<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0036</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-06T13:02:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0036</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/843 en 99/844</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:2a&amp;g=2001-02-08">Algemene wet bestuursrecht 8:2a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003818&amp;artikel=29&amp;g=2001-02-08">Diergeneesmiddelenwet 29</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003818&amp;artikel=30&amp;g=2001-02-08">Diergeneesmiddelenwet 30</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004730&amp;artikel=5&amp;g=2001-02-08">Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004730&amp;artikel=6&amp;g=2001-02-08">Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004033&amp;artikel=5&amp;g=2001-02-08">Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en -gemedicineerde voeders 5</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0036">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0036</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0036 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 08-02-2001 / AWB 99/843 en 99/844</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0036:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0036:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/843 en 99/844				8 februari 2001</para>
      <para>	11300</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Nederlandse Vereniging van Dierverloskundigen en Castreurs, statutair gevestigd te Breda, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr A.R.M. Berntsen, advocaat te Alphen aan den Rijn, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr M. Nagel en mr drs H. Leemans.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 28 mei 1998 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen besluiten van verweerder van 8 april 1998, verzonden </para>
      <para>16 april 1998, en van 16 april 1998.</para>
      <para>Bij deze besluiten heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de afwijzing van </para>
      <para>haar verzoek van 10 oktober 1996, respectievelijk haar aanvullend verzoek van </para>
      <para>28 januari 1998, om een aantal diergeneesmiddelen toe te voegen aan het pakket van </para>
      <para>diergeneesmiddelen die dierverloskundigen en castreurs mogen gebruiken, niet-</para>
      <para>ontvankelijk verklaard.</para>
      <para>Op 26 augustus 1998 heeft het College het beroepschrift doorgezonden aan de </para>
      <para>arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage, die het vervolgens heeft doorgezonden naar de </para>
      <para>arrondissementsrechtbank Breda. </para>
      <para>Verweerder heeft op 25 september 1999 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Bij uitspraak van 22 oktober 1999 heeft de arrondissementsrechtbank Breda zich </para>
      <para>onbevoegd verklaard tot kennisneming van de beroepen van appellante en heeft deze </para>
      <para>beroepen doorgezonden aan het College.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2000. Bij die gelegenheid </para>
      <para>hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader toegelicht.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Bij artikel 5 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 (hierna: de WUD) </para>
      <para>is bepaald, dat degenen die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in het bezit </para>
      <para>zijn van een geldige, hun ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wet op de Uitoefening van </para>
      <para>de Diergeneeskunst verleende vergunning tot uitoefening van de verloskunde, zijn </para>
      <para>toegelaten tot het als beroep verlenen van hulp met betrekking tot de geboorte of </para>
      <para>verwijdering van een vrucht van dieren van in die vergunning genoemde soorten, voor </para>
      <para>zover deze hulp bestaat uit bepaalde daarbij nader omschreven verrichtingen.</para>
      <para>Bij artikel 6 van de WUD is bepaald dat degenen die op het moment van inwerkingtreding </para>
      <para>van dit artikel in het bezit zijn van een geldige, hun ingevolge artikel 5, tweede lid, van de </para>
      <para>Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst verleende vergunning tot het kastreren, zijn </para>
      <para>toegelaten tot het als beroep verrichten van een of meer der in onderdeel a t/m d van het </para>
      <para>artikel omschreven handelingen tot het onvruchtbaar maken van bepaalde mannelijke </para>
      <para>dieren en enkele ingrepen en behandelingen die daarbij kunnen behoren.</para>
      <para>Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet (hierna: DGW) is het </para>
      <para>verboden diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 29 van deze wet, af te leveren.</para>
      <para>Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 30 van de DGW geldt dit verbod </para>
      <para>niet voor het afleveren aan personen, behorende tot door de minister van Landbouw, </para>
      <para>Natuurbeheer en Visserij (hierna: de minister van LNV) aangewezen groepen, voor wat </para>
      <para>betreft de daarbij aangewezen diergeneesmiddelen.</para>
      <para>In artikel 5, eerste lid, van de Regeling van 23 september 1986 (Stcrt 1986/187, hierna: de </para>
      <para>Kanalisatieregeling) heeft de minister van LNV als groepen, bedoeld in artikel 30, eerste </para>
      <para>lid, aanhef en onder f, van de DGW, aangewezen dierverloskundigen en castreurs die in het </para>
      <para>bezit zijn van een een vergunning als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de -inmiddels </para>
      <para>ingetrokken- Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst 1954 (hierna: WUD 1954).</para>
      <para>In het tweede tot en met het vierde lid van dit artikel worden de diergeneesmiddelen </para>
      <para>genoemd, die aan personen behorende tot de in het eerste lid bedoelde groepen mogen </para>
      <para>worden afgeleverd. </para>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Bij brief van 22 juli 1996 heeft verweerder appellante onder meer te kennen gegeven </para>
      <para>dat indien appellante van mening is dat haar leden zouden moeten kunnen </para>
      <para>beschikken over diergeneesmiddelen die zijn of worden geregistreerd, zij een daartoe </para>
      <para>strekkend verzoek voorlegt aan verweerder, die op dat verzoek op grond van de Awb </para>
      <para>een eventueel voor bezwaar en beroep vatbare beslissing zal nemen.</para>
      <para>- Op 10 oktober 1996 heeft appellante verzocht een aantal diergeneesmiddelen toe te </para>
      <para>voegen aan het pakket van dierverloskundigen en castreurs.</para>
      <para>- Bij brief van 22 augustus 1997 heeft verweerder appellante onder meer bericht dat </para>
      <para>voor wat betreft het niet bewilligen in dit verzoek is afgesproken dat het appellante </para>
      <para>vrijstaat daartegen bezwaar te maken.</para>
      <para>- Bij besluit van 1 oktober 1997 heeft verweerder appellante medegedeeld dat hij het </para>
      <para>bij dit besluit gevoegde, door de faculteit Diergeneeskunde van de universiteit </para>
      <para>Utrecht omtrent appellantes verzoek uitgebrachte advies geheel onderschrijft en dat </para>
      <para>hij appellantes verzoek van 10 oktober 1996 dan ook niet kan inwilligen.</para>
      <para>- Hiertegen heeft appellante bij brief van 11 november 1997 een bezwaarschrift </para>
      <para>ingediend.</para>
      <para>- Ter zake hiervan is appellante op 28 januari 1998 gehoord. Bij die gelegenheid heeft </para>
      <para>zij verzocht nog een drietal diergeneesmiddelen toe te voegen aan het pakket van </para>
      <para>dierverloskundigen en castreurs.</para>
      <para>- Bij besluit van 16 februari 1998 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.</para>
      <para>- Hiertegen heeft appellante bij brief van 23 maart 1998 een bezwaarschrift ingediend.</para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De bestreden besluiten</para>
      <para>Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaarschriften van appellante niet-</para>
      <para>ontvankelijk verklaard. Daartoe is in beide besluiten het volgende overwogen:</para>
      <para>"	Uw verzoek om toevoeging van diergeneesmiddelen aan het pakket van de </para>
      <para>dierverloskundige/castreur moet worden gezien als een verzoek om wijziging </para>
      <para>van de ingevolge art. 30 lid 2 onder f in de Kanalisatieregeling aangewezen </para>
      <para>diergeneesmiddelen. De Kanalisatieregeling is aan te merken als algemeen </para>
      <para>verbindend voorschrift, nu artikel 5 een algemene rechtsnorm oplevert voor </para>
      <para>iedereen die diergeneesmiddelen aflevert, en de Minister zijn bevoegdheid tot </para>
      <para>het vaststellen van de regeling ontleent aan een wet in formele zin. Uw verzoek </para>
      <para>betreft dan ook het beslissen inzake de wijziging van een algemeen verbindend </para>
      <para>voorschrift.</para>
      <para>Op grond van artikel 8:2 jo 7:1 AWB moet dan ook worden geconcludeerd  dat </para>
      <para>Uw bezwaarschrift tegen de weigering op een verzoek om het opnemen van </para>
      <para>nieuwe geneesmiddelen in de Kanalisatieregeling niet ontvankelijk is.</para>
      <para>U heeft aangevoerd dat de mogelijkheid bezwaar en eventueel beroep aan te </para>
      <para>tekenen in het overleg met het Ministerie aan de Vereniging van </para>
      <para>Dierverloskundigen en Castreurs was geboden.</para>
      <para>Hieromtrent merk ik op dat de toezegging slechts de vrijheid verwoordt om een </para>
      <para>bezwaar in te dienen, maar niet inhoudt dat een bezwaarschrift ontvankelijk zal </para>
      <para>worden geacht.</para>
      <para>Overigens zal een wel zodanig geformuleerde toezegging niet kunnen </para>
      <para>derogeren aan de wettelijke regels met betrekking tot de ontvankelijkheid van </para>
      <para>beroep tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 8 april 1998 is verweerder tevens inhoudelijk ingegaan op de bezwaren </para>
      <para>tegen de afwijzing van de verzoeken van appellante om een aantal diergeneesmiddelen toe </para>
      <para>te voegen aan het pakket van dierverloskundigen en castreurs.</para>
      <para>Bij het besluit van 16 april 1998 heeft verweerder overwogen dat, aangezien appellantes </para>
      <para>bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk moet worden aangemerkt, ervan is afgezien </para>
      <para>appellante te doen horen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanvulling op de bestreden besluiten heeft verweerder in zijn verweerschrift van </para>
      <para>25 september 1998 opgemerkt dat artikel 5 van de Kanalisatieregeling zich in eerste </para>
      <para>instantie in abstracte zin richt tot een open groep van degenen die diergeneesmiddelen </para>
      <para>afleveren, dat in deze bepaling juncto artikel 5, tweede lid, van de WUD 1954, sprake is </para>
      <para>van een groep die "in zijn geheel en in abstracto wordt aangeduid", dat deze groep op geen </para>
      <para>enkele wijze nader wordt aangeduid of ingeperkt tot een beperkt aantal natuurlijke </para>
      <para>personen en dat artikel 5 van de Kanalisatieregeling derhalve een algemeen verbindend </para>
      <para>voorschrift is. </para>
      <para>Verweerder meent dat de omvang van de groep niet de maatstaf kan zijn, aangezien dit zou </para>
      <para>impliceren dat een op een slinkende groep personen betrekking hebbend algemeen </para>
      <para>verbindend voorschrift na een bepaalde tijd niet meer deze hoedanigheid heeft. Bovendien </para>
      <para>zou het aanmerken van de groep dierverloskundigen en castreurs als een concrete groep </para>
      <para>impliceren dat andere, grotere groepen, zoals alle dierenartsen, eveneens als beperkte </para>
      <para>groepen moeten worden aangemerkt. Dit zou betekenen dat de algemeen verbindende </para>
      <para>voorschriften op basis van de DGW voor allen als appellabele besluiten moeten worden </para>
      <para>gekwalificeerd, hetgeen niet de bedoeling van de wetgever is geweest, aldus verweerder.</para>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen de </para>
      <para>bestreden besluiten aangevoerd.</para>
      <para>Appellante stelt zich op het standpunt dat de afwijzing van haar verzoek tot toevoeging van </para>
      <para>een aantal diergeneesmiddelen aan het pakket van dierverloskundigen en castreurs moet </para>
      <para>worden gezien als een beschikking in de zin van de Awb. Volgens haar is in casu voldaan </para>
      <para>aan het zogenoemde "CAO-criterium", waarvoor zij verwijst naar de uitspraak van de </para>
      <para>Voorzitter van de -voormalige- Afdeling Geschillen van bestuur van de Raad van State </para>
      <para>van 20 december 1971 (AB 1972/95), aangezien de groep van dierverloskundigen/castreurs </para>
      <para>geen open groep is, maar slechts bestaat uit een beperkte, aanwijsbare groep.</para>
      <para>Daarnaast stelt appellante zich op het standpunt dat de regeling van artikel 30, lid 2, aanhef </para>
      <para>en onder f, van de DGW niet kan worden aangemerkt als een algemeen verbindend </para>
      <para>voorschrift, aangezien de algemeenheid van de geadresseerden alsmede de abstractheid van </para>
      <para>het voorschrift, dat wil zeggen de toepasbaarheid op een open groep gevallen, ontbreekt.</para>
      <para>Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat verweerder bij brief van 22 juli 1996 </para>
      <para>uitdrukkelijk heeft toegezegd dat voor haar bezwaar en beroep openstaat volgens de Awb. </para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>In geschil is of de bij verweerders besluiten van 1 oktober 1997 en 16 februari 1998 </para>
      <para>afgewezen verzoeken van appellante om een aantal diergeneesmiddelen toe te voegen aan </para>
      <para>het pakket van dierverloskundigen en castreurs de wijziging betreffen van algemeen </para>
      <para>verbindende voorschriften. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, stond </para>
      <para>ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb niet de mogelijkheid open tegen voornoemde </para>
      <para>besluiten een ontvankelijk bezwaarschrift in te dienen.</para>
      <para>Voorop moet worden gesteld dat, nu  in artikel  5, tweede tot en met het vierde lid, van de </para>
      <para>Kanalisatieregeling de diergeneesmiddelen zijn opgesomd die aan dierverloskundigen en </para>
      <para>castreurs mogen worden afgeleverd, de verzoeken van appellante om een aantal </para>
      <para>diergeneesmiddelen toe te voegen aan het pakket van dierverloskundigen en castreurs </para>
      <para>moeten worden opgevat als verzoeken tot wijziging van die bepalingen. Aangezien de </para>
      <para>besluiten van 1 oktober 1997 en 16 februari 1998 derhalve moeten worden opgevat als </para>
      <para>weigering artikel 5 van de Kanalisatieregeling te wijzigen, dient ter beantwoording van de </para>
      <para>in de aanhef van deze rubriek geformuleerde rechtsvraag te worden beoordeeld of deze </para>
      <para>bepaling een algemeen verbindend voorschrift behelst. Het College beantwoordt deze </para>
      <para>vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.</para>
      <para>De in artikel 30, eerste lid, van de DGW neergelegde verbodsbepaling betreft een algemeen </para>
      <para>verbindend voorschrift. De in het tweede lid, aanhef en onder f, van dit artikel vervatte </para>
      <para>uitzondering op het verbod diergeneesmiddelen af te leveren, deelt in dit rechtskarakter. </para>
      <para>Immers, zowel het verbod als de uitzondering daarop gelden voor een ieder die zich </para>
      <para>bezighoudt met de aflevering van diergeneesmiddelen. Dat de uitzondering betrekking </para>
      <para>heeft op bepaalde groepen personen, aan wie wordt afgeleverd, en op bepaalde </para>
      <para>diergeneesmiddelen doet hier niet aan af, evenmin als de omstandigheid dat het in casu </para>
      <para>gaat om een bepaalde, aanwijsbare groep, die, gelet op het wettelijk stelsel, geen </para>
      <para>uitbreiding zal kennen.</para>
      <para>In artikel 5 van de Kanalisatieregeling is nader bepaald welke groepen personen en welke </para>
      <para>diergeneesmiddelen onder de uitzonderingsbepaling van artikel 30, tweede lid, aanhef en </para>
      <para>onder f, van de DGW vallen. Deze bepalingen zijn zodanig met elkaar verknoopt, dat </para>
      <para>besluiten tot vaststelling of wijziging van artikel 5 van de Kanalisatieregeling delen in het </para>
      <para>rechtskarakter van de daaraan ten grondslag liggende uitzonderingsbepaling. </para>
      <para>Appellante heeft nog aangevoerd dat verweerder uitdrukkelijk heeft toegezegd dat tegen </para>
      <para>een eventuele afwijzing van haar verzoek een aantal diergeneesmiddelen toe te voegen aan </para>
      <para>het pakket van dierverloskundigen en castreurs bezwaar en beroep openstaat. </para>
      <para>Dienaangaande overweegt het College dat een dergelijke toezegging geen afbreuk kan </para>
      <para>doen aan de regels ter zake van het vragen van voorziening op grond van de Awb.</para>
      <para>Op grond van het vorenoverwogene is het College van oordeel dat verweerder de bezwaren </para>
      <para>van appellante tegen de besluiten van 1 oktober 1997 en 16 februari 1998 terecht niet- </para>
      <para>ontvankelijk heeft verklaard. De beroepen dienen derhalve ongegrond te worden verklaard.</para>
      <para>Gelet op artikel 8:71 van de Awb merkt het College op dat een vordering tot toevoeging </para>
      <para>van een aantal diergeneesmiddelen aan het pakket van dierverloskundigen en castreurs </para>
      <para>uitsluitend bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>6.	De beslissing</para>
    <para />
    <para>Het College verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen					w.g. W.F. Claessens</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>