<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AA9894</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T03:29:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9894</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/242</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9894">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9894</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AA9894 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 07-02-2001 / AWB 99/242</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9894:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9894:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(tweede enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/242					7 februari 2001	 </para>
      <para>	26040</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stichting Opmaat, te Emmen, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr drs. M. Kremer, advocaat te Groningen,</para>
      <para>						tegen</para>
      <para>de Algemene Directie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, </para>
      <para>te Zoetermeer, verweerster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Op 27 maart 1998 heeft appellante bij het Arbeidsbureau Assen veertien aanvragen ingediend om afgifte van een verklaring langdurig werkloze ingevolge de Wet </para>
      <para>vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Stb. 1995, </para>
      <para>635; hierna: de Wet).</para>
      <para>Bij besluiten van 14 april 1998 heeft de directeur bemiddeling van de Regionale Directie </para>
      <para>voor de Arbeidsvoorziening Drenthe de aanvragen wegens overschrijding van de </para>
      <para>aanvraagtermijn afgewezen.</para>
      <para>Bij brief van 14 mei 1998 heeft appellante bij verweerster bezwaar gemaakt tegen die </para>
      <para>besluiten.</para>
      <para>Bij besluit van 4 februari 1999 heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond </para>
      <para>verklaard.</para>
      <para>Bij een op 15 maart 1999 ter griffie van het College ontvangen beroepschrift heeft </para>
      <para>appellante beroep ingesteld tegen laatstgenoemde beslissing.</para>
      <para>Bij brief van 27 april 1999 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.</para>
      <para>Op 27 mei 1999 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>2.	Bij besluit van 20 december 1995 (Stcrt. 1995, 249), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 </para>
      <para>december 1997 (Stcrt. 1997, 249), heeft de Minister van Sociale Zaken en Werk-</para>
      <para>gelegenheid, gelet op artikel 13 van de Wet, nadere regels gesteld ter bevordering van een </para>
      <para>goede uitvoering van de vermindering langdurig werklozen in de Uitvoeringsregeling </para>
      <para>langdurig werklozen (hierna: de ULW).</para>
      <para>Bij artikel 2, eerste lid, van de ULW is bepaald dat de inhoudingsplichtige de Arbeids-</para>
      <para>voorzieningsorganisatie schriftelijk verzoekt, onder overlegging van zo mogelijk een </para>
      <para>afschrift van de overeenkomst tot het verrichten van arbeid, zo spoedig mogelijk, doch in </para>
      <para>elk geval binnen twee maanden na de dag van indiensttreding van de langdurig werkloze, </para>
      <para>de verklaring, vereist voor toepassing van de vermindering langdurig werklozen, bedoeld </para>
      <para>in hoofdstuk IV van de Wet, te verstrekken.</para>
      <para>Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, ingediend na de in dat lid genoemde periode, </para>
      <para>wordt ingevolge artikel 2, tweede lid, van de ULW niet in behandeling genomen.</para>
      <para>3.	Uit de bij het verweerschrift overgelegde afschriften van de aanvraagformulieren van </para>
      <para>appellante blijkt dat de langdurig werklozen bij haar in dienst zijn getreden op 1 mei, </para>
      <para>1 november, 1 december, 15 december en 29 december 1997.</para>
      <para>4.	Het aanvullend beroepschrift d.d. 27 april 1999, houdende de gronden van het beroep, </para>
      <para>wordt in afschrift aan deze uitspraak gehecht en moet als hier herhaald en ingelast worden </para>
      <para>beschouwd.</para>
      <para>5.	Ter beantwoording staat de vraag of verweerster bij het bestreden besluit het bezwaar van </para>
      <para>appellante terecht ongegrond heeft verklaard. Het College beantwoordt die vraag </para>
      <para>bevestigend en overweegt daartoe als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens vaste jurisprudentie van het College zijn de criteria die verweerster voor de </para>
      <para>toepassing van deze termijnbepaling hanteert, te weten dat aan de indieningstermijn van </para>
      <para>een verzoek ter verkrijging van een verklaring strikt de hand wordt gehouden en dat slechts </para>
      <para>indien bijzondere omstandigheden zulks rechtvaardigen, een termijnoverschrijding </para>
      <para>verschoonbaar wordt geacht, aanvaardbaar. In dit verband wordt verwezen naar de </para>
      <para>College-uitspraken van 28 november 1995 in zaak 95/0039/106/213, van 27 april 1999 in </para>
      <para>96/1085/106/213, van 29 juni 1999 in AWB 97/518 en van 2 mei 2000 in AWB 98/899.</para>
      <para>6.	Hetgeen door appellante is aangevoerd, kan niet tot het oordeel leiden dat de aanvragen ten </para>
      <para>onrechte niet voor inwilliging in aanmerking zijn gebracht. Het College overweegt daartoe </para>
      <para>dat bij artikel 2, eerste en tweede lid, van de ULW is bepaald dat deze aanvragen, onder </para>
      <para>overlegging van zo mogelijk een afschrift van de overeenkomst tot het verrichten van </para>
      <para>arbeid, zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen twee maanden na de dag van </para>
      <para>indiensttreding moeten worden ingediend en dat aanvragen die later worden ingediend niet </para>
      <para>in behandeling worden genomen. Appellante had aanvankelijk kunnen volstaan met de </para>
      <para>indiening van haar aanvragen en had voor de overlegging van de overeenkomsten tot het </para>
      <para>verrichten van arbeid uitstel kunnen vragen. Dat appellante in de maanden november en </para>
      <para>december 1997 werd geconfronteerd met een explosieve groei van het aantal in dienst te </para>
      <para>nemen Melkert-I functionarissen, hetgeen samen met de door appellante genoemde interne </para>
      <para>omstandigheden en ontwikkelingen en de handelwijze van de gemeente Emmen tot </para>
      <para>overschrijding van de indieningstermijn heeft geleid, kan niet leiden tot het oordeel dat de </para>
      <para>termijnoverschrijding verschoonbaar is. De gevolgen van dergelijke omstandigheden </para>
      <para>komen volgens vaste jurisprudentie van het College geheel voor rekening en risico van </para>
      <para>appellante.</para>
      <para>Ten aanzien van het argument van appellante dat zij in bezwaar niet is gehoord overweegt </para>
      <para>het College dat ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb door een bestuursorgaan van </para>
      <para>het horen van belanghebbenden in bezwaar kan worden afgezien indien het bezwaar </para>
      <para>kennelijk ongegrond is. Bij uitspraak van 29 juni 1999 in zaak 97/518 heeft het College </para>
      <para>reeds geoordeeld dat in het geval dat de oorspronkelijke aanvraag een verzoek om </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>toepassing van een in sterke mate gebonden bevoegdheid betreft, en het bestuursorgaan, </para>
      <para>gelet op de inhoud van het bezwaar in redelijkheid mocht oordelen dat alle relevante feiten </para>
      <para>en omstandigheden aan hem bekend waren, het achterwege laten van het horen in bezwaar </para>
      <para>in beginsel de rechterlijke toetsing in beroep zal kunnen doorstaan. Het onderhavige geval </para>
      <para>beantwoordt aan deze criteria. Verweerster mocht derhalve zonder appellante te horen op </para>
      <para>het bezwaar beslissen.</para>
      <para>De omstandigheid dat - naar appellante stelt - met de door haar ingediende aanvragen grote </para>
      <para>financi‰le belangen zijn gemoeid is niet van belang voor de beantwoording van de vraag of </para>
      <para>de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht. Dit geldt ook voor het feit dat </para>
      <para>verweerster geruime tijd nodig heeft gehad om op het bezwaarschrift te beslissen.</para>
      <para>7.	Gelet op het vorenstaande is het bij het College ingestelde beroep kennelijk ongegrond, </para>
      <para>zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig om een der partijen met toepassing van artikel 8:75 </para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die de andere partij in </para>
      <para>verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.</para>
      <para>Met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, juncto </para>
      <para>artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht leidt dit tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>De beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
      <para>Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr E.B. Burger, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op				.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. C.M. Wolters						w.g. E.B. Burger</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>