<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AA9888</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T09:13:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9888</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/930</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9888">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9888</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AA9888 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 07-02-2001 / AWB 99/930</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9888:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9888:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/930					7 februari 2001</para>
      <para>	5125</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 4 november 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 oktober 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de </para>
      <para>afwijzing van zijn aanvraag op grond van de Regeling dierlijke EG-premies </para>
      <para>(hierna: de Regeling).</para>
      <para>Verweerder heeft op 3 februari 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 11 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen </para>
      <para>- appellant in persoon, bijgestaan door zijn bedrijfsadviseur C, en verweerder bij monde </para>
      <para>van zijn gemachtigde - hun standpunten nader hebben toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Artikel 4g van Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad luidt, voorzover hier van </para>
      <para>belang, als volgt:</para>
      <para>"	1. Het totaal aantal dieren waarvoor de speciale premie en de </para>
      <para>zoogkoeienpremie kan worden aangevraagd wordt begrensd door toepassing </para>
      <para>van het veebezettingsgetal van het betrokken bedrijf. Dit getal geeft de </para>
      <para>verhouding weer tussen het aantal grootvee-eenheden (GVE) en het areaal van </para>
      <para>dat bedrijf dat voor de voedering van de dieren van dat zelfde bedrijf wordt </para>
      <para>gebruikt. Een producent wordt echter vrijgesteld van de toepassing van het </para>
      <para>veebezettingsgetal wanneer het aantal dieren op zijn bedrijf dat in aanmerking </para>
      <para>moet worden genomen voor de bepaling van het veebezettingsgetal niet groter </para>
      <para>is dan 15 GVE.</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	3. Het veebezettingsgetal van het bedrijf wordt vastgesteld op grond van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	de aantallen mannelijke runderen, zoogkoeien, schapen en/of geiten </para>
      <para>waarvoor de premieaanvragen werden ingediend, alsmede de melkkoeien </para>
      <para>die noodzakelijk zijn voor de produktie van de aan de producent toegekende </para>
      <para>referentiehoeveelheid melk.(.)</para>
      <para>-	het voederareaal: de oppervlakte van het bedrijf die gedurende het hele </para>
      <para>kalenderjaar voor rundveehouderij alsmede voor de schapen- en/of </para>
      <para>geitenhouderij beschikbaar is."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie luidt voorzover hier van </para>
      <para>belang als volgt:</para>
      <para>"	3. Voor de gevallen waarin een steunaanvraag "oppervlakten" uitsluitend </para>
      <para>betrekking heeft op blijvend grasland, kan de Lid-Staat bepalen dat deze </para>
      <para>aanvraag kan worden ingediend tegelijk met de eerste steunaanvraag "dieren" </para>
      <para>van het betrokken bedrijfshoofd welke wordt ingediend na de datum die is </para>
      <para>vastgesteld voor de indiening van de andere steunaanvragen "oppervlakten" in </para>
      <para>de betrokken Lid-Staat, en uiterlijk tegen 1 juli.</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	5. Van de verplichting om een steunaanvraag "oppervlakten" in te dienen </para>
      <para>worden die bedrijfshoofden vrijgesteld die</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	-	slechts de premie voor mannelijke runderen en/of de zoogkoeienpremie </para>
      <para>aanvragen en zijn vrijgesteld van het veebezettingsgetal en niet naast deze </para>
      <para>premies ook aanvullende premie aanvragen,</para>
      <para>	-	(.)</para>
      <para>	-	slechts de premie voor ooien of geiten aanvragen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 5, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 moet de steunaanvraag </para>
      <para>"dieren", onverminderd de eisen die in de sectori‰le verordeningen worden gesteld ten </para>
      <para>aanzien van steunaanvragen, alle benodigde gegevens bevatten, waaronder met name een </para>
      <para>verwijzing naar de steunaanvraag "oppervlakten" indien deze reeds is ingediend, </para>
      <para>behoudens in het in artikel 4, lid 5, bedoelde geval.</para>
      <para>Artikel 8, eerste lid, van Verordening (EEG) 3887/92 luidt als volgt:</para>
      <para>"	Behoudens overmacht leidt het te laat indienen van een aanvraag tot een </para>
      <para>verlaging van de steunbedragen waarop de aanvraag betrekking heeft, waarop </para>
      <para>het bedrijfshoofd recht zou hebben indien hij de aanvraag tijdig had ingediend, </para>
      <para>met 1 % per werkdag. In geval van vertraging van meer dan 25 dagen wordt de </para>
      <para>aanvraag niet ontvankelijk en kan deze niet langer tot toekenning van een </para>
      <para>bedrag leiden.</para>
      <para>Voor de toepassing van dit artikel wordt als ''aanvraag" beschouwd: een </para>
      <para>steunaanvraag "oppervlakten", een steunaanvraag "dieren" (.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel 8 leidt het te laat of niet indienen van een </para>
      <para>andere aanvraag dan de betrokken steunaanvraag "dieren" niet tot verlagingen van de steun </para>
      <para>in het kader van de in artikel 4, lid 5, bedoelde steunregelingen en evenmin tot uitsluiting </para>
      <para>van de toepassing van die steunregelingen.</para>
      <para>Artikel 4.3 van de Regeling bepaalt dat LASER aan de producent het voor hem </para>
      <para>vastgestelde veebezettingsgetal en het daaruit voortvloeiende aantal GVE waarvoor premie </para>
      <para>kan worden aangevraagd meedeelt.</para>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Op 10 augustus 1999 heeft appellant bij de dienst LASER een aanvraag ingevolge de </para>
      <para>Regeling ingediend voor 14 zoogkoeien, verkoopseizoen 1999.</para>
      <para>- Eerder in hetzelfde seizoen heeft appellant op grond van de Regeling premie </para>
      <para>aangevraagd voor 210 ooien.</para>
      <para>- Bij brief van 26 augustus 1999 heeft verweerder aan appellant de berekening van </para>
      <para>diens veebezettingsruimte doen toekomen. Aangezien geen aanvraag oppervlakten is </para>
      <para>ingediend en (dus) geen voederareaal is opgegeven bedraagt het maximaal aantal </para>
      <para>GVE 15.  Nu het aantal GVE voor de aan te houden ooien reeds (210 x 0,15 =) 31.5 </para>
      <para>bedraagt, is het aantal mannelijke runderen of zoogkoeien waarvoor ingevolge de </para>
      <para>Regeling over 1999 premie kan worden aangevraagd nul. </para>
      <para>- Bij besluit van 27 augustus 1999 heeft verweerder aan appellant onder verwijzing </para>
      <para>naar artikel 4g, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 805/68  bericht dat de aanvraag </para>
      <para>met ontvangstdatum 10 augustus 1999 is afgewezen, omdat er geen ruimte in de </para>
      <para>veebezetting aanwezig is.</para>
      <para>- Bij brief van 11 september 1999 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen voormeld </para>
      <para>besluit.</para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant kennelijk ongegrond </para>
      <para>verklaard. Dit besluit houdt onder meer het volgende in.</para>
      <para>"	Bij de beoordeling van uw aanvraag is gebleken, dat van u geen aanvraag </para>
      <para>oppervlakten voor het verkoopseizoen 1999 is ontvangen. U kon derhalve, </para>
      <para>gelet op het bepaalde in artikel 8, tweede lid van EG-verordening 3887/92 voor </para>
      <para>in totaal 15 GVE benutten. Zoals ook hierboven is aangegeven kon u na aftrek </para>
      <para>van het aantal GVE dat voor de voor premie opgegeven ooien (210) benut </para>
      <para>werd, geen GVE meer voor zoogkoeienpremie benutten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uw argument dat u destijds nog niet wist dat u uw bedrijfsvoering zou </para>
      <para>veranderen, kan u niet baten. Van de voorwaarden van een regeling kan alleen </para>
      <para>worden afgeweken, als door overmacht absoluut geen aanvraag kan worden </para>
      <para>ingediend. Onder overmacht worden in dit verband enkel die gevallen verstaan </para>
      <para>waarin sprake is van een te late indiening van de aanvraag als gevolg van zeer </para>
      <para>uitzonderlijke, buiten toedoen van de producent ingetreden omstandigheden, </para>
      <para>waarvan de gevolgen niet of slechts ten koste van onevenredig grote offers te </para>
      <para>vermijden waren geweest. Daarvan is mij in uw geval niet gebleken. De enkele </para>
      <para>omstandigheid dat u door wijziging in de bedrijfsvoering geen aanvraag </para>
      <para>oppervlakten heeft ingediend is een omstandigheid die valt onder het normale </para>
      <para>ondernemersrisico. De gevolgen daarvan dienen derhalve voor uw rekening te </para>
      <para>komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uw argument dat met behulp van de gegevens van de ooipremie en de </para>
      <para>gegevens van de landbouwtelling 1999 voldoende informatie aanwezig is om </para>
      <para>uw aanvraag zoogkoeienpremie 1999 toe te wijzen kan evenmin tot een andere </para>
      <para>beslissing leiden. Door het ontbreken van een aanvraag oppervlakten kan </para>
      <para>namelijk onvoldoende gecontroleerd worden of u in het betrokken </para>
      <para>verkoopseizoen voor een periode van tenminste 7 maanden voldoende grond </para>
      <para>voor de rundveehouderij beschikbaar had. De definitie van het begrip </para>
      <para>voederareaal in artikel 1.1. van de regeling vereist dit immers. Bovendien zou </para>
      <para>bij inwilliging van uw verzoek rechtsongelijkheid ontstaan ten opzichte van </para>
      <para>aanvragers die wel een aanvraag oppervlakten hebben ingediend."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Juist is dat appellant in 1999 geen aanvraag oppervlakten ingevolge de Regeling EG-</para>
      <para>steunverlening akkerbouwgewassen heeft ingediend. Tijdens de daarvoor geldende </para>
      <para>aanvraagperiode wist appellant nog niet dat hij ter verbetering van zijn inkomsten in </para>
      <para>augustus van dat jaar een tak zoogkoeienhouderij zou opzetten.</para>
      <para>Dit neemt echter niet weg dat appellant over een oppervlakte grasland beschikt die </para>
      <para>tenminste goed is voor circa 80 grootvee-eenheden en dat verweerder (althans de </para>
      <para>uitvoeringsdienst LASER) zowel uit hoofde van de landbouwtellingsgegevens als de bij de </para>
      <para>premie-aanvraag voor ooien verstrekte gegevens van deze oppervlakte op de hoogte kon </para>
      <para>zijn. </para>
      <para>Voorts begrijpt appellant de stelling van verweerder, inhoudende dat inwilliging van de </para>
      <para>premie-aanvraag voor zoogkoeien zou leiden tot rechtsongelijkheid, niet. Naar zijn </para>
      <para>opvatting moet het praktisch mogelijk zijn om nadat de indieningsdatum voor de aanvraag </para>
      <para>oppervlakten is verstreken, tot wijziging in de bedrijfsvoering over te gaan. Het zou </para>
      <para>duidelijker zijn indien de aanvraagperioden voor de aanvragen oppervlakten en de dierlijke </para>
      <para>premie gelijk zouden zijn. </para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Op grond van het bepaalde in artikel 4g, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 805/68, </para>
      <para>zoals hiervoor in rubriek 2.1. weergegeven, wordt het aantal dieren waarvoor </para>
      <para>zoogkoeienpremie kan worden aangevraagd begrensd door de toepassing van het </para>
      <para>veebezettingsgetal van het betrokken bedrijf, dat ingevolge het derde lid van dit artikel </para>
      <para>onder meer vastgesteld op grond van het voederareaal van het betrokken bedrijf.</para>
      <para>Vast staat dat appellant geen aanvraag oppervlakten 1999 heeft ingediend en daarmee </para>
      <para>evenzeer dat appellant in dit jaar geen voederareaal heeft opgegeven. Gelet op de laatste </para>
      <para>volzin van artikel 4g, eerste lid, voornoemd, is daarmee het maximum aantal GVE </para>
      <para>waarvoor appellant in 1999 premie kan ontvangen 15. Nu appellant in het onderhavige </para>
      <para>seizoen met diens aanvraag ooipremie reeds 31,5 GVE heeft benut was verweerder dan ook </para>
      <para>gehouden de aanvraag zoogkoeienpremie voor het verkoopseizoen 1999 af te wijzen. </para>
      <para>Hetgeen appellant in zijn beroepschrift en ter zitting naar voren heeft gebracht kan aan het </para>
      <para>vorenstaande niet af doen.</para>
      <para>Van de verplichting om een - tijdige - aanvraag "oppervlakten" in te dienen zijn blijkens </para>
      <para>artikel 4, vijfde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 immers slechts die producenten </para>
      <para>vrijgesteld, die zijn vrijgesteld van het veebezettingsgetal en slechts premie voor </para>
      <para>mannelijke runderen en/of zoogkoeien aanvragen. Vrijstelling van de toepassing van het </para>
      <para>veebezettingsgetal is slechts aan de orde indien sprake is van een maximum van 15 GVE. </para>
      <para>Nu appellant in het onderhavige seizoen tevens een aanvraag ooipremie heeft ingediend </para>
      <para>- tot een aantal van 31,5 GVE - is deze vrijstellingsbepaling niet op hem van toepassing.</para>
      <para>Voorts is in artikel 4, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 voorzien in de </para>
      <para>mogelijkheid om na de normale indieningstermijn van een aanvraag "oppervlakten" </para>
      <para>(welke geldt tot 15 mei van het betrokken jaar) een dergelijke steunaanvraag in te dienen, </para>
      <para>doch deze mogelijkheid geldt slechts indien de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op </para>
      <para>blijvend grasland en deze indiening gelijk met een eerste steunaanvraag "dieren" uiterlijk </para>
      <para>tegen 1 juli plaatsvindt.</para>
      <para>Daargelaten dat ten tijde van het indienen van de onderhavige aanvraag laatstgenoemde </para>
      <para>datum reeds verstreken was, komt appellant gelet op de in rubriek 2.2. weergegeven feiten </para>
      <para>ook voor deze uitzondering niet in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Weliswaar staat het appellant vrij om te besluiten tot wijziging van zijn bedrijfsvoering, </para>
      <para>maar een dergelijke beslissing alsmede het tijdstip waarop deze wordt genomen kan gelet </para>
      <para>op het hiervoor weergegeven samenstel van toepasselijke - communautaire - voorschriften </para>
      <para>niet tot de slotsom leiden dat appellant zonder indiening van een aanvraag "oppervlakten" </para>
      <para>en  opgave van voederareaal in het verkoopseizoen 1999 naast de ooipremie subsidie voor </para>
      <para>zoogkoeien kan worden verleend.</para>
      <para>Met verweerder is het College van oordeel dat deze beslissing behoort tot het normale </para>
      <para>bedrijfsrisico van appellant en niet kan worden aangemerkt als overmacht. </para>
      <para>Verweerder heeft op grond van het vorenstaande het bezwaar van appellant bij het </para>
      <para>bestreden besluit terecht ongegrond verklaard en het beroep is derhalve eveneens </para>
      <para>ongegrond.  </para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6.	De beslissing</para>
    <para />
    <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. M.A. van der Ham			w.g. F.W. du Marchie Sarvaas</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>