<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AA9892</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T10:59:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9892</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-01-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/722</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0012088&amp;artikel=10&amp;g=2001-01-24">Overgangswet elektriciteitsproductiesector 10</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009755&amp;artikel=11a&amp;g=2001-01-24">Elektriciteitswet 1998 11a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009755&amp;artikel=40&amp;g=2001-01-24">Elektriciteitswet 1998 40</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009755&amp;artikel=41&amp;g=2001-01-24">Elektriciteitswet 1998 41</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9892">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9892</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AA9892 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 24-01-2001 / AWB 00/722</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9892:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9892:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/722					24 januari 2001</para>
      <para>	18050</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>N.V. Samenwerkende elektriciteitsproductiebedrijven, te Arnhem, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr K. Berg, advocate te Den Haag,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de directeur Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet, te Den Haag, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr E.J. Daalder, advocaat te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 30 augustus 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, </para>
      <para>waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 24 juli 2000. </para>
      <para>Bij dit besluit is onder meer beslist op het bezwaar dat appellante had gemaakt tegen de </para>
      <para>vaststelling van ten hoogste door de landelijk netbeheerder te berekenen tarieven voor </para>
      <para>bepaalde diensten.</para>
      <para>Bij beschikking van 13 september 2000 heeft het College bepaald dat de onderhavige zaak </para>
      <para>versneld wordt behandeld.</para>
      <para>Op 28 september 2000 is een verweerschrift door het College ontvangen.</para>
      <para>Op 2 oktober 2000 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken bij het </para>
      <para>College ingediend.</para>
      <para>Bij brief van 17 oktober 2000 heeft verweerder ten aanzien van de ingezonden stukken </para>
      <para>waarop "vertrouwelijk" is vermeld, verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de </para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij brief van 2 november 2000 is dit verzoek </para>
      <para>toegelicht.</para>
      <para>Bij beschikking van 15 november 2000 heeft het College beslist dat de door verweerder als </para>
      <para>vertrouwelijk aangemerkte stukken, totdat anders mocht worden beslist op verzoek van een </para>
      <para>der partijen, geen deel zal laten uitmaken van de stukken op grond waarvan het uitspraak </para>
      <para>zal doen. De als vertrouwelijk aangemerkte stukken zijn vervolgens aan verweerder retour </para>
      <para>gezonden.</para>
      <para>Op 15 december 2000 is een aantal nadere stukken door verweerder ingediend.</para>
      <para>Op 3 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij </para>
      <para>hun standpunten toegelicht.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1 De Electriciteitswet 1998 luidt sinds 1 juli 1999, voorzover hier van belang:</para>
      <para>"	Artikel 40</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Iedere netbeheerder zendt jaarlijks voor 1 oktober aan de directeur van de </para>
      <para>dienst (.) een voorstel met betrekking tot de tarieven die deze netbeheerder </para>
      <para>ten hoogste mag berekenen voor de aansluiting op een net, of voor het transport </para>
      <para>van elektriciteit dan wel, indien het de netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet betreft, tevens voor het verrichten van de systeemdiensten en </para>
      <para>de handhaving van de energiebalans.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Artikel 41</para>
    <para />
    <para>De directeur van de dienst stelt de tarieven (.) vast (.)."</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel IV van de Wet van 3 juni 1999 (Stb. 1999, 260) tot wijziging van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998 (welk artikel eveneens in werking is getreden op 1 juli 1999) luidt, </para>
      <para>voorzover hier van belang:</para>
      <para>"	2. Iedere netbeheerder zendt voor 1 oktober 1999 aan de directeur van de dienst </para>
      <para>(.) een voorstel met betrekking tot de tarieven die deze netbeheerder in 2000 </para>
      <para>ten hoogste mag berekenen voor de aansluiting op een net of voor het transport </para>
      <para>van elektriciteit alsmede, indien het de netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet betreft, voor het verrichten van de systeemdiensten en de </para>
      <para>handhaving van de energiebalans. (.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 10 van de Overgangswet elektriciteitsproductiesector, welke bepaling in werking is </para>
      <para>getreden op 1 januari 2001, bepaalt, voorzover hier van belang:</para>
      <para>"	Artikel 10</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Staat is gemachtigd aan de aangewezen vennootschap een redelijke prijs </para>
      <para>te betalen voor de aandelen in de vennootschap die is aangewezen als </para>
      <para>netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.</para>
      <para>2. Het is anderen dan de Staat niet toegestaan aandelen te verkrijgen in de </para>
      <para>vennootschap die is aangewezen als netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet en het is de aangewezen vennootschap niet toegestaan op die </para>
      <para>aandelen rechten ten behoeve van anderen dan de Staat te vestigen (.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij (het eveneens op 1 januari 2001 in werking getreden) artikel 16, onderdeel E, van de </para>
      <para>Overgangswet elektriciteitsproductiesector is artikel 11a aan de Electriciteitswet 1998 </para>
      <para>toegevoegd. Artikel 11 a luidt, voorzover hier van belang:</para>
      <para>"	3. Een producent (.), rechtspersoon of natuurlijke persoon die werkzaam is </para>
      <para>voor een producent (.) mag geen aandelen houden in de vennootschap die is </para>
      <para>aangewezen als netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.</para>
      <para>4. Een producent, rechtspersoon of natuurlijke persoon als bedoeld in het derde </para>
      <para>lid die aandelen houdt (.) in de vennootschap die is aangewezen als </para>
      <para>netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, is verplicht deze aandelen in </para>
      <para>die vennootschap te vervreemden en over te dragen aan derden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellante is enig aandeelhouder van TenneT, Transmission System Operator B.V. </para>
      <para>(hierna: TenneT), welke vennootschap het landelijk hoogspanningsnet beheert.</para>
      <para>- Bij brief van 30 september 1999 heeft verweerder een voorstel van TenneT </para>
      <para>ontvangen met betrekking tot de tarieven die TenneT ten hoogste mag berekenen </para>
      <para>voor de aansluiting op haar net, voor het transport van elektriciteit en voor het </para>
      <para>verrichten van systeemdiensten.</para>
      <para>- TenneT heeft haar voorstel gewijzigd bij brief van 10 november 1999 en - onder </para>
      <para>voorbehoud van alle rechten - opnieuw bij brief van 19 november 1999.</para>
      <para>- Bij besluit van 7 december 1999 heeft verweerder de ten hoogste te berekenen </para>
      <para>tarieven conform het voorstel van 19 november 1999 vastgesteld.</para>
      <para>- Bij brief van 17 januari 2000 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van </para>
      <para>7 december 1999.</para>
      <para>- Bij brief van 11 april 2000 is het bezwaarschrift aangevuld. In deze aanvulling is </para>
      <para>onder meer vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	10. Het belang in TenneT vormt Sep's meest belangrijke </para>
      <para>vermogensbestanddeel. Sep wordt beperkt in haar activiteiten door haar totale </para>
      <para>financi‰le verplichtingen. Sep heeft de verplichting er voor zorg te dragen dat </para>
      <para>het net tegen zijn economische waarde wordt verkocht. Sep heeft diverse </para>
      <para>schattingen van de economische waarde van het net verzameld, die allen liggen </para>
      <para>tussen de NLG 2.500 tot NLG 2.700 miljoen (uitgezonderd de waarde van </para>
      <para>activa die van derden zijn geleast).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Het bezwaar van Sep is gebaseerd op de onjuiste toepassing door de </para>
      <para>directeur DTe van artikel IV van de Elektriciteitswet 1998.  Bovendien heeft de </para>
      <para>directeur DTe in strijd gehandeld met algemene beginselen van behoorlijk </para>
      <para>bestuur, onder meer door onvoldoende acht te slaan op de bijzondere positie </para>
      <para>van Sep en door het Besluit onvoldoende te motiveren. De resulterende </para>
      <para>tarieven in het Besluit zijn niet bevorderlijk voor de economische </para>
      <para>doelmatigheid.  De bepaling van TenneT's tarieven door de directeur DTe, </para>
      <para>zoals neergelegd in het Besluit, kan een effect hebben op de waarde van het </para>
      <para>net, zoals tijdens discussies over de Elektriciteitswet 1998 in het Nederlandse </para>
      <para>Parlement ook is onderkend, en zou derhalve kunnen verhinderen dat Sep de </para>
      <para>economische waarde van TenneT verkrijgt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op 6 juni 2000 heeft appellante haar bezwaar mondeling toegelicht.</para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
      <para>- Op 10 oktober 2000 is een schriftelijke overeenkomst gesloten tussen onder meer de </para>
      <para>Staat der Nederlanden en appellante, houdende "Afspraken met betrekking tot het </para>
      <para>be‰indigen van de overeenkomst van samenwerking van de </para>
      <para>elektriciteitsproductiesector en tot het aandeelhouderschap van de netbeheerder van </para>
      <para>het landelijk hoogspanningsnet TenneT B.V., zoals daarover regels zijn vervat in </para>
      <para>wetsvoorstel 27 250". Bij de overeenkomst waren voorts partij de elektriciteits-</para>
      <para>productiebedrijven EPON N.V., EZH N.V., EPZ N.V. en UNA N.V., welke vier </para>
      <para>partijen in de overeenkomst worden aangeduid als "de epb's". De overeenkomst </para>
      <para>houdt onder meer het volgende in:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"4.	Met instemming van de epb's verkoopt Sep alle aandelen in het geplaatste </para>
      <para>kapitaal van TenneT B.V. aan de Staat en de Staat koopt deze aandelen voor </para>
      <para>een bedrag van fl. 2.550.000.000,- onder voorbehoud van de uitvoering door </para>
      <para>de Staat van een due diligence-onderzoek, van nader overeen te komen </para>
      <para>garanties en vrijwaringen en in het bijzonder onder de voorwaarde dat </para>
      <para>TenneT B.V. de volledige eigendom van het landelijk hoogspanningsnet zal </para>
      <para>hebben verkregen of verkrijgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze afspraken worden aangegaan onder voorbehoud van goedkeuring door de </para>
      <para>Minister van Economische Zaken, het parlement en de Europese Commissie </para>
      <para>alsmede onder voorbehoud van goedkeuring van de heads of agreement door </para>
      <para>de vennootschapsrechtelijke organen (rvc, ava) van de epb's."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder</para>
      <para>Bij het bestreden besluit is appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar, omdat </para>
      <para>zij als aandeelhouder van TenneT door het besluit van 7 december 1999 niet rechtstreeks in </para>
      <para>haar belang zou zijn getroffen.</para>
      <para>Ter zitting van het College is, conform overgelegde pleitnota, voorts naar voren gebracht:</para>
      <para>"	Het belang van Sep valt samen met haar belang als enig aandeelhouder van </para>
      <para>TenneT. De situatie is inmiddels aanzienlijk veranderd. Op 1 januari 2001 is - </para>
      <para>onder meer - in werking getreden artikel 11a Electriciteitswet 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat artikel bepaalt dat - onder meer - een producent geen aandelen mag houden </para>
      <para>in een vennootschap die is aangewezen als netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet (artikel 11a lid 3). Ingevolge artikel 11a lid 4 </para>
      <para>Electriciteitswet 1998 geldt een verplichting voor producenten tot overdracht </para>
      <para>van aandelen in een dergelijke vennootschap.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Daarnaast is van belang dat tussen de Minister van Economische Zaken en Sep </para>
      <para>overeenstemming is bereikt over verkoop van de aandelen TenneT door Sep </para>
      <para>aan de Staat. De Staat zal hiertoe een bedrag van f 2,55 miljard betalen. Het </para>
      <para>gaat hier om een door diverse deskundigen vastgestelde "redelijke prijs".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vergelijk:</para>
      <para>Artikel 10 lid 1 Overgangswet elektriciteitsproductiesector.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Daarmee staat de waarde van de aandelen TenneT vast en heeft Sep er geen </para>
      <para>belang (meer) bij op te komen tegen een besluit, waarvan zij stelt dat dit de </para>
      <para>waarde van de aandelen zou be‹nvloeden. Door in te stemmen met de </para>
      <para>betreffende overeenkomst heeft Sep de prijs van de aandelen TenneT gefixeerd. </para>
      <para>Wijziging in het besluit van 7 december 1999 zal daarin geen verandering </para>
      <para>kunnen brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Dit betekent dat Sep geen procesbelang (meer) heeft. Reeds hierom dient haar </para>
      <para>beroep ongegrond te worden verklaard."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>In haar beroepschrift heeft appellante verschillende argumenten aangevoerd, waaruit zou </para>
      <para>moeten blijken dat haar belang wel rechtstreeks bij het besluit van 7 december 1999 was </para>
      <para>betrokken.</para>
      <para>Ten aanzien van de vraag of appellante, na het sluiten van de overeenkomst van </para>
      <para>10 oktober 2000, nog wel belang heeft bij een uitspraak in de onderhavige procedure, is </para>
      <para>namens haar ter zitting van het College, overeenkomstig overgelegde pleitnota, verklaard:</para>
      <para>"	Sep heeft haar beroep (mede) ingesteld, omdat zij haar aandelen in TenneT aan </para>
      <para>de overheid zal moeten overdragen en Besluit 006 in haar huidige vorm </para>
      <para>gevolgen heeft voor de marktwaarde van de aandelen in het kapitaal van </para>
      <para>TenneT.</para>
      <para>De Staat, Sep en Sep's aandeelhouders hebben op 10 oktober 2000 een</para>
      <para>principeovereenkomst gesloten waarin onder meer is overeengekomen dat Sep </para>
      <para>de aandelen in TenneT voor een bedrag van NLG 2.550 miljoen zal verkopen </para>
      <para>aan de Staat.  Deze principeovereenkomst heeft echter geenszins tot gevolg dat </para>
      <para>daarmee het belang van Sep bij het ingestelde beroep zou zijn komen te </para>
      <para>vervallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(.) De status van de principeovereenkomst is namelijk op dit moment </para>
      <para>onzeker, omdat de Tweede Kamer een aantal amendementen op het </para>
      <para>wetsvoorstel Overgangswet elektriciteitsproductiesector heeft aangenomen die </para>
      <para>het overeengekomen financi‰le evenwicht van de transactie verstoren. De </para>
      <para>aandeelhouders van Sep hebben daarop aangekondigd opnieuw met de Staat te </para>
      <para>willen onderhandelen over de inhoud van de principeovereenkomst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vgl. TK 2000-2001, 27 250, nr. 17 en 33; EK 2000-2001, 27 250, nr. 121 b, blz. </para>
      <para>14; Handelingen TK 23 november 2000; Het Financieele Dagblad, 1 december </para>
      <para>2000, blz. 3.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is op dit moment niet te voorspellen of nieuwe onderhandelingen tot een </para>
      <para>definitieve overeenkomst en overdracht van de aandelen in TenneT aan de </para>
      <para>Staat zullen leiden, dan wel tegen welke prijs. Ook het recentelijk door het </para>
      <para>franse elektriciteitsbedrijf Electricit‚ de France gelegde beslag op het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet belemmert de (voortgang van de) overdracht van de </para>
      <para>aandelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Vgl. Het Financieele Dagblad, 29 december 2000, blz. 1.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de hernieuwde onderhandelingen zal de waarde van de aandelen in het </para>
      <para>kapitaal van TenneT een (grote) rol spelen. Omdat, zoals eerder in de </para>
      <para>procedure reeds naar voren is gebracht, Besluit 006 gevolgen heeft voor de </para>
      <para>marktwaarde van deze aandelen, heeft Sep op dit moment nog steeds belang bij </para>
      <para>haar beroep tegen het bestreden besluit. Daarnaast, als uiteindelijk geen </para>
      <para>overeenstemming met de Staat wordt bereikt, zal Sep wellicht worden </para>
      <para>gedwongen haar aandelen in TenneT af te stoten."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het College ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of appellante nog een belang heeft bij </para>
      <para>een oordeel van het College over het bestreden besluit. Hieromtrent overweegt het College </para>
      <para>als volgt.</para>
      <para>Het door appellante ingediende bezwaar tegen het besluit tot vaststelling van de ten </para>
      <para>hoogste door TenneT te berekenen tarieven was - blijkens het aanvullend bezwaarschrift - </para>
      <para>ingegeven door de vrees dat dit besluit appellante zou verhinderen bij de op handen zijnde </para>
      <para>overdracht van haar aandelen in TenneT de door haar beoogde waarde van deze aandelen te </para>
      <para>verkrijgen. Blijkens het aanvullend bezwaarschrift stelde appellante zich op het standpunt </para>
      <para>dat de economische waarde tussen de fl. 2,5 en fl. 2,7 mld. bedroeg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Getuige de overeenkomst van 10 oktober 2000 zijn de Staat en appellante inmiddels </para>
      <para>overeengekomen dat de Staat de desbetreffende aandelen van appellante overneemt voor </para>
      <para>een bedrag van fl. 2,55 mld. Hieruit blijkt ten eerste dat de vrees van appellante, dat het in </para>
      <para>bezwaar bestreden besluit omtrent de maximumtarieven haar zou verhinderen haar </para>
      <para>aandelen te verkopen tegen de door haar beoogde waarde, ongegrond was. Immers, </para>
      <para>ondanks het besluit van verweerder van 7 december 1999 heeft appellante een verkoopprijs </para>
      <para>weten af te spreken die ligt op het niveau van de door haarzelf geschatte waarde van tussen </para>
      <para>de fl. 2,5 en fl. 2,7 mld. </para>
      <para>Voorts blijkt uit de inhoud van de overeenkomst dat appellante geen voorbehoud heeft </para>
      <para>bedongen, waaruit zou blijken dat het overeengekomen bedrag gewijzigd zou worden bij </para>
      <para>een bepaalde afloop van de onderhavige beroepsprocedure. Evenmin is overeengekomen </para>
      <para>dat het vermelde bedrag wijziging zou ondergaan, indien het wetsvoorstel dat heeft geleid </para>
      <para>tot de Overgangswet elektriciteitsproductiesector gedurende het nog resterende gedeelte </para>
      <para>van de parlementaire behandeling wijziging zou ondergaan. Voor de door appellante </para>
      <para>gehuldigde opvatting dat sprake zou zijn van een "principeovereenkomst" waarin het </para>
      <para>overnamebedrag niet bindend zou zijn vastgesteld, valt ook overigens in de overeenkomst </para>
      <para>geen steun te vinden. Hierbij neemt het College het volgende in aanmerking.</para>
      <para>Naar ter zitting door verweerder - onweersproken - is verklaard, heeft de Minister van </para>
      <para>Economische Zaken de overeenkomst goedgekeurd. Voorts blijkt uit de parlementaire </para>
      <para>stukken betreffende de behandeling van de Overgangswet elektriciteitsproductiesector niet </para>
      <para>dat het parlement, kennisdragende van de overeenkomst, zich tegen de inhoud hiervan </para>
      <para>heeft verzet. Evenmin is gesteld of gebleken dat de Europese Commissie een procedure </para>
      <para>heeft geopend tegen de overeengekomen koop van voormelde aandelen, noch dat er </para>
      <para>aanleiding voor zodanige procedure zou bestaan. Met name is blijkens het verhandelde ter </para>
      <para>zitting tussen partijen niet in geschil dat het onwaarschijnlijk is, en ook het College ziet </para>
      <para>geen grond te verwachten, dat  de Europese Commissie bezwaren zou maken tegen de </para>
      <para>overeengekomen hoogte van de vergoeding voor de aandelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat, naar appellante heeft aangevoerd, het door Electricit‚ de France gelegde beslag op het </para>
      <para>landelijk hoogspanningsnet de voortgang van de overdracht van de aandelen zou </para>
      <para>belemmeren, doet naar het oordeel van het College niet af aan de door appellante met de </para>
      <para>Staat gemaakte afspraak omtrent de voor de aandelenoverdracht te betalen prijs.</para>
      <para>Nu verweerder ter zitting heeft aangegeven dat noch de afloop van de onderhavige </para>
      <para>procedure, noch de aanneming van de beide door appellante vermelde amendementen voor </para>
      <para>hem aanleiding zullen zijn om appellante niet te houden aan de overeenkomst, terwijl niet </para>
      <para>is gebleken dat deze omstandigheden verweerder daartoe wel aanleiding behoren te geven, </para>
      <para>leidt het vorenstaande het College tot de conclusie dat een alsnog inhoudelijk beoordelen </para>
      <para>van het bezwaar van appellante niet kan leiden tot enig resultaat als door appellante met </para>
      <para>haar bezwaar beoogd.</para>
      <para>Gelet op het voorgaande heeft appellante evenmin belang bij een uitspraak van het College </para>
      <para>over de vraag of zij als belanghebbende bij het besluit van 7 december 1999 moest worden </para>
      <para>aangemerkt. Dit leidt ertoe dat haar beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>7.	</para>
      <para>Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr M.J. Kuiper en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. H.G. Lubberdink				w.g. R.P.H. Rozenbrand</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>