<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AA9891</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T09:53:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9891</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/859</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9891">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9891</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AA9891 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 07-02-2001 / AWB 99/859</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9891:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9891:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/859					7 februari 2001</para>
      <para>	5135</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Maatschap A-B, te Nederweert-Eind, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: A.A.T. Stoffels, juridisch adviseur bij de Limburgse Land- en Tuinbouwbond te </para>
      <para>Roermond, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 2 november 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 september 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van </para>
      <para>12 november 1998, waarbij de aanvraag van appellante op grond van de Regeling EG-</para>
      <para>steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) is afgewezen.</para>
      <para>Verweerder heeft op 25 januari 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2001, waar partijen bij monde </para>
      <para>van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Op grond van artikel 1, tweede lid, aanhef en tweede gedachtestreepje, van Verordening </para>
      <para>(EEG) nr. 1765/92 van de Raad, tot instelling van een steunregeling voor producenten van </para>
      <para>bepaalde akkerbouwgewassen, worden voor de toepassing van deze verordening als </para>
      <para>"akkerbouwgewassen" aangemerkt de gewassen die zijn opgenomen in bijlage I van deze </para>
      <para>verordening. Blijkens bijlage I, onder III, worden alleen veldbonen met GN-code 071350, </para>
      <para>hetgeen staat voor zogeheten drooggeoogste veldbonen, als steunwaardige akkerbouw-</para>
      <para>gewassen aangemerkt.</para>
      <para>In artikel 1 van de Regeling wordt voor de definitie van het begrip akkerbouwgewassen </para>
      <para>verwezen naar voormelde EG-regelgeving. </para>
      <para>Ingevolge artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 wordt, wanneer wordt </para>
      <para>vastgesteld dat de in de aanvraag oppervlakten aangegeven oppervlakte groter is dan de </para>
      <para>geconstateerde oppervlakte, het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle </para>
      <para>feitelijk geconstateerde oppervlakte. Er wordt geen aan oppervlakte gekoppelde steun </para>
      <para>toegekend wanneer het verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.</para>
      <para>In dit artikel wordt onder geconstateerde oppervlakte verstaan de oppervlakte waarvoor aan </para>
      <para>alle in de voorschriften gestelde voorwaarden is voldaan.</para>
      <para>Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Regeling kan de aanvraag tot uiterlijk 15 mei van </para>
      <para>het desbetreffende jaar worden gewijzigd. Ingevolge het tweede lid van artikel 9 kan de </para>
      <para>aanvraag oppervlakten na 15 mei worden gewijzigd indien sprake is van een duidelijke </para>
      <para>fout of indien de wijziging betrekking heeft op een vermindering van de oppervlakte, mits </para>
      <para>hiervan schriftelijk mededeling is gedaan aan LASER voordat de producent in kennis is </para>
      <para>gesteld van de resultaten van een administratieve of fysieke controle.</para>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellante exploiteert een gemengde landbouwonderneming, waarvan de </para>
      <para>bedrijfsvoering tot en met 1997 hoofdzakelijk bestond uit het houden van stieren. </para>
      <para>Begin 1998 is de bedrijfsvoering gewijzigd en is appellante zich ondermeer gaan </para>
      <para>toeleggen op het telen van subsidiabele akkerbouwgewassen, waaronder tuinbonen.</para>
      <para>- Op 11 mei 1998 heeft verweerder van appellante een aanvraag oppervlakten 1998 </para>
      <para>ontvangen, waarbij appellante ingevolge de vereenvoudigde regeling subsidie heeft </para>
      <para>aangevraagd voor 12.77 ha akkerbouwgewassen. De aanvraag heeft onder meer </para>
      <para>betrekking op perceel 2 met een oppervlakte van 4 ha, waar appellante in verband </para>
      <para>met een contract met Rijko B.V. te Helmond tuinbonen bestemd voor conserven </para>
      <para>teelde. </para>
      <para>- Op 4 september 1998 heeft bij het bedrijf van appellante een controle plaatsgevonden </para>
      <para>door een ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van </para>
      <para>Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (AID). Het terzake opgemaakte </para>
      <para>bedrijfscontrolerapport behelst voorzover hier van belang de volgende passage:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Op de vraag van Laser of de tuinbonen op het perceel van bovengenoemde teler </para>
      <para>droog geoogst zijn bevond ik mij op 04-09-1998 op bovengenoemd adres</para>
      <para>daar verklaarde de teler dat hij op 16-04-1998 contact had gehad met N. van </para>
      <para>Hoof, ambtenaar van Laser Roermond deze had hem medegedeeld dat wanneer </para>
      <para>het loof op het land achterbleef de bonen droog geoogst zijn.</para>
      <para>Verder verklaarde hij dat de bonen groen waren toen ze geoogst zijn en </para>
      <para>afgevoerd naar Rijko B.V. te Helmond."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Bij besluit van 12 november 1998 heeft verweerder de aanvraag van appellante </para>
      <para>afgewezen. Blijkens de bijlage behorende bij dit besluit is de geconstateerde </para>
      <para>oppervlakte van perceel 2 op nihil gesteld. Aangezien het verschil ten opzichte van </para>
      <para>de totale geconstateerde oppervlakte meer dan 20 % bedraagt is de subsidiabele </para>
      <para>oppervlakte eveneens op nihil gesteld.</para>
      <para>- Bij brief van 26 november 1998 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen voormeld </para>
      <para>besluit. Hierbij heeft appellante aangevoerd dat enige twijfel bestond over het gewas </para>
      <para>tuinbonen en dat om die reden telefonische informatie is ingewonnen bij LASER. De </para>
      <para>heer N. van den Hove (hierna: Van den Hove) van LASER zou hebben bevestigd dat </para>
      <para>voor tuinbonen subsidie kon worden aangevraagd indien alleen de bonen werden </para>
      <para>afgevoerd en het loof op de akker bleef. Bij het inleveren van de aanvraag heeft </para>
      <para>appellante vernomen dat Van den Hove niet langer bij LASER werkzaam was en is </para>
      <para>haar meegedeeld dat indien Van den Hove heeft bevestigd dat onder voormelde </para>
      <para>voorwaarde subsidie voor tuinbonen kon worden aangevraagd de aanvraag zo door </para>
      <para>kon gaan. Eerst achteraf heeft appellante begrepen dat tuinbonen, die bestemd zijn </para>
      <para>voor de conservenindustrie, niet premiewaardig zijn. Zij heeft er begrip voor dat zij </para>
      <para>voor de tuinbonen geen subsidie ontvangt, maar acht het niet re‰el dat zij gelet op het </para>
      <para>geconstateerde verschil ook voor de overige gewassen geen subsidie ontvangt. </para>
      <para>- Op 13 juli 1999 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waar namens appellante is </para>
      <para>meegedeeld dat de telefonische informatie van Van den Hove is verstrekt aan haar </para>
      <para>adviseur de heer C van Havens Voeders. Voorts is aldaar door de heer A, vennoot </para>
      <para>van appellante, meegedeeld dat het hem niet bekend was dat een subsidievoorwaarde </para>
      <para>voor tuinbonen is dat deze drooggeoogst moeten zijn, dat hij de brochure met </para>
      <para>betrekking tot de Regeling van 1998 niet kende en van hem niet kan worden </para>
      <para>verwacht dat hij dat allemaal gaat doorlezen en op de hoogte is van alle regeltjes, dat </para>
      <para>Rijko B.V. alles regelde en hij bij wijze van spreken slechts zijn land ter beschikking </para>
      <para>stelde.</para>
      <para>- Naar aanleiding van hetgeen in het bezwaarschrift en op de hoorzitting namens </para>
      <para>appellante naar voren is gebracht is zijdens verweerder op 19 juli 1999 telefonisch </para>
      <para>contact gezocht met Van den Hove. Deze heeft desgevraagd verklaard dat hij zich het </para>
      <para>gesprek met C niet kan herinneren. Voorts heeft hij verklaard dat hij zich niet kan </para>
      <para>voorstellen dat hij de door appellante gestelde informatie zou hebben verstrekt, </para>
      <para>omdat hij in totaal maar drie weken bij LASER heeft gewerkt en niet zodanig van de </para>
      <para>Regeling op de hoogte was dat hij een antwoord zou kunnen geven op de vraag op </para>
      <para>welke manier de bonen ter verkrijging van subsidie geoogst dienen te worden. </para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.</para>
      <para>"	Voor het perceel met volgnummer 2 vroeg u een bijdrage aan voor tuinbonen. </para>
      <para>Ingevolge de omschrijving van de eiwithoudende gewassen genoemd in Bijlage </para>
      <para>1 van Verordening (EEG) 1765/92 diende u, om voor steunverlening in </para>
      <para>aanmerking te komen, de tuinbonen droog te oogsten. Na een administratieve </para>
      <para>en fysieke controle bleek dat de tuinbonen niet droog werden geoogst. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In uw bezwaarschrift en op de hoorzitting verklaarde u bij het indienen van uw </para>
      <para>aanvraag van niet droog geoogste tuinbonen te zijn afgegaan op uitspraken van </para>
      <para>een medewerker van LASER, de heer Nico van den Hove. Onderzoek tijdens </para>
      <para>de bezwaarfase heeft dit echter niet kunnen bevestigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overigens is het verstrekken van informatie door medewerkers van de </para>
      <para>Klantenservice van LASER geen recht waarop u zich kunt beroepen doch </para>
      <para>slechts een service van LASER, die uw eigen verantwoordelijkheid voor het op </para>
      <para>juiste wijze aanvragen van de premie onverlet laat. U blijft als aanvrager ten </para>
      <para>allen tijde zelf verantwoordelijk voor het op juiste wijze indienen van uw </para>
      <para>aanvraag en de gevolgen daarvan voor uw aanvraag indien u dit niet doet. </para>
      <para>Eventuele fouten die u maakt bij het indienen of invullen van uw aanvraag </para>
      <para>komen dan ook voor uw eigen rekening en risico. Van een aanvrager van een </para>
      <para>subsidie mag worden verwacht dat deze zich vergewist van de toepasselijke </para>
      <para>regelgeving, welke wordt gepubliceerd in de Staatscourant en derhalve voor </para>
      <para>iedereen toegankelijk is. U wordt geacht op de hoogte te zijn van het feit dat </para>
      <para>uw tuinbonen droog dienen te worden geoogst om een bijdrage te ontvangen en </para>
      <para>dat, indien u een verkeerde aanvraag doet, uw gehele bijdrage wordt </para>
      <para>gesanctioneerd en zelfs kan komen te vervallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In uw bezwaarschrift stelde u het niet eens te zijn met de zwaarte van de </para>
      <para>sanctie. U verklaarde de gehele afwijzing van uw aanvraag ten zeerste te </para>
      <para>betreuren, daar u te goeder trouw had gehandeld. Artikel 9 lid 2 van </para>
      <para>Verordening (EEG) 3887/92 geeft aan dat, indien het verschil tussen de </para>
      <para>opgegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte groter is dan 20 %, er </para>
      <para>geen steunbijdrage meer wordt toegekend. Uw aanvraag wordt zwaarder </para>
      <para>gesanctioneerd naarmate het verschil tussen aangevraagde en geconstateerde </para>
      <para>oppervlakte groter wordt. Vanwege deze voorgeschreven gedifferentieerde </para>
      <para>sanctionering bestaat er geen grond voor de stelling dat op uw aanvraag geen of </para>
      <para>een lichtere sanctionering had moeten worden toegepast. Daaraan voeg ik toe </para>
      <para>dat het uitblijven van een sanctie bij geconstateerde verschillen het oneigenlijk </para>
      <para>gebruik van de Regeling in de hand zou werken. Het toepassen van sancties is </para>
      <para>bedoeld om het indienen van frauduleuze aanvragen tegen te gaan en het </para>
      <para>indienen van volledige en correcte aanvragen te bevorderen. Het opleggen van </para>
      <para>deze sancties houdt geen verband met opzet dan wel goeder trouw van de </para>
      <para>aanvrager." </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>In de brochure met betrekking tot de toepassing van de Regeling voor het jaar 1998 werd </para>
      <para>voor het eerst gesteld dat alleen voor 'droog-geoogste' tuinbonen een bijdrage kon worden </para>
      <para>toegekend; de brochure met betrekking tot het jaar 1997 kende deze beperking niet. Dat de </para>
      <para>regelgeving op dit punt ook voor anderen niet duidelijk was volgt uit een door appellante </para>
      <para>bij haar beroepschrift overgelegde brief d.d. 4 juni 1997 van Rijko B.V. aan haar </para>
      <para>tuinbonentelers, waaruit blijkt dat in 1997 voor conserventuinbonen wel subsidie is </para>
      <para>toegekend. Deze brief heeft appellante overigens niet zelf heeft ontvangen aangezien zij in </para>
      <para>1997 nog geen tuinbonen teelde.</para>
      <para>Aangezien het appellante niet duidelijk was wat onder het begrip "droog-geoogst" moest </para>
      <para>worden verstaan, heeft zij via haar adviseur C inlichtingen ingewonnen bij LASER. </para>
      <para>Appellante mocht er op vertrouwen dat de door LASER - Van den Hove - verstrekte </para>
      <para>informatie juist was. De omstandigheid dat Van den Hove zich op 19 juli 1999, acht </para>
      <para>maanden nadat appellante in haar bezwaarschrift gewag heeft gemaakt van de telefonisch </para>
      <para>door LASER verstrekte informatie, het telefoongesprek met C niet meer kan herinneren </para>
      <para>behoeft niet te verbazen. Overigens blijkt uit de telefoonnotitie inzake het gesprek van </para>
      <para>19 juli 1999 dat kennelijk een volstrekt onervaren medewerker is belast met de uitvoering </para>
      <para>van klantenservice en uit dien hoofde het verstrekken van informatie aan derden.</para>
      <para>Gelet op voormelde omstandigheden van het geval gaat het niet aan om, zoals verweerder </para>
      <para>in het bestreden besluit doet, de verantwoordelijkheid voor een correcte aanvraag </para>
      <para>ingevolge de Regeling uitsluitend bij appellante te leggen.</para>
      <para>Bovendien acht appellante de volledige afwijzing van haar aanvraag onevenredig. Nu ook </para>
      <para>voor de wel subsidiabele gewassen geen bijdrage wordt toegekend, bedraagt de schade </para>
      <para>voor appellante circa fl. 5000,-.  </para>
      <para>De sanctie dient ter voorkoming van frauduleus handelen. Nu appellante zich terdege heeft </para>
      <para>ge‹nformeerd over de toepassing van de Regeling en van fraude absoluut geen sprake is, </para>
      <para>dient de sanctie geen enkel doel.</para>
      <para>Op grond van het vorenstaande verzoekt appellante het College het bestreden besluit te </para>
      <para>vernietigen en zo mogelijk zelf in de zaak te voorzien, met veroordeling van verweerder in </para>
      <para>de kosten van de procedure.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Vooropgesteld wordt dat een producent, die voor subsidie in aanmerking wil komen, </para>
      <para>gehouden is zich op de hoogte te stellen van de daarvoor in de toepasselijke regelgeving </para>
      <para>gestelde voorwaarden. </para>
      <para>Naar het oordeel van het College heeft appellante voorafgaand aan de indiening van haar </para>
      <para>aanvraag niet aan deze op haar rustende verplichting voldaan. Van de zijde van appellante </para>
      <para>is ter gelegenheid van de hoorzitting in bezwaar immers gesteld dat van haar niet kan </para>
      <para>worden verwacht dat zij op de hoogte is van alle regeltjes, dat zij niet bekend was met de </para>
      <para>door verweerder met het oog op de toepassing van de Regeling in 1998 uitgebrachte </para>
      <para>brochure en dat het haar niet bekend was dat slechts drooggeoogste tuinbonen voor </para>
      <para>subsidie in aanmerking kwamen. Afgezien van de vraag hoe in het licht hiervan het </para>
      <para>gestelde telefoongesprek tussen C, de adviseur van appellante, en de LASER-medewerker </para>
      <para>Van den Hove moet worden geplaatst, kan het uitsluitend inwinnen van telefonische </para>
      <para>informatie niet worden aangemerkt als het in afdoende mate voldoen aan vorenstaande </para>
      <para>informatieplicht.</para>
      <para>Zou appellante zich wel van de toepasselijke regelgeving op de hoogte hebben gesteld, dan </para>
      <para>zou het haar duidelijk zijn geweest dat de tuinbonen 'drooggeoogst' dienden te worden en </para>
      <para>had zij zich kunnen, en naar het oordeel van het College moeten, realiseren dat voor het </para>
      <para>verkrijgen van subsidie niet bepalend kan zijn of na het oogsten loof op het bewuste </para>
      <para>perceel achterbleef. </para>
      <para>In ieder geval kan appellante uitsluitend aan de inhoud van een telefoongesprek - nog </para>
      <para>daargelaten de juistheid van hetgeen zij dienaangaande heeft gesteld - niet het </para>
      <para>gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de door haar geteelde conserventuinbonen voor </para>
      <para>subsidie in aanmerking kwamen.</para>
      <para>Verweerder was dan ook gehouden perceel 2 voor de geconstateerde oppervlakte buiten </para>
      <para>beschouwing te laten.</para>
      <para>Het verzoek van appellante om de overige percelen wel voor subsidie in aanmerking te </para>
      <para>brengen zou ertoe leiden dat het haar zou worden toegestaan haar aanvraag na de AID-</para>
      <para>controle te wijzigen. Artikel 9, tweede lid, van de Regeling staat hieraan echter in de weg.  </para>
      <para>Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt. In het aan het bestreden besluit ten </para>
      <para>grondslag liggende artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 is voorzien in een getrapt </para>
      <para>sanctiestelsel, waarin reeds rekening wordt gehouden met de ernst van de overtreding in </para>
      <para>verhouding tot het belang dat met de naleving van de voorwaarden is gediend. Het Hof van </para>
      <para>Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 17 juli 1997 in de zaak </para>
      <para>National Farmers Union (C- 354/95) voor recht verklaard dat bij onderzoek van artikel 9, </para>
      <para>tweede tot en met vierde lid, van deze Verordening - waarin dit getrapte sanctiestelsel is </para>
      <para>neergelegd - niet is gebleken van feiten of omstandigheden die, gelet op het </para>
      <para>evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel, de </para>
      <para>geldigheid van dit artikel kunnen aantasten.</para>
      <para>Het beroep is dan ook ongegrond.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6.	De beslissing</para>
    <para />
    <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. M.A. van der Ham			w.g. F.W. du Marchie Sarvaas</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>