<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AA9893</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T09:04:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9893</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/734</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9893">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9893</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AA9893 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 07-02-2001 / AWB 99/734</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9893:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9893:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/734						7 februari 2001</para>
      <para>	5135</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, Duitsland, appellant,</para>
      <para>gemachtigde: H.H.F. Strieper, werkzaam bij GIBO Accountants en Adviseurs te Musselkanaal, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr L.P. de Wit, werkzaam bij verweerders ministerie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 7 september 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 juli 1999.</para>
      <para>Op 28 februari 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 januari 2000. Bij dit </para>
      <para>besluit heeft verweerder - onder intrekking van het besluit van 27 juli 1999 - opnieuw </para>
      <para>beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 23 oktober 1998, genomen op </para>
      <para>grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).</para>
      <para>Verweerder heeft op 9 maart 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 27 december 2000 heeft het College een reactie gegeven op het verweerschrift. </para>
      <para>Het College heeft de zaak onderzocht ter zitting van 11 januari 2001. Bij deze gelegenheid </para>
      <para>hebben partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader toegelicht.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van Verordening (EEG) nr. 1765/92 verbinden producenten </para>
      <para>die een compensatiebedrag aanvragen in het kader van de algemene regeling zich ertoe een </para>
      <para>deel van hun areaal uit productie te nemen. </para>
      <para>Artikel 19, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de door de producent uit productie </para>
      <para>genomen percelen ten minste in de twee aan de braaklegging voorafgaande </para>
      <para>verkoopseizoenen door de producent voor de landbouw moeten zijn gebruikt. </para>
      <para>Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten de percelen, behalve indien sprake is geweest </para>
      <para>van uit productie nemen op grond van een andere regeling, in het aan de braaklegging </para>
      <para>voorafgaande verkoopseizoen bebouwd zijn geweest met gewassen die door de producent </para>
      <para>in het kader van artikel 24 van de Landbouwwet bedoelde landbouwtelling in het </para>
      <para>betrokken verkoopseizoen zijn ingedeeld in de categorie tuinbouw op de open grond of in </para>
      <para>de categorie akkerbouw. </para>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellant heeft op 12 mei 1998 een aanvraag oppervlakten 1998 bij verweerders </para>
      <para>dienst LASER ingediend. Hierbij heeft hij in het kader van de algemene regeling </para>
      <para>voor 25,22 ha overige granen en 1.37 ha braak (onderverdeeld in 0.87 ha voor </para>
      <para>perceel 6 en 0.50 ha voor perceel 9) subsidie aangevraagd.</para>
      <para>- Bij brief van 6 juli 1998 heeft LASER aan appellant bericht dat uit diens aanvragen </para>
      <para>over 1996 en 1997 niet blijkt dat appellant de braakpercelen nrs. 6 en 9 in de twee </para>
      <para>voorafgaande jaren zelf voor de landbouw in gebruik had.</para>
      <para>- Appellant heeft hierop gereageerd door onder meer aan LASER een fax d.d. </para>
      <para>11 juli 1998 van C te zenden, waarin deze verklaart dat perceel 9 in 1997 en </para>
      <para>voorgaande jaren bij appellant in gebruik was. </para>
      <para>- Bij besluit van 23 oktober 1998, verzonden op 9 november 1998, heeft verweerder de </para>
      <para>aanvraag van appellant afgewezen. Blijkens de bijlage bij dit besluit bedraagt de </para>
      <para>geconstateerde oppervlakte braak nihil.</para>
      <para>- Appellant heeft tegen voormeld besluit bij schrijven van 1 december 1998 bezwaar </para>
      <para>gemaakt. Hierbij heeft hij aangevoerd dat hij het braakperceel nr. 6 in 1998 in </para>
      <para>gebruik heeft genomen en heeft verworven door een kavelruil met BBL </para>
      <para>vooruitlopende op de toedeling van herinrichting. De door appellant in het kader van </para>
      <para>die ruil ingebrachte gronden heeft hij in de twee voorafgaande jaren voor de </para>
      <para>landbouw gebruikt. Met betrekking tot perceel 9 stelt appellant dat hij dit in 1983 </para>
      <para>heeft gekocht, maar de laatste twee jaren niet heeft opgegeven in het kader van de </para>
      <para>Regeling, aangezien hij toen op dit perceel alleen aardappelen en suikerbieten heeft </para>
      <para>geteeld. Appellant stelt dat de heer C, te D, kan getuigen dat appellant deze grond in </para>
      <para>1996 en 1997 in gebruik heeft gehad.</para>
      <para>- Op 4 februari 1999 is appellant naar aanleiding van zijn bezwaar gehoord. Ter </para>
      <para>gelegenheid daarvan heeft appellant ondermeer verklaard dat de heer C het loonwerk </para>
      <para>voor hem doet en dat op perceel 9 in 1997 aardappelen en suikerbieten hebben </para>
      <para>gestaan.</para>
      <para>- Op 23 juli 1999 is zijdens verweerder telefonisch informatie ingewonnen bij de heer </para>
      <para>C. Deze heeft desgevraagd verklaard dat op het perceel, waarop zijn eerdere </para>
      <para>verklaring betrekking heeft, in 1997 graan, in 1998 bieten en in 1999 aardappelen </para>
      <para>hadden gestaan en dat hij dit wist omdat hij daar bestrijdingsmiddelen sproeit.   </para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit en het nader standpunt van verweerder </para>
      <para>Bij het herziene besluit van 18 januari 2000 heeft verweerder de bezwaren van appellant </para>
      <para>met betrekking tot braakperceel nr. 6 gegrond verklaard. </para>
      <para>Dit besluit houdt met betrekking tot het braakperceel nr. 9 het volgende in.</para>
      <para>"	Namens u wordt aangevoerd dat u perceel 9 in 1983 heeft gekocht (aldus de </para>
      <para>koopakte). U heeft deze grond de laatste twee jaar niet opgegeven voor de </para>
      <para>Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen, omdat u daar de laatste twee </para>
      <para>jaar alleen aardappelen en suikerbieten heeft geteeld. De heer C. te D (.) kan </para>
      <para>getuigen dat u deze grond in 1996 en 1997 in gebruik heeft gehad. In de fax </para>
      <para>d.d. 11 juli 1998 verklaart de heer C dat het perceel bij LASER bekend onder </para>
      <para>nummer 2678153336 in 1997 en voorgaande jaren in gebruik was bij u, </para>
      <para>wonende te B.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierover merk ik het volgende op.</para>
      <para>Tijdens de hoorzitting heeft u desgevraagd meegedeeld dat de heer C het </para>
      <para>loonwerk voor u doet. U heeft met de verklaring van de heer C en genoemde </para>
      <para>akte niet aangetoond noch voldoende aannemelijk gemaakt dat u in de </para>
      <para>verkoopseizoenen 1996/1997 en 1997/1998 perceel 9 in gebruik heeft gehad. </para>
      <para>Dat u perceel 9 in eigendom had wil niet zeggen dat u het perceel in </para>
      <para>vorenbedoelde periode in gebruik heeft gehad. Hiermee is niet voldaan aan </para>
      <para>artikel 19, eerste lid, van de Regeling. U heeft niet aangetoond noch is </para>
      <para>voldoende aannemelijk geworden dat u in het verkoopseizoenen 1997/1998 op </para>
      <para>perceel 9 een gewas in de categorie tuinbouw op de open grond of in de </para>
      <para>categorie akkerbouw verbouwd heeft. Tijdens de hoorzitting heeft u </para>
      <para>meegedeeld dat u hiervan geen bewijsmateriaal heeft. Derhalve is evenmin </para>
      <para>voldaan aan artikel 19, derde lid, van de Regeling."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat appellant het </para>
      <para>aan zichzelf te wijten heeft dat hij zich voor bewijsproblemen gesteld ziet. Nu appellant </para>
      <para>heeft nagelaten perceel 9 in de aanvragen oppervlakte van 1996 en 1997 op te nemen, </para>
      <para>terwijl in de brochure "Aanvraag oppervlakten" duidelijk vermeld staat dat de aanvrager </para>
      <para>alle gewaspercelen - dus ook die waarvoor geen subsidie wordt aangevraagd - dient op te </para>
      <para>geven, dienen de gevolgen daarvan voor zijn rekening te komen.</para>
      <para>Met betrekking tot de verklaring van de heer C is in het verweerschrift nog opgemerkt dat </para>
      <para>deze, nu hij het loonwerk voor appellant verricht, niet in een onafhankelijke positie ten </para>
      <para>opzichte van appellant verkeert. Bovendien verbaast het verweerder dat C in diens </para>
      <para>telefonische verklaring met betrekking tot perceel 9 andere gewassen noemt dan appellant.</para>
      <para>Ten aanzien van de door appellant overgelegde landbouwtellingsgegevens over 1997 heeft </para>
      <para>verweerder tenslotte opgemerkt dat deze gegevens niet perceelsgebonden zijn, zodat </para>
      <para>daarmee niet kan worden aangetoond dat appellant perceel 9 in 1996 en 1997 voor de </para>
      <para>landbouw in gebruik heeft gehad. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder </para>
      <para>desgevraagd meegedeeld dat hem niet bekend is of met betrekking tot het onderhavige </para>
      <para>perceel satellietopnamen bestaan over de jaren 1996 en 1997, doch dat mede in verband </para>
      <para>met de hiermee gemoeide kosten niet is overwogen dergelijke opnamen op te vragen. Naar </para>
      <para>de mening van verweerder zou het eerder op de weg van appellant hebben gelegen met het </para>
      <para>oog op het door hem te leveren bewijs eventuele satellietopnamen op te vragen.</para>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Appellant heeft perceel 9 in 1983 gekocht. In de jaren 1996 en 1997 heeft hij dit perceel </para>
      <para>niet opgegeven in het kader van de Regeling omdat daar toen alleen aardappelen en </para>
      <para>suikerbieten zijn geteeld. Nu behoudens aanvragen in het kader van de Regeling geen </para>
      <para>registratie bestaat van het gebruik van bepaalde percelen is de enige vorm van bewijs die </para>
      <para>appellant voor de juistheid van zijn stelling ten dienste staat getuigenbewijs. Naar de </para>
      <para>opvatting van appellant gaat het niet aan om aan dit getuigenbewijs voorbij te gaan, zonder </para>
      <para>met stukken te komen waarmee bijvoorbeeld wordt aangetoond dat perceel 9 op een andere </para>
      <para>aanvraag oppervlakten voorkomt.</para>
      <para>Appellant erkent dat de landbouwtellingsgegevens niet perceelsgebonden zijn, maar uit de </para>
      <para>door hem overgelegde gegevens voor de landbouwtelling 1997 is duidelijk af te leiden dat </para>
      <para>hij alleen maar gewassen heeft verbouwd, die onder de categorie akkerbouw vallen. Mocht </para>
      <para>verweerder hierover met appellant van mening verschillen, dan verzoekt appellant </para>
      <para>verweerder om aan de hand van satellietopnamen aan te tonen dat een ander dan een </para>
      <para>akkerbouw- of tuinbouwgewas is geteeld.</para>
      <para>Naar de opvatting van appellant verwijst verweerder in het verweerschrift ten onrechte naar </para>
      <para>de brochure Aanvraag oppervlakten, nu deze geen juridische status heeft. Bovendien is het </para>
      <para>opnemen van een perceel in voorgaande aanvragen oppervlakten geen voorwaarde om aan </para>
      <para>de braakverplichting te voldoen.</para>
      <para>Ook de betekenis van de verwijzing naar de notitie inzake het telefoongesprek met de heer </para>
      <para>C is appellant niet duidelijk. Die notitie heeft er alle schijn van niet juist te kunnen zijn. </para>
      <para>Wanneer daadwerkelijk in 1997 graan zou zijn verbouwd op perceel 9 is het bijzonder </para>
      <para>onlogisch dat daarvoor geen subsidie is aangevraagd. Ook de stelling dat in 1998 bieten op </para>
      <para>dit perceel zijn verbouwd kan niet juist zijn, nu het juist gaat om een in dit jaar braakgelegd </para>
      <para>perceel. Daarom gaat het nu juist in de onderhavige procedure. Het heeft er dan ook alle </para>
      <para>schijn van dat partijen in het telefoongesprek van 23 juli 1999 elkaar niet goed hebben </para>
      <para>begrepen.</para>
      <para>Overigens lijkt verweerder er door de vraagstelling aan de heer C vanuit te gaan dat het </para>
      <para>onderhavige perceel in de twee voorafgaande jaren voor de landbouw is gebruikt. </para>
      <para>Op grond van het vorenstaande is appellant van mening dat zijn aanvraag oppervlakten </para>
      <para>1998 alsnog volledig moet worden ingewilligd, met vergoeding van de renteschade die </para>
      <para>appellant heeft geleden en vergoeding van de kosten van de procedure.   </para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het geschil spitst zich nog uitsluitend toe op de vraag of verweerder op goede gronden zijn </para>
      <para>standpunt, inhoudende dat perceel 9 op grond van de toepasselijke regelgeving niet kan </para>
      <para>worden aangemerkt als braakperceel, heeft gehandhaafd.</para>
      <para>Bij de beantwoording van deze vraag stelt het College overeenkomstig vaste jurisprudentie </para>
      <para>voorop dat in beginsel op degene, die voor een subsidie als de onderhavige in aanmerking </para>
      <para>wenst te komen, de plicht rust om aan te tonen dat hij aan de voorwaarden voor toekenning </para>
      <para>voldoet. </para>
      <para>Anders dan appellant lijkt te veronderstellen is het dan ook niet aan verweerder om te </para>
      <para>bewijzen dat het braakperceel niet aan de voorwaarden voldoet, doch aan hem om aan te </para>
      <para>tonen dat dit wel het geval is. Met verweerder komt het College tot de slotsom dat </para>
      <para>appellant hierin niet is geslaagd, waartoe als volgt wordt overwogen.</para>
      <para>Aan appellant kan worden toegegeven dat hij ingevolge de Regeling niet gehouden is </para>
      <para>percelen, die hij niet voor subsidie in aanmerking wil brengen, in zijn opgave bij de </para>
      <para>aanvraag oppervlakten te vermelden. Door dit na te laten neemt appellant echter het risico </para>
      <para>dat hij zich vervolgens voor bewijsproblemen met betrekking tot het gebruik van een </para>
      <para>perceel in voorafgaande jaren geplaatst ziet. </para>
      <para>Zoals door appellant wordt erkend geven de door hem overgelegde gegevens van de </para>
      <para>landbouwtelling (1997) geen perceelsgebonden informatie, zodat op grond daarvan geen </para>
      <para>uitsluitsel kan worden verkregen omtrent het gebruik van perceel nr. 9 in 1997, terwijl over </para>
      <para>1996 in het geheel geen gegevens zijn overgelegd. Appellant beschikt ook niet anderszins </para>
      <para>over objectieve, verifieerbare informatie waaruit het gebruik van dit perceel in de jaren </para>
      <para>1996 en 1997 blijkt. </para>
      <para>De verklaring van 11 juli 1998 van de heer C kan niet als zodanige informatie worden </para>
      <para>aangemerkt. Hierbij komt overigens dat C in diens telefonische verklaring van 23 juli 1999 </para>
      <para>zelfs heeft verklaard dat perceel 9 in 1998 wel voor de akkerbouw is gebruikt. </para>
      <para>Op grond van het vorenstaande is het beroep ongegrond. </para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>7.	</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. M.A. van der Ham			w.g. F.W. du Marchie Sarvaas</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>