<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AA9846</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T08:46:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9846</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-01-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/707</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9846">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9846</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-11-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AA9846 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 23-01-2001 / AWB 99/707</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9846:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9846:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/707						23 januari 2001</para>
      <para>	20010</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en </para>
      <para>Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 28 juni 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 28 juni 1999 heeft de raad van tucht zijn beslissing uitgesproken op een klacht tegen appellant, die op 28 augustus 1998 is ingediend door de heer C en de heer D (hierna: klagers).</para>
      <para>Bij een op 27 augustus 1999 ingediend beroepschrift heeft appellant tegen deze beslissing beroep bij het College ingesteld. </para>
      <para>Bij brief van 1 september 1999 aan de raadsman van klagers zijn deze van het beroep in kennis gesteld.</para>
      <para>De raad van tucht heeft op 9 september 1999 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.</para>
      <para>Het College heeft de zaak behandeld ter terechtzitting van 31 oktober 2000 waarbij appellant en zijn raadsman mr J.W. van Rijswijk het beroep nader hebben toegelicht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De bestreden tuchtbeslissing</para>
      <para>Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht als volgt de klacht samengevat en hierop beslist:</para>
      <para>"	(i)	betrokkene heeft in zijn hoedanigheid van registeraccountant niet </para>
      <para>zorgvuldig gehandeld door klagers in het kader van zijn rapportage niet </para>
      <para>de gelegenheid tot hoor en wederhoor te bieden;</para>
      <para>(ii)	(.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad:</para>
      <para>	-	verklaart klachtonderdeel (i) gegrond en legt betrokkenen de maatregel van </para>
      <para>waarschuwing op;</para>
      <para>-	verklaart de klacht voor het overige ongegrond."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De grondslag van het geding</para>
      <para>3.1	Bij de verordening Gedrags- en beroepsregels Registeraccountants 1994 (hierna: GBR-</para>
      <para>1994) is onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 5</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De registeraccountant onthoudt zich van al hetgeen schadelijk is voor de eer </para>
      <para>van de stand der registeraccountants. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Artikel 11</para>
      <para>1.	De registeraccountant doet slechts mededelingen omtrent de uitkomst van </para>
      <para>zijn arbeid voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte </para>
      <para>werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2 Het College gaat uit van de feiten en omstandigheden die de raad van tucht in rubriek 3 van </para>
      <para>de bestreden tuchtbeslissing heeft vastgesteld, nu deze niet zijn betwist.</para>
      <para>4.	De middelen van beroep</para>
      <para>Appellant heeft, de middelen van zijn beroep samenvattend, aangevoerd zich niet met de </para>
      <para>tuchtbeslissing te kunnen verenigen omdat:</para>
      <para>"	A.	de Raad miskent dat ik niet meer of minder heb gedaan dan het verzamelen </para>
      <para>van materiaal waaraan mijn opdrachtgever, Haeghe Groep, haar </para>
      <para>besluitvorming kon toetsen. Anders dan in het oordeel van de Raad besloten </para>
      <para>lijkt te liggen, komt aan mijn rapport geen zelfstandige betekenis toe in die </para>
      <para>zin dat ik klagers daarin veroordeel, als ware ik rechter; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>B.	de Raad heeft miskend dat ik erop heb toegezien dat klagers mijn </para>
      <para>bevindingen hebben kunnen becommentari‰ren alvorens ik mijn rapport </para>
      <para>defintief uitbracht; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>C.	de Raad zich op het standpunt heeft gesteld dat werknemers als klagers </para>
      <para>"dienen kennis te kunnen nemen van en te kunnen reageren op enig </para>
      <para>onderzoek voordat de resultaten daarvan aan de opdrachtgever worden </para>
      <para>gezonden, ook al betreft het - in eerste instantie - een concept"; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.	de Raad van mening is dat ik, in weerwil van de mij door de politie </para>
      <para>opgelegde vertrouwelijkheid, klagers had dienen te confronteren met de </para>
      <para>inhoud van de processen-verbaal in kwestie, alvorens daarvan in mijn </para>
      <para>rapportage aan Haeghe Groep gebruik te maken. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling</para>
      <para>5.1.	De hiervoor onder A en C samengevatte middelen van appellant strekken ten betoge dat het </para>
      <para>rapport dat appellant in concept had opgesteld over zijn onderzoek naar gedragingen van </para>
      <para>klagers, geen zelfstandige betekenis toekomt en dat een registeraccountant niet gehouden is </para>
      <para>werknemers gelegenheid te bieden te reageren op de resultaten van een onderzoek naar hun </para>
      <para>gedragingen als het onderhavige. Dienaangaande overweegt het College als volgt.</para>
      <para>Dat met de opdracht tot, en het rapport van, zijn onderzoek is beoogd ondersteuning te </para>
      <para>verlenen bij de voorbereiding van beslissingen die de Haeghe Groep over de </para>
      <para>dienstbetrekking van klagers zou nemen, maakt niet dat aan dit rapport geen zelfstandige </para>
      <para>betekenis toekomt. Immers, de opdracht is aan appellant als registeraccountant verstrekt. </para>
      <para>Gelet ook op de onpartijdigheid en onafhankelijkheid waartoe de registeraccountant is </para>
      <para>gehouden, is dit gegeven een belangrijke factor voor het vertrouwen dat men zal stellen in </para>
      <para>de deugdelijkheid van de beslissingen, met het oog waarop het onderzoek is opgedragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts overweegt het College dat het onderzoek gedragingen van klagers als werknemers </para>
      <para>van de Haeghe Groep betreft, en dat het met name bestaat uit gesprekken van appellant met </para>
      <para>functionarissen van de Haeghe Groep en anderen over deze gedragingen en hun contacten </para>
      <para>met klagers. Appellant wist dat de uit zijn onderzoek te trekken conclusies naar </para>
      <para>verwachting ernstige gevolgen voor de dienstbetrekking van klagers zouden hebben. </para>
      <para>Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de GBR-1994 diende appellant geen mededelingen </para>
      <para>omtrent de uitkomst van zijn onderzoek te doen voorzover zijn werkzaamheden daarvoor </para>
      <para>geen deugdelijke grondslag vormden. De deugdelijkheid van de grondslag wordt naar het </para>
      <para>oordeel van het College mede bepaald door eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid </para>
      <para>die de registeraccountant bij zijn werkzaamheden in acht heeft te nemen. Derhalve en </para>
      <para>gezien de tegenstrijdige belangen van enerzijds zijn opdrachtgever en anderzijds klagers als </para>
      <para>werknemers van de opdrachtgever, diende appellant in de voorbereiding van zijn </para>
      <para>schriftelijke rapportage een strikt evenwichtige benadering te kiezen. </para>
      <para>Hiermee verdraagt zich niet dat appellant zijn schriftelijke rapportage met hieruit getrokken </para>
      <para>conclusies in concept aan de Haeghe Groep heeft voorgelegd zonder eerst zelf aan de </para>
      <para>klagers gelegenheid te bieden op deze conclusies te reageren. Door aldus te werk te gaan, </para>
      <para>heeft appellant in strijd met artikel 11, eerste lid, van de GBR-1994 mededelingen omtrent </para>
      <para>de uitkomst van zijn onderzoek gedaan zonder dat de door hem verrichte werkzaamheden </para>
      <para>daarvoor een deugdelijke grondslag vormen.</para>
      <para>In deze zin verstaat het College de overwegingen van de raad van tucht, dat de accountant </para>
      <para>in een geval als het onderhavige grote zorgvuldigheid in acht dient te nemen en </para>
      <para>werknemers in een positie als klagers op de resultaten van zijn onderzoek behoort te laten </para>
      <para>reageren voordat hij deze (in concept) aan de opdrachtgever zendt. </para>
      <para>De conclusie is dat bedoelde, onder A en C samengevatte middelen geen doel treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2	Dat appellant vervolgens, naar hij heeft aangevoerd in zijn onder B samengevatte middel, </para>
      <para>heeft toegezien dat klagers zijn bevindingen hebben kunnen becommentari‰ren, doet niet af </para>
      <para>aan hetgeen hiervoor en overeenkomstig de bestreden tuchtbeslissing is overwogen, </para>
      <para>namelijk dat appellant eerst zelf aan klagers gelegenheid had behoren te bieden op de </para>
      <para>conclusies uit zijn onderzoek te reageren alvorens zijn schriftelijke rapportage en zijn </para>
      <para>conclusies in concept aan de Haeghe Groep voor te leggen.</para>
      <para>Voor zover appellant met dit middel de overwegingen in de bestreden tuchtbeslissing heeft </para>
      <para>willen weerspreken, dat door de Haeghe Groep aan klagers een te korte periode voor hun </para>
      <para>reactie is gegund, en dat appellant zijn medewerking niet aan deze gang van zaken had </para>
      <para>behoren te geven, althans niet heeft bevorderd dat de Haeghe Groep te betrachten </para>
      <para>zorgvuldigheid in acht nam, overweegt het College als volgt. </para>
      <para>De aangehaalde overwegingen van de raad van tucht kunnen niet strekken tot de conclusie, </para>
      <para>getrokken door de raad en onderschreven door het College, dat het eerste klachtonderdeel </para>
      <para>slaagt nu dit klachtonderdeel zich juist richt tegen het voortijdig informeren van de Haeghe </para>
      <para>Groep door appellant. Dat het horen van klagers door de Haeghe Groep naar het oordeel </para>
      <para>van appellant zorgvuldig is gebeurd, maakt het hiervoor bedoelde verzuim van appellant </para>
      <para>om eerst zelf klagers te horen, immers niet minder of anders. </para>
      <para>Naar het oordeel van het College zijn bedoelde overwegingen derhalve te beschouwen als </para>
      <para>overwegingen ten overvloede. Het College laat om deze reden bedoelde overwegingen, en </para>
      <para>derhalve ook de argumenten van appellant tegen die overwegingen, verder buiten </para>
      <para>beoordeling.</para>
      <para>Ook het onder B samengevatte middel slaagt derhalve niet.</para>
      <para>5.3	Nu de raad van tucht heeft beslist dat de klacht in haar tweede onderdeel ongegrond is, kan </para>
      <para>ook worden voorbijgegaan aan zijn overwegingen in paragraaf 5.3 van de bestreden </para>
      <para>tuchtbeslissing, dat appellant klagers had dienen te confronteren met de inhoud van de </para>
      <para>processen-verbaal alvorens daarvan in zijn rapportage gebruik te maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onder D samengevatte middel kan derhalve evenmin de beslissing van de raad van </para>
      <para>tucht raken, dat het klachtonderdeel (i) gegrond is.</para>
      <para>5.4	Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat het beroep dient te worden verworpen. </para>
      <para>Na te melden beslissing berust op de artikelen 33, 34 en 54 f van de Wet op de </para>
      <para>Registeraccountants, alsmede op artikel 11 van de verordening Gedrags- en beroepsregels </para>
      <para>Registeraccountants 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verwerpt het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr M.J. Kuiper en mr J.A. Hagen, </para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr M.M. Smorenburg, als griffier, en uitgesproken in het </para>
      <para>openbaar op 23 januari 2001</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen						De griffier is niet in de 									gelegenheid deze uitspraak mede 								te ondertekenen</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>