<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0035</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T01:28:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0035</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AN6613</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-01-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/1048</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:84&amp;g=2001-01-30">Algemene wet bestuursrecht 4:84</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007919&amp;g=2001-01-30">Kaderwet EZK- en LNV-subsidies</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2001, 101 met annotatie van J.H. van der Veen</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0035">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0035</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0035 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 30-01-2001 / AWB 98/1048</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0035:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0035:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 98/1048						30 januari 2001</para>
      <para>	27366</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Universitair Medisch Centrum Utrecht, voorheen Academisch Ziekenhuis Utrecht, te Utrecht, appellant,</para>
      <para>gemachtigde: aanvankelijk mr I.L. Buys, later drs A.J.P. van Beurden, beiden advocaat te Utrecht, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr C. Cromheecke en mr C. N. Gajadhar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 7 oktober 1998 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 augustus 1998. </para>
      <para>Bij dat besluit is ongegrond verklaard het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de </para>
      <para>afwijzing van zijn aanvraag om subsidie ingevolge de Subsidieregeling energie-</para>
      <para>investeringen in de non-profitsector (Stcrt. 1997, 122; hierna: EINP-regeling).</para>
      <para>Op 29 oktober 1998 heeft appellant de gronden van zijn beroep aangevuld.</para>
      <para>Op 24 december 1998 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2000 waarbij </para>
      <para>partijen hun standpunt nader hebben doen toelichten.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	In artikel 2 van de EINP-regeling is het volgende bepaald:</para>
      <para>"	1.	De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:</para>
      <para>- een stichting, een kerkgenootschap of een vereniging met volledige </para>
      <para>rechtsbevoegdheid, niet zijnde een onderneming of een vereniging van </para>
      <para>eigenaren als bedoeld in artikel 5:112, eerste lid, onder e, Burgerlijk Wetboek </para>
      <para>of</para>
      <para>- een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, niet zijnde de staat, </para>
      <para>die een investering verricht in een voorziening die als bedrijfsmiddel is </para>
      <para>opgenomen in de Energielijst 1997.</para>
      <para>2.	Geen subsidie wordt verstrekt:</para>
      <para>a. indien de aanvrager voor de indiening van de aanvraag ter zake van de </para>
      <para>aanschaf van de voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft </para>
      <para>verplichtingen heeft aangegaan;</para>
      <para>(.)"	</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 6, eerste lid, van de EINP-regeling bepaalt:</para>
      <para>"	Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het </para>
      <para>origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in bij deze regeling </para>
      <para>behorende bijlage 1. De minister kan bij ministeri‰le regeling hiervan </para>
      <para>vrijstelling verlenen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De EINP-regeling is gepubliceerd in Staatscourant 1997, nr. 122 de dato 1 juli 1997. </para>
      <para>Ingevolge artikel 19 van de EINP-regeling is deze regeling in werking getreden op </para>
      <para>3 juli 1997.</para>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellant heeft in 1997 enige malen contact gehad met een medewerker van </para>
      <para>verweerder, werkzaam bij Senter te Zwolle - de organisatie die met uitvoering van </para>
      <para>bepaalde regelingen van verweerder is belast - teneinde te informeren naar een in </para>
      <para>voorbereiding zijnde subsidieregeling energie-investeringen in de non-profitsector. </para>
      <para>Aan appellant werd door deze medewerker in een telefoongesprek op 23 mei 1997 </para>
      <para>bevestigd dat een dergelijke regeling in concept op papier stond maar nog niet was </para>
      <para>vastgesteld. De verwachting was dat de regeling op 1 juni 1997 in werking zou </para>
      <para>treden. Aan appellant werd daarbij voorts medegedeeld dat ook investeringen </para>
      <para>waarvoor eerder in 1997 verplichtingen waren aangegaan onder de werkingssfeer van </para>
      <para>de regeling zouden vallen.</para>
      <para>- Appellant heeft 2 juni 1997 opdracht verleend voor aanleg van een systeem van </para>
      <para>warmte/koudeopslag met warmtepomp.</para>
      <para>- De EINP-regeling is op 25 juni 1997 door de Minister van Economische Zaken </para>
      <para>vastgesteld.</para>
      <para>- Op 18 september 1997 heeft appellant een aanvraag voor subsidie voor de aanleg van </para>
      <para>een systeem van warmte/koudeopslag met warmtepomp, ingediend ingevolge de </para>
      <para>EINP-regeling.</para>
      <para>- Bij brief de dato 19 september 1997 heeft verweerder bevestigd dat de aanvraag door </para>
      <para>Senter werd ontvangen en voldeed aan de wettelijke voorschriften.</para>
      <para>- Bij beschikking van 24 november 1997 heeft verweerder de aanvraag om subsidie op </para>
      <para>grond van artikel 2, tweede lid, onder a, van de EINP-regeling afgewezen.</para>
      <para>- Appellant heeft 24 december 1997 een bezwaarschrift tegen deze beslissing </para>
      <para>ingediend. Bij brief van 20 januari 1998 is dit bezwaarschrift aangevuld.</para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder de door appellant aangevoerde bezwaren van de </para>
      <para>hand gewezen. Overwogen is dat uit de aanvraag blijkt dat de betreffende voorzieningen </para>
      <para>reeds op 2 juni 1997 zijn aangeschaft. De aanvraag is afgewezen omdat de verplichtingen </para>
      <para>zijn aangegaan voor de indiening van het aanvraagformulier om subsidie. Met betrekking </para>
      <para>tot de door appellant aangevoerde omstandigheden heeft verweerder onder meer </para>
      <para>overwogen:</para>
      <para>"	Ik ben het met u eens dat er een vervelende situatie is ontstaan. U bent </para>
      <para>afgegaan op de mededelingen van een van mijn medewerkers. Desondanks, </para>
      <para>zoals u zelf tijdens de hoorzitting hebt toegegeven, kan er pas sprake zijn van </para>
      <para>volledige zekerheid omtrent de inhoud van een regeling op het moment dat </para>
      <para>deze is gepubliceerd. U heeft dan ook bewust het risico genomen om alvast </para>
      <para>verplichtingen aan te gaan op een moment dat de volledige tekst van de </para>
      <para>Regeling nog niet vaststond.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van bovenstaande gegevens kan ik niet anders concluderen dat u niet </para>
      <para>heeft voldaan aan artikel 2, lid 2, aanhef en onder letter a van de Regeling. Het </para>
      <para>feit dat u bent afgegaan op telefonische mededelingen van ‚‚n van mijn </para>
      <para>medewerkers waarbij u wist of behoorde te weten dat er geen volstrekte </para>
      <para>zekerheid bestond met betrekking tot de inhoud van deze mededelingen, acht ik </para>
      <para>niet een omstandigheid die mij dwingt ot het afzien van de bepalingen van de </para>
      <para>Regelingen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende </para>
      <para>tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Appellant stelt dat in het onderhavige geval aan alle voorwaarden is voldaan die de EINP-</para>
      <para>regeling stelt, met uitzondering van de voorwaarde dat nog geen opdracht voor de aanschaf </para>
      <para>mag worden gegeven voor het indienen van de subsidieaanvraag.</para>
      <para>Appellant betoogt dat hem subsidie toekomt wegens het te honoreren vertrouwensbeginsel. </para>
      <para>Hiertoe hanteert appellant de volgende argumenten. De medewerker van verweerder was </para>
      <para>bevoegd mededelingen over de overhavige kwestie te doen, appellant mocht er tenminste </para>
      <para>op vertrouwen dat hij ter zake bevoegd was omdat Senter met de voorbereiding van de </para>
      <para>subsidieregeling was belast. Appellant is ongevraagd medegedeeld dat ook voor de </para>
      <para>inwerkingtreding van de subsidieregeling in 1997 gedane investeringen voor subsidiering </para>
      <para>in aanmerking zouden komen. Appellant is niet gewaarschuwd dat de definitieve tekst van </para>
      <para>de subsidieregeling er wel eens anders uit zou kunnen zien. De toezegging was voorts </para>
      <para>voldoende concreet. Ongevraagd is medegedeeld dat ook voor de inwerkingtreding van de </para>
      <para>subsidieregeling in 1997 gedane investeringen voor subsidi‰ring in aanmerking zouden </para>
      <para>komen. Appellant had geen enkele aanleiding te vermoeden dat de mededeling inhoudelijk </para>
      <para>op een vergissing berustte. Het was voor appellant niet te verwachten dat de inhoud van de </para>
      <para>mededeling onjuist was of dat de situatie zich zou kunnen wijzigen; verweerder heeft </para>
      <para>appellant hier ook niet op gewezen. Appellant acht het ook onbehoorlijk om achteraf te </para>
      <para>stellen dat hij had moeten wachten met de investering. Hij meent dat het risico van dit soort </para>
      <para>kennelijk achteraf als onzeker betitelde mededelingen ligt bij verweerder die de primaire </para>
      <para>verantwoordelijkheid heeft om dergelijke mededelingen niet te doen dan wel daaraan een </para>
      <para>waarschuwing te verbinden. Van belang is dat de verwachting dat subsidie zou worden </para>
      <para>toegekend ook ter zake van een investering aangegaan voor de inwerkingtreding van de </para>
      <para>regeling, gedragsbepalend was voor appellant. Het honoreren van het beroep op het </para>
      <para>vertrouwensbeginsel doet geen afbreuk aan het algemeen belang omdat de investering </para>
      <para>waarvoor subsidie werd aangevraagd het type investering is dat de regeling beoogt te </para>
      <para>stimuleren. Belangen van derden zijn niet aan de orde en staan dus niet in de weg aan het </para>
      <para>honoreren van het beroep op het vertrouwensbeginsel.</para>
      <para>Appellant betoogt dat ook toepassing van het zorgvuldigheidsbeginsel casu quo het </para>
      <para>motiveringsbeginsel ondersteunt dat hem recht op subsidie toekomt wegens het te </para>
      <para>honoreren vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft namelijk niet onderzocht en aan de orde </para>
      <para>gesteld of appellant schade zou ondervinden van het niet honoreren van de subsidie-</para>
      <para>aanvraag en of het algemeen belang of belangen van derden tot strikte toepassing van de </para>
      <para>bepalingen van de EINP-regeling op het bestreden punt noopten.</para>
      <para>Appellant stelt voorts dat indien hij binnen de daarvoor geldende termijn zou hebben </para>
      <para>vernomen dat hij volgens oordeel van verweerder niet voor subsidie in aanmerking kwam, </para>
      <para>hij had kunnen kiezen de opdracht voor de investering zonder noemenswaardige schade in </para>
      <para>te trekken.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	Ter zake van het door appellant ingestelde beroep dient eerst te worden vastgesteld of het </para>
      <para>College bevoegd is daarvan kennis te nemen. De EINP-regeling is, zoals wordt bevestigd </para>
      <para>in de toelichting, niet gebaseerd op de tot 1 januari 1998 van kracht zijnde Kaderwet </para>
      <para>verstrekking financi‰le middelen EZ (Stb. 767, 4 december 1991). De bevoegdheid van het </para>
      <para>College kan derhalve ook niet op artikel 9, eerste lid van de Kaderwet verstrekking </para>
      <para>financi‰le middelen worden gebaseerd. Dit betekent dat het College in beginsel niet </para>
      <para>bevoegd is van het beroep kennis te nemen, tenzij zou moeten worden gezegd dat deze </para>
      <para>regeling een zodanige verwantschap heeft met andere aan het College toebedeelde wetten </para>
      <para>en regelingen, dat aan het College desondanks de bevoegdheid zou dienen toe te komen te </para>
      <para>oordelen over het geschil.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College doet deze situatie zich duidelijk voor.</para>
      <para>Uitgangspunt van de EINP-regeling is dat deze zoveel mogelijk aansluit bij de in artikel 11 </para>
      <para>van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 opgenomen mogelijkheid van een energie-</para>
      <para>investeringsaftrek (EIA). De regeling van de EIA beoogt, evenals de EINP-regeling, het </para>
      <para>stimuleren van energiebesparing en het inzetten van duurzame energie. De Minister van </para>
      <para>Economische Zaken dient in het kader van de EIA-regeling te beoordelen of sprake is van </para>
      <para>een energie-investering. Ingevolge artikel 11, lid 15, van de Wet op de inkomstenbelasting </para>
      <para>1964 staat beroep open bij het College tegen deze beslissing.</para>
      <para>Dat de EINP-regeling niet gebaseerd is op de Kaderwet verstrekking financi‰le middelen </para>
      <para>EZ - welke eveneens voorziet in beroep op het College - vindt, blijkens de toelichting bij </para>
      <para>de EINP-regeling zijn oorzaak in het feit dat ingevolge de EINP-regeling subsidies niet aan </para>
      <para>ondernemers maar aan non-profitinstellingen worden verstrekt.</para>
      <para>De, op 3 juli 1997 in werking getreden, EINP-regeling is in 1998, zoals werd beoogd, </para>
      <para>vervangen door de op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies gebaseerde Subsidieregeling </para>
      <para>energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (Stcrt. 1998, 46). Artikel 9 </para>
      <para>van de Kaderwet EZ-subsidies brengt mee dat tegen een besluit genomen op grond van die </para>
      <para>subsidieregeling beroep kan worden ingesteld bij het College.</para>
      <para>De EINP-regeling heeft derhalve een zodanige verwantschap met wetten en regelingen op </para>
      <para>het gebied van subsidies welke tot de rechtsmacht van het College behoren dat het bevoegd </para>
      <para>is tot beoordeling van het door appellant ingestelde beroep.</para>
      <para>5.2	Vaststaat dat appellant in begin 1997 een aantal malen contact heeft gehad met een </para>
      <para>medewerker van Senter en dat appellant door deze medewerker ongevraagd en </para>
      <para>ongeclausuleerd de informatie is verstrekt dat de voorgenomen regeling ook betrekking </para>
      <para>zou hebben op in 1997 v¢¢r de inwerkingtreding van deze regeling gedane investeringen. </para>
      <para>Deze informatie was toentertijd juist. Verweerders besluit en het door hem gevoerde </para>
      <para>verweer berusten, voor zover hier van belang, op het op zichzelf niet onjuiste standpunt dat </para>
      <para>appellant, nadat hem mededelingen waren gedaan over een concept-regeling, er niet op </para>
      <para>mocht vertrouwen dat de definitieve versie gelijk zou zijn aan die van het concept en dat </para>
      <para>derhalve de gevolgen van het vooruitlopen op de regeling in beginsel voor zijn rekening en </para>
      <para>risico zijn. Deze motivering is evenwel niet draagkrachtig te achten voor verweerders </para>
      <para>slotsom dat er derhalve geen sprake is van een omstandigheid die hem dwingt tot het afzien </para>
      <para>van toepassing van de bepalingen van de regeling. Meer in het bijzonder overweegt het </para>
      <para>College daartoe het volgende.</para>
      <para>De EINP-regeling, die niet op een wet in formele zin is gebaseerd, moet worden </para>
      <para>beschouwd als een beleidsregel. Ingevolge het bepaalde in artikel 4:84 Awb, dat tijdens de </para>
      <para>bezwaarprocedure in werking is getreden, handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de </para>
      <para>beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die </para>
      <para>wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de </para>
      <para>beleidsregel te dienen doelen. De beleidsregel die in casu tot de afwijzende beslissing van </para>
      <para>verweerder heeft geleid, is neergelegd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de </para>
      <para>EINP-regeling. Verweerder had, gelet op het hiervoor overwogene, naast de vraag of het </para>
      <para>vertrouwensbeginsel was geschonden moeten onderzoeken of zich in dit geval (andere) </para>
      <para>bijzondere omstandigheden voordoen die nopen tot het buiten toepassing laten van het </para>
      <para>bepaalde in artikel 2, tweede lid, onder a van de EINP-regeling. </para>
      <para>5.3	Het bestreden besluit geeft geen blijk dat dat onderzoek heeft plaatsgevonden. Immers, niet </para>
      <para>zonder meer valt in te zien dat de gevolgen voor appellant van het onverkort toepassen van </para>
      <para>de onderhavige beleidsbepaling niet onevenredig zijn in verhouding tot het doel van die </para>
      <para>bepaling te waarborgen. Het met deze bepaling te dienen doel is, zoals in het bestreden </para>
      <para>besluit wordt overwogen, het waarborgen van het stimuleringskarakter van de regeling: een </para>
      <para>aanvrager die reeds voor de aanvraag verplichtingen heeft aangegaan terzake van de </para>
      <para>aanschaf heeft kennelijk geen subsidie ter stimulering nodig.</para>
      <para>Uit de vorengeschetste omstandigheden blijkt namelijk dat appellant zich door de op stapel </para>
      <para>staande regeling en uitdrukkelijke mededelingen van de kant van ambtenaren van </para>
      <para>verweerder daaromtrent heeft laten stimuleren om de investeringen te doen. Voor de </para>
      <para>beantwoording van de vraag of in appellants geval op andere wijze dan door naleving van </para>
      <para>genoemde bepaling is voldaan aan het stimuleringskarakter van de EINP-regeling zijn de </para>
      <para>uitlatingen van verweerders medewerkers dan ook wel degelijk van betekenis. Verweerder </para>
      <para>is in het bestreden besluit daaraan echter voorbijgegaan.</para>
      <para>De conclusie is dat het beroep van appellant gegrond is en dat het bestreden besluit moet </para>
      <para>worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel, met bepaling dat verweerder, </para>
      <para>met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw beslist op het bezwaarschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>-	bepaalt dat verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw beslist op het bezwaarschrift;</para>
      <para>-	gelast dat verweerder aan appellant het door hem gestorte griffierecht ad fl. 420,- </para>
      <para>(zegge: vierhonderdentwintig gulden) vergoedt te betalen door de Staat;</para>
      <para>-	veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellant, welke worden vastgesteld op fl. 1420,- (zegge: veertienhonderdtwintig gulden) en dienen te worden betaald door de Staat;</para>
      <para>-	wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen					w.g. M.S. Hoppener</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>