<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AA9859</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T15:14:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9859</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-01-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/584</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:5&amp;g=2001-01-23">Algemene wet bestuursrecht 4:5</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9859">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9859</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AA9859 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 23-01-2001 / AWB 99/584</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9859:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9859:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/584						23 januari 2001</para>
      <para>	16100</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant,</para>
      <para>gemachtigde: aanvankelijk mr J.J. Paalman, advocaat te Almelo, later mr J.T.A.M.van Mierlo, </para>
      <para>advocaat te Deventer, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>het Bureau Heffingen, te Assen, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr M. Kouprie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 8 juli 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep </para>
      <para>wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 2 juni 1999.</para>
      <para>Bij schrijven van 13 september 1999 heeft appellant de gronden van zijn beroep </para>
      <para>uiteengezet.</para>
      <para>Op 12 oktober 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend , alsmede op de zaak </para>
      <para>betrekking hebbende stukken.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaats gehad op 12 december 2000. Partijen hebben daar bij </para>
      <para>monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1 Artikel 9, eerste lid, van de Wet verplaatsing mestproduktie (hierna: de Wet) luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Degene die voornemens is te verplaatsen en degene van wiens bedrijf het </para>
      <para>desbetreffende niet-gebonden mestproductierecht afkomstig is geven van de </para>
      <para>verplaatsing gezamenlijk kennis aan het Bureau Heffingen met gebruikmaking </para>
      <para>van het daartoe bestemde, door Onze Minister vastgestelde formulier."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Op 30 juni 1997 heeft verweerder de ontvangst geregistreerd van een gezamenlijke </para>
      <para>kennisgeving, op een daartoe bestemd formulier, als bedoeld in artikel 9 van de Wet, </para>
      <para>van C (vervreemders), hierna C, en appellant (verwerver) inzake een voorgenomen </para>
      <para>verplaatsing van mestproductierechten.</para>
      <para>- Op 2 juli 1997 heeft verweerder de ontvangst geregistreerd van een gezamenlijke </para>
      <para>kennisgeving, op een daarvoor bestemd formulier, van maatschap D (vervreemder), </para>
      <para>hierna D, en appellant inzake een voorgenomen verplaatsing van </para>
      <para>mestproductierechten.</para>
      <para>- De beide hiervoorbedoelde kennisgevingen gingen vergezeld van  het formulier </para>
      <para>Mestafzetplan 1997,1998, 1999.</para>
      <para>- Blijkens een door appellant overgelegd afschrift van een door een notaris op </para>
      <para>20 juni 1997 gewaarmerkte overeenkomst heeft appellant op genoemde datum een </para>
      <para>mestproductierecht van 819 kg fosfaat gekocht van E.</para>
      <para>- Bij brieven van 20 november 1997 heeft verweerder aan appellant de formulieren </para>
      <para>inzake de aankopen van C en D retour gezonden met de mededeling dat de gegevens </para>
      <para>ingevuld bij de vragen over de verworven mestproductierechten op het formulier niet </para>
      <para>overeenkomen met de gegevens op het transactieformulier zelf, en daarbij </para>
      <para>aangegeven dat in de beide mestafzetplannen wordt uitgegaan van een aankoop van </para>
      <para>819 kg die niet bekend is bij Bureau Heffingen.</para>
      <para>- Bij brief van 9 januari 1998 heeft appellants gemachtigde mr Paalman, naar </para>
      <para>aanleiding van laatstgenoemde brief, aan verweerder meegedeeld dat het formulier </para>
      <para>inzake de overdracht van 819 kg fosfaat aanvankelijk bij brief van 6 juni 1997, en </para>
      <para>vervolgens - in gecorrigeerde vorm- bij brief van 20 juni 1997 aan verweerder was </para>
      <para>toegestuurd. Bij dat schrijven heeft genoemde gemachtigde afschriften gevoegd van </para>
      <para>onder meer een brief van 6 juni 1997 en een brief van 20 juni 1997, ondertekend door </para>
      <para>F en gericht aan verweerders adres Postbus 322 in Assen. Blijkens de inhoud van </para>
      <para>laatstbedoelde brieven werd daarbij het "mestoverdrachtsformulier tussen Dhr E en </para>
      <para>Dhr A" toegezonden aan verweerder.</para>
      <para>- Namens appellant is in genoemde brief van 9 januari 1998 voorts verzocht om de </para>
      <para>drie hiervoor genoemde transacties te verwerken, met inachtneming van aanmelding </para>
      <para>van deze transacties- met name ook die met E- uiterlijk op 9 juli 1997, welke datum </para>
      <para>van belang is in verband met de toepassing van de Wet herstructurering </para>
      <para>varkenshouderij. </para>
      <para>- Bij brief van 25 maart 1998 heeft meergenoemde gemachtigde zijn brief van 9 </para>
      <para>januari 1998 onder de aandacht gebracht van verweerder.</para>
      <para>- Bij brief van 16 juli 1998 heeft verweerder aan appellant de ontvangst bevestigd van </para>
      <para>het meldingsformulier inzake de transactie tussen E en appellant, met de mededeling </para>
      <para>dat dit formulier na 9 juli 1997 bij het Bureau Heffingen is ingediend. In verband </para>
      <para>daarmee heeft verweerder bij dit besluit een model-verklaring gevoegd,waarmee </para>
      <para>appellant kon aangeven of hij zijn meldingsformulier wilde handhaven.</para>
      <para>- Vervolgens heeft appellant bij brief van 11 augustus 1998 een bezwaarschrift </para>
      <para>ingediend tegen de fictieve weigering van verweerder om te beslissen op zijn </para>
      <para>verzoek, neergelegd in de hiervoor genoemde brief van 9 januari 1998.</para>
      <para>- Op 12 augustus 1998 heeft appellant aan de president van het College een verzoek </para>
      <para>gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening, erin bestaande dat de president </para>
      <para>uitspreekt dat verweerder ervan uit dient te gaan dat de overdracht van E aan </para>
      <para>appellant v¢¢r of uiterlijk op 9 juli 1997 is gemeld.</para>
      <para>- Bij het verzoek om een voorlopige voorziening heeft appellant een tweetal </para>
      <para>verklaringen ingediend, afkomstig van onderscheidenlijk G</para>
      <para>(hierna: G) en F (hierna: F), gedagtekend </para>
      <para>6 september, onderscheidenlijk 21 september 1998. De eerste verklaring houdt in dat </para>
      <para>Bomers als cli‰ntadviseur op vrijdag 20 juni 1997 bij E is langs geweest om de voor </para>
      <para>het onderhavige formulier benodigde handtekeningen te halen. De tweede verklaring </para>
      <para>houdt in dat F als cli‰ntadviseur diverse malen met zowel appellant als E contact </para>
      <para>heeft gehad v¢¢r 20 juni 1997 over de onderhavige overdracht en dat de </para>
      <para>desbetreffende formulieren door hem met een begeleidende brief naar verweerder </para>
      <para>zijn verzonden. </para>
      <para>- De president heeft uitgesproken dat hij het verzoek om een voorlopige voorziening </para>
      <para>kennelijk ongegrond acht en heeft het verzoek met toepassing van artikel 8:83 van de </para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen bij uitspraak van 17 november 1998, nr AWB 98/839.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Verweerder heeft bij het bestreden besluit de bezwaren van appellant kennelijk ongegrond </para>
      <para>verklaard. Ten aanzien van het bezwaar dat verweerder weigert een beslissing te nemen op </para>
      <para>het registratieverzoek heeft verweerder overwogen dat appellant zelf aan verweerder </para>
      <para>uitdrukkelijk heeft verzocht het formulier niet te registreren indien de kennisgevingsdatum </para>
      <para>na 9 juli 1997 zou worden gesteld en dat ook na de uitspraak van de president niet tot </para>
      <para>registratie is overgegaan daar appellant zich wenste te beraden op de situatie. Ten aanzien </para>
      <para>van het moment van ontvangst van de onderhavige kennisgeving van de transactie tussen </para>
      <para>appellant en E heeft verweerder onder meer overwogen dat de verantwoordelijkheid voor </para>
      <para>het indienen van een kennisgeving als hier bedoeld in zijn algemeenheid bij de beide </para>
      <para>betrokken partijen ligt. Zij dienen aannemelijk te maken dat de kennisgeving tijdig is </para>
      <para>verstuurd. Het vermoeden dat het formulier bij verweerder in het ongerede is geraakt, deelt </para>
      <para>verweerder niet. De verklaringen van G en F zeggen geen van beide iets over het tijdstip </para>
      <para>waarop het formulier daadwerkelijk zou zijn verzonden. Ook de omstandigheid dat in een </para>
      <para>van de mestafzetplannen, behorend bij de wel voor 9 juli geregistreerde formulieren </para>
      <para>rekening gehouden zou zijn met de aankoop van 819 kg fosfaat levert dat bewijs niet. </para>
      <para>Appellants argument dat laatstbedoelde mestafzetplannen als een -onvolledige- </para>
      <para>gezamenlijke kennisgeving voor 9 juli 1997 inzake de transactie met E zou moeten worden </para>
      <para>opgevat, en dat gelet op het bepaalde bij artikel 4:5 Awb appellant in de gelegenheid zou </para>
      <para>moeten worden gesteld de verzuimen daarin te herstellen, wordt eveneens door verweerder </para>
      <para>verworpen. Meer in het bijzonder wijst verweerder er daarbij op dat indien hoeveelheden in </para>
      <para>de mestafzetplannen niet met elkaar overeenkomen de oorzaak niet zonder meer door het </para>
      <para>Bureau Heffingen uit die plannen is op te maken. De oorzaak kan liggen in het feit dat een </para>
      <para>aankoop niet op een formulier is gemeld, maar evengoed kan een en ander het gevolg zijn </para>
      <para>van bijvoorbeeld schrijffouten. </para>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft voor de gronden van het beroep verwezen naar hetgeen hij in bezwaar </para>
      <para>reeds heeft aangevoerd. Voorts heeft hij doen opmerken dat verweerder in het bestreden </para>
      <para>besluit ten onrechte suggereert dat bij het geconstateerde verschil van 819 kg fosfaat in het </para>
      <para>Mestafzetplan evengoed sprake zou kunnen zijn van schrijffouten. Naar zijn mening heeft </para>
      <para>verweerder eerder erkend dat er kennelijk een aankoop van 819 kg was.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd is allereerst de vraag aan de orde of </para>
      <para>verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij ervan moet uitgaan dat het </para>
      <para>meldingsformulier inzake de transactie tussen E en appellant na 9 juli 1997 bij verweerder </para>
      <para>is ingediend. </para>
      <para>Blijkens de in het bestreden besluit vermelde feiten en omstandigheden heeft appellants </para>
      <para>gemachtigde Paalman verweerder op 10 maart 1999 verzocht de dossiers van C en D door </para>
      <para>te lichten en na te gaan of het onderhavige formulier zich in deze dossiers bevinden en </para>
      <para>heeft verweerder vastgesteld dat dit formulier zich niet in die dossiers bevindt. Verweerder </para>
      <para>heeft ter zitting toegelicht dat de ontvangst van binnenkomende stukken wordt </para>
      <para>geregistreerd, dat de stukken van een volgnummer worden voorzien, dat de datum van </para>
      <para>ontvangst wordt aangetekend en dat de inhoud van de stukken vervolgens in </para>
      <para>geautomatiseerde bestanden worden opgenomen. Nu geen aanwijzingen zijn gegeven voor </para>
      <para>het tegendeel, moet verweerders administratie van de ontvangst van binnenkomende </para>
      <para>stukken geacht worden zodanig te zijn ingericht, dat het aan de indiener van een aan </para>
      <para>verweerder gericht formulier is om- indien verweerder, zoals in dit geval, vaststelt dat een </para>
      <para>bepaald formulier niet voor een bepaalde datum bij hem is binnengekomen- aan te tonen </para>
      <para>dat hij het bedoelde formulier wel degelijk tijdig aan de post heeft toevertrouwd. Dat, gelet </para>
      <para>op de overgelegde afschriften van brieven van 6 juni en 20 juni 1997 van F, appellant en E </para>
      <para>de feitelijke uitvoering van hun gezamenlijke kennisgeving, als bedoeld in artikel 9, eerste </para>
      <para>lid, van de Wet kennelijk hebben toevertrouwd aan het GIBO Accountantskantoor ABTB </para>
      <para>doet daaraan niet af. Dat verweerder in de toelichting op het formulier heeft vermeld dat de </para>
      <para>formulieren moeten worden teruggestuurd naar een antwoordnummer neemt voorts niet </para>
      <para>weg, naar verweerder terecht heeft opgemerkt in het bestreden besluit, dat de </para>
      <para>verantwoordelijkheid voor het in bezit stellen van het formulier berust bij degene die </para>
      <para>daarvan gebruik maakt. Het aangetekend verzenden van een formulier wordt daarmee niet </para>
      <para>onmogelijk gemaakt, nog daargelaten dat, blijkens de overgelegde afschriften, de </para>
      <para>onderhavige formulieren niet aan het antwoordnummer, maar aan het postbusnummer van </para>
      <para>verweerder zouden zijn toegestuurd.</para>
      <para>Niet in geschil is dat de verzending van de hiervoor bedoelde brieven niet per </para>
      <para>aangetekende post is geschied. De onder rubriek 2 weergegeven verklaringen van </para>
      <para>F en G vormen geen bewijs van de daadwerkelijke verzending van de beide brieven, </para>
      <para>evenmin als de omstandigheid dat uit de mestafzetplannen van appellant die voor 9 juli </para>
      <para>1997 bij verweerder als ontvangen zijn geregistreerd de aankoop mestproductierechten van </para>
      <para>819 kg fosfaat is af te leiden. Nu ter zake door appellant in  zijn beroepschrift, noch ter </para>
      <para>zitting een nadere onderbouwing is gegeven van hetgeen reeds in bezwaar hierover is </para>
      <para>aangevoerd, moet de conclusie luiden dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat appellant </para>
      <para>er niet in is geslaagd bedoelde verzending voor 9 juli 1997 aan te tonen. Daarmee ontvalt </para>
      <para>ook de grondslag aan appellants bezwaar tegen de gestelde weigering van verweerder om </para>
      <para>tot verwerking van het formulier over te gaan, gelet op het door hem zelf, naar niet in </para>
      <para>geschil is, gedane verzoek om deze verwerking aan te houden in verband met nader beraad </para>
      <para>zijnerzijds. </para>
      <para>Het College ziet voorts geen plaats voor het oordeel dat verweerder ten onrechte niet </para>
      <para>appellants stelling heeft gevolgd, dat- mede in aanmerking genomen het grote belang dat </para>
      <para>appellant daarbij heeft- uit het samenstel van feiten en omstandigheden volgt dat er hier </para>
      <para>sprake is van een gebrekkige kennisgeving die op grond van de Awb kan worden geduid </para>
      <para>als een aanvraag, die is gedaan voor 10 juli 1997 en dat bijgevolg hij in de gelegenheid had </para>
      <para>moeten worden gesteld om deze aanvraag aan te vullen met behoud van de oorspronkelijke </para>
      <para>aanvraagdatum. </para>
      <para>Daartoe overweegt het College, dat deze stelling impliceert dat verweerder het formulier </para>
      <para>inzake het mestafzetplan onder omstandigheden zou moeten aanmerken als een </para>
      <para>gezamenlijke kennisgeving, als bedoeld in artikel 9, eerste lid , van de Wet. Deze stelling </para>
      <para>kan, wat daarvan overigens zij, in het onderhavige geval niet worden gevolgd. Immers, </para>
      <para>zoals ook uit verweerders overwegingen in het bestreden besluit volgt, kan uit de gegevens </para>
      <para>in bedoelde mestafzetplannen niet ondubbelzinnig worden afgeleid dat er sprake is van een </para>
      <para> gerealiseerde aankoop door appellant van een mestproductierechten van 819 kg fosfaat, </para>
      <para>laat staan van een aankoop, waarvan zowel koper als verkoper gezamenlijk kennis wensen </para>
      <para>te geven. Verweerder heeft dan ook-  de belangen van appellant daarbij in aanmerking </para>
      <para>genomen- terecht geen omstandigheden aanwezig geacht om, in weerwil van de bepaling </para>
      <para>van artikel 9- welke een kennisgeving op een daartoe bestemd formulier voorschrijft- via </para>
      <para>het mestafzetplan een  kennisgeving aan te nemen, welke, met behoud van de datum van </para>
      <para>indiening van het plan, in aanmerking zou komen om te worden aangevuld met toepassing </para>
      <para>van artikel 4:5 Awb. De omstandigheid dat verweerder in zijn brief van 20 november aan </para>
      <para>appellant heeft aangegeven dat in beide mestplannen wordt uitgegaan van een aankoop van </para>
      <para>819 kg die niet bekend is bij Bureau Heffingen, doet daaraan niet af.</para>
      <para>Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. </para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr J.A. Hagen en mr S.K. Welbedacht, in </para>
      <para>tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>23 januari 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen 	w.g. W.F. Claessens</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>