president van het </para>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven een voorziening te treffen als thans gevraagd. </para>
      <para>Naar het voorlopig oordeel van de president vloeit het thans door verzoeksters gewraakte </para>
      <para>systeem van reserveringen van transportcapaciteit voor elektriciteit op de </para>
      <para>landsgrensoverschrijdende verbindingen alsdan immers rechtstreeks voort uit het bepaalde </para>
      <para>in artikel 13, eerste lid, van de Overgangswet. Nadere besluiten van verweerder voor het </para>
      <para>operationeel maken van dat systeem zijn naar het voorlopig oordeel van de president niet </para>
      <para>nodig. </para>
      <para>Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat zelfs als de door verzoeksters gevraagde </para>
      <para>voorziening zou worden getroffen, deze slechts gelding zou kunnen hebben voor de </para>
      <para>periode dat het voorwerp van die voorziening zou bestaan. Deze periode zal, naar op grond </para>
      <para>van het voorgaande moet worden aangenomen, slechts zeer kort zijn.    </para>
      <para>De president constateert derhalve enerzijds dat een eventueel te treffen voorziening slechts </para>
      <para>gedurende zeer korte periode effectief zou kunnen zijn. Anderzijds is niet aannemelijk </para>
      <para>geworden dat de belangen van verzoeksters, bezien in het licht van hun bij brief van </para>
      <para>20 december 2000 desgevraagd ter zake gegeven nadere toelichting, gedurende die, als </para>
      <para>gezegd, korte periode dat hun verzoeken om voorlopige voorziening nog van enig </para>
      <para>(substantieel) voorwerp zullen zijn voorzien, zozeer in de knel zouden raken dat het treffen </para>
      <para>van een voorlopige voorziening voor alleen die periode ge‹ndiceerd zou zijn.</para>
      <para>Dat (de president van) het College van Beroep voor het bedrijfsleven na volledige </para>
      <para>inwerkingtreding van artikel 13 van de Overgangswet in andere casusposities eventueel in </para>
      <para>voorkomend geval geroepen zou zijn artikel 13 voornoemd in de beoordeling te betrekken </para>
      <para>maakt het vorenstaande niet anders.</para>
      <para>De president is de wederzijdse belangen afwegend derhalve van oordeel dat de belangen </para>
      <para>aan de zijde van verzoeksters in het licht van het vorenstaande niet opwegen tegen de </para>
      <para>belangen die de derde-belanghebbende partij onmiskenbaar heeft bij handhaving van de </para>
      <para>thans bij besluit in het leven geroepen, en eerdaags bij wet te continueren, status quo.</para>
      <para>Gelet op het vorenstaande bestaat er naar het oordeel van de president aanleiding om met </para>
      <para>toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder </para>
      <para>(verdere) zitting uitspraak te doen.</para>
      <para>De president acht geen grond aanwezig voor een veroordeling in de kosten van deze </para>
      <para>procedure met toepassing van het bepaalde bij en krachtens artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6.	De beslissing</para>
    <para />
    <para>De president wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af:</para>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. R.R. Winter					w.g. R.P.H. Rozenbrand</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>