<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AA9858</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T21:29:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9858</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-01-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/253</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:4&amp;g=2001-01-30">Algemene wet bestuursrecht 7:4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:5&amp;g=2001-01-30">Algemene wet bestuursrecht 7:5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:11&amp;g=2001-01-30">Algemene wet bestuursrecht 7:11</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007708&amp;artikel=10&amp;g=2001-01-30">Besluit toezicht effectenverkeer 1995 10</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007708&amp;artikel=14&amp;g=2001-01-30">Besluit toezicht effectenverkeer 1995 14</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007708&amp;artikel=17&amp;g=2001-01-30">Besluit toezicht effectenverkeer 1995 17</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007657&amp;artikel=7&amp;g=2001-01-30">Wet toezicht effectenverkeer 1995 7</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007657&amp;artikel=10&amp;g=2001-01-30">Wet toezicht effectenverkeer 1995 10</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007657&amp;artikel=19&amp;g=2001-01-30">Wet toezicht effectenverkeer 1995 19</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOR 2001/67</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9858">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9858</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-04-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AA9858 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 30-01-2001 / AWB 99/253</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9858:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De grondslag van het geschil</para>
        <para>  2.1Artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995 luidt:</para>
        <para> "Het is verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar of </para>
        <para> vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te </para>
        <para> verrichten."</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9858:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 99/253					30 januari 2001</para>
      <para>	21500</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Direct Invest B.V., te Gouda, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr W. de Jong, advocaat te Amsterdam, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>Stichting Toezicht Effectenverkeer, te Amsterdam, verweerster,</para>
      <para>gemachtigde: mr drs M.J. Bloot, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 10 maart 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerster van 29 januari 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerster beslist op de bezwaren van appellante tegen haar beslissing </para>
      <para>de dato 15 december 1998, waarbij de vergunning van appellante, als bedoeld in artikel 7, </para>
      <para>eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995), met onmiddellijke </para>
      <para>ingang werd ingetrokken.</para>
      <para>Op 2 april 1999 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.</para>
      <para>Verweerster heeft op 27 mei 1999 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2000, waarbij partijen hun </para>
      <para>standpunt nader hebben doen toelichten.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995 luidt:</para>
      <para>"	Het is verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar of </para>
      <para>vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te </para>
      <para>verrichten."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 7, vierde lid, van de Wte 1995 luidt:</para>
      <para>"	Onze Minister verleent, op verzoek, een vergunning als bedoeld in het eerste </para>
      <para>lid indien de aanvrager aantoont dat wordt voldaan aan bij of krachtens </para>
      <para>algemene maatregel van bestuur te stellen regels ten aanzien van:</para>
      <para>a. deskundigheid en betrouwbaarheid;</para>
      <para>b. financi‰le waarborgen, al dan niet tevens op geconsolideerde basis;</para>
      <para>c. bedrijfsvoering en vestiging van het hoofdkantoor;</para>
      <para>d. aan het publiek te verstrekken informatie; en</para>
      <para>e. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de bij of </para>
      <para>krachtens deze wet gestelde regels."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 10, eerste lid, van de Wte 1995 luidt:</para>
      <para>"	Onze Minister kan vrijstelling verlenen van artikel 7, eerste lid."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 19, eerste lid, aanhef en sub e, van de Wte 1995 luidt:</para>
      <para>"	Onze Minister kan een op grond van de artikelen 4 en 5 verleende ontheffing </para>
      <para>en een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, slechts intrekken:</para>
      <para>(...)</para>
      <para>e. indien de houder niet meer voldoet aan bij of krachtens deze wet gestelde </para>
      <para>regels of beperkingen of gegeven voorschriften."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter uitvoering van artikel 7, vierde lid, van de Wte 1995 zijn in hoofdstuk IV van het </para>
      <para>Besluit toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Besluit) bepalingen opgenomen in de </para>
      <para>artikelen 10 tot en met 20.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 10 van het Besluit luidt:</para>
      <para>"	1. Een ieder die een effecteninstelling krachtens wet, statuten of reglementen </para>
      <para>vertegenwoordigt dan wel het dagelijks beleid van een effecteninstelling </para>
      <para>bepaalt, dient naar het oordeel van de toezichthouder voldoende deskundig te </para>
      <para>zijn in verband met de bedrijfsvoering van de effecteninstelling.</para>
      <para>2. De in het eerste lid bedoelde personen, de personen die het dagelijks beleid </para>
      <para>van een effecteninstelling mede bepalen en de personen die rechtstreeks of </para>
      <para>middellijk bevoegd zijn de in het eerste lid bedoelde personen te benoemen of </para>
      <para>te ontslaan, dienen naar het oordeel van de toezichthouder betrouwbaar te zijn."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 14, eerste lid, van het Besluit luidt:</para>
      <para>"	Het dagelijks beleid van een effecteninstelling wordt door ten minste twee </para>
      <para>personen bepaald."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij artikel 17 van het Besluit is het volgende bepaald:</para>
      <para>"	1. Een effecteninstelling beschikt naar het oordeel van de toezichthoudende </para>
      <para>autoriteit over een goede administratieve organisatie, adequate interne </para>
      <para>controleprocedures en een deugdelijke registratie van de verrichte diensten, </para>
      <para>alsmede over systemen voor een adequate bewaking en beheersing van het </para>
      <para>risico met betrekking tot haar gehele bedrijf en over systemen om te allen tijde </para>
      <para>nauwkeurig haar financi‰le positie te berekenen. Deze organisatie, procedures, </para>
      <para>registratie en systemen moeten de toezichthoudende autoriteit in staat stellen na </para>
      <para>te gaan of de regels inzake de bedrijfsvoering en de financi‰le waarborgen </para>
      <para>worden nageleefd.</para>
      <para>2. De toezichthoudende autoriteit kan regels stellen met betrekking tot de in het </para>
      <para>eerste lid bedoelde administratieve organisatie, interne controleprocedures, </para>
      <para>registratie en systemen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door verweerster - aan wie onder meer de bevoegdheid van de Minister als omschreven in </para>
      <para>artikel 19 van de Wte 1995 is gedelegeerd - zijn ter uitvoering van onder meer artikel 17 </para>
      <para>regels vastgesteld in de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Nadere </para>
      <para>Regeling 1995).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 19, vierde lid, aanhef en onder f t/m h, van de Nadere Regeling 1995 luidt als volgt:</para>
      <para>"	Uit het administratief systeem van de effecteninstelling die uitsluitend orders </para>
      <para>voor rekening van cli‰nten aanbrengt bij effecteninstellingen die zijn </para>
      <para>ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 21 van de wet, of deze </para>
      <para>activiteit verricht voor rekening van personen met wie de effecteninstelling een </para>
      <para>beheersovereenkomst heeft afgesloten, dient, onverminderd het eerste lid, voor </para>
      <para>zover van toepassing, dagelijks adequaat, per opdrachtgever onderverdeeld, te </para>
      <para>blijken:</para>
      <para>(...)</para>
      <para>f. een overzicht van lopende orders die nog niet zijn uitgevoerd;</para>
      <para>g. een maandelijks overzicht per fondssoort van het behaalde koersresultaat;</para>
      <para>h. de wijze waarop de bepaling van het koersresultaat heeft plaatsgevonden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 23 van de Nadere Regeling 1995 luidt:</para>
      <para>"	De effecteninstelling dient klachten van cli‰nten op adequate wijze en binnen </para>
      <para>een redelijke termijn af te handelen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 32 van de Nadere Regeling 1995 bepaalt:</para>
      <para>"	De effecteninstelling dient te beschikken over een adequate </para>
      <para>klachtenadministratie."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 12, eerste lid, van de onder meer ten uivoering van artikel 10, eerste lid van de </para>
      <para>Wte 1995 vastgestelde Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995 is, voor </para>
      <para>zover thans van belang, onder meer bepaald dat van artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995 </para>
      <para>vrijstelling wordt verleend aan natuurlijke personen en rechtspersonen voor zover zij bij </para>
      <para>het als effectenbemiddelaar aanbieden of verrichten van diensten cli‰nten aanbrengen bij:</para>
      <para>	a. (...)</para>
      <para>b. (...)</para>
      <para>c. (...)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en </para>
      <para>omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>-	Het bedrijf van appellante bestaat sedert 1983. Sedert 14 januari 1997 beschikt zij </para>
      <para>over een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995.</para>
      <para>-	Haar directie wordt gevormd door de heren A en B.</para>
      <para>-	Bij brief de dato 19 maart 1998 aan appellante heeft verweerster medegedeeld te </para>
      <para>hebben geconstateerd dat Main Capital Investments (MCI), bij verweerster </para>
      <para>geregistreerd als cli‰ntenremisier, in opdracht van een cli‰nt, effectenorders doorgaf </para>
      <para>aan appellante, zulks in strijd met artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995. Appellante </para>
      <para>diende schriftelijk te verklaren dat zij met onmiddellijke ingang zou stoppen met het </para>
      <para>aanvaarden van orders van MCI. Appellante berichtte verweerster aldus bij brief de </para>
      <para>dato 30 maart 1998.</para>
      <para>-	In vervolg op een gesprek op 8 september 1998 in verband met een </para>
      <para>vergunningaanvraag van appellante vanwege een voorgenomen samenwerking, heeft </para>
      <para>verweerster appellante bij brief de dato 10 september 1998 onder meer meegedeeld </para>
      <para>dat tijdens het gesprek een drietal overtredingen van de Wte 1995 door appellante is </para>
      <para>geconstateerd. Verweerster heeft appellante bij die gelegenheid gemaand met </para>
      <para>onmiddellijke ingang maatregelen te nemen.</para>
      <para>-	Naar aanleiding van voormelde aanvraag alsmede naar aanleiding van een aantal </para>
      <para>door verweerster ontvangen klachten en een televisieuitzending is door verweerster </para>
      <para>in de periode van 12 oktober tot en met 19 oktober 1998 een onderzoek bij appellante </para>
      <para>uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd aan de hand van een door verweerster </para>
      <para>gehanteerd controleprogramma voor vermogensbeheerders.</para>
      <para>-	In rubriek 3. van het op grond van dit onderzoek uitgebrachte rapport de dato </para>
      <para>4 november 1998 - bij brief van 6 november 1998 aan appellante toegezonden - zijn </para>
      <para>de kernpunten van de bevindingen neergelegd. Deze luiden als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"3.		Kernpunten van de bevindingen</para>
      <para>3.1	Algemeen</para>
      <para>Gebleken is dat de heer A (bestuurder van DI) de STE in diverse gevallen niet </para>
      <para>tijdig, niet juist en niet volledig heeft ge‹nformeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2	AO/IC</para>
      <para>De orderrouting voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen.</para>
      <para>Cli‰ntenremisiers waar DI gebruik van maakt geven orders door aan DI, of </para>
      <para>hebben orders doorgegeven aan toegelaten instellingen met medeweten van DI </para>
      <para>(soms onder gebruikmaking van de naam DI). Hierbij wordt door enkele </para>
      <para>cli‰ntenremisiers gebruik gemaakt van een eigen beleggingsbeleid.</para>
      <para>De effectenadministratie voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen.</para>
      <para>De rapportage aan cli‰nten komt niet voort uit de eigen administratie en </para>
      <para>voldoet niet aan de eisen.</para>
      <para>Ten tijde van het onderzoek was er geen duidelijk omlijnde klachtenprocedure </para>
      <para>dan wel klachtenadministratie. Hierdoor is op basis van de huidige gegevens </para>
      <para>niet na te gaan of de aangetroffen klachten juist zijn en op adequate wijze zijn </para>
      <para>afgehandeld. Tevens is de volledigheid en tijdigheid van de </para>
      <para>klachtenadministratie niet vast te stellen.</para>
      <para>Ten tijde van het onderzoek was de regeling priv‚-transacties nog niet geheel </para>
      <para>ge‹mplementeerd en was er nog geen sprake van uitvoering van de procedures </para>
      <para>rond priv‚-transacties.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3	Financieel</para>
      <para>Een aantal posten in de kwartaalrapportage per 30 juni 1998 sluit niet aan met </para>
      <para>het grootboek van DI per 30 juni 1998.</para>
      <para>DI betaalt zijn cli‰ntenremisiers provisie; het aantal cli‰ntenremisiers waar </para>
      <para>provisie aan wordt betaald is groter dan het aantal cli‰ntenremisiers dat aan de </para>
      <para>STE werd opgegeven. Voorts zijn enkele cli‰ntenremisiers niet genotificeerd.</para>
      <para>Als gevolg van administratieve achterstanden worden niet alle facturen m.b.t. </para>
      <para>performance provisie aan de cli‰nten in rekening gebracht. Cli‰nten worden </para>
      <para>hierdoor verschillend behandeld.</para>
      <para>DI berekent geen BTW over de beheer- en performance provisie die aan haar </para>
      <para>cli‰nten in rekening wordt gebracht. Er wordt dus ook geen BTW afgedragen </para>
      <para>aan de fiscus. Volgens de heer A beschikt DI over een ruling van de </para>
      <para>belastinginspectie waaruit zou blijken dat hij geen BTW hoeft te berekenen en </para>
      <para>af te dragen. Een kopie van deze ruling dienen wij nog te ontvangen.</para>
      <para>DI handelt voor eigen rekening in aandelen en opties. Deze posities zijn niet </para>
      <para>aan te merken als een beleggingsportefeuille. Het lijkt erop dat de posities in </para>
      <para>aandelen en opties in het eerste en tweede kwartaal van 1998 tussen de </para>
      <para>rapportagedata worden opgebouwd en vervolgens voor het moment van </para>
      <para>rapporteren aan de STE weer worden afgebouwd. Er is derhalve sprake van een </para>
      <para>handelsportefeuille.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4	Reglementair</para>
      <para>De belangen van iedere individuele cli‰nt worden niet in alle gevallen gelijk </para>
      <para>behartigd.</para>
      <para>Een wijziging in de groepsstructuur van DI is niet tijdig doorgegeven aan de </para>
      <para>STE.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens het onderzoek is sterk de indruk verkregen dat Combi Invest B.V., </para>
      <para>waarin onder meer de heer B (directielid van DI) als aandeelhouder zit, </para>
      <para>vergunningplichtige dan wel notificatieplichtige activiteiten verricht zonder </para>
      <para>vergunning.</para>
      <para>De performance van de portefeuilles van cli‰nten blijkt niet uit de </para>
      <para>effectenadministratie van DI.</para>
      <para>Het uitgevoerde beleggingsbeleid was voor diverse cli‰nten zeer speculatief en </para>
      <para>wordt in bepaalde gevallen met geleend geld gefinancierd. Dit beleid komt niet </para>
      <para>overeen met de door DI gehanteerde beleggingsprofielen.</para>
      <para>Voor tenminste ‚‚n cli‰nt blijkt buiten de cli‰ntenovereenkomst te zijn </para>
      <para>gehandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(...)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.		AO/IC en automatisering</para>
      <para>(...)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.1	Orderrouting/effectenadministratie</para>
      <para>(...)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Orderrouting</para>
      <para>Gebleken is dat DI stelselmatig orders van cli‰ntenremisiers heeft geaccepteerd </para>
      <para>in de wetenschap dat het doorgeven van orders door cli‰ntenremisiers wettelijk </para>
      <para>niet is toegestaan. De directie van DI heeft tijdens het onderzoek op vragen van </para>
      <para>de STE stelselmatig ontkend dat cli‰ntenremisiers orders doorgeven en </para>
      <para>zelfstandig de vermogens van cli‰nten beheren. Tijdens het onderzoek zijn fax-</para>
      <para>brieven aangetroffen waaruit blijkt dat cli‰ntenremisiers orders doorgegeven </para>
      <para>hebben aan DI. De periode waarover dit soort faxen is aangetroffen is van </para>
      <para>september 1997 tot halverwege juni 1998. In het gesprek van 19 oktober 1998 </para>
      <para>heeft de heer A van DI na lang doorvragen toegegeven dat door DI orders van </para>
      <para>cli‰ntenremisiers zijn aangenomen. Enkele van deze cli‰ntenremisiers hanteren </para>
      <para>een eigen beleggingsbeleid.</para>
      <para>(...)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Effectenadministratie</para>
      <para>De effectenadministratie voldoet niet aan de eisen zoals gesteld in artikel 19, </para>
      <para>lid 4 sub f tot en met h NR 1995. Hierin wordt gesteld dat uit de administratie </para>
      <para>per opdrachtgever (cli‰nt) moet blijken:</para>
      <para>-	een overzicht van lopende orders die nog niet zijn uitgevoerd;</para>
      <para>-	een maandelijks overzicht per fondssoort van het behaalde koersresultaat;</para>
      <para>-	de wijze waarop de bepaling van het koersresultaat heeft plaatsgevonden.</para>
      <para>Voorgaande wordt mede veroorzaakt doordat er geen koppeling bestaat tussen </para>
      <para>een koersinformatiesysteem en de effectenadministratie. DI voert evenmin </para>
      <para>consequent op dagbasis de koersen in van de effecten die haar cli‰nten in </para>
      <para>portefeuille hebben. Hierdoor worden de effecten niet tegen actuele waarde </para>
      <para>geadministreerd. Voor haar effectenadministratie maakt DI gebruik van het </para>
      <para>softwarepakket JAAD.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De posities van de cli‰nten in de effectenadministratie worden bijgewerkt aan </para>
      <para>de hand van de kopie‰n van de effectennota's van de banken. Hierdoor geeft de </para>
      <para>effectenadministratie niet dagelijks het juiste beeld van de portefeuille van de </para>
      <para>cli‰nten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wijze van archivering van ordertickets, effectennota's en </para>
      <para>portefeuilleoverzichten is zodanig dat geen inzicht kan worden verkregen in de </para>
      <para>werking van de AO/IC procedures. Dit is in strijd met artikel 17 Bte 1995. In </para>
      <para>dit artikel wordt onder meer vermeld dat de effecteninstelling naar het oordeel </para>
      <para>van de toezichthouder dient te beschikken over een deugdelijke registratie van </para>
      <para>de verrichte diensten. De registratie dient de toezichthouder in staat te stellen </para>
      <para>na te gaan of de regels inzake bedrijfsvoering en financi‰le waarborgen worden </para>
      <para>nageleefd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De posities per cli‰nt, in de effectenadministratie, worden alleen afgestemd met </para>
      <para>de positie-overzichten van de banken (ABN AMRO en ING) waar DI een </para>
      <para>gering aantal cli‰nten heeft ondergebracht. Voor de banken waar het gros van </para>
      <para>de cli‰nten is ondergebracht (Theodoor Gilissen, HSBC en Trust Trade) </para>
      <para>worden deze posities niet aangesloten.</para>
      <para>(...)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- In de brief de dato 6 november 1998 waarbij dit onderzoeksrapport aan appellante </para>
      <para>werd gezonden, deelde verweerster mee:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Op grond van de bevindingen die uit dit onderzoek naar voren zijn gekomen, </para>
      <para>zijn wij voornemens de vergunning van Direct Invest B.V., als bedoeld in </para>
      <para>artikel 7, lid 4 Wet toezicht effectenverkeer (Wte 1995) in te trekken."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief de dato 23 november 1998 heeft appellante naar aanleiding van het hiervoor </para>
      <para>vermelde onderzoeksrapport verweerster een overzicht gezonden van door haar te </para>
      <para>treffen dan wel inmiddels reeds getroffen maatregelen teneinde de gesignaleerde </para>
      <para>problemen op te lossen.</para>
      <para>-	Op 25 november 1998 heeft verweerster appellante met toepassing van artikel 4:8 </para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid gesteld haar </para>
      <para>zienswijze naar voren te brengen met betrekking tot verweersters voornemen tot </para>
      <para>intrekking van de vergunning.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brieven van 7, 8 en 9 december 1998 heeft appellante verweerster aanvullende </para>
      <para>informatie toegezonden, onder meer bestaande uit een door appellante opgesteld </para>
      <para>overzicht aangemerkt als "stand van zaken met betrekking tot diverse getroffen en te </para>
      <para>treffen maatregelen".</para>
      <para>-	Op 15 december 1998 heeft verweerster besloten de vergunning van appellante met </para>
      <para>onmiddellijke ingang in te trekken op grond van artikel 19, eerste lid, onder e, van de </para>
      <para>Wte 1995 en de kredietinstellingen waar de cli‰nten van appellante hun geld- en </para>
      <para>effectenrekening aanhouden te verzoeken de lopende overeenkomsten met hen af te </para>
      <para>wikkelen.</para>
      <para>-	Appellante heeft op 17 december 1998 tegen dit besluit een bezwaarschrift </para>
      <para>ingediend. </para>
      <para>-	Op 7 januari 1999 heeft appellante haar bezwaren ter hoorzitting toegelicht.</para>
      <para>-	Bij brief de dato 20 januari 1999 zond appellante verweerster een businessplan en </para>
      <para>een beschrijving van een nieuwe administratieve organisatie en interne controle.</para>
      <para>-	Op 29 januari 1999 heeft verweerster het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in.</para>
      <para>De heren A en B zijn onvoldoende deskundig en betrouwbaar, althans er zijn gronden om </para>
      <para>aan hun deskundigheid en betrouwbaarheid ernstig te twijfelen. Ieder lid van de directie </para>
      <para>draagt verantwoordelijkheid voor het hele beleid; een taakverdeling binnen de directie kan </para>
      <para>hieraan niet af doen. Appellante heeft gebruik gemaakt van cli‰ntenremisiers die niet als </para>
      <para>zodanig waren opgenomen in het register dat verweerster uit hoofde van artikel 21 van de </para>
      <para>Wte 1995 bijhoudt. Indien men zich er niet van vergewist of een cli‰ntenremisier is </para>
      <para>ingeschreven, komt dat voor risico van de betrokken effecteninstelling. Verschillende </para>
      <para>instellingen hebben zich bediend van de naam en/of het briefpapier van appellante en </para>
      <para>daardoor bij potenti‰le beleggers de indruk gewekt dat men zaken deed met een vergunning </para>
      <para>houdende vermogensbeheerder. Dat appellante hiervan niet op de hoogte was is </para>
      <para>onwaarschijnlijk en betekent in ieder geval dat zij onvoldoende invloed heeft weten uit te </para>
      <para>oefenen op de remisiers van wier diensten zij gebruik maakt. Cli‰ntenremisiers waar </para>
      <para>appellante gebruik van maakt of heeft gemaakt hebben orders doorgegeven aan appellante </para>
      <para>en aan tot de AEX toegelaten instellingen. Appellante was hiervan op de hoogte. Deze </para>
      <para>handelswijze is vijf maanden nadat verweerster bij brief de dato 19 maart 1998 erop had </para>
      <para>gewezen dat een cli‰ntenremisier geen orders mag doorgeven, be‰indigd. Appellante heeft </para>
      <para>verweerster niet juist of niet volledig ge‹nformeerd door te melden dat door MCI geen </para>
      <para>orders meer zouden worden doorgegeven terwijl MCI in ieder geval nog op of omstreeks 7 </para>
      <para>mei 1998 orders heeft doorgegeven en door te melden dat de heer C bij appellante in dienst </para>
      <para>zou zijn getreden terwijl dit niet het geval blijkt. Voor zover een van de bestuurders op de </para>
      <para>hoogte was van deze feiten kan hij niet als betrouwbaar worden aangemerkt, voor zover hij </para>
      <para>hiervan niet op de hoogte zou zijn geweest ontbreken hem elementaire </para>
      <para>managementvaardigheden en is hij als niet deskundig aan te merken.</para>
      <para>De tekortkomingen in met name de administratieve organisatie zijn van dien aard en </para>
      <para>omvang dat niet voldoende aannemelijk is dat appellante - met de huidige dan wel met een </para>
      <para>nieuwe directie- in staat is binnen een aanvaardbare termijn aan de bij of krachtens de Wte </para>
      <para>1995 gestelde eisen te voldoen. Appellante heeft geen adequate klachtenprocedure en </para>
      <para>hanteert evenmin een adequate klachtenadministratie. Dit is in strijd met artikel 32 van de </para>
      <para>Nadere Regeling 1995. Meldingsplichtige personen, medewerkers van appellante, hebben </para>
      <para>transacties verricht zonder dat deze onverwijld zijn gemeld aan een centrale functionaris en </para>
      <para>zonder dat van deze transacties een lijst is bijgehouden. In ieder geval vanaf de verlening </para>
      <para>van de vergunning tot september 1998 is geen invulling gegeven aan de regeling priv‚-</para>
      <para>transacties. De effectenadministratie voldeed niet aan de vereisten ingevolge artikel 19, </para>
      <para>lid 4, sub f tot en met sub h, van de Nadere Regeling 1995. In de stand van de portefeuille </para>
      <para>van een cli‰nt bestond geen dagelijks inzicht, een overzicht van lopende orders die nog niet </para>
      <para>waren uitgevoerd ontbrak evenals een maandelijks overzicht per fondssoort van de </para>
      <para>behaalde resultaten. Het is niet voldoende dat binnen een dag inzicht in een specifieke </para>
      <para>portefeuille kan worden verkregen. Geen inzicht bestond in de wijze waarop de bepaling </para>
      <para>van het koersresultaat had plaatsgevonden. De belangen van individuele cli‰nten waren </para>
      <para>niet gelijk behartigd waarmee niet werd voldaan aan artikel 15 juncto artikel 24 van het </para>
      <para>Besluit juncto artikel 22 van de Nadere Regeling 1995. De bescheiden samenhangend met </para>
      <para>de effecten administratie werden niet systematisch gearchiveerd. Dit is in strijd met artikel </para>
      <para>17 van Bte 1995. De ordertickets bevatten geen aanduiding van het tijdstip waarop de </para>
      <para>orders werden uitgevoerd. Dit is in strijd met artikel 19, lid 4, sub e, van de Nadere </para>
      <para>Regeling 1995.</para>
      <para>Hoewel appellante tekortkomingen heeft onderkend en zich bereid heeft getoond deze te </para>
      <para>verhelpen, blijkt uit het aantal punten dat voor verbetering in aanmerking komt dat de </para>
      <para>bestuurders in de betreffende periode niet deskundig hebben gehandeld. Om aan de eisen </para>
      <para>gesteld bij of krachtens de Wte 1995 te voldoen zou het aantal voor appellante werkzame </para>
      <para>personen belangrijk moeten worden uitgebreid. Niet aannemelijk is dat deze op korte </para>
      <para>termijn beschikbaar zijn. Aan de betrokken personen zal leiding moeten worden gegeven </para>
      <para>en op hen zal toezicht moeten worden gehouden door een terzake deskundige directie, die </para>
      <para>thans ontbreekt. Appellante heeft geen namen genoemd van andere directieleden en nieuwe </para>
      <para>aandeelhouders. Aangezien ten behoeve van meer van de helft van de cli‰nten van </para>
      <para>appellante orders werden doorgegeven door cli‰ntenremisiers is ook om deze reden minder </para>
      <para>aannemelijk dat appellante binnen aanvaardbare termijn zal voldoen aan de bij of krachtens </para>
      <para>de Wte 1995 geldende eisen. In verband hiermee vereist de bescherming van de beleggers, </para>
      <para>in het bijzonder de cli‰nten van appellante, alsmede het verzekeren van de integriteit van </para>
      <para>de financi‰le sector, dat de vergunning van appellante met onmiddellijke ingang wordt </para>
      <para>ingetrokken. Ook indien de directie zou worden vervangen, kan niet worden afgezien van </para>
      <para>intrekking van de vergunning nu de geconstateerde tekortkomingen in de administratieve </para>
      <para>organisatie van dien aard zijn dat onaannemelijk is dat appellante in staat is om binnen </para>
      <para>aanvaardbare termijn aan de vereisten te voldoen.</para>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Appellante heeft betoogd dat verweerster bij de beoordeling van het bezwaarschrift niet is </para>
      <para>overgegaan tot heroverweging van alle feiten en omstandigheden zoals die bekend waren </para>
      <para>op het moment van het beslissen op het bezwaarschrift. Wat betreft de administratieve </para>
      <para>organisatie en interne controle heeft verweerster zich gebaseerd op de situatie ten tijde van </para>
      <para>de primaire beslissing terwijl een beschrijving van de nieuwe administratieve organisatie </para>
      <para>en interne controle op 20 januari 1999 aan verweerster was overgelegd. Appellante had de </para>
      <para>bestaande onderneming in een activa/passiva-transactie verkocht als gevolg waarvan haar </para>
      <para>bedrijfsactiviteiten waren gewijzigd. Ook ten aanzien van het deskundigheids- en </para>
      <para>betrouwheidsoordeel over de bestuurders heeft geen volledige heroverweging </para>
      <para>plaatsgevonden. Deze dient te worden bezien in het licht van de omvang en de complexiteit </para>
      <para>van de te besturen organisatie. De toetsing van verweerster is geschied in het kader van de </para>
      <para>oude organisatie en niet volgens het nieuwe businessplan en beschrijving van de </para>
      <para>administratieve organisatie en interne controle, dat een effecteninstelling betreft van een </para>
      <para>veel beperktere omvang zowel in personeel, het aantal cli‰nten als het te beheren </para>
      <para>vermogen.</para>
      <para>Het bestreden besluit is tot stand gekomen in strijd met het beginsel van zorgvuldige </para>
      <para>voorbereiding alsmede met artikel 7:2 van de Awb. Verweerster heeft geweigerd in te gaan </para>
      <para>op door appellante voorgestelde alternatieven om de onderneming te redden. Appellante </para>
      <para>heeft voorgesteld om een door verweerster goed te keuren interim bestuur te benoemen. </para>
      <para>Ook tot aandelenoverdracht bestond een bereidheid.</para>
      <para>Wat betreft de hoorzitting is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 7:5, sub b, van de </para>
      <para>Awb omdat twee van de vier leden bij de voorbereiding van het bestreden besluit </para>
      <para>betrokken zijn geweest.</para>
      <para>Verweerster is ten onrechte niet ingegaan op het gemotiveerde verzoek van appellante het </para>
      <para>horen als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb op een later tijdstip te doen plaatsvinden.</para>
      <para>Het bestreden besluit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De vermeende </para>
      <para>tekortkomingen met betrekking tot cli‰ntenremisiers waren al voor het onderzoek </para>
      <para>gerepareerd. Ook de vermeende gebreken met betrekking tot administratieve organisatie en </para>
      <para>interne controle waren ten tijde van de beslissing de dato 15 december 1998 op een enkel </para>
      <para>onderdeel na gecorrigeerd. Door de intrekking van de vergunning werd de aandeelhouder </para>
      <para>van appellante onevenredig zwaar benadeeld, doordat de voorgenomen verkoop van de </para>
      <para>aandelen geen doorgang kon vinden. Ook cli‰nten van appellante hebben schade geleden </para>
      <para>doordat verweerster heeft bepaald dat de banken waarbij de effectenposities van de cli‰nten </para>
      <para>werden aangehouden, het beheer moesten overnemen. De gevolgen van de intrekking </para>
      <para>waren zo absoluut dat gezien de termijn waarbinnen verweerder geacht kon worden te </para>
      <para>beslissen op het bezwaarschrift de onderneming feitelijk al onomkeerbaar reddeloos was. </para>
      <para>Diverse malen heeft verweerster, of de Nederlandsche Bank, (Leemhuis &amp; Van Loon B.V., </para>
      <para>Bank Bangert Pontier, NIB-Strating) bij twijfel aan de betrouwbaarheid en deskundigheid </para>
      <para>van bestuurders van effecteninstellingen de mogelijkheid geboden een interim bestuur aan </para>
      <para>te stellen. Met het bestreden besluit wordt afgeweken van een bestendige beleidslijn dat de </para>
      <para>effecteninstelling als onderneming en complex van belangen van aandeelhouders, </para>
      <para>beleggers, personeel en crediteuren niet mag lijden onder onbetrouwbaarheid en/of </para>
      <para>ondeskundigheid van haar bestuurders.</para>
      <para>Ten onrechte wordt gemeend dat een zekere mate van twijfel over de betrouwbaarheid van </para>
      <para>een bestuurder voldoende grond is voor het intrekken van een vergunning. Uit de </para>
      <para>wetgevingsgeschiedenis blijkt dat alleen bij vergunningverlening een dergelijke </para>
      <para>verstrekkende betrouwbaarheidstoets steunt op de bedoeling van de wetgever. Voor </para>
      <para>diskwalificatie gelden daarentegen onverkort de zware eisen die door het beginsel van </para>
      <para>zorgvuldige voorbereiding worden opgelegd. Appellante heeft zo snel als redelijkerwijs </para>
      <para>mogelijk was stappen ondernomen om bepaalde activiteiten te herstructureren in </para>
      <para>overeenstemming met de Wte 1995. De argumenten met betrekking tot de deskundigheid </para>
      <para>en betrouwbaarheid van de bestuurders betreffen omstandigheden uit het verleden die op </para>
      <para>het moment van het onderzoek niet meer golden. Verweerster heeft maar een beperkte </para>
      <para>bereidheid gehad aan te geven of de voorgestelde structuren haar goedkeuring konden </para>
      <para>wegdragen. De wettelijke regels zijn bijzonder complex; onder toezicht gestelden dienen </para>
      <para>actief begeleid te worden bij de naleving hiervan. Ten aanzien van gedragingen van de </para>
      <para>vennootschap of effecteninstelling die gevolgen hebben voor het betrouwbaarheids- of </para>
      <para>deskundigheidsoordeel over de bestuurder moet een zorgvuldigheids- en motiveringsplicht </para>
      <para>gelden die vergelijkbaar is met het leerstuk van feitelijk leiding geven aan een </para>
      <para>rechtspersoon ex artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van iedere </para>
      <para>bestuurder moet in het licht van zijn specifieke taak en verantwoordelijkheden binnen het </para>
      <para>bestuur worden gemotiveerd dat zijn handelen of niet-handelen leidt tot onbetrouwbaarheid </para>
      <para>en/of ondeskundigheid. Inlegvellen in brochures van cli‰ntenremisiers kunnen zonder </para>
      <para>nadere motivering niet leiden tot het oordeel dat de voltallige directie ondeskundig is. </para>
      <para>Appellante wilde de relatie met de cli‰ntenremisier waarop de brief van verweerster de </para>
      <para>dato 19 maart 1998 betrekking had, be‰indigen maar heeft dit in het belang van de </para>
      <para>beleggers niet eerder kunnen realiseren dan september 1998.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het College stelt voorop dat artikel 7:11 van de Awb voorziet in een beoordeling van het </para>
      <para>besluit waarvan bezwaar in volle omvang, waarbij in beginsel rekening wordt gehouden </para>
      <para>met nieuwe feiten en omstandigheden.</para>
      <para>Wat betreft de heroverweging van het besluit van 15 december 1998 heeft verweerster in </para>
      <para>de bestreden beschikking uitdrukkelijk overwogen dat hetgeen door appellante is </para>
      <para>aangevoerd niet afdeed aan hetgeen door haar werd overwogen ten aanzien van de </para>
      <para>betrouwbaarheid en deskundigheid van de bestuurders van appellante. Verweerster is </para>
      <para>hierbij concreet ingegaan op hetgeen door appellante in de bezwaarschriftprocedure naar </para>
      <para>voren is gebracht. Een heroverweging als voorzien in artikel 7:11 van de Awb heeft wat dit </para>
      <para>aspect betreft, plaatsgevonden.</para>
      <para>Appellante heeft betoogd dat verweerster niet de getroffen en voorgestelde maatregelen, </para>
      <para>zoals die met name aan verweerster zijn medegedeeld bij brief van 20 januari 1999, buiten </para>
      <para>beschouwing had mogen laten. Het College merkt hierover op dat appellante in de periode </para>
      <para>tussen de ontvangst van het rapport en de beslissing van 15 december 1998 verweerster al </para>
      <para>in kennis had gesteld van reeds getroffen of voorgestelde maatregelen met betrekking tot </para>
      <para>de administratieve organisatie en interne controle (brieven de dato 23 november 1998 en </para>
      <para>8 december 1998, aangevuld bij brief de dato 9 december 1998). Verweerster was niet </para>
      <para>alleen bekend met deze (voorgenomen) aanpassing van de administratieve organisatie en </para>
      <para>interne controle maar heeft deze reeds bij de beslissing de dato 15 december 1998 in </para>
      <para>aanmerking genomen (zie met name punten 5.3 en 5.4 van genoemde beslissing).</para>
      <para>Het businessplan gedateerd 19 januari 1999 (gezonden aan verweerster bij brief de dato </para>
      <para>20 januari 1999), waarbij gevoegd was een beschrijving van de opzet van de </para>
      <para>administratieve organisatie en maatregelen van interne controle gaat uit van de situatie die </para>
      <para>was ontstaan nadat appellante het volledige cli‰ntenbestand had overgedragen aan Van </para>
      <para>Ernst Jakobs N.V. per 5 januari 1999. Daarnaast was het personeel van appellante </para>
      <para>ontslagen. Voorts verschilt blijkens de beschrijving van de opzet van de administratieve </para>
      <para>organisatie en interne controle de organisatiestructuur in die zin van de oorspronkelijke dat </para>
      <para>in het businessplan de dato 19 januari 1999 geen rol is voorzien voor Combi Invest B.V.. </para>
      <para>Ook uit de stellingen van appellante blijkt dat het een organisatie van een veel beperktere </para>
      <para>omvang betreft, zowel wat betreft personeel, aantal cli‰nten als wat betreft het te beheren </para>
      <para>vermogen dan waarvoor de vergunning is verleend. Naar het oordeel van het College moet </para>
      <para>onder deze omstandigheden worden geconcludeerd dat de beschrijving van de </para>
      <para>administratieve organisatie en interne controle die op 20 januari 1999 aan verweerster werd </para>
      <para>gezonden uitgaat van ingrijpend gewijzigde omstandigheden die meebrengen dat deze </para>
      <para>beschrijving niet in de heroverweging van het besluit van 15 december 1998 moest worden </para>
      <para>betrokken maar veeleer aanleiding diende te vormen voor een aanvraag van een nieuwe </para>
      <para>vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995. Verweerster heeft daarom </para>
      <para>de beschrijving van de administratieve organisatie en interne controle, die haar op </para>
      <para>20 januari 1999 werd gezonden, in het bestreden besluit terecht buiten beschouwing </para>
      <para>gelaten.</para>
      <para>Onder deze omstandigheden kan evenmin aan verweerster worden verweten haar </para>
      <para>deskundigheids- en betrouwbaarheidsoordeel over de bestuurders niet in het licht van het </para>
      <para>nieuwe businessplan en de daarbij gevoegde beschrijving van de administratieve </para>
      <para>organisatie en interne controle te hebben heroverwogen.</para>
      <para>Met betrekking tot het verwijt dat verweerster heeft geweigerd in te gaan op maatregelen </para>
      <para>waardoor intrekking van de vergunning van appellante zou kunnen worden vermeden moet </para>
      <para>in de eerste plaats worden vastgesteld dat appellante zelf er voor dient zorg te dragen dat </para>
      <para>aan alle bij of krachtens de Wte 1995 van toepassing zijnde verplichtingen is voldaan. In de </para>
      <para>tweede plaats heeft appellante zich weliswaar bereid verklaard een door verweerster goed </para>
      <para>te keuren interim bestuur te benoemen, maar heeft zij dit aanbod nimmer geconcretiseerd. </para>
      <para>Integendeel: het op 20 januari 1999 aan verweerster gezonden businessplan en de daarbij </para>
      <para>gevoegde beschrijving van de administratieve organisatie en interne controle vermelden </para>
      <para>nog steeds A en B als bestuurders. De verplichting van verweerster tot onderzoek van voor </para>
      <para>appellante minder bezwarende alternatieven voor de voorgenomen beslissing gaat niet </para>
      <para>zover dat hieronder is begrepen het identificeren of aanzoeken van kandidaten voor een </para>
      <para>interim bestuur. Wat betreft de intentieverklaring van participatiemaatschappijen om 100 </para>
      <para>% van de aandelen van appellante over te nemen kan worden vastgesteld dat deze niet is </para>
      <para>gerealiseerd gezien de koopovereenkomst met betrekking tot het cli‰ntenbestand en </para>
      <para>inventaris van appellante de dato 5 januari 1999. De situatie die ontstond ten gevolge van </para>
      <para>laatstgenoemde overeenkomst is overigens, zoals reeds werd overwogen, terecht door </para>
      <para>verweerster buiten beschouwing gelaten.</para>
      <para>Het horen van appellant is geschied door de vice-voorzitter van verweerster. Derhalve is </para>
      <para>voldaan aan het vereiste van artikel 7:5, lid 1, aanhef, van de Awb. Dat namens verweerster </para>
      <para>voorts mr drs M.J. Bloot, M.R. Aberkrom en drs A. Poel, die betrokken waren bij de </para>
      <para>voorbereiding van het besluit de dato 15 december 1998, aanwezig waren, kan daaraan niet </para>
      <para>afdoen.</para>
      <para>Bij brief van 24 december 1998 heeft verweerster appellante uitgenodigd voor een </para>
      <para>hoorzitting op 7 januari 1999. Stukken dienden uiterlijk 31 december 1998 ingediend te </para>
      <para>worden. Appellante heeft betoogd dat een en ander in strijd is met artikel 7:4 van de Awb </para>
      <para>dat voorschrijft dat de belanghebbende een redelijke termijn moet hebben voor het </para>
      <para>indienen van stukken en het bestuursorgaan voldoende gelegenheid moet hebben deze te </para>
      <para>beoordelen.</para>
      <para>Verweerster heeft terecht benadrukt dat het in het belang van beleggers was de onzekerheid </para>
      <para>of bij toetsing op bezwaar de intrekking ongedaan zou worden gemaakt, zo kort mogelijk </para>
      <para>te laten duren. Daarnaast is van belang dat appellante bij brief de dato 6 november 1998 in </para>
      <para>kennis was gesteld van de bevindingen van het onderzoek en het voornemen van </para>
      <para>verweerster de vergunning ex artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995 in te trekken. </para>
      <para>Appellante had bij brief de dato 23 november 1998 verweerster reeds in kennis gesteld van </para>
      <para>bemerkingen en een beschrijving van de opzet van de administratieve organisatie en </para>
      <para>interne controle. Op 25 november 1998 was appellante ingevolge artikel 4:8 van de Awb </para>
      <para>gehoord. Bij brieven van 7, 8 en 9 december 1998 heeft appellante nadere informatie aan </para>
      <para>verweerster gezonden. Tegen de beslissing de vergunning van appellante in te trekken van </para>
      <para>15 december 1998 werd door appellante op 17 december 1998 bezwaar aangetekend en op </para>
      <para>gelijke datum bij de President van dit College een voorlopige voorziening verzocht. </para>
      <para>Appellante heeft niet aangegeven op welke wijze zij concreet door de termijn waarop de </para>
      <para>behandeling van het bezwaarschrift plaatsvond in haar belang is geschaad. Gezien de </para>
      <para>intensieve betrokkenheid van appellante bij de totstandkoming van de beslissing waartegen </para>
      <para>het bezwaar zich richtte is dit ook niet aannemelijk.</para>
      <para>Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat artikel 7:4 Awb niet is geschonden.</para>
      <para>Met betrekking tot de grief dat gehandeld is in strijd met het evenredigheidsbeginsel </para>
      <para>overweegt het College in de eerste plaats dat appellante er reeds bij brief de dato 19 maart </para>
      <para>1998 op is gewezen dat zij in strijd met de wet handelde door toe te staan dat een </para>
      <para>cli‰ntenremisier haar in opdracht van een cli‰nt effectenorders doorgaf. Desondanks is </para>
      <para>appellante - in afwijking van haar mededeling aan verweerster dat de met de wet strijdige </para>
      <para>situatie zou worden be‰indigd - doorgegaan met het aanvaarden van orders van de </para>
      <para>betrokken cli‰ntenremisier. Tijdens het onderzoek dat verweerster heeft uitgevoerd is </para>
      <para>gebleken dat in ieder geval gedurende de periode september 1997 tot halverwege juni 1998 </para>
      <para>cli‰ntenremisiers orders hebben doorgegeven aan appellante. Appellante heeft dit erkend. </para>
      <para>Het College is van oordeel dat reeds de omstandigheid dat appellante in strijd met een </para>
      <para>uitdrukkelijke mededeling aan verweerder de praktijk heeft voortgezet waarbij in strijd met </para>
      <para>de wet orders werden doorgegeven door cli‰ntenremisiers aan appellante of namens </para>
      <para>appellante aan andere instellingen, de conclusie rechtvaardigt dat de bestuurders </para>
      <para>onvoldoende deskundig en betrouwbaar zijn. Hieraan doet niet af dat de betreffende </para>
      <para>praktijk al voor het onderzoek was be‰indigd omdat enerzijds is gehandeld in strijd met een </para>
      <para>uitdrukkelijke verklaring en anderzijds willens en wetens een wettelijke verplichting is </para>
      <para>genegeerd.</para>
      <para>In de tweede plaats zijn bij het onderzoek vele en veelal wezenlijke tekortkomingen </para>
      <para>geconstateerd in de administratieve organisatie en interne controle van appellante. Deze </para>
      <para>tekortkomingen zijn in essentie niet weersproken. Appellante zelf heeft 54 punten </para>
      <para>ge‹dentificeerd waarop de administratieve organisatie en interne controle aanpassing </para>
      <para>behoefden om aan de bij of krachtens de Wte 1995 geldende eisen te kunnen voldoen. Een </para>
      <para>aantal van deze punten was op 8 december 1998 nog niet ge‹mplementeerd; onder meer </para>
      <para>diende nog een compliance officer te worden aangesteld en diende onderzoek te worden </para>
      <para>verricht naar een portefeuillemanagementsysteem. De administratieve organisatie en </para>
      <para>interne controle voldeden toen nog niet aan de eisen.</para>
      <para>Verweerster heeft ter zitting bovendien benadrukt dat het aanbrengen van de noodzakelijke </para>
      <para>wijzigingen een belangrijke investering zou vergen zowel wat betreft geld en tijd alsook de </para>
      <para>inzet van deskundig personeel. Aangezien appellante dit zou moeten doen naast het beheer </para>
      <para>van het vermogen van cli‰nten die voordien feitelijk werden bediend door cli‰nten-</para>
      <para>remisiers, heeft verweerster naar het oordeel van het College op goede gronden geoordeeld </para>
      <para>dat die wijzigingen niet op een, gelet op de bescherming van beleggers, aanvaardbare </para>
      <para>termijn te realiseren zou zijn. Gezien het grote belang van beleggers bij zowel de </para>
      <para>betrouwbaarheid en deskundigheid van de bestuurders van de ondernemingen waaraan zij </para>
      <para>hun vermogen hebben toevertrouwd alsook het grote belang van een deugdelijke </para>
      <para>administratie van de betreffende instelling, en mede in aanmerking nemende de ernst en </para>
      <para>omvang van de tekortkomingen alsmede de omstandigheid dat appellante, in weerwil van </para>
      <para>haar uitdrukkelijke mededeling aan verweerster, geruime tijd nadat zij was gewaarschuwd </para>
      <para>dat cli‰ntenremisiers waarvan zij gebruik maakte in strijd met artikel 7, eerste lid, van de </para>
      <para>Wte 1995 orders doorgaven aan appellante, deze gedragslijn -die een economisch delict is- </para>
      <para>heeft voortgezet, heeft verweerster in redelijkheid zonder miskenning van het </para>
      <para>evenredigheidsbeginsel kunnen besluiten de vergunning van appellante met onmiddellijke </para>
      <para>ingang in te trekken. Verweerster heeft het bestreden besluit mitsdien kunnen nemen met </para>
      <para>het oog op de bescherming van de belangen van beleggers, waaronder ook begrepen </para>
      <para>cli‰nten van appellante. Met de belangen van laatstgenoemden heeft verweerster voorts </para>
      <para>rekening gehouden door te bepalen op grond van artikel 19, derde lid van de Wte 1995 dat </para>
      <para>de betrokken kredietinstellingen de lopende overeenkomsten zouden afwikkelen. Het </para>
      <para>College tekent verder aan dat aandeelhouders van appellante reeds op 19 maart 1998 zijn </para>
      <para>gemaand te stoppen met het accepteren van orders van een cli‰ntenremisier. Door </para>
      <para>dergelijke gedragingen desondanks te continueren is welbewust het risico genomen dat </para>
      <para>verweerster maatregelen zou treffen. De brief van verweerster de dato 19 maart 1998 maakt </para>
      <para>ondubbelzinnig duidelijk dat verweerster deze verboden gedragingen zeer ernstig acht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de stelling van appellante dat verweerster is afgeweken van een </para>
      <para>bestendige beleidslijn in die zin dat eerder vergelijkbare instellingen door verweerster </para>
      <para>steeds in de gelegenheid werden gesteld een interim bestuur aan te stellen, stelt het College </para>
      <para>in de eerste plaats vast dat appellante niet op eigen initiatief, in ieder geval in de periode </para>
      <para>gelegen tussen het moment waarop zij kennis kreeg van het van het onderzoeksrapport, </para>
      <para>gezonden bij brief van 6 november 1998, tot het moment van het bestreden besluit, 29 </para>
      <para>januari 1999, nieuwe bestuurders heeft benoemd of kandidaat bestuurders aan verweerster </para>
      <para>voorgesteld. Nochtans heeft appellante daartoe ampele gelegenheid gehad. De beslissingen </para>
      <para>van De Nederlandsche Bank waaraan appellante refereert, kunnen niet strekken tot </para>
      <para>onderbouwing van de door appellante gestelde bestendige beleidslijn van verweerster. </para>
      <para>Verweerster heeft de stelling van appellante dat in vergelijkbare gevallen bij twijfel aan de </para>
      <para>betrouwbaarheid van bestuurders de gelegenheid werd geboden een interim bestuur aan te </para>
      <para>stellen, uitdrukkelijk weersproken. Met name heeft zij betoogd dat in de door appellante </para>
      <para>genoemde gevallen geen sprake was van zowel tekortkomingen in de administratieve </para>
      <para>organisatie en interne controle, als van twijfel aan de deskundigheid en betrouwbaarheid </para>
      <para>van de bestuurders. Het betrof in de zaken waaraan appellante refereert niet een samenloop </para>
      <para>van feilen zoals in het bestreden besluit aan de orde is. In het licht van dit verweer kan het </para>
      <para>College, bij gebreke van genoegzame onderbouwing door appellante van haar stelling, niet </para>
      <para>tot het oordeel komen dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het </para>
      <para>gelijkheidsbeginsel.</para>
      <para>Met betrekking tot de grief van appellante dat, anders dan bij de beslissing omtrent </para>
      <para>vergunningverlening, een zekere mate van twijfel aan de betrouwbaarheid van een </para>
      <para>bestuurder onvoldoende grond is voor het intrekken van een vergunning en dat de eisen die </para>
      <para>voortvloeien uit het zorgvuldigheidsbeginsel onverkort gelden, overweegt het College dat </para>
      <para>ingevolge artikel 19, eerste lid, sub e, van de Wte 1995 een vergunning kan worden </para>
      <para>ingetrokken indien niet meer wordt voldaan aan de bij of krachtens de Wte 1995 gestelde </para>
      <para>regels, beperkingen of gegeven voorschriften. Hieruit volgt dat indien niet meer wordt </para>
      <para>voldaan aan de voorwaarden die ingevolge artikel 7, vierde lid, van de Wte 1995 van </para>
      <para>toepassing zijn voor de verlening van een vergunning, deze vergunning kan worden </para>
      <para>ingetrokken. Wat betreft de deskundigheid en betrouwbaarheid van bestuurders wordt in </para>
      <para>artikel 7, vierde lid, van de Wte 1995 inhoudelijk geen andere norm gehanteerd dan die </para>
      <para>welke bij toepassing van artikel 19, eerste lid, sub e, van de Wte 1995 aan de orde is. Naar </para>
      <para>het oordeel van het College heeft verweerster haar standpunt dat de bestuurders van </para>
      <para>appellante niet meer aan deze norm voldeden voldoende met redenen omkleed. Het </para>
      <para>bestreden besluit levert dan ook geen strijd op met artikel 3:2 van de Awb.</para>
      <para>Wat betreft het middel dat betoogt dat ten aanzien van iedere bestuurder in het licht van </para>
      <para>zijn specifieke taak en verantwoordelijkheden moet worden gemotiveerd dat zijn handelen </para>
      <para>danwel het achterwege blijven daarvan leidt tot onbetrouwbaarheid en/of ondeskundigheid, </para>
      <para>is het College van oordeel dat uit het bestreden besluit genoegzaam blijkt dat beide </para>
      <para>bestuurders wisten van de door verweerster aan appellante gesignaleerde onrecht-</para>
      <para>matigheden met betrekking tot cli‰ntenremissies, de toezeggingen die terzake aan </para>
      <para>verweerster waren gedaan alsmede van de voortzetting van de gewraakte praktijk. </para>
      <para>Daarnaast is het College van oordeel dat reeds gelet op het bepaalde in artikel 10 juncto </para>
      <para>artikel 14, eerste lid, van het Besluit niet met vrucht kan worden gesteld dat bestuurders </para>
      <para>van een ingevolge de Wte 1995 vergunningplichtige instelling jegens de toezichthoudende </para>
      <para>autoriteit op grond van een interne taakverdeling niet verantwoordelijk kunnen worden </para>
      <para>gehouden voor naleving van de bij of krachtens Wte 1995 geldende vereisten. Een </para>
      <para>bestuurder is slechts dan niet verantwoordelijk voor niet naleving van deze vereisten indien </para>
      <para>hij bewijst dat dit niet aan hem te wijten was en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen </para>
      <para>van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Hiervan is niet gebleken.</para>
      <para>Aangezien niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden </para>
      <para>geoordeeld dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dient het beroep ongegrond te worden </para>
      <para>verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>6.	De beslissing</para>
    <para />
    <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr M.A. Fierstra en</para>
      <para>mr J. Borgesius, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op</para>
      <para>30 januari 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. C.M. Wolters	w.g. A.J. Medze</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>