<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0037</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T14:11:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0037</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/227</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:4&amp;g=2001-02-08">Algemene wet bestuursrecht 3:4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:13&amp;g=2001-02-08">Algemene wet bestuursrecht 7:13</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007820&amp;artikel=8&amp;g=2001-02-08">Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten 8</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=86&amp;g=2001-02-08">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 86</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0037">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0037</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0037 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 08-02-2001 / AWB 98/227</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0037:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0037:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 98/227						8 februari 2001</para>
      <para>	11200</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Maatschap A, te B, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.A.J.H. van Houtum, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr G. de Goede, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 19 maart 1998 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 10 februari 1998.</para>
      <para>Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen </para>
      <para>de beslissing waarbij een tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 86 van de </para>
      <para>Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is vastgesteld, na verlaging van het berekende </para>
      <para>bedrag met 70%.</para>
      <para>Verweerder heeft op 28 mei 1998 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 11 juli 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun </para>
      <para>standpunt nader hebben doen toelichten.</para>
      <para>Het College heeft verweerder ter zitting in de gelegenheid gesteld daarna nog enkele </para>
      <para>vragen schriftelijk te beantwoorden en daarbij nog nadere stukken in te dienen.</para>
      <para>Bij brief van 1 augustus 2000 heeft verweerder van die gelegenheid gebruik gemaakt.</para>
      <para>Bij brief van 21 augustus 2000 heeft appellante hierop gereageerd.</para>
      <para>Bij brief van 29 december 2000 heeft het College partijen in de gelegenheid gesteld te </para>
      <para>berichten of zij nog nadere behandeling ter zitting wensten.</para>
      <para>Vervolgens heeft het College het onderzoek met instemming van partijen zonder nadere </para>
      <para>zitting gesloten op 12 januari 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Regelgeving</para>
      <para>Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Wet van </para>
      <para>6 februari 1997, Stb. 630 (hierna: GWD)</para>
      <para>"	Artikel 21</para>
      <para>	1. Een door Onze minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester (.) </para>
      <para>zo spoedig mogelijk mede welke maatregelen tot bestrijding van de ziekte door </para>
      <para>hem nodig worden geacht.</para>
      <para>	2. De burgemeester neemt de nodig geachte maatregelen zo spoedig mogelijk.</para>
      <para>	3. In spoedeisende gevallen neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze </para>
      <para>maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 22</para>
      <para>	1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	f. het doden van zieke en verdachte dieren;</para>
      <para>	g. het onschadelijk maken van gedode of gestorven, zieke en verdachte dieren, </para>
      <para>en van produkten en voorwerpen, die besmet zijn of ervan worden verdacht </para>
      <para>gevaar op te leveren voor de verspreiding van smetstof;</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	2. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 86</para>
      <para>	1. Uit 's Rijks kas wordt aan de eigenaar een tegemoetkoming in de schade </para>
      <para>uitgekeerd, indien:</para>
      <para>	a. dieren krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden </para>
      <para>gedood;</para>
      <para>	b. produkten en voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, </para>
      <para>onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt;</para>
      <para>	c. maatregelen krachtens het bepaalde in artikel 22, tweede lid,  onderdeel f en </para>
      <para>g, zijn toegepast.</para>
      <para>	2. De tegemoetkoming in de schade bedraagt:</para>
      <para>	a. voor verdachte dieren: de waarde in gezonde toestand,</para>
      <para>	b. voor zieke dieren: het bij algemene maatregel van bestuur te bepalen </para>
      <para>gedeelte van de waarde in gezonde toestand,</para>
      <para>	c. voor produkten en voorwerpen: de waarde op het moment van de maatregel,</para>
      <para>	met dien verstande, dat het aldus bepaalde bedrag met bij algemene maatregel </para>
      <para>van bestuur vast te stellen percentages kan worden verlaagd. Deze percentages </para>
      <para>verschillen naar gelang aan de in de laatste zinsnede bedoelde maatregel </para>
      <para>gestelde eisen ter zake van de inrichting van het bedrijf is voldaan en door de </para>
      <para>eigenaar in die maatregel bedoelde maatregelen zijn genomen om de </para>
      <para>gezondheid van de dieren op het bedrijf te waarborgen.</para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 91</para>
      <para>	Schade veroorzaakt door de toepassing van maatregelen, als bedoeld in artikel </para>
      <para>17 of 21, kan voor zover deze niet uit hoofde van de artikelen 86 of 90 voor </para>
      <para>vergoeding in aanmerking komt, in door Onze Minister te bepalen bijzondere </para>
      <para>gevallen geheel of gedeeltelijk uit 's Rijks kas worden vergoed."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Besluit bescherming tegen bepaalde zo”nosen en bestrijding besmettelijke dierziekten, Stb. </para>
      <para>1996, 156 (hierna: het Besluit)</para>
      <para>"	Artikel 8</para>
      <para>	1. De in artikel 86, tweede lid, onderdeel c, van de wet bedoelde percentages </para>
      <para>tot verlaging van de tegemoetkoming in de schade bedragen bij het uitbreken </para>
      <para>van varkenspest bij varkens:</para>
      <para>	a. indien op een bedrijf varkens afkomstig van vier of meer andere bedrijven </para>
      <para>aanwezig zijn: 35%;</para>
      <para>	b. indien de houder op de eerste vordering van een aangewezen ambtenaar niet </para>
      <para>kan aantonen van welke bedrijven de op zijn bedrijf aanwezige varkens </para>
      <para>afkomstig zijn: 100%;</para>
      <para>	c. indien door een  aangewezen ambtenaar is geconstateerd dat niet alle varkens </para>
      <para>op het bedrijf overeenkomstig de door bedrijfslichamen als bedoeld in artikel </para>
      <para>66 Wet op de Bedrijfsorganisatie vastgestelde regelen of overeenkomstig het </para>
      <para>bepaalde bij of krachtens artikel 9 Veewet, behoudens het geval waarin artikel </para>
      <para>9a, tweede lid, Veewet van toepassing is, of artikel 96 van de wet van een merk </para>
      <para>zijn voorzien of zijn geregistreerd: 35%;</para>
      <para>	d. (. tot en met i .)</para>
      <para>	2. Voor de bepaling of de in het eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde situatie </para>
      <para>zich voordoet, worden varkens waarvan de houder op eerste vordering van een </para>
      <para>aangewezen ambtenaar aantoont dat zij langer dan vier maanden </para>
      <para>ononderbroken op zijn bedrijf aanwezig zijn, buiten beschouwing gelaten.</para>
      <para>	3. Indien op een bedrijf meer dan een der onderdelen a tot en met i van het </para>
      <para>eerste lid van toepassing zijn, worden de toepasselijke percentages bij elkaar </para>
      <para>opgeteld tot een maximum van 100."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verordening van het Landbouwschap inzake de identificatie en registratie van varkens </para>
      <para>1995, PBO-blad, jaargang 45, nummer 83, L67, 29 december 1995 (hierna: I&amp;R-</para>
      <para>verordening).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Artikel 9</para>
      <para>	1. De ondernemer is verplicht binnen 2 werkdagen alle mutaties in zijn </para>
      <para>varkensstapel met uitzondering van geboorten, aan het I &amp; R bureau te melden.</para>
      <para>	2. Het melden wordt volledig en naar waarheid gedaan volgens de door de </para>
      <para>Afdeling te stellen regels en heeft in ieder geval betrekking op:</para>
      <para>	a. het UBN van betrokken vestiging;</para>
      <para>	b. het UBN van de vestiging of van het bedrijf waaraan afgestaan of waarvan </para>
      <para>ontvangen is;</para>
      <para>	c. indien dit afwijkt van de in onderdeel b. bedoelde UBN's, het nummer op het </para>
      <para>merk dat is aangebracht op het  varken waarop de mutatie betrekking heeft;</para>
      <para>	d. het aantal varkens en de soort varkens waarop de mutatie betrekking heeft;</para>
      <para>	e. de datum van mutatie;</para>
      <para>	f. in voorkomend geval het nummers van het gezondheidscertificaat; en</para>
      <para>	g. de wijze van vervoer."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	De vaststaande feiten</para>
      <para>Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>-	Het bedrijf van appellante is in verband met de uitbraak van klassieke varkenspest </para>
      <para>besmet verklaard.</para>
      <para>-	Op 19 en 26 februari 1997 is de varkensstapel van appellantes bedrijf, gevestigd te B, </para>
      <para>met UBN nr. 1751860, getaxeerd. De totale waarde is door de taxateur vastgesteld op </para>
      <para>fl. 369.930,15. De taxatieformulieren zijn door de eigenaar of diens gemachtigde </para>
      <para>ondertekend. Vervolgens is het bedrijf geruimd.</para>
      <para>- Blijkens een rapport van 13 maart 1997 heeft de Algemene Inspectiedienst van </para>
      <para>verweerders ministerie (hierna: AID) ten behoeve van de schaderegeling op </para>
      <para>appellantes bedrijf een onderzoek ingesteld naar de naleving van voor dat bedrijf </para>
      <para>geldende voorschriften, als bedoeld in artikel 8 van het Besluit. Volgens dat </para>
      <para>onderzoek zijn op het bedrijf van appellante van meer dan 3 andere varkens-</para>
      <para>houderijen varkens aangevoerd (respectievelijk op 6 december 1996 1 fokvarken van </para>
      <para>het bedrijf C, op 19 december 1996 6 fokgelten en op 24 januari 1997 eveneens 6 </para>
      <para>fokgelten van het bedrijf Mts. D, op 14 januari 1997 </para>
      <para>3 fokgelten afkomstig van het bedrijf E en voorts, aldus het rapport: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Aanvoer van mestbiggen, waarvan de aanvoerdatum niet bekend is, afkomstig </para>
      <para>van het eveneens tot de Maatschap A behorend varkensfokbedrijf gelegen aan </para>
      <para>te B (UBN 2115591), welk bedrijf op</para>
      <para>12 februari 1997 preventief is geruimd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Bovendien heeft, volgens het AID-rapport, appellante enkele malen de aanvoer van </para>
      <para>varkens niet binnen 2 werkdagen gemeld aan het I &amp; R bureau.</para>
      <para>-	Bij besluit van 18 maart 1997 heeft verweerder appellante - zakelijk weergegeven - </para>
      <para>meegedeeld dat op grond van dat onderzoek op het bedrag van de getaxeerde waarde </para>
      <para>van de varkensstapel een korting van 70% is toegepast en dat appellante als </para>
      <para>tegemoetkoming in de schade een bedrag van fl. 110.979,05 zal worden uitbetaald.</para>
      <para>-	Op het hiertegen gemaakte bezwaar heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>3.1 Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen de verlaging </para>
      <para>van 70% van de tegemoetkoming in de schade ongegrond verklaard.</para>
      <para>3.2 De overwegingen van verweerder ten aanzien van de bezwaren van appellante tegen de </para>
      <para>verlaging van de tegemoetkoming, voorzover die verlaging haar grond vindt in het </para>
      <para>bepaalde bij artikel 86, tweede lid, GWD juncto artikel 8, eerste lid, onder c, van het </para>
      <para>Besluit wegens een aantal malen niet melden van de aanvoer van varkens bij het I&amp;R </para>
      <para>bureau Varkens zijn, voorzover hier van belang, gelijkluidend aan die welke verweerder </para>
      <para>ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing op het bezwaar dat ter beoordeling stond in </para>
      <para>de - aan partijen door het College toegezonden - uitspraak AWB 97/1599. Deze beslissing </para>
      <para>is aan die uitspraak gehecht en wordt geacht daarvan deel uit te maken, zodat het College </para>
      <para>voor de overwegingen van verweerder ten aanzien van bedoelde bezwaren naar de inhoud </para>
      <para>van genoemde uitspraak verwijst.</para>
      <para>3.3 De overwegingen die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing tot </para>
      <para>ongegrondverklaring van appellantes bezwaren tegen de taxatie en tegen de verlaging van </para>
      <para>de tegemoetkoming in de schade, voorzover die haar grond vindt in het bepaalde bij </para>
      <para>artikel 86, tweede lid, GWD juncto artikel 8, eerste lid, onder a, van het Besluit juncto </para>
      <para>artikel 8, derde lid, van het Besluit, luiden, voorzover hier van belang, als volgt:</para>
      <para>"	Op grond van artikel 87 van de Wet zijn Uw varkens, alvorens te worden </para>
      <para>gedood, en de voorwerpen en producten, alvorens te worden vernietigd, </para>
      <para>gewaardeerd. Zoals dit is voorgeschreven in artikel 88, eerste lid, van de Wet, </para>
      <para>is de waardevaststelling uitgevoerd door een be‰digd deskundige. Deze was </para>
      <para>vergezeld van een medewerker van de Rijksdienst voor de keuring van vee en </para>
      <para>vlees (hierna te noemen: de RVV). Uw varkens en voorwerpen en producten </para>
      <para>zijn gewaardeerd naar de omstandigheden van Uw bedrijf en de specifieke </para>
      <para>kenmerken van de varkens en voorwerpen en producten.</para>
      <para>U heeft de waardevaststelling ondertekend. Daarmee heeft U ingestemd met de </para>
      <para>vastgestelde waarde en afgezien van inschakeling van de kantonrechter om een </para>
      <para>hertaxatie te laten uitvoeren, zoals voorzien in artikel 88, tweede lid, van de </para>
      <para>Wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U heeft in Uw bezwaarschrift gesteld dat U zich niet kunt verenigen met de </para>
      <para>waardevaststelling, dat U zich niet bewust was van hetgeen U ondertekende </para>
      <para>omdat U zich in een emotionele toestand bevond en dat U min of meer </para>
      <para>gedwongen de taxatie voor akkoord heeft getekend. Hierover merk ik het </para>
      <para>volgende op.</para>
      <para>Mij is niet gebleken dat de taxatie op een onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. </para>
      <para>Zoals gezegd, is de taxatie uitgevoerd door een daartoe be‰digd deskundige, </para>
      <para>die door ervaring en kennis op juiste wijze de waarde van de op Uw bedrijf </para>
      <para>aanwezige varkens en voorwerpen en producten heeft vastgesteld. Mij is niet </para>
      <para>gebleken dat de taxatie procedureel of inhoudelijk onjuist is geschied. </para>
      <para>Overigens heeft U in Uw bezwaarschrift niet concreet aangegeven waarom de </para>
      <para>waardevaststelling niet juist zou zijn, doch heeft U zich beperkt tot een </para>
      <para>algemene stelling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is voorstelbaar dat U zich ten tijde van de taxatie in een emotionele </para>
      <para>toestand bevond. Mij is echter niet gebleken dat deze toestand dermate ernstig </para>
      <para>was, dat U ten aanzien van de vastgestelde waarde en de ondertekening, </para>
      <para>waarbij U zich akkoord verklaarde met deze vastgestelde waarde, niet Uw wil </para>
      <para>kon bepalen en zich niet bewust was van de situatie. Daarbij neem ik in </para>
      <para>aanmerking dat op grond van de regelgeving en op grond van het feit dat </para>
      <para>taxatie ten behoeve van een tegemoetkoming in de schade reeds enige jaren </para>
      <para>praktijk is, het als algemeen bekend mag worden verondersteld dat men zich </para>
      <para>niet hoeft neer te leggen bij een (eerste) taxatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook U had op de hoogte kunnen zijn, althans op de hoogte behoren te zijn, dat </para>
      <para>ten tijde van de taxatie bezwaar kan worden gemaakt tegen de vastgestelde </para>
      <para>waarde en dat in dat geval de kantonrechter ingeschakeld wordt.</para>
      <para>De juistheid van Uw stelling dat U (anderszins) min of meer gedwongen werd </para>
      <para>de waardevaststelling voor akkoord te tekenen is door U niet aannemelijk </para>
      <para>gemaakt. Evenmin is dit mij op enigerlei wijze gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U heeft verzocht alsnog de kantonrechter in te schakelen voor een hertaxatie. </para>
      <para>Aan dit verzoek kan echter niet tegemoet worden gekomen. U heeft immers </para>
      <para>door ondertekening zonder voorbehoud ten aanzien van de waardevaststelling </para>
      <para>genoegen genomen met de aldus bepaalde waarde. Inschakeling van de </para>
      <para>kantonrechter ten behoeve van een hertaxatie is derhalve niet aan de orde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Tegemoetkoming in de schade en de toegepaste korting</para>
    <para />
    <para>Een gesloten systeem van tegemoetkomingen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Wet kent een gesloten systeem van tegemoetkomingen in de schade. De </para>
      <para>wetgever heeft beoogd slechts een beperkt aantal vormen van schade voor een </para>
      <para>tegemoetkoming in aanmerking te doen komen. Deze zijn concreet omschreven </para>
      <para>in de bepalingen omtrent tegemoetkomingen in de schade in de Wet, zijnde de </para>
      <para>artikelen 85 tot en met 90. Ten aanzien van andere vormen van voorzienbare </para>
      <para>schade heeft de wetgever de bedoeling gehad dat deze in principe niet uit </para>
      <para>'s Rijks kas worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De schadevergoeding zoals deze aan U wordt uitgekeerd, is niet meer dan een </para>
      <para>tegemoetkoming in de door U geleden schade. Indien Uw bedrijf de schade die </para>
      <para>niet door mij vergoed wordt niet kan dragen, is dat een omstandigheid die voor </para>
      <para>Uw rekening komt. Ten aanzien van de uitingen van bewindslieden merk ik op, </para>
      <para>dat aan U geen concrete toezeggingen zijn gedaan dat Uw schade geheel </para>
      <para>vergoed zou worden. Van enig opgewekt vertrouwen dat gehonoreerd dient te </para>
      <para>worden is in Uw geval dan ook geen sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>U wijst in Uw bezwaarschrift op de tekst van het tweede lid van artikel 86 van </para>
      <para>de Wet en betoogt dat het opleggen van een korting een discretionarie </para>
      <para>bevoegdheid van de minister is. Naar Uw mening dient, alvorens een korting </para>
      <para>op te leggen, de afweging te worden gemaakt in hoeverre een korting redelijk </para>
      <para>en billijk moet worden geacht en zo ja, hoe groot die korting onder de gegeven </para>
      <para>omstandigheden mag zijn. De in het besluit genoemde percentages zouden </para>
      <para>maximumpercentages zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uw stellingen acht ik niet juist. Hoewel in de formulering van het tweede lid </para>
      <para>van artikel 86 van de Wet het woord "kan" is gebruikt, heeft deze formulering </para>
      <para>niet de betekenis van een discretionarie bevoegdheid van de minister die in zou </para>
      <para>houden dat in elk individueel geval zou mogen of zou moeten worden gewogen </para>
      <para>of een korting wel of niet wordt toegepast. De bepaling dient zo te worden </para>
      <para>gelezen, dat als het noodzakelijk wordt geacht dat bij een bepaalde </para>
      <para>besmettelijke dierziekte een korting op de tegemoetkoming wordt toegepast, de </para>
      <para>wetgever heeft gemeend dat dit dan bij algemene maatregel van bestuur dient te </para>
      <para>worden geregeld. Door het vaststellen van een algemene maatregel van bestuur </para>
      <para>(in casu het Besluit) is gebruik gemaakt van voornoemde bevoegdheid, zodat in </para>
      <para>de daarin genoemde gevallen deze korting toegepast moet worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Is eenmaal besloten tot de introductie van een kortingsregime, dan dienen de in </para>
      <para>de algemene maatregel van bestuur bepaalde kortingen in de in de algemene </para>
      <para>maatregel van bestuur bepaalde gevallen onverkort te worden toegepast. De </para>
      <para>algemene maatregel van bestuur biedt geen ruimte tot individuele afweging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>E‚n van de in het Besluit genoemde maatregelen waarvan het belang zo groot </para>
      <para>is dat de naleving wordt versterkt door de toepassing van een kortings-</para>
      <para>percentage, is het identificeren en registreren van de varkens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande geldt eveneens voor het opleggen van een korting indien op het </para>
      <para>bedrijf varkens aanwezig zijn afkomstig van vier of meer verschillende </para>
      <para>bedrijven. Contacten tussen varkens van verschillende bedrijven is de </para>
      <para>belangrijkste besmettings- en verspreidingsbron van varkenspest. Met het </para>
      <para>opleggen van een korting wordt het verhoogde risico dat gepaard gaat met het </para>
      <para>aanvoeren van varkens van meer dan een bepaald aantal bedrijven, gedragen </para>
      <para>door degene die een dergelijk risico neemt. Hiermee wordt de varkenshouder </para>
      <para>gestimuleerd om van maximaal drie bedrijven varkens te betrekken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Evenredigheid van het kortingsregime.</para>
      <para>U acht de kortingen van 35-70%, zoals deze worden toegepast op grond van </para>
      <para>artikel 8 van het Besluit, onevenredig. U acht artikel 8 van het Besluit in strijd </para>
      <para>met hetgeen de formele wetgever in artikel 86 van de Wet heeft beoogd, nu de </para>
      <para>kortingsbepalingen ongenuanceerd en niet wezenlijk gedifferentieerd zouden </para>
      <para>zijn en een hardheidsclausule ontbreekt. Zoals hierboven reeds is uiteengezet </para>
      <para>zijn de desbetreffende kortingspercentages dwingend voorgeschreven in een </para>
      <para>algemene maatregel van bestuur. Het Besluit voorziet niet in de mogelijkheid </para>
      <para>daarvan af te wijken. Zoals gezegd, dienen de tegemoetkomingen in de schade </para>
      <para>overeenkomstig de percentages en de gevallen, die in artikel 8 van het Besluit </para>
      <para>zijn bepaald, te worden gekort. Gelet op het voorgaande zijn Uw verwijzingen </para>
      <para>naar de uitspraken niet relevant. De door U genoemde jurisprudentie heeft </para>
      <para>immers betrekking op kortingen die niet bij algemeen verbindend voorschrift </para>
      <para>waren geregeld.</para>
      <para>Overigens acht ik het desbetreffende kortingsregime niet onevenredig. Door </para>
      <para>middel van de kortingen dragen degenen, die door hun handelwijze extra risico </para>
      <para>veroorzaken met betrekking tot het verspreiden van dierziekten, zelf de </para>
      <para>consequenties. In artikel 8 van het Besluit wordt in het algemeen de korting </para>
      <para>hoger naarmate het risico met betrekking tot het verspreiden van dierziekten </para>
      <para>groter is door de desbetreffende handelwijze of bedrijfsomstandigheden. Zo </para>
      <para>houden de kortingen onder andere verband met de mate waarin het zogenaamde </para>
      <para>traceringsonderzoek wordt belemmerd.</para>
      <para>Evenmin valt in te zien dat het kortingsregime in strijd komt met hetgeen de </para>
      <para>wetgever in artikel 86 van de Wet heeft beoogd. Daarbij neem ik in aanmerking </para>
      <para>dat het desbetreffende kortingsregime nagenoeg hetzelfde is als eerder was </para>
      <para>opgenomen in de Veewet zelf, en dat dit kortingsregime als voorloper op de </para>
      <para>bepaling onder de huidige Wet in de Veewet was opgenomen. De </para>
      <para>evenredigheid van het stelsel is derhalve destijds ook beoordeeld door de </para>
      <para>formele wetgever. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet blijkt niet dat </para>
      <para>de wetgever een wijziging ten opzichte van de destijds geldende Veewet heeft </para>
      <para>beoogd. Zoals uit het voorgaande moge blijken, is Uw stelling dat in de Veewet </para>
      <para>niet was voorzien in een korting op de tegemoetkoming feitelijk onjuist.</para>
      <para>Ik merk hier nog op dat het kortingsregime, zoals dat is neergelegd in het </para>
      <para>Besluit, de resultante is van een evaluatie van het onder de Veewet geldende </para>
      <para>kortingsregime. Deze evaluatie heeft slechts tot kleine aanpassingen geleid van </para>
      <para>hetgeen onder de Veewet geldend recht was. Bovendien is omtrent het </para>
      <para>kortingsregime overleg geweest met het georganiseerde bedrijfsleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Kortingen indien op het bedrijf varkens van vier of meer bedrijven aanwezig </para>
      <para>zijn.</para>
      <para>Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder a, van het Besluit, wordt de </para>
      <para>tegemoetkoming in de schade (op grond van artikel 86) met 35% gekort, indien </para>
      <para>is geconstateerd dat op het bedrijf varkens van vier of meer bedrijven aanwezig </para>
      <para>zijn. Hierbij geldt op grond van artikel 8, tweede lid, van het Besluit, dat </para>
      <para>varkens waarvan de houder op eerste vordering van een aangewezen ambtenaar </para>
      <para>aantoont dat zij langer dan vier maanden ononderbroken op zijn bedrijf </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>aanwezig zijn, buiten beschouwing worden gelaten. Varkens die langer dan </para>
      <para>4 maanden op een bedrijf aanwezig zijn spelen geen rol bij de insleep van </para>
      <para>varkenspest op het bedrijf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de toelichting op artikel 8, eerste lid, van het Besluit, blijkt dat de </para>
      <para>kortingsregeling zoals deze was opgenomen in de Veewet, is overgenomen. Dit </para>
      <para>omvat eveneens de hiervoor vermelde kortingsgrond, zoals bedoeld in artikel 8, </para>
      <para>eerste lid, onderdeel a, van het Besluit. Uit de Memorie van Toelichting en </para>
      <para>Memorie van Antwoord van de kortingsregeling in de Veewet (TK 1988-1989, </para>
      <para>21 243, nrs 3 en 6) blijkt dat deze kortingsgrond is gebaseerd op de </para>
      <para>omstandigheid dat varkenspest met name door contacten tussen varkens van </para>
      <para>verschillende bedrijven verspreid wordt. Het risico op een mogelijke insleep </para>
      <para>van het varkenspestvirus op het bedrijf wordt groter naarmate er van meer </para>
      <para>bedrijven varkens worden betrokken. Indien een varkenshouder door van meer </para>
      <para>dan een bepaald aantal bedrijven varkens te betrekken, dit extra risico neemt </para>
      <para>met betrekking tot het uitbreken of verspreiden van dierziekten, wordt een deel </para>
      <para>van de gevolgen van de bestrijding van de dierziekte voor zijn rekening </para>
      <para>gebracht. Dit wordt gerealiseerd door het opleggen van een 35% korting op de </para>
      <para>schadeloosstelling. Deze maatregel heeft tevens een preventieve werking </para>
      <para>aangezien de varkenshouder hierdoor wordt gestimuleerd om zijn varkens te </para>
      <para>betrekken van een beperkt aantal bedrijven, te weten maximaal drie. Heeft een </para>
      <para>varkenshouder varkens op zijn bedrijf aanwezig afkomstig van vier of meer </para>
      <para>bedrijven dan wordt er een korting opgelegd. Het Besluit is naar aanleiding van </para>
      <para>de evaluatie van de kortingsregeling versoepeld. De evaluatie richtte zich op de </para>
      <para>praktische haalbaarheid van en de veterinaire risico's die zijn verbonden aan de </para>
      <para>criteria van de kortingsregeling. Werd onder de Veewet nog een korting </para>
      <para>opgelegd van 35% indien er op een bedrijf varkens aanwezig zijn van drie </para>
      <para>bedrijven of meer, waarbij varkens die langer dan zes maanden op het bedrijf </para>
      <para>aanwezig zijn buiten beschouwing worden gelaten; thans ligt de kortingsgrens </para>
      <para>bij vier of meer bedrijven en vier maanden.</para>
      <para>De wetgever heeft blijkens het voorgaande, derhalve zeer bewust de grens bij </para>
      <para>vier of meer gelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen de AID heeft geconstateerd met betrekking tot het te laat en het niet </para>
      <para>aanmelden, wordt door U betwist. U betwist dat U van vier bedrijven varkens </para>
      <para>heeft aangevoerd, gedurende de aan de verdachtverklaring voorafgaande vier </para>
      <para>maanden.</para>
      <para>U stelt dat U de AID gewezen heeft op het meer dan vier maanden aanwezig </para>
      <para>zijn van de varkens, zoals bedoeld op blz. 2, onder vraag 1, punt 5 van het </para>
      <para>AID-rapport op het bedrijf. Tevens heeft U de AID-ambtenaren gewezen op de </para>
      <para>in de stallen aanwezige kaarten met de daarop vermelde aanvoerdatum van </para>
      <para>9 oktober 1996 van de desbetreffende varkens. Ten aanzien van Uw stelling </para>
      <para>merk ik het volgende op.</para>
      <para>Bij navraag van de AID-ambtenaren die Uw bedrijf hebben gecontroleerd in </para>
      <para>het kader van het Besluit, de heren A.H.J. Reijntjes en de heer P.F. van </para>
      <para>Buggenum, is mij het volgende gebleken.</para>
      <para>Beide AID-ambtenaren kunnen zich niet herinneren dat U zou hebben gewezen </para>
      <para>op het langer dan vier maanden aanwezig zijn van de mestvarkens. Tevens </para>
      <para>kunnen zij zich niet herinneren dat zij zouden zijn gewezen op de kaarten en de </para>
      <para>vermeende aanvoerdatum van 9 oktober 1997. Zij verklaarden dat U heeft </para>
      <para>gezegd dat U de mestbiggen van Uw andere bedrijf op de B1 heeft aangevoerd. </para>
      <para>Op Uw bedrijf op de B1 was plaatsgebrek en de biggen waren nog niet </para>
      <para>verkoopbaar. Derhalve heeft U de mestbiggen naar Uw bedrijf op de B2 </para>
      <para>vervoerd. Op het bedrijf op de B2 heeft U ze met een gewicht van ongeveer 25 </para>
      <para>kilo aangevoerd.</para>
      <para>Volgens de AID-ambtenaren ging het bij de mestvarkens, zoals bedoeld op blz. </para>
      <para>2, onder vraag 1, punt 5, van het AID-rapport, om in totaal 15 mestvarkens. Zij </para>
      <para>hebben in totaal 3 mestvarkens aangetroffen van 40-50 kilo; 3 mestvarkens van </para>
      <para>50-60 kilo, en 9 mestvarkens van ongeveer 70-80 kilo. Aangezien mestvarkens </para>
      <para>na vier maanden gemiddeld een gewicht hebben bereikt van 100-110 kilo, kan </para>
      <para>het feitelijk al niet zo zijn dat de mestvarkens langer dan vier maanden op het </para>
      <para>bedrijf aanwezig zouden zijn. Gelet op het vorenstaande acht ik Uw stelling </para>
      <para>dienaangaande dan ook feitelijk onjuist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast heeft U aangevoerd dat U Uw andere bedrijf op de B1 slechts als een </para>
      <para>andere vestiging ziet en de twee vestigingen samen beschouwd als ‚‚n bedrijf. </para>
      <para>Om deze reden heeft U over het vervoer van de mestvarkens ook geen </para>
      <para>vervoersdocumenten opgemaakt noch heeft U het vervoer aangemeld bij het </para>
      <para>I&amp;R bureau. Uw stelling treft geen doel. Het bedrijf op de B1 heeft immers een </para>
      <para>eigen UBN-nummer, zodat het voor een juiste registratie noodzakelijk is dat </para>
      <para>verplaatsingen van varkens tussen de beide bedrijven van een </para>
      <para>ververvoersdocument voorzien worden en gemeld worden aan het I &amp; R-</para>
      <para>bureau. Juist omdat de bedrijven als afzonderlijke bedrijven zijn geregistreerd, </para>
      <para>waarbij de bedrijven niet als elkaars nevenvestigingen zijn geregistreerd, is het </para>
      <para>van belang dat onderlinge verplaatsingen op juiste wijze gemeld worden. </para>
      <para>Indien bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat er besmette varkens van bedrijf A </para>
      <para>daarvoor afkomstig waren van bedrijf B, is het mogelijk dat bedrijf B niet als </para>
      <para>eerste mogelijkheid van besmettingsbron wordt beschouwd, terwijl dat </para>
      <para>vanwege het transport tussen B en A wel zo zou zijn. Een goede tracering </para>
      <para>wordt derhalve gefrustreerd indien verplaatsingen tussen twee bedrijven met </para>
      <para>eigen UBN's niet worden gemeld. Het (voor zover mogelijk) hanteren van </para>
      <para>afzonderlijke UBN-nummers is overigens een keuze en verantwoordelijkheid </para>
      <para>van de ondernemer zelf. Ik merk in dit kader op dat U ter vergadering van de </para>
      <para>Commissie voor de bezwaarschriften heeft verklaard dat U van de GD heeft </para>
      <para>vernomen dat U voor de twee bedrijven ‚‚n UBN kon gebruiken. U heeft </para>
      <para>echter de twee nummers aangehouden omdat dit makkelijker was voor </para>
      <para>destructie. U heeft derhalve bewust gekozen voor het handhaven van twee </para>
      <para>afzonderlijke UBN-nummers voor zowel Uw bedrijf op de B2 als Uw bedrijf </para>
      <para>op de B1.</para>
      <para>Uw stelling dienaangaande acht ik derhalve ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U betwist niet dat de fokgelten afkomstig zijn van twee andere bedrijven en de </para>
      <para>fokbeer van een derde bedrijf. U stelt dat Uw bedrijf geen bedrijf is waar op </para>
      <para>grootschalige wijze contacten zijn met andere bedrijven. De aanvoer van de </para>
      <para>fokgelten en de fokbeer betreft volgens U slechts de onontkoombare instroom </para>
      <para>van nieuw bloed. Uw stelling treft geen doel. De door U aangevoerde </para>
      <para>omstandigheden doen niet af aan de reeds hierboven vermelde risico's die </para>
      <para>gepaard gaan met het hebben van varkens van meer dan drie bedrijven, ook </para>
      <para>indien het "slechts" ‚‚n fokbeer van ‚‚n bedrijf betreft. Ook deze fokbeer is </para>
      <para>een potenti‰le virusdrager en kan derhalve voor verspreiding van het </para>
      <para>varkenspestvirus zorgdragen.</para>
      <para>Uw stelling dienaangaande acht ik derhalve eveneens ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omtrent Uw stelling dat bij de geautomatiseerde verwerking bij het I &amp; R </para>
      <para>bureau iets fout is gegaan, merk ik op dat U slechts een vermoeden heeft dat de </para>
      <para>geautomatiseerde verwerking bij het I &amp; R bureau niet juist is verlopen, doch </para>
      <para>dat Uw vermoeden op geen enkele wijze door U is onderbouwd. Ook overigens </para>
      <para>is mij niet gebleken dat het computersysteem niet naar behoren zou hebben </para>
      <para>gewerkt. Ik ga derhalve uit van het feit dat de transporten van 15-01-97, van </para>
      <para>25-01-97 en van 04-02-97 te laat zijn gemeld en de transporten van 06-12-96, </para>
      <para>19-12-96 en het(de) transport(en) van een aantal mestbiggen niet zijn gemeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien U varkens afkomstig van vier bedrijven op Uw bedrijf aanwezig </para>
      <para>had, is op grond van artikel 8, eerste lid, onder a, van het Besluit, terecht een </para>
      <para>korting van 35% toegepast op Uw tegemoetkoming in de schade.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien U eveneens niet voldaan heeft aan artikel 9 van de Verordening van </para>
      <para>het Landbouwschap, is op grond van artikel 8, eerste lid, onder c, van het </para>
      <para>Besluit eveneens terecht een tweede korting van 35% toegepast op Uw </para>
      <para>tegemoetkoming in de schade. Op grond van artikel 8, derde lid, van het </para>
      <para>Besluit zijn de twee voormelde kortingen opgeteld tot een totaal </para>
      <para>kortingspercentage van 70%.</para>
      <para>Op grond van artikel 86, tweede lid, van de Wet, juncto artikel 8, eerste lid, </para>
      <para>onder c, van het Besluit worden kortingen toegepast op het gehele bedrag van </para>
      <para>de tegemoetkoming in de schade, derhalve ook op de tegemoetkoming in de </para>
      <para>schade aan producten en voorwerpen. Uw stelling dat ten onrechte een korting </para>
      <para>op laatstbedoelde tegemoetkoming is toegepast, is derhalve niet juist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U heeft gesteld dat in de beslissing betreffende de schadeloosstelling niet is </para>
      <para>gemotiveerd waarom er tweemaal een korting van 35% werd toegepast.</para>
      <para>Aangezien echter de kortingspercentages direct uit het Besluit voortvloeien, is </para>
      <para>een weergave van de door de AID geconstateerde tekortkomingen en een </para>
      <para>verwijzing naar de toepasselijke bepalingen, alsmede een weergave van het </para>
      <para>Besluit voldoende motivering van het toepassen van een korting van in totaal </para>
      <para>70%. Uw stelling dat de korting van tweemaal 35% niet voldoende is </para>
      <para>gemotiveerd, acht ik niet gegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U acht een korting van tweemaal 35% onevenredig in verhouding tot de in Uw </para>
      <para>geval geconstateerde tekortkomingen, te weten het op het bedrijf aanwezig zijn </para>
      <para>van varkens afkomstig van vier andere bedrijven, het twee keer te laat melden </para>
      <para>van een partij varkens en het drie keer niet melden van een partij varkens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de evenredigheid van de toegepaste korting ten algemene </para>
      <para>merk ik het volgende op. Nadelige gevolgen van besluiten mogen, ingevolge </para>
      <para>het tweede lid van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, niet </para>
      <para>onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Zoals </para>
      <para>reeds naar voren is gekomen, is het kortingsregime als zodanig niet </para>
      <para>onevenredig. Het cumulatief toepassen van meer kortingsgronden, zoals in Uw </para>
      <para>geval, is inherent aan dit systeem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de evenredigheid van de kortingsgrond, zoals bepaald in </para>
      <para>artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit (varkens op het bedrijf </para>
      <para>afkomstig van vier of meer bedrijven), merk ik op dat de wetgever in artikel 8, </para>
      <para>eerste lid, onderdeel a, van het Besluit, zelf het aantal toeleverende bedrijven </para>
      <para>heeft bepaald waarbij een korting zal worden toegepast, namelijk bij vier of </para>
      <para>meer. Dit criterium is geobjectiveerd.</para>
      <para>Dit wil zeggen dat de subjectieve omstandigheden van het geval niet van </para>
      <para>belang zijn: maatgevend is slechts het feit ¢f er op het bedrijf varkens zijn </para>
      <para>afkomstig van vier of meer bedrijven. Is er derhalve sprake van een situatie </para>
      <para>waarin op een bedrijf varkens aanwezig zijn afkomstig van vier of meer andere </para>
      <para>bedrijven dan wordt de schadeloosstelling met 35% gekort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien echter in het geheel niet is voorzien in een hardheids- of </para>
      <para>overmachts-clausule, ben ik van mening dat, ondanks het feit dat de </para>
      <para>desbetreffende regelgeving dwingend voorschrijft dat een korting van 35% </para>
      <para>dient te worden toegepast indien varkens van vier of meer bedrijven op het </para>
      <para>bedrijf aanwezig zijn, door mij dient te worden bezien of de toepassing van de </para>
      <para>korting niet tot zodanige resultaten leidt dat gesproken moet worden van </para>
      <para>onevenredigheid in de toepassing van de op zichzelf niet onevenredige </para>
      <para>kortingsgrond, zoals gesteld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit.</para>
      <para>In Uw geval waren op Uw bedrijf varkens aanwezig afkomstig van vier andere </para>
      <para>bedrijven. Zoals uit het voorgaande blijkt, is aan het aanhouden van dit door de </para>
      <para>wetgever bepaalde aantal, geen onevenredigheid te ontlenen. Dermate </para>
      <para>bijzondere andere omstandigheden die eventueel de conclusie zouden </para>
      <para>rechtvaardigen dat in strijd met de eis van evenredigheid is gehandeld, zijn </para>
      <para>gesteld noch gebleken. Zoals hiervoor reeds uiteengezet kan de omstandigheid </para>
      <para>dat U Uw bedrijf op de B1 niet beschouwt als een ander (vierde) bedrijf en de </para>
      <para>omstandigheid dat U het bedrijf waarvan de fokbeer afkomstig is, eveneens niet </para>
      <para>beschouwt als een vierde bedrijf, aangezien het slechts ‚‚n fokbeer betreft, U </para>
      <para>niet baten.</para>
      <para>Ik ben dan ook van mening dat het toepassen van 35% korting op grond van </para>
      <para>artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit, op de schadeloosstelling in </para>
      <para>Uw geval niet in strijd is met de eis van evenredigheid. Ik acht Uw stelling </para>
      <para>dienaangaande dan ook ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de kortingsgrond, zoals bepaald in artikel 8, eerste lid, </para>
      <para>onderdeel c, van het Besluit merk ik het volgende op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Hiervoor is reeds het grote belang van een juiste I &amp; R-registratie die up-to-</para>
      <para>date is, uiteengezet. Het is daarbij niet van belang dat U, ondanks het niet </para>
      <para>melden van mutaties, de herkomst van Uw varkens kunt aantonen. Melding op </para>
      <para>‚‚n centraal punt is essentieel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien er echter sprake is van ‚‚n fout of vergissing waardoor geen melding of </para>
      <para>een te late melding plaatsvindt, brengt de eis van evenredigheid met zich mee </para>
      <para>dat geen korting op de schadeloosstelling wordt toegepast. Gelet op de veel </para>
      <para>voorkomende praktijk dat men ‚‚n keer per week de administratie bijwerkt en </para>
      <para>daarbij de meldingen deed, leidt het evenredigheidsbeginsel er in de huidige </para>
      <para>situatie eveneens toe dat geen korting wordt toegepast indien de aanvoer van </para>
      <para>varkens later dan twee dagen maar binnen ‚‚n week na de aanvoer is gemeld. </para>
      <para>Wel dienen de vervoersdocumenten van de betreffende transporten in orde te </para>
      <para>zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In Uw geval is er niet sprake van ‚‚n fout, maar is driemaal de aanvoer van </para>
      <para>varkens niet gemeld en is eenmaal de aanvoer van varkens later dan zeven </para>
      <para>dagen gemeld. Ik ben dan ook van mening dat het toepassen van 35% korting </para>
      <para>op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit, op de </para>
      <para>schadeloosstelling in Uw geval niet in strijd is met de eis van evenredigheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)"</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>4.1 Appellante heeft in haar beroepschrift tegen het bestreden besluit een groot aantal grieven </para>
      <para>aangevoerd. Deze grieven hebben onder meer betrekking op procesrechtelijke aspecten van </para>
      <para>strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aard, de uitleg van artikel 86, tweede lid, GWD </para>
      <para>juncto artikel 8, eerste lid, onder c, van het Besluit, het in verband daarmee toegepaste </para>
      <para>kortingsstelsel en de opvatting van verweerder over de toepassing van het evenredig-</para>
      <para>heidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel - dit laatste meer in het bijzonder in verband met </para>
      <para>het beleid van verweerder ten aanzien van preventief geruimde bedrijven - en de I&amp;R-</para>
      <para>regeling. Deze grieven zijn naar inhoud en strekking dezelfde als de grieven welke zijn </para>
      <para>aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde uitspraak </para>
      <para>AWB 97/1599. Het desbetreffende beroepschrift - aan partijen bekend - is aan die uitspraak </para>
      <para>gehecht en maakt daarvan deel uit. Om die reden volstaat het College hier met verwijzing </para>
      <para>naar die uitspraak voor die grieven en blijft weergave daarvan in deze rubriek achterwege.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2 Met betrekking tot de verlaging van de tegemoetkoming in de schade van appellante met </para>
      <para>70%, en meer in het bijzonder de beslissing van verweerder om toepassing te geven aan het </para>
      <para>bepaalde bij artikel 8, eerste lid, onder a, van het Besluit en aan artikel 8, derde lid, van het </para>
      <para>Besluit heeft appellante het volgende, voorzover hier van belang, aangevoerd:</para>
      <para>"	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beweerdelijk zouden op het bedrijf varkens afkomstig zijn van 4 andere </para>
      <para>bedrijven. Appellant heeft dit gemotiveerd betwist; het ging hier om 9 biggen </para>
      <para>van het eigen bedrijf. De minister toetst feitelijk niet op evenredigheid; hij </para>
      <para>overweegt (blz 29) dat "moet worden bezien of de toepassing van de korting </para>
      <para>niet tot zodanige resultaten leidt dat gesproken moet worden van oneven-</para>
      <para>redigheid in de toepassing van de . kortingsgrond . in onderdeel a" maar </para>
      <para>doet daar vervolgens niets mee. Van enige wezenlijke evenredigheidstoetsing </para>
      <para>blijkt niets.</para>
      <para>Schaamteloos beweert de minister dat appellant geen bijzondere </para>
      <para>omstandigheden zou hebben gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit verband zij opgemerkt dat verweerder niet consistent is in zijn </para>
      <para>redeneerwijze. Enerzijds lijkt hij toepassing te geven aan het beginsel van </para>
      <para>evenredigheid en anderzijds maakt hij inbreuk op dit beginsel. Zo stelt hij: </para>
      <para>"Uitgaande van de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de veehouders om </para>
      <para>besmetting en verspreiding van varkenspest te voorkomen, worden via de </para>
      <para>vastgestelde kortingspercentages de tegemoetkomingen in de schade gekort </para>
      <para>naar de mate waarin de bedrijfsomstandigheden en de bedrijfsvoering van de </para>
      <para>desbetreffende varkenshouder hebben bijgedragen aan een extra risico voor het </para>
      <para>verspreiden van de varkenspest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens wordt met de kortingen voorkomen, dat een tegemoetkoming in de </para>
      <para>schade in zijn geheel dient te worden betaald aan ondernemers die in </para>
      <para>onvoldoende mate hun eigen verantwoordelijkheid hebben genomen". Even </para>
      <para>verder in het besluit stelt verweerder: "In artikel 8 van het Besluit wordt in het </para>
      <para>algemeen de korting hoger naarmate het risico met betrekking tot het </para>
      <para>verspreiden van dierziekten groter is door de desbetreffende handelwijze of </para>
      <para>bedrijfsomstandigheden. Zo houden de kortingen onder andere verband met de </para>
      <para>mate waarin het zogenaamde traceringsonderzoek wordt belemmerd."</para>
      <para>Verweerder kan toch moeilijk volhouden dat appellant door het begaan van de </para>
      <para>geconstateerde overtredingen heeft bijgedragen aan een extra risico voor </para>
      <para>verspreiding van de varkenspest.</para>
      <para>Appellant heeft immers, zoals reeds gesteld, voldaan aan nagenoeg alle voor </para>
      <para>hem geldende voorschriften om de gezondheid van de dieren op zijn bedrijf te </para>
      <para>waarborgen. Verder waren de varkens op de juiste wijze gemerkt en was het </para>
      <para>bedrijfsregister naar behoren bijgehouden. Het traceringsonderzoek werd door </para>
      <para>appellant dan ook niet belemmerd: Eventuele besmette dieren konden zonder </para>
      <para>problemen worden getraceerd. Overigens beperkt verweerder zich in deze tot </para>
      <para>een algemene stelling. Hij geeft op geen enkele wijze aan in hoeverre 'het </para>
      <para>laakbare handelen' van appellant heeft bijgedragen aan frustrering van het </para>
      <para>tracerings-onderzoek en aan een extra risico voor verspreiding van de </para>
      <para>varkenspest. Verweerder wordt dezerzijds verweten dat hij geen </para>
      <para>belangenafweging heeft gemaakt, geen evenredigheidstoets heeft toegepast en </para>
      <para>aan zijn besluit geen draagkrachtige motivering ten grondslag heeft gelegd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling</para>
      <para>5.1	Appellante heeft in haar beroepschrift, naar aanleiding van hetgeen door verweerder in het </para>
      <para>bestreden besluit is overwogen over zijn bezwaren tegen gang van zaken bij de taxatie, </para>
      <para>geen nieuwe argumenten naar voren gebracht. </para>
      <para>Het College ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunt voor het </para>
      <para>oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft </para>
      <para>gesteld dat appellantes bezwaren op dit punt ongegrond zijn. In verband met de </para>
      <para>ondertekening zijdens appellante van het taxatieformulier moet er van worden uitgegaan </para>
      <para>dat zij genoegen heeft genomen met de waardevaststelling. Appellante heeft geen feiten of </para>
      <para>omstandigheden aangevoerd, op grond waarvan kan worden aangenomen dat degene die </para>
      <para>voor haar voor akkoord heeft getekend destijds niet bij machte was zijn wil te bepalen.</para>
      <para>5.2 De grieven van algemene aard van appellante, welke samenhangen met haar stelling dat de </para>
      <para>in artikel 86, tweede lid, GWD neergelegde bevoegdheid tot verlaging van de </para>
      <para>tegemoetkoming, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, het opleggen van een punitieve </para>
      <para>sanctie betreft, verschillen inhoudelijk niet van grieven die in de hiervoor genoemde zaak </para>
      <para>97/1599 zijn aangevoerd. Deze grieven zijn door het College in de uitspraak in genoemde </para>
      <para>zaak verworpen. Appellante heeft in haar beroepschrift en ter zitting gewezen op </para>
      <para>uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 25 maart </para>
      <para>1999, KB 1999, nr. 229 en ABRvS 15 april 1999, JB 1999, 150 en 151) en op een </para>
      <para>annotatie bij een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (JB 2000, nr. 144). In </para>
      <para>genoemde uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak waren aan de orde besluiten tot </para>
      <para>vermindering van de rijksvergoeding aan scholen wegens overtreding van de in de  </para>
      <para>Tijdelijke wet arbeids-bemiddeling onderwijs (TWAO) neergelegde bepalingen. De </para>
      <para>Afdeling heeft, mede gelet op  hetgeen in de stukken over de totstandkoming van die wet </para>
      <para>over het karakter van die vermindering is opgemerkt, bedoelde maatregelen als een </para>
      <para>punitieve sanctie aangemerkt. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat de </para>
      <para>onderhavige, in artikel 86, tweede lid, GWD voorziene verlaging van de tegemoetkoming </para>
      <para>in schade zozeer op ‚‚n lijn is te stellen met deze maatregelen op grond van de TWAO, dat </para>
      <para>zulks grond zou vormen voor een terugkomen van hetgeen onder meer in de zaak 97/1599 </para>
      <para>ter zake is overwogen. De annotatie bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, nr. </para>
      <para>97/11938 AW, betreft een uitspraak, waarin die Raad, evenmin als de rechtbank in eerste </para>
      <para>aanleg, de weigering van WW-uitkering, op de grond dat appellante heeft nagelaten </para>
      <para>aangeboden passende arbeid te aanvaarden dan wel door eigen toedoen geen passende </para>
      <para>arbeid heeft verkregen, als een "criminal charge" als bedoeld in artikel 6 van het EVRM </para>
      <para>heeft aangemerkt. In die annotatie ziet het College evenwel geen aanknopingspunt voor </para>
      <para>een ander oordeel, dan neergelegd in zijn uitspraak in de zaak 97/1599. Door appellante </para>
      <para>zijn geen nadere argumenten aangedragen voor zo'n ander oordeel.</para>
      <para>Ook de grieven van algemene aard, die appellante heeft aangevoerd inzake de verbindend-</para>
      <para>heid van artikel 8, eerste lid, van het Besluit en van de voorschriften waarnaar in die </para>
      <para>bepaling wordt verwezen, zijn in de meergenoemde zaak 97/1599 aan de orde geweest en </para>
      <para>zijn door het College verworpen. Daartoe wordt verwezen naar het overwogene onder 5.3.1 </para>
      <para>en - inzake de verbindendheid van de I&amp;R-Verordening - naar het overwogene onder 5.3.2 </para>
      <para>van die uitspraak. </para>
      <para>Ditzelfde geldt voor het beroep op het gelijkheidsbeginsel dat appellante heeft gedaan in </para>
      <para>verband met het feit dat verweerder bij de toepassing van de kortingsbevoegdheid een </para>
      <para>onderscheid heeft gemaakt tussen preventief en besmet geruimde bedrijven. Het College </para>
      <para>verwijst voor zijn overwegingen dienaangaande naar rubriek 5.5.1 en 5.5.2 van genoemde </para>
      <para>uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.3	Derhalve komt het College thans toe aan de bespreking van appellantes grieven die </para>
      <para>betrekking hebben op de uitvoering van de toepasselijke voorschriften in haar geval.</para>
      <para>Zoals ook is overwogen in onder meer de uitspraak in zaak 97/1599, ontbeert verweerder </para>
      <para>niet de bevoegdheid om per geval te overwegen of een bij en krachtens het bepaalde in </para>
      <para>artikel 86, tweede lid, GWD voorziene korting daadwerkelijk wordt opgelegd. Slechts de </para>
      <para>hoogte van de korting is door wet en Besluit sluitend vastgesteld. Ter mitigering heeft de </para>
      <para>wetgever, door de "kan-bepaling" van artikel 86, tweede lid, enige ruimte gelaten om </para>
      <para>wegens de bijzondere omstandigheden van het geval, van zo'n korting af te zien.</para>
      <para>Verweerder heeft, in weerwil van zijn stellingname in het bestreden besluit, bij het </para>
      <para>toepassen van het kortingsstelsel op de schade ten gevolge van de begin 1997 uitgebroken </para>
      <para>varkenspest wel degelijk, op onderdelen, een bepaald beleid gevoerd, zoals het beleid </para>
      <para>inzake het niet toepassen van het kortingsregiem in geval van preventieve ruiming en het </para>
      <para>beleid om bij het niet melden van mutaties in de varkensstapel in bepaalde gevallen af te </para>
      <para>zien van toepassing van de korting. Deze beleidskeuzen zijn in overeenstemming met het </para>
      <para>stelsel van de wet.</para>
      <para>5.4.1	In genoemde uitspraak is onder 5.6 geoordeeld dat verweerders beleid inzake de toepassing </para>
      <para>van het kortingsstelsel ingeval van niet tijdige melding van de mutaties in de varkensstapel </para>
      <para>de rechterlijke toets kan doorstaan. Appellante heeft in haar beroep geen andere nieuwe </para>
      <para>argumenten ter ondersteuning van haar grieven tegen verweerders beleid ter zake </para>
      <para>aangevoerd. Het College ziet geen grond om van zijn oordeel terug te komen.</para>
      <para>Appellante heeft tegenover de argumenten van verweerder, op grond waarvan hij </para>
      <para>appellantes stellingen ten aanzien van de melding van de aanvoer van varkens heeft </para>
      <para>verworpen en zijn constatering in het bestreden besluit dat zij driemaal de aanvoer van </para>
      <para>varkens niet heeft gemeld en eenmaal een aanvoer later dan zeven dagen heeft gemeld, </para>
      <para>geen nadere feiten of argumenten aangedragen, die tot het oordeel kunnen leiden dat </para>
      <para>verweerders vaststelling van de feiten op dit punt geen stand houdt. Gelet op verweerders </para>
      <para>beleid om slechts in geval van een enkele fout en voorts bij melding binnen een week (in </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>plaats van binnen twee dagen, zoals de I&amp;R regeling voorschrijft) niet tot korting over te </para>
      <para>gaan, heeft verweerder, wanneer de toepassing van deze categorie op zichzelf wordt bezien, </para>
      <para>niet ten onrechte geconcludeerd dat in appellantes geval de in artikel 8, onder c, van het </para>
      <para>Besluit voorziene korting diende te worden toegepast.</para>
      <para>5.4.2	De juistheid van verweerders constatering dat op appellantes bedrijf varkens, afkomstig </para>
      <para>van vier andere bedrijven, aanwezig waren heeft appellante in bezwaar betwist. Tegen </para>
      <para>hetgeen verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen - op pagina 10 van deze </para>
      <para>uitspraak aangehaald - ter verwerping van appellantes stelling dat de van appellantes </para>
      <para>bedrijf aan de B1 afkomstige varkens, bedoeld op blz. 2, onder vraag 1, punt 5, van het </para>
      <para>AID-rapport, langer dan vier maanden op de locatie aan de B2 aanwezig waren, heeft </para>
      <para>appellante - ook ter zitting - geen nadere argumenten aangevoerd. Het College is van </para>
      <para>oordeel dat verweerder in het bestreden besluit op goede gronden de juistheid van </para>
      <para>appellants stelling op dit punt heeft verworpen en gaat derhalve voor de beoordeling van </para>
      <para>het geschil uit van de feiten zoals die door verweerder op dit punt zijn vastgesteld.</para>
      <para>5.4.3 	Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder terecht appellantes bedrijf op de </para>
      <para>Millseweg, dat een eigen UBN-nummer heeft, als een "ander" bedrijf in de zin van artikel </para>
      <para>8, eerste lid, onder a, van het Besluit heeft aangemerkt. Dienaangaande overweegt het </para>
      <para>College het volgende.</para>
      <para>5.4.3.1 Het begrip bedrijf is in de GWD noch in het Besluit nader gedefinieerd, evenmin als in de </para>
      <para>I&amp;R-verordening.</para>
      <para>Het UBN is, ingevolge het bepaalde in artikel 1, tweede lid, onder o, van genoemde </para>
      <para>verordening het Uniek Bedrijfsnummer, dat door de Stichting Gezondheidszorg voor </para>
      <para>dieren aan een vestiging wordt uitgegeven. Het begrip "vestiging" is in genoemde </para>
      <para>verordening wel gedefinieerd en wel als: het geheel van produktie-eenheden van een of </para>
      <para>meer landbouwondernemingen, dienende ter uitoefening van de varkenshouderij, bestaande </para>
      <para>uit een of meer gebouwen en de daarbij behorende landbouwgrond, of het gedeelte daarvan </para>
      <para>dat op grond van namens de Afdeling Varkenshouderij van het Landbouwschap door de </para>
      <para>Stichting Gezondheidszorg voor dieren te stellen regels als een afzonderlijke eenheid kan </para>
      <para>worden beschouwd.</para>
      <para>	Blijkens de door verweerder bij zijn brief van 1 augustus 2000 gevoegde stukken heeft </para>
      <para>genoemde Stichting in de loop van 1995 een aantal regels gesteld voor het registreren van </para>
      <para>twee vestigingen van een bedrijf onder een UBN. Volgens die stukken zijn varkenshouders </para>
      <para>op diverse manieren op deze regels gewezen, onder meer via het informatieblad van de </para>
      <para>Stichting "Parels voor de zwijnen" van 9 december 1995 en het voorlichtingsboekje "1e </para>
      <para>fase I&amp;R varkens" dat door de Stichting medio 1995 aan alle varkenshouders is </para>
      <para>toegezonden.</para>
      <para>	In de folder en in genoemd informatieblad zijn de hiervoor bedoelde, gelet op de juridische </para>
      <para>grondslag en wijze van publiceren, als beleidsregels te kwalificeren regels om meerdere </para>
      <para>vestigingen onder een UBN te registreren als volgt samengevat:</para>
      <para>In principe heeft een bedrijf ‚‚n UBN. Indien een bedrijf meer vestigingen heeft zijn de </para>
      <para>voorwaarden voor toekenning van ‚‚n UBN:</para>
      <para>- de afstand van hoofdvestiging tot nevenvestiging is niet meer dan een kilometer </para>
      <para>(hemelsbreed);</para>
      <para>- elk van de vestigingen moet zijn voorzien van een omkleedruimte;</para>
      <para>- het vervoer tussen de vestigingen mag alleen met eigen transportmiddelen plaatsvinden;</para>
      <para>- de hoofdvestiging en de nevenvestiging behoren toe aan ‚‚n ondernemer;</para>
      <para>- aan de gehele vestiging mogen alleen (op)fokvarkens worden toegevoegd afkomstig van  </para>
      <para>fok-en topfokbedrijven;</para>
      <para>- de hoofdvestiging en de nevenvestiging moeten zijn aangesloten bij dezelfde dieren-       </para>
      <para>artspraktijk.</para>
      <para>	In de brochure wordt voorts vermeld dat aan registratie van meer vestigingen onder een </para>
      <para>UBN ook nadelen zijn verbonden, onder meer omdat bij samenvoeging van meerdere </para>
      <para>vestigingen alle bedrijven van herkomst bij elkaar opgeteld moeten worden. Er wordt </para>
      <para>daarbij op gewezen dat hierdoor problemen kunnen ontstaan met de kortingsregeling in </para>
      <para>verband met de varkenspest, omdat voor hoofd-en nevenvestigingen samen een maximum </para>
      <para>geldt van drie herkomsten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.4.3.2Verweerder heeft in zijn brief van 1 augustus 2000 betoogd dat in veterinair opzicht geen </para>
      <para>enkel verschil is tussen 2 vestigingen met aparte UBN-nummers en twee verschillende </para>
      <para>bedrijven van verschillende eigenaars. Naar zijn mening moet het ervoor worden gehouden </para>
      <para>dat appellante, gelet op de gegeven informatie, precies op de hoogte was van de aan haar </para>
      <para>keuze om onder twee UBN-nummers te werken, verbonden rechtsgevolgen.</para>
      <para>5.4.3.3Appellante heeft in haar reactie aangevoerd dat er een verschil is tussen UBN-nummers en </para>
      <para>bedrijven. Nergens blijkt uit dat appellante kan worden verweten dat zij varkens heeft </para>
      <para>aangevoerd van een vierde bedrijf. Appellante voldeed aan de voorwaarden om in </para>
      <para>aanmerking te komen voor een UBN. Dan had zij geen meldplicht gehad bij verplaatsing </para>
      <para>van varkens van de ene locatie naar de andere. De verordening staat echter ook toe dat per </para>
      <para>vestiging een UBN geldt. Dat betekent dat verplaatsingen wel moeten worden gemeld, </para>
      <para>maar daaruit volgt niet dat het daarbij gaat om verplaatsing van het ene bedrijf naar het </para>
      <para>andere bedrijf in de zin van het Besluit.</para>
      <para>5.4.3.4 Naar het oordeel van het College moet de betekenis van het begrip bedrijf in artikel 8, </para>
      <para>eerste lid, onder a, van  het Besluit, nu dat niet nader is gedefinieerd, worden uitgelegd </para>
      <para>mede tegen de achtergrond van de doelstelling van de onderhavige regelgeving.</para>
      <para>	Ingevolge het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit wordt een </para>
      <para>korting van 35% op de tegemoetkoming in de schade toegepast indien op een bedrijf </para>
      <para>varkens afkomstig zijn van meer dan vier bedrijven.Varkens die langer dan vier maanden </para>
      <para>op het bedrijf aanwezig zijn worden, ingevolge artikel 8, tweede lid, van het Besluit, voor </para>
      <para>de toepassing van die bepaling buiten beschouwing gelaten.</para>
      <para>	In het bestreden besluit  heeft verweerder overwogen dat het risico op een mogelijke </para>
      <para>insleep van het varkenspestvirus op het bedrijf groter wordt naarmate er van meer dan een </para>
      <para>bepaald aantal bedrijven varkens worden betrokken.</para>
      <para>	Gelet op dit juist te achten standpunt, dienen naar het oordeel van het College de </para>
      <para>afzonderlijke vestigingen van een onderneming, waarin het varkenshouderijbedrijf wordt </para>
      <para>uitgeoefend, in beginsel te worden aangemerkt als afzonderlijke bedrijven, bedoeld in </para>
      <para>artikel 8, eerste lid, onder a, van het Besluit. </para>
      <para>Immers, het functioneren als afzonderlijke vestiging houdt redelijkerwijs gesproken in dat, </para>
      <para>onder meer als gevolg van andere aanvoer- en afvoeradressen van zo'n vestiging in </para>
      <para>vergelijking met de andere vestiging(en) van dezelfde onderneming, er wezenlijk grotere </para>
      <para>risico's van insleep van het varkenspestvirus bestaan. Het College herinnert in dit verband </para>
      <para>aan de hierboven als derde genoemde beleidsvoorwaarde voor toekenning van ‚‚n UBN </para>
      <para>voor meer vestigingen.</para>
      <para>	Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de regelgeving inzake de uitgifte </para>
      <para>van UBN-nummers, ziet het College voorts geen plaats voor het oordeel dat verweerder ten </para>
      <para>onrechte van beslissende betekenis acht voor de beantwoording van de vraag of een </para>
      <para>vestiging van een onderneming  als een "ander bedrijf" in de zin van meergenoemd </para>
      <para>onderdeel a van artikel 8 moet worden aangemerkt, de omstandigheid dat die vestiging een </para>
      <para>eigen UBN-nummer heeft. </para>
      <para>5.4.3.5 Verweerder heeft derhalve op goede grond beslist dat op appellantes bedrijf varkens, </para>
      <para>afkomstig van vier andere bedrijven, aanwezig waren.   </para>
      <para>5.5	Verweerder heeft vervolgens geoordeeld dat de korting van 35% terecht is toegepast in </para>
      <para>appellantes geval. Daartoe heeft hij overwogen dat de wetgever in artikel 8, eerste lid, </para>
      <para>aanhef en onder a, van het Besluit voor de daarin voorziene verlaging van 35% de grens </para>
      <para>zeer bewust bij vier of meer bedrijven heeft gelegd.</para>
      <para>Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder nog bezien of de toepassing van de korting </para>
      <para>tot zodanige resultaten leidt dat gesproken moet worden van onevenredigheid en </para>
      <para>overwogen dat niet van dermate bijzondere omstandigheden is gebleken dat een dergelijke </para>
      <para>conclusie gerechtvaardigd zou zijn. Dienaangaande overweegt het College het volgende </para>
      <para>Voor een bevestigend antwoord op de vraag of  in casu sprake is van bijzondere </para>
      <para>omstandigheden als hiervoor bedoeld, zou mogelijk plaats zijn indien de door appellante </para>
      <para>aangevoerde argumenten zouden kunnen leiden tot de conclusie dat appellante weliswaar </para>
      <para>ook varkens van haar vestiging (in casu aangemerkt als bedrijf) aan de B1 op haar bedrijf </para>
      <para>aan de B2 aanwezig had, maar dat daarmee de facto geen extra risico op insleep van </para>
      <para>varkenspestvirus ontstond. Daartoe overweegt het College meer in het bijzonder dat </para>
      <para>vaststaat, als in aanmerking te nemen  bijzondere omstandigheid, dat appellante, gelet op </para>
      <para>de door de Stichting gestelde criteria voor de uitgifte van UBN-nummers de mogelijkheid </para>
      <para>had om voor de beide locaties, B1 en B2, voor ‚‚n gezamenlijk UBN-nummer te kiezen. </para>
      <para>Dat zij niettemin een keuze heeft gemaakt voor twee UBN-nummers maakt evenwel, zoals </para>
      <para>hiervoor is overwogen, dat in beginsel bedoeld extra risico daarmee aanwezig moet worden </para>
      <para>geacht. Appellante heeft geen feiten of argumenten aangedragen die voldoende </para>
      <para>aanknopingspunt bieden voor het oordeel dat in  feite van een dergelijk extra risico geen </para>
      <para>sprake kan zijn. Bij gebreke daaraan heeft verweerder een nadere motivering dat bedoeld </para>
      <para>risico ook in appellants geval aanwezig moet worden geacht, achterwege kunnen laten.</para>
      <para>5.6	Op andere grond moet echter worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet in stand </para>
      <para>kan blijven wegens het ontbreken van een draagkrachtige motivering. Daartoe overweegt </para>
      <para>het College als volgt. Indien de op dit punt bij appellante geconstateerde tekortkoming op </para>
      <para>zichzelf wordt bezien, zou verweerders beleid om van toepassing van de vermindering van </para>
      <para>35% in de in meergenoemd artikel 8, eerste lid, onder a, bedoelde gevallen slechts af te </para>
      <para>zien indien van bijzondere omstandigheden is gebleken, niet rechtens onaanvaardbaar te </para>
      <para>achten zijn, en zou voorts zijn conclusie dat van zodanige bijzondere omstandigheden niet </para>
      <para>is gebleken, niet onjuist zijn te achten.</para>
      <para>Echter, verweerder heeft ten onrechte omtrent de vraag of het tweemaal toepassen van een </para>
      <para>korting van 35% niet onevenredig is in verhouding tot het daarmee nagestreefde doel </para>
      <para>volstaan met de stelling dat het cumulatief toepassen van meer kortingsgronden inherent is </para>
      <para>aan het door de wetgever gekozen systeem. Dit ontslaat verweerder evenwel niet van de </para>
      <para>verplichting om na te gaan of  er gronden zijn om, indien zich, zoals hier aan de orde, een </para>
      <para>situatie voordoet dat het derde lid van artikel 8 van het Besluit in beginsel van toepassing </para>
      <para>is, ter vermijding van evenbedoelde onevenredigheid van de toepassing van een der </para>
      <para>onderdelen a of c van het eerste lid van genoemd artikel af te zien.</para>
      <para>De ruimte die artikel 86, tweede lid, aan verweerder biedt om een beleid dienaangaande te </para>
      <para>voeren, verplicht hem, zeker bij mogelijke cumulatie, een nadere afweging te maken </para>
      <para>omtrent de toepassing van - in casu -  meergenoemd onderdeel a of c.</para>
      <para>Daartoe overweegt het College meer in het bijzonder het volgende.</para>
      <para>Zoals het College in zijn eerdere uitspraken over deze materie heeft overwogen, is de in het </para>
      <para>wettelijk systeem gekozen risicoverdeling het resultaat van een globale schatting van de </para>
      <para>risico's, die ontstaan in de onderscheiden gevallen, bedoeld in de onderdelen a. tot en met i. </para>
      <para>van artikel 8, eerste lid, van het Besluit. Bij het aldus gekozen systeem is aanvaardbaar te </para>
      <para>achten, dat binnen een bepaalde categorie, als bedoeld in onderdeel a tot en met i geen </para>
      <para>verdere differentiatie is aangebracht naar de mate waarin door de betrokken veehouder in </para>
      <para>afwijking van de in deze artikelonderdelen neergelegde normen is gehandeld. Daarom is </para>
      <para>het rechtens toelaatbaar geoordeeld, dat bijvoorbeeld de verlaging van de tegemoetkoming, </para>
      <para>voorzien in onderdeel c van het eerste lid van artikel 8 van het Besluit, bij het in </para>
      <para>verregaande mate niet voldoen aan de verplichting tot het melden van mutaties met </para>
      <para>eenzelfde percentage plaatsvindt als in de situatie dat het aantal niet-meldingen net valt </para>
      <para>binnen de door verweerder in zijn beleid geformuleerde minimum-norm. </para>
      <para>Gegeven de discretionaire bevoegdheid van verweerder ter zake, valt niet in te zien dat het </para>
      <para>hiervoor bedoelde wettelijk stelsel zich er tegen verzet dat, in geval van samenloop van </para>
      <para>twee of meer categorie‰n, als bedoeld in de onderdelen a tot en met i, verweerder bij de </para>
      <para>afweging of, gelet op de bijzonderheden van het geval, toepassing van de korting </para>
      <para>onevenredig is, de omstandigheid dat er volgens het per categorie ontwikkelde beleid in </para>
      <para>beginsel sprake is van de in het derde lid van artikel 8 bedoelde cumulatie, als </para>
      <para>zwaarwegende omstandigheid betrekt. </para>
      <para>Het College is voorts van oordeel dat, indien ingevolge het besluit de mogelijkheid van de </para>
      <para>toepassing van een gecumuleerde korting aan de orde is, verweerder in verband met artikel </para>
      <para>3:4, tweede lid, van de Awb dient na te gaan of de ernst van de risico's welke door de </para>
      <para>onderscheiden overtredingen in het leven worden geroepen, een dergelijke cumulatie kan </para>
      <para>rechtvaardigen, en dat verweerder bij een besluit, waarbij een gecumuleerde korting wordt </para>
      <para>opgelegd, een op de omstandigheden van het individuele geval toegesneden motivering </para>
      <para>geeft.</para>
      <para>Deze motivering ontbreekt in casu geheel.</para>
      <para>Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven wegens strijd met het bepaalde bij </para>
      <para>artikel 7:12, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb).</para>
      <para>5.7	Ook op andere grond dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Daartoe overweegt </para>
      <para>het College het volgende.</para>
      <para>Wat betreft de totstandkoming van het bestreden besluit is namens appellante aangevoerd </para>
      <para>dat in strijd met het bepaalde in artikel 7:13, vijfde lid, Awb voor de behandeling van de </para>
      <para>zaak ter hoorzitting van de adviescommissie niet een vertegenwoordiger van verweerder is </para>
      <para>uitgenodigd om een toelichting te geven op diens standpunt. </para>
      <para>Verweerder heeft, zo is in eerdere zaken over dit onderwerp gebleken, nadat enige </para>
      <para>hoorzittingen in zaken als deze waren gehouden, te kennen heeft gegeven dat de </para>
      <para>aanwezigheid van een vertegenwoordiger zijnerzijds als regel niet meer zinvol werd </para>
      <para>geacht, nu de commissie over zijn standpunt voldoende was voorgelicht. Hierop heeft de </para>
      <para>commissie nog slechts een uitnodiging aan verweerder doen uitgaan indien de bijzondere </para>
      <para>omstandigheden van het geval daartoe aanleiding gaven.</para>
      <para>	Met appellante is het College van oordeel dat die gedragslijn niet strookt met het in </para>
      <para>genoemd artikellid neergelegde vormvoorschrift en dat de commissie aldus zichzelf en de </para>
      <para>indiener van het bezwaar de mogelijkheid heeft onthouden om op de hoorzitting een op de </para>
      <para>zaak toegespitste mondelinge reactie van verweerder op het bezwaarschrift te vernemen. </para>
      <para>Gelet op het onder 5.6 overwogene ziet het College, anders dan in, onder meer, zijn </para>
      <para>genoemde uitspraak 97/1599, geen plaats voor het oordeel dat in dit geval met toepassing </para>
      <para>van artikel 6:22 Awb vernietiging van het bestreden besluit op deze grond achterwege kan </para>
      <para>worden gelaten.</para>
      <para>5.8	Het beroep van appellante is dus gegrond.</para>
      <para>Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, met bepaling dat verweerder opnieuw op </para>
      <para>het bezwaar van appellante dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze </para>
      <para>uitspraak is overwogen.</para>
      <para>Tevens acht het College termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder, met </para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 Awb, in de kosten van appellante, voor door een derde </para>
      <para>beroepsmatig verleende rechtsbijstand welke op de voet van het bepaalde bij het Besluit </para>
      <para>proceskosten bestuursrecht worden begroot op (2,5 punten ad fl. 710,-- (indienen van een </para>
      <para>beroepschrift, zitting, schriftelijke uiteenzetting) maal (wegingsfactor: zwaar) 1,5 =:) </para>
      <para>fl. 2662,50.</para>
      <para>Het vorenstaande leidt tot het volgende dictum.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>	Het College: </para>
      <para>-	verklaart het beroep van appellante gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>-	bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;</para>
      <para>- 	verstaat dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van fl. 420,-- (zegge: vierhonderdtwintig gulden) wordt vergoedt;</para>
      <para>- 	veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante welke worden vastgesteld op fl. 2662,50 (zegge: zesentwintighonderdtwee‰nzestig gulden en 50 cent);</para>
      <para>-	wijst de Staat aan als de rechtspersoon die genoemde kosten moet vergoeden;</para>
      <para>-	wijst af het anders of meer gevorderde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr M. Vlasblom, in tegenwoordigheid van mr M.M. Smorenburg, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. B. Verwayen 		de griffier is verhinderd deze </para>
      <para>						uitspraak te ondertekenen</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>