<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AA9890</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T08:20:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9890</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/1070 t/m 98/1075</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007746&amp;artikel=24&amp;g=2001-02-06">Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 24</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007746&amp;artikel=25&amp;g=2001-02-06">Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 25</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006655&amp;artikel=2&amp;g=2001-02-06">Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften S&amp;O-vermindering 2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9890">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9890</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AA9890 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 06-02-2001 / AWB 98/1070 t/m 98/1075</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9890:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9890:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 98/1070 tot en met 98/1075			6 februari 2001</para>
      <para>	27000</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaken van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Claus Partyhouse Hoofddorp B.V., te Hoofddorp, </para>
      <para>Claus Partyhouse Haarlem B.V., te Haarlem, </para>
      <para>Claus Partyhouse Alkmaar B.V., te Alkmaar, </para>
      <para>Claus Vastgoed B.V., te Haarlem, </para>
      <para>Mentzhoeve B.V., te Hoofddorp, </para>
      <para>Claus Beheer B.V. , te Haarlem, </para>
      <para>appellanten,</para>
      <para>gemachtigde: mr C.M. Sanders, advocaat te Haarlem, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder, </para>
      <para>gemachtigde: mr I.A.M. van Nieuwkerk en ing. M.G. Koerhuis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 12 oktober 1998 heeft het College van appellanten beroepschriften ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen besluiten van verweerder van 1 september 1998.</para>
      <para>Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren die appellanten hebben gemaakt </para>
      <para>tegen de intrekking van de S&amp;O-verklaringen die verweerder heeft afgegeven op grond van </para>
      <para>de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.</para>
      <para>Op 13 april 1999 hebben appellanten de gronden van hun beroepen aangevuld.</para>
      <para>Verweerder heeft op 7 juli 1999 een verweerschrift ingediend. </para>
      <para>Het College heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer, die ter zitting van </para>
      <para>24 mei 2000 als getuigen heeft gehoord A, B en C. </para>
      <para>Bij beschikking van 9 juni 2000 heeft deze enkelvoudige kamer de zaken naar een </para>
      <para>meervoudige kamer verwezen.</para>
      <para>Op 14 november 2000 heeft het onderzoek ter zitting door deze meervoudige kamer </para>
      <para>plaatsgevonden, alwaar partijen hun standpunten nader hebben doen toelichten.</para>
      <para>Op 17 en 20 november 2000 hebben partijen enkele gedingstukken nagezonden. </para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Bij de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen </para>
      <para>(hierna: de WVA) is onder meer het volgende bepaald: </para>
      <para>"	Artikel 24</para>
      <para>	1. Aan een S&amp;O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een kalenderjaar </para>
      <para>speur- en ontwikkelingswerk te verrichten geeft Onze Minister van </para>
      <para>Economische Zaken op verzoek een S&amp;O-verklaring af. In de verklaring wordt </para>
      <para>vermeld dat het aangemelde werk is aangemerkt als speur- en </para>
      <para>ontwikkelingswerk. Voorts wordt in de verklaring vermeld het bedrag van het </para>
      <para>vermoedelijke beloop van het in dat kalenderjaar te genieten loon voor zover </para>
      <para>dat betrekking zal hebben op speur- en ontwikkelingswerk en welk gedeelte </para>
      <para>daarvan, gelet op het in artikel 22, eerste lid, bedoelde maximum ten hoogste in </para>
      <para>aanmerking kan worden genomen bij de toepassing van dat artikel (.).</para>
      <para>(.)</para>
      <para>	7. (.) Een S&amp;O-verklaring kan worden gewijzigd of ingetrokken indien </para>
      <para>blijkt dat te harer verkrijging verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist </para>
      <para>of onvolledig zijn dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen </para>
      <para>indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend </para>
      <para>zouden zijn geweest. Onjuistheid of onvolledigheid van gegevens of </para>
      <para>bescheiden die Onze Minister van Economische Zaken bekend was of </para>
      <para>redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond opleveren voor </para>
      <para>wijziging of intrekking van een verklaring. Een S&amp;O-verklaring kan tevens </para>
      <para>worden ingetrokken indien blijkt dat de in artikel 25 bedoelde administratie </para>
      <para>niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde. De bevoegdheid tot </para>
      <para>het wijzigen of intrekken van een verklaring vervalt door verloop van vijf jaren </para>
      <para>na de dagtekening van de verklaring.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 25</para>
      <para>De S&amp;O-inhoudingsplichtige aan wie een S&amp;O-verklaring is afgegeven houdt </para>
      <para>een overeenkomstig bij ministeri‰le regeling van Onze Minister van </para>
      <para>Economische Zaken vast te stellen regels ingerichte administratie bij met </para>
      <para>betrekking tot de aard en de inhoud van het verrichte speur- en </para>
      <para>ontwikkelingswerk en de uren welke de daarbij betrokken werknemers hebben </para>
      <para>besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk. (.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften Wet bevordering speur-en </para>
      <para>ontwikkelingswerk (hierna: de Uitvoeringsregeling) is onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 2</para>
      <para>De S&amp;O-inhoudingsplichtige of S&amp;O-belastingplichtige aan wie een S&amp;O-</para>
      <para>verklaring is afgegeven dient een zodanige administratie bij te houden dat </para>
      <para>daaruit uiterlijk twee maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin </para>
      <para>werkzaamheden zijn verricht waarop de verklaring betrekking heeft op </para>
      <para>eenvoudige en duidelijke wijze zijn af te leiden:</para>
      <para>a. de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk; b. het </para>
      <para>aantal uren dat de betrokken werknemers, dan wel de betrokken S&amp;O-</para>
      <para>belastingplichtige aan het verrichte speur- en ontwikkelingswerk per project </para>
      <para>hebben besteed."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De toelichting bij de Uitvoeringsregeling luidt onder meer als volgt:</para>
      <para>"	Om een adequate controle in het kader van de wet mogelijk te maken dient de </para>
      <para>S&amp;O-inhoudingsplichtige (.) over de uitvoering van deze projecten in zijn </para>
      <para>administratie zodanige gegevens bij te houden dat daarmee inzicht wordt </para>
      <para>verschaft in de voortgang van die projecten. (.) Indien twee maanden na </para>
      <para>afloop van het kalenderkwartaal waarin werkzaamheden hebben plaats </para>
      <para>gevonden geen administratie aanwezig is, is dat een grond voor intrekking van </para>
      <para>de afgegeven S&amp;O-verklaring."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellanten hebben op 9 juni 1997 aanvragen ingediend om S&amp;O-verklaringen als </para>
      <para>bedoeld in artikel 24 van de WVA met betrekking tot werkzaamheden in de periode </para>
      <para>van 1 juli tot en met 31 december 1997.</para>
      <para>-	Op 29 augustus 1997 heeft verweerder ter beoordeling van deze aanvragen een </para>
      <para>controlebezoek doen afleggen bij de bedrijven van appellanten. Blijkens </para>
      <para>desbetreffend evaluatieformulier is bij deze bedrijfscontrole gebleken dat geen </para>
      <para>projectadministratie aanwezig was. </para>
      <para>-	Bij brief van 4 september 1997 heeft verweerder aan appellanten de gevraagde S&amp;O-</para>
      <para>verklaringen afgegeven en daarbij onder meer het volgende medegedeeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Ik wijs u er op dat alleen directe uren besteed aan de ontwikkeling van </para>
      <para>technisch nieuwe fysieke producten of productieprocessen worden gerekend tot </para>
      <para>speur- en ontwikkelingswerk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder meer de volgende werkzaamheden worden niet tot speur- en </para>
      <para>ontwikkelingswerk gerekend:</para>
      <para> het bouwen of inrichten van apparatuur of progammatuur, bestemd voor </para>
      <para>  toepassing in de praktijk;</para>
      <para> werkzaamheden met betrekking tot het invoeren in een bestaande </para>
      <para>  bedrijfssituatie en aanpassen van aangekochte technologie, producten, </para>
      <para>  processen of programmatuur, dan wel onderdelen daarvan. </para>
      <para> het bouwen van een pilot-plant op productieschaal, dan wel een prototype met </para>
      <para>  een produktieve of commerci‰le betekenis;</para>
      <para>Verder verwijs ik u naar de Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk </para>
      <para>1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij een controlebezoek zal duidelijk moeten blijken dat de verrichte </para>
      <para>werkzaamheden tot speur- en ontwikkelingswerk gerekend kunnen worden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>-	Bij brief van 6 april 1998 heeft verweerder appellanten het volgende bericht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Hierbij bevestig ik de telefonisch met de heer B van Alta International </para>
      <para>Business B.V. gemaakte afspraak. Wij spraken af om op woensdag 15 april </para>
      <para>1998 om 10:30 uur uw bedrijf te bezoeken in verband met de door u </para>
      <para>ingediende aanvraag in het kader van de Wet vermindering afdracht </para>
      <para>loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, hoofdstuk VIII (S&amp;O-</para>
      <para>vermindering). Dit bezoek zal ongeveer 1 1/2 uur duren. Het doel van het </para>
      <para>bezoek is om inzicht te krijgen in de projecten en om uw uren- en </para>
      <para>projectadministratie in te zien. Deze administraties moet u op grond van de bij </para>
      <para>deze wet behorende Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften </para>
      <para>bijhouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om er voor te zorgen dat het bezoek vlot verloopt is het nodig dat ik tijdens het </para>
      <para>bezoek de bovenvermelde administraties kan inzien en een technisch-</para>
      <para>inhoudelijke toelichting kan krijgen met betrekking tot de S&amp;O-projecten. Uit </para>
      <para>de administraties moet op eenvoudige en duidelijke wijze zijn af te leiden wat </para>
      <para>de aard en inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingwerk is en het aantal </para>
      <para>uren dat de betrokken S&amp;O-medewerkers aan het speur- en ontwikkelingswerk </para>
      <para>per project hebben besteed. Voor een effici‰nte controle verzoek ik u tevens dat </para>
      <para>ik de controledossiers van de accountant in kan zien van de betreffende </para>
      <para>aanvragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als u bent verhinderd dient u zelf voor adequate vervanging te zorgen. De </para>
      <para>afspraak wordt in principe niet verzet. Dit in verband met een effici‰nte </para>
      <para>uitvoering van deze regeling. De aanvragen waarop het bezoek betrekking heeft </para>
      <para>zijn de aanvragen van Claus Partyhouse Hoofddorp B.V., Claus Beheer B.V., </para>
      <para>Claus Partyhouse Alkmaar B.V., Claus Mentzhoeve B.V., Claus Partyhouse </para>
      <para>Haarlem B.V. en Claus Vastgoed B.V. betreffende de jaren 1997 en 1998."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief van 28 mei 1998 heeft verweerder appellanten medegedeeld deze S&amp;O-</para>
      <para>verklaringen in te trekken op grond van het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Op 15 april 1998 hebben mijn medewerkers, de heren Middelkamp en Visser, </para>
      <para>een bedrijfsonderzoek bij u afgelegd. Daarbij is geconstateerd dat de </para>
      <para>projectenadministratie niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld. </para>
      <para>Volgens artikel 2 van de Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften en </para>
      <para>de toelichting daarop, die behoort bij deze wet, dient de aanvrager een </para>
      <para>administratie bij te houden waaruit op eenduidige en duidelijke wijze de aard </para>
      <para>en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk is af te leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat uw administratie niet voldoet aan de eisen die in artikel 2, van de </para>
      <para>Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften bij deze wet worden gesteld, </para>
      <para>trek ik de S&amp;O-verklaring in op grond van artikel 25 en artikel 24, zevende </para>
      <para>lid."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>-	Hiertegen hebben appellanten op 9 juni 1998 bezwaar gemaakt met het verzoek om </para>
    <para />
    <para>"	een spoedige behandeling van deze bezwaren (streven binnen twee weken) "</para>
    <para />
    <para>	en met de volgende redengeving:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	(.) dat door de heren B.G. Middelkamp en G.T. Visser van Senter bij een </para>
      <para>door hen verricht bedrijfsonderzoek, waarbij pas na 1,5 maand, schriftelijk </para>
      <para>bekend gemaakt werd dat de project administratie niet naar behoren zou zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wij bestrijden dat, daar in eerste instantie gevraagd werd naar de project </para>
      <para>administratie van 1998, alsmede de uren registratie en terloops ook naar 1997 </para>
      <para>gekeken is. Voorts is het zo dat het een doorlopend project betreft van juli 1997 </para>
      <para>t/m mei 1998 en de projectadministratie derhalve voor de periode 1997 </para>
      <para>daardoor uiteraard betrekkelijk bescheiden van omvang, aanwezig was.</para>
      <para>De verslagen en samenvattingen waren niet ter plekke, doch werd dat ook niet </para>
      <para>gevraagd, of een opmerking daarover geplaatst."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief van 25 juni 1998 zijn appellanten uitgenodigd hun bezwaren toe te lichten in </para>
      <para>een hoorzitting op 1 juli 1998.</para>
      <para>-	Op 1 juli 1998 heeft verweerder appellanten ter zake van hun bezwaren gehoord. </para>
      <para>-	Op 15 juli 1998 heeft verweerder nog nadere informatie opgevraagd, die door </para>
      <para>appellante bij brief van 24 juli 1998 is verstrekt.</para>
      <para>-	Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit </para>
      <para>Verweerder heeft bij het bestreden besluit onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"	Uit hetgeen mijn medewerkers, de heren Visser en Middelkamp, aan </para>
      <para>projectadministratie van 1997 hebben gezien, zijn geen S&amp;O-werkzaamheden </para>
      <para>gebleken. De aard en omvang was van dien aard dat er geen redelijke indruk </para>
      <para>kon worden verkregen van de verrichte S&amp;O-werkzaamheden. De notulen van </para>
      <para>vergaderingen die u tijdens de hoorzitting heeft overgelegd zijn tijdens het </para>
      <para>bedrijfsonderzoek niet overgelegd, ook is door u geen meldcing van het bestaan </para>
      <para>hiervan gemaakt. Mijn medewerkers hebben het bestaan van dergelijke </para>
      <para>verslagen ook niet kunnen vermoeden, gezien uw uitlatingen tijdens het </para>
      <para>bedrijfsonderzoek van 29 augustus 1997, waarin is gesteld dat het project nog </para>
      <para>niet was gestart; en gezien de uitlatingen tijdens het bedrijfsbezoek van 15 april </para>
      <para>1998 inhoudende dat de opzet van een projectadministratie in het begin </para>
      <para>moeizaam verliep en dat, na interventie van de heer B, na december 1997 hier </para>
      <para>serieus een start mee is gemaakt.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Mijn medewerkers, de heren Visser en Middelkamp, hebben volgens hun </para>
      <para>verklaring u wel degelijk (meerdere malen) gevraagd naar de </para>
      <para>projectadministatie van 1997 en hebben u dan ook voldoende in de gelegenheid </para>
      <para>gesteld om de projectadministratie voor te leggen. Wat zij hebben gezien, en </para>
      <para>dat wordt door u ook niet bestreden, voldoet niet aan de eisen van de </para>
      <para>Uitvoeringsregeling. Ik ben van mening dat het voor rekening en risico van de </para>
      <para>inhoudingsplichtige is indien deze niet de projectadministratie voorhanden </para>
      <para>heeft.</para>
      <para>Uit de op hoorzitting verstrekte stukken kan ik niet vaststellen of deze ten tijde </para>
      <para>van het bedrijfsbezoek aanwezig waren. Ook uit uw mededelingen kan ik </para>
      <para>daaromtrent geen zekerheid ontlenen.</para>
      <para>(.) de eisen welke ik aan een administratie stel zijn kenbaar. Een dergelijke </para>
      <para>administratie is voor mij noodzakelijk ter controle van de Wet, zoals ik </para>
      <para>hierboven heb aangegeven. Deze controle is voor mij de enige mogelijkheid </para>
      <para>om na te gaan of voldaan wordt aan het gestelde in de Wet en of daadwerkelijk </para>
      <para>de werkzaamheden waarvoor S&amp;O-vermindering is toegekend zijn uitgevoerd. </para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door het ontbreken van een administratie welke voldoet aan de eisen gesteld in </para>
      <para>de Uitvoeringsregeling aan het einde van de twee maanden termijn, kan door </para>
      <para>mij niet met zekerheid vastgesteld worden wat de aard en inhoud der </para>
      <para>werkzaamheden is geweest, alsmede of deze werkzaamheden de uren hebben </para>
      <para>gevergd, zoals bij de aanvraag opgegeven. Indien dit aan het einde van de door </para>
      <para>mij gestelde, ruime termijn, hieraan nog niet is voldaan, acht ik een intrekking </para>
      <para>gerechtvaardigd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellanten</para>
      <para>Appellanten hebben bij aanvullende beroepschrift onder meer het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd:</para>
      <para>"	Appellante is van mening, dat de door haar gesignaleerde gebreken en </para>
      <para>tekortkomingen, waaronder de te korte termijn voor de oproeping voor de </para>
      <para>hoorzitting alsmede het horen van de medewerkers van Senter buiten de zitting </para>
      <para>om en het onthouden aan appellante van de gelegenheid om daarop inhoudelijk </para>
      <para>te reageren, van dien aard zijn, dat reeds daarom de bestreden beslissing </para>
      <para>vernietigd behoort te worden.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Voorts blijft appellante er onverkort bij, dat:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	De op 15 april 1998 aanwezige project- en urenadministratie over het jaar </para>
      <para>1997 voldeed aan de daaraan te stellen eisen en aanwezig was;</para>
      <para>-	Door de medewerkers van Senter dienaangaande volstrekt geen op- of </para>
      <para>aanmerkingen zijn gemaakt;</para>
      <para>-	Uitdrukkelijk zijdens appellante -herhaaldelijk- is gevraagd of hetgeen </para>
      <para>getoond werd genoegzaam werd bevonden en/of eventueel nadere stukken, </para>
      <para>welke elders aanwezig waren, opgehaald dienden te worden;</para>
      <para>-	De medewerkers van Senter zulks niet nodig vonden en het vertrouwen </para>
      <para>hebben gewekt, dat de administratie voldeed aan de daaraan te stellen eisen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien verweerder -achteraf- tot het oordeel mocht zijn gekomen, dat </para>
      <para>desondanks de administratie van appellante niet voldeed -hetgeen uitdrukkelijk </para>
      <para>niet het geval is geweest- had verweerder appellante specifiek dienen op te </para>
      <para>geven op welke punten de administratie tekort schoot en appellante de </para>
      <para>gelegenheid behoren te bieden eventuele verzuimen te herstellen. Nu </para>
      <para>verweerderdit heeft nagelaten kon en mocht hij niet tot de </para>
      <para>intrekkingsbeschikking d.d. 28 mei 1998 en de handhaving daarvan na gemaakt </para>
      <para>bezwaar besluiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts moge appellante wijzen op het rapport Evaluatie Wet Bevordering </para>
      <para>Speur- en Ontwikkelingswerk. Op bladzijde 126 is daarin opgenomen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	" Het bieden van mogelijkheden van herstel aan de organisatie heeft echter </para>
      <para>	   tot op heden hogere prioriteit dan het maximaliseren van intrekkingen. In </para>
      <para>     een aantal gevallen wordt beslist tot het brengen van een herhaalbezoek."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(.) verweerder maakt geenszins inzichtelijk op welke wijze hij de betrokken </para>
      <para>belangen daadwerkelijk heeft afgewogen en welk gewicht verweerder heeft </para>
      <para>toegekend aan het belang van appellante.</para>
      <para>Zoals hiervoor uiteengezet is de controlemogelijkheid niet uitsluitend gelegen </para>
      <para>in de aanwezigheid van een administratie en voorts had verweerder in de </para>
      <para>omstandigheden van dit specifieke geval niet zonder meer tot intrekking van de </para>
      <para>beschikking mogen overgaan."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij dit aanvullend beroepschrift hebben appellanten een verklaring van de heer B gevoegd, </para>
      <para>die hierbij onder meer verklaart:</para>
      <para>"	aanwezig te zijn geweest op 15 april 1998 te Hoofddorp, bij het </para>
      <para>bedrijfsbezoek/controle door Senter,</para>
      <para>en</para>
      <para>dat de noodzakelijke project administratie voor betreffende S&amp;O vermindering </para>
      <para>weliswaar voor 1998 aanwezig was, dat door een misverstand van het 2e </para>
      <para>kwartaal 1997 de nog summiere gegevens, wel ter beschikking waren, doch </para>
      <para>niet terplekke in Hoofddorp, alwaar het onderzoek plaats vond, dat de heren </para>
      <para>G.T. Visser en B.G. Middelkamp niet concreet daar ook naar gevraagd hebben. </para>
      <para>Het project startte, conform de aanvraag, medio augustus 1997 en dat de opstart </para>
      <para>van het project moeilijk te coordineren en te structueren was, omreden dat in de </para>
      <para>vooronderzoekfase, zeer veel diverse problemen naar voren kwamen, alsmede </para>
      <para>door personele wijzigingen binnen de Claus organisatie, de verslaglegging </para>
      <para>daardoor ook niet adequaat kon zijn en met gevolg dat ook de noodzakelijke </para>
      <para>project voorgangs rapportage ook summier was."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting op 14 november 2000 hebben appellanten onder meer nog het volgende </para>
      <para>aangevoerd:</para>
      <para>"	Ter gelegenheid van de eerste mondelinge behandeling zijn een drietal getuigen </para>
      <para>gehoord. (.) de verklaringen van de drie getuigen stemmen in hoofdlijn met </para>
      <para>elkaar overeen en houden in het bijzonder in, dat er een uren- en </para>
      <para>projectadministratie aanwezig was ter gelegenheid van het controlebezoeken er </para>
      <para>door de controleurs geen nadere stukken werden opgevraagd. Voorts bestond </para>
      <para>bij alle getuigen de indruk, dat de administratie, zoals die ter plekke aanwezig </para>
      <para>was, accoord werd bevonden.</para>
      <para>Bij het verweerschrift onder bijlage 13 bevinden zich de diverse notulen van de </para>
      <para>vergaderingen, waaruit blijkt van de S&amp;O-activiteiten en de voorgang daarin. </para>
      <para>In dit kader is van belang, dat de Wet niet voorschrijft, hoe de </para>
      <para>projectadministatie inhoudelijk gevoerd dient te worden en aan welke </para>
      <para>maatstaven deze dient te voldoen. Evenmin geeft verweerder aan op welke </para>
      <para>punten de gevoerde administatie niet zou voldoen. Daar het een meerjarig </para>
      <para>project betreft, dat enkele maanden daarvoor (juli 1997) was gestart en het </para>
      <para>daaropvolgende jaar doorliep, kunnen geen hogen eisen aan de </para>
      <para>projectadministratie gesteld worden en moeten de besprekingsverslagen, </para>
      <para>tezamen met het destijds aanwezige foldermateriaal voldoende worden geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(.) de register-accountant heeft onderzocht en vastgesteld, dat de gevoerde </para>
      <para>administratie in alle opzichten voldoet aan de wettelijke vereisten. Het </para>
      <para>standpunt van verweerder is daarmee onverenigbaar en behoeft minst genomen </para>
      <para>nadere verklaring, die echter geheel ontbreekt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	Aangaande de grieven van appellanten tegen de gevolgde bezwaarprocedure overweegt het </para>
      <para>College als volgt.</para>
      <para>Appellanten hebben verzocht om een spoedige behandeling van hun bezwaren en daarbij </para>
      <para>een termijn van twee weken genoemd. </para>
      <para>Verweerder heeft appellanten 16 dagen na ontvangst van hun bezwaarschriften uitgenodigd </para>
      <para>voor een hoorzitting die een week na dagtekening van deze uitnodiging is gehouden. </para>
      <para>Appellanten hebben niet verzocht om uitstel van de hoorzitting, noch gepoogd een afspraak </para>
      <para>te maken om de desbetreffende stukken in te zien. Evenmin hebben appellanten tijdens de </para>
      <para>hoorzitting te kennen gegeven door de korte termijnen in hun procespositie te worden </para>
      <para>geschaad.</para>
      <para>Gesteld noch gebleken is dat bij de confrontatie van de hiervoor genoemde </para>
      <para>controleambtenaren Visser en Middelkamp met de lezing die appellanten hadden gegeven </para>
      <para>van het bedrijfsbezoek, ter zake belangrijke nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn </para>
      <para>geworden. Voor het oordeel dat verweerder ingevolge artikel 7:9 van de Algemene wet </para>
      <para>bestuursrecht (hierna ook: de Awb) appellanten na deze confrontatie opnieuw had moeten </para>
      <para>horen, ziet het College derhalve geen grondslag. </para>
      <para>Tegen de overschrijding door verweerder van de bij artikel 7:10 van de Awb bepaalde </para>
      <para>beslistermijn, hebben appellanten niet de hen ten dienste staande rechtsmiddelen gebruikt. </para>
      <para>Overigens kan schending van dit vormvoorschrift niet leiden tot vernietiging van de </para>
      <para>betrokken beslissing op bezwaarschrift.</para>
      <para>De conclusie van het College is dat de grieven van appellanten tegen de gevolgde </para>
      <para>bezwaarprocedure geen doel treffen.</para>
      <para>5.2	Hetgeen appellanten voorts hebben aangevoerd strekt ten eerste ten betoge dat bij het </para>
      <para>bedrijfsbezoek op 15 april 1998 een behoorlijke projectadministratie over het jaar 1997 </para>
      <para>beschikbaar was. Het College volgt appellanten niet in dit betoog en overweegt hiertoe als </para>
      <para>volgt.</para>
      <para>Aan appellanten is het bedrijfsbezoek vooraf schriftelijk bevestigd onder vermelding dat </para>
      <para>het nodig is tijdens het bezoek onder meer de voorgeschreven projectadministratie in te </para>
      <para>zien. Het lag, gelet op artikel 2 van de Uitvoeringsregeling, op de weg van appellanten er </para>
      <para>zorg voor te dragen dat de voorgeschreven projectadministratie aanwezig was ten tijde en </para>
      <para>ter plekke van het bedrijfsonderzoek. </para>
      <para>Dat, naar appellanten hebben aangevoerd, genoemde controleambtenaren tijdens het </para>
      <para>bedrijfsbezoek niet nodig vonden dat een beweerde elders aanwezige administratie zou </para>
      <para>worden opgehaald, heeft verweerder weersproken en acht het College ook niet aannemelijk </para>
      <para>gezien de schriftelijke bevestiging van (het doel van) het bedrijfsbezoek. Hetgeen de </para>
      <para>hierboven onder rubriek 1 genoemde getuigen ter zitting van 24 mei 2000 hebben </para>
      <para>verklaard, heeft het College niet tot een anders luidende opvatting kunnen brengen.</para>
      <para>De conclusie is dat, nu ten tijde en ter plekke van het aangekondigde bedrijfsonderzoek </para>
      <para>geen projectadministratie aanwezig was, waaruit genoemde controleambtenaren op </para>
      <para>eenvoudige en duidelijke wijze de aard en de inhoud van het in 1997 verrichte speur- en </para>
      <para>ontwikkelingswerk hebben kunnen afleiden, appellanten niet hebben voldaan aan hun </para>
      <para>verplichting uit artikel 2 van de Uitvoeringsregeling. Ook aan deze conclusie vermogen de </para>
      <para>verklaringen van evenbedoelde getuigen niet af te doen.</para>
      <para>Uit het voorafgaande volgt dat verweerder ingevolge het bepaalde in de laatste volzin van </para>
      <para>het hierboven weergegeven artikel 24, zevende lid, van de WVA bevoegd was tot </para>
      <para>intrekking van de aan appellanten afgegeven S&amp;O-verklaringen.</para>
      <para>5.3	Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder, gezien de omstandigheden van het </para>
      <para>onderhavige geval, in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot genoemde intrekking.</para>
      <para>Dienaangaande overweegt het College ten eerste dat beweerde elders aanwezige </para>
      <para>administratie over 1997 bestond uit nog summiere gegevens, met name een summiere </para>
      <para>projectvoortgangsrapportage en een niet adequate verslaglegging, naar blijkt uit de door </para>
      <para>appellanten bij hun beroepschriften gevoegde verklaring van de heer B. </para>
      <para>Niet gebleken is dat appellanten aansluitend op het bedrijfsonderzoek enige actie hebben </para>
      <para>ondernomen om deze beweerde elders aanwezige gegevens alsnog en onverwijld aan </para>
      <para>verweerder over te leggen. In de omstandigheden van dit geval komt het voor rekening en </para>
      <para>risico van appellanten dat verweerder niet tijdig heeft kunnen vaststellen dat ten tijde van </para>
      <para>bedoeld bedrijfsonderzoek toch sprake moet zijn geweest van een behoorlijke </para>
      <para>projectadministratie over het jaar 1997. </para>
      <para>Het College ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder na genoemd bedrijfsbezoek </para>
      <para>appellanten gelegenheid had behoren te bieden bedoeld verzuim te herstellen alvorens tot </para>
      <para>de litigieuze intrekkingen te besluiten. Niet alleen het eerdere bedrijfsbezoek op </para>
      <para>29 augustus 1997 en verweerders aansluitende brief van 4 september 1997, maar vooral </para>
      <para>ook verweerders brief van 6 april 1998 ter bevestiging van het tweede bedrijfsbezoek, had </para>
      <para>appellanten aanleiding moeten geven om te zorgen voor de aanwezigheid van een </para>
      <para>projectadministratie over met name 1997, die voldoet aan de voorschriften van artikel 2 </para>
      <para>van de Uitvoeringsregeling. </para>
      <para>Dat een verzuim op dit punt grond vormt voor intrekking van een S&amp;O-verklaring, is met </para>
      <para>zoveel woorden bepaald bij artikel 24, zevende lid, van de WVA, en uitdrukkelijk vermeld </para>
      <para>in de toelichting bij artikel 2 van de Uitvoeringsregeling. </para>
      <para>Met tekst en strekking van verweerders mededeling in een rapport van 10 april 1996 over </para>
      <para>de toepassing van de destijds geldende Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk dat </para>
      <para>in zijn tot dan toe gevoerde beleid hogere prioriteit is gegeven aan het doen herstellen van </para>
      <para>administratie dan het maximaliseren van intrekkingen, is geenszins onverenigbaar dat twee </para>
      <para>jaar nadien bij toepassing van de WVA verweerder overgaat tot intrekkingen in </para>
      <para>omstandigheden als vaststaand in deze zaken. </para>
      <para>Gezien voormelde feiten en omstandigheden ziet het College geen grond voor het oordeel </para>
      <para>dat de nadelen die appelanten lijden als gevolg van verweerders besluit tot intrekking van </para>
      <para>de S&amp;O-verklaringen, onevenredig zijn in verhouding tot het doel van een adequate </para>
      <para>controle, dat is vermeld in de toelichting bij de Uitvoeringsregeling. </para>
      <para>5.4	Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>7.	</para>
      <para>Het College verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr M.J. Kuiper en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, en uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. H.C. Cusell						w.g. A.J. Medze </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen een uitspraak waarin de begrippen "inhoudingsplichtige", "loontijdvak", "loon, "onderneming", </para>
      <para>"fiscale eenheid" en "werknemer"  worden toegepast kan beroep in cassatie worden ingesteld. Verwezen </para>
      <para>wordt naar de aanbiedingsbrief bij deze uitspraak.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>