<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AA9827</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T09:23:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9827</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-01-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/802</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=21&amp;g=2001-01-23">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 21</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=22&amp;g=2001-01-23">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 22</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=22&amp;g=2001-01-23">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 22</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=22&amp;g=2001-01-23">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 22</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=86&amp;g=2001-01-23">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 86</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=86&amp;g=2001-01-23">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 86</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=86&amp;g=2001-01-23">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 86</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9827">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9827</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:20:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AA9827 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 23-01-2001 / AWB 99/802</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9827:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9827:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/802						23 januari 2001</para>
      <para>	11200</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A,te B, appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr A.M.L. Josten, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.C.M. Oudshoorn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 7 oktober 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 31 augustus 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen het besluit van 9 maart </para>
      <para>1999, waarbij de aan appellant in verband met de ruiming van zijn bedrijf vanwege </para>
      <para>varkenspest toegekende schadeloosstelling is verlaagd met een bedrag van fl. 3.808,-- en </para>
      <para>dit bedrag van appellant is teruggevorderd, ongegrond verklaard.</para>
      <para>Verweerder heeft op 29 november 1999 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2000. Bij die gelegenheid </para>
      <para>hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Artikel 21 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd), luidt als volgt:</para>
      <para>"	1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester, zo </para>
      <para>nodig na overleg met het hoofd van de voor de provincie waar het geval zich </para>
      <para>heeft voorgedaan, door de stichting genoemd in artikel 82 aangewezen of </para>
      <para>ingestelde gezondheidsdienst voor dieren, zo spoedig mogelijk mede welke </para>
      <para>maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht.</para>
      <para>	2. De burgemeester neemt de nodig geachte maatregelen zo spoedig mogelijk.</para>
      <para>	3. In spoedeisende gevallen  neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze</para>
      <para>	maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het bepaalde bij artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f en g, van de Gwd </para>
      <para>kunnen de in artikel 21 bedoelde maatregelen onder meer zijn:</para>
      <para>"	f. het doden van zieke, verdachte en herstelde dieren;</para>
      <para>g. het onschadelijk maken van gedode of gestorven, zieke en verdachte dieren, </para>
      <para>en van producten en voorwerpen, die besmet zijn of ervan worden verdacht </para>
      <para>gevaar op te leveren voor verspreiding van smetstof."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Ingevolge het bepaalde in artikel 86, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Gwd wordt </para>
      <para>uit 's Rijks kas een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd indien:</para>
      <para>"	a. dieren krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden </para>
      <para>gedood;</para>
      <para>b. producten en voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, </para>
      <para>onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>-	Op 27 mei 1997 is het bedrijf van appellant als verdacht van klassieke varkenspest </para>
      <para>aangemerkt. Na taxatie van de aldaar aanwezige dieren en producten is dit bedrijf op </para>
      <para>31 mei 1997 preventief geruimd. </para>
      <para>- Bij besluit van 24 juni 1997 heeft verweerder aan appellant een tegemoetkoming in </para>
      <para>de schade toegekend van in het totaal fl. 241.602,95.</para>
      <para>- Op 7 juli 1997 heeft verweerder appellant medegedeeld dat de verdenking, dat zijn </para>
      <para>varkens lijden aan klassieke varkenspest, is ge‰indigd.</para>
      <para>- Bij brief van 21 oktober 1998 heeft verweerder appellant het volgende medegedeeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Tijdens de taxatie zijn naast alle aanwezige dieren tevens de overige van </para>
      <para>besmetting verdachte producten en voorwerpen, waaronder 7 ton stro en 160 </para>
      <para>pakken hooi getaxeerd. Uit dossieronderzoek is gebleken dat de 7 ton stro en </para>
      <para>160 pakken hooi nooit door u zijn geleverd. Namelijk toen medewerkers van de </para>
      <para>RVV in week 40 van 1997 de 7 ton stro en 160 pakken hooi kwamen ophalen </para>
      <para>gaf u deze goederen niet mee. U gaf hiervoor als reden op dat u de genoemde </para>
      <para>goederen gebruikte voor uw rundvee. Er is toen besloten om deze goederen niet </para>
      <para>te vernietigen. Daarmee is de grond komen te vervallen om u een </para>
      <para>schadevergoeding in verband met die vernietiging te verstrekken. </para>
      <para>Nu een en ander op uw verzoek heeft plaatsgevonden, ben ik van mening dat </para>
      <para>de reeds verleende schadevergoeding voor het hooi en het stro dient te worden </para>
      <para>teruggevorderd.</para>
      <para>Ik overweeg daarom toekenning van de schadevergoeding van 24 juni 1997 te </para>
      <para>verlagen met de getaxeerde waarde van het stro en het hooi, ten bedrage van </para>
      <para>f. 3.808,- en dit bedrag terug te vorderen. Ik stel u in de gelegenheid om binnen </para>
      <para>veertien dagen na dagtekening schriftelijk uw zienswijze op mijn voornemen </para>
      <para>kenbaar te maken."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- In reactie hierop heeft appellant verweerder bij brief van 19 november 1998 </para>
      <para>medegedeeld dat medewerkers van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees </para>
      <para>(hierna: RVV) niet zijn langs geweest om het hooi en het stro (hierna: de producten) </para>
      <para>op te halen en dat er dan ook geen sprake van is dat hij zou hebben geweigerd de </para>
      <para>goederen mee te geven.</para>
      <para>- Bij besluit van 9 maart 1999 heeft verweerder besloten de toegekende </para>
      <para>schadeloosstelling te verlagen met de getaxeerde waarde van de producten, ten </para>
      <para>bedrage van fl. 3.808,-, en dit bedrag van appellant terug te vorderen. Hieraan ligt ten </para>
      <para>grondslag het gestelde in de brief  van 28 oktober 1998.</para>
      <para>- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 april 1999 een bezwaarschrift </para>
      <para>ingediend. </para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. </para>
      <para>Daartoe is het volgende overwogen:</para>
      <para>"	Bij uw bedrijf zijn op 30 mei 1997 varkens getaxeerd in verband met een </para>
      <para>preventieve ruiming wegens klassieke varkenspest. Tijdens deze taxatie zijn </para>
      <para>tevens 7 ton stro en 160 pakken hooi getaxeerd op een bedrag van f. 3.808,-. </para>
      <para>Dit bedrag is bij besluit van de RVV van 24 juni 1997, samen met het voor het </para>
      <para>vee getaxeerde bedrag, overeenkomstig artikel 86 van de Gezondheids- en </para>
      <para>welzijnswet voor dieren, aan u uitgekeerd.</para>
      <para>De RVV heeft uw bedrijf willen bezoeken om de goederen op te halen en heeft </para>
      <para>u daartoe telefonisch benaderd. Dit geschiedde weliswaar enige tijd na de </para>
      <para>ruiming, maar zulks was gegeven de destijds vigerende omstandigheden en de </para>
      <para>in het kader van de varkenspestepidemie te stellen prioriteiten, niet geheel </para>
      <para>ongebruikelijk. U was dan ook onverkort gehouden de voorwerpen aan de </para>
      <para>RVV over te dragen teneinde deze te laten vernietigen. U was reeds (op </para>
      <para>voorhand) tegemoetgekomen in de schade wegens het (voorgenomen) </para>
      <para>onschadelijk maken van de betreffende goederen. Uit ambtelijk ingewonnen </para>
      <para>informatie is mij gebleken dat u tijdens het telefonisch onderhoud tussen u en </para>
      <para>een medewerker van de RVV de betreffende goederen -om u moverende </para>
      <para>redenen- niet wenste af te geven. Een bezoek aan uw bedrijf om de goederen op </para>
      <para>te halen was om die reden zinloos geworden en heeft inderdaad niet meer </para>
      <para>plaats gevonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vaststaat, gelet op het voorgaande, dat de aan u vergoede producten door de </para>
      <para>RVV niet door of onder toezicht van de RVV zijn vernietigd overeenkomstig </para>
      <para>artikel 22, eerste lid, onderdeel g, van de de Gezondheids- en welzijnswet voor </para>
      <para>dieren. De grondslag voor de vergoeding, genoemd in artikel 86, eerste lid, </para>
      <para>onderdeel b, van deze wet, is daarom komen te vervallen. Enige andere </para>
      <para>grondslag valt niet aan te wijzen.</para>
      <para>Dat de goederen waardeloos geworden waren vanwege ontsmetting met </para>
      <para>natronloog acht ik overigens niet aannemelijk. Bovendien is de </para>
      <para>tegemoetkoming niet verstrekt voor de schade als gevolg van ontsmetting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande brengt met zich dat het bedrag van f. 3.808,- onverschuldigd </para>
      <para>is betaald. Ik acht de jegens u genomen beslissing tot terugvordering van dit </para>
      <para>bedrag derhalve juist."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat het niet overtuigend </para>
      <para>voorkomt dat appellant de producten zelf heeft vernietigd of heeft laten vernietigen, maar </para>
      <para>dat daarentegen in ieder geval vast staat dat deze niet zijn vernietigd krachtens artikel 22, </para>
      <para>eerste lid, onderdeel g, van de Gwd. Verweerder wijst er in dit verband op dat uit het stelsel </para>
      <para>van de Gwd -en de in dat kader bij de overheid neergelegde verantwoordelijkheid voor de </para>
      <para>diergezondheid- voortvloeit dat de vernietiging door of onder toezicht van de RVV </para>
      <para>geschiedt. Volgens verweerder doet de omstandigheid dat de RVV niet onverwijld tot </para>
      <para>(preventieve) vernietiging is overgegaan niet af aan de verplichting van appellant om de </para>
      <para>aan hem vergoede producten beschikbaar te houden voor vernietiging. Dat appellant </para>
      <para>eigener beweging anders heeft gehandeld, dient voor zijn rekening en risico te blijven, </para>
      <para>aldus verweerder.</para>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende </para>
      <para>tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Ten onrechte heeft verweerder aan de verlaging van de toegekende schadeloosstelling en </para>
      <para>de terugvordering ten grondslag gelegd dat appellant heeft geweigerd de producten mee te </para>
      <para>geven aan RVV-medewerkers die hem in week 40 van 1997 hebben bezocht. Appellant </para>
      <para>tekent hierbij aan dat RVV-medewerkers nooit bij hem langs zijn geweest en dat het </para>
      <para>bovendien onwaarschijnlijk is dat zij appellant in week 40 van 1997 hebben bezocht, </para>
      <para>aangezien dit ruim vier maanden na de ruiming was en er op dat moment niets meer te </para>
      <para>vernietigen viel. Appellant wijst er in dit verband op dat hij de producten, die volgens de </para>
      <para>RVV zo snel mogelijk dienden te worden afgevoerd, drie maanden na de ruiming zelf maar </para>
      <para>heeft vernietigd omdat het niet verantwoord was deze verder te gebruiken voor ander vee. </para>
      <para>De producten waren namelijk met natronloog ondergespoten en derhalve waardeloos </para>
      <para>geworden. Hiervoor is volgens appellant terecht een schadeloosstelling toegekend.</para>
      <para>Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat het bepaalde in artikel 22 of artikel 86 van </para>
      <para>de Gwd geen grondslag biedt voor de stelling van verweerder dat alleen een </para>
      <para>schadevergoeding wordt toegekend indien de producten worden vernietigd door of onder </para>
      <para>toezicht van de RVV.</para>
      <para>Ter zitting heeft appellant erop gewezen dat de RVV hem in oktober 1997 telefonisch heeft </para>
      <para>benaderd en dat hij tijdens dit telefonisch onderhoud niet heeft gezegd dat hij, zoals </para>
      <para>verweerder beweert, de producten voor zijn rundvee gebruikte, maar heeft laten weten dat </para>
      <para>hij die zelf al had vernietigd. Wat dit laatste betreft heeft appellant ter zitting uiteengezet </para>
      <para>dat hij de producten, die door het spuiten met natronloog niets meer waard waren en in de </para>
      <para>weg lagen, in juli 1997 naar buiten heeft gereden en eind augustus 1997 op zijn land heeft </para>
      <para>uitgereden en omgeploegd</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>In dit geding ziet het College zich gesteld voor de vraag of verweerder op goede gronden </para>
      <para>de aan appellant in verband met de ruiming van zijn bedrijf toegekende- en uitbetaalde- </para>
      <para>schadeloosstelling heeft verlaagd met het bedrag waarop de op dit bedrijf aanwezige </para>
      <para>producten waren getaxeerd en tot terugvordering van dit bedrag is overgegaan. Het College </para>
      <para>beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.</para>
      <para>Het uitgangspunt van de Gwd is dat een tegemoetkoming in de schade op grond van artikel </para>
      <para>86 van de Gwd alleen wordt toegekend, indien de in dat artikel genoemde, krachtens artikel </para>
      <para>22 van de Gwd genomen maatregelen, waaronder het onschadelijk maken van producten en </para>
      <para>en voorwerpen, worden uitgevoerd door of vanwege de overheid. Dit volgt reeds uit artikel </para>
      <para>21 van de Gwd, waarin is bepaald dat de burgemeester, dan wel een door verweerder </para>
      <para>aangewezen ambtenaar de ter bestrijding van besmettelijke dierziekten noodzakelijke </para>
      <para>maatregelen neemt. </para>
      <para>Gelet op de bewoordingen van artikel 86 van de Gwd geldt in beginsel voorts dat in ieder </para>
      <para>geval door of vanwege de overheid een begin met de uitvoering van de maatregel moet zijn </para>
      <para>gemaakt, wil betrokkene in aanmerking komen voor een tegemoetkoming als hiervoor </para>
      <para>bedoeld. </para>
      <para>Op grond van deze uitgangspunten is het in het onderhavige geval in de eerste plaats van </para>
      <para>belang om vast te stellen of door of vanwege de overheid de onderhavige op het bedrijf van </para>
      <para>appellant aanwezige producten onschadelijk zijn gemaakt dan wel een begin daarmee is </para>
      <para>gemaakt. Hieromtrent overweegt het College als volgt.</para>
      <para>Vast staat dat de stallen van het bedrijf van appellant met het middel natronloog zijn </para>
      <para>ontsmet. Voorts moet als vaststaand - door verweerder niet, althans onvoldoende </para>
      <para>weersproken - worden aangenomen dat daarbij ook de in geding zijnde producten (stro en </para>
      <para>hooi) die in die stallen lagen met dit middel zijn bespoten. Met de enkele vaststelling dat </para>
      <para>bedoelde producten met natronloog zijn bespoten is evenwel nog niet gezegd dat deze </para>
      <para>onschadelijk zijn gemaakt. De ontsmetting van de stallen met natronloog heeft </para>
      <para>plaatsgevonden op een moment dat er nog sprake was van de voorgenomen maatregel ex </para>
      <para>artikel 22, aanhef en onder g, van de Gwd. Gelet hierop, is niet onaannemelijk te achten dat </para>
      <para>bij het ontsmetten van de stallen geen bijzondere voorzorg is genomen om schade aan het </para>
      <para>onderhavige stro en hooi te vermijden. Niet onaannemelijk te achten is derhalve voorts, dat </para>
      <para>appellant ervan is uitgegaan dat er - van overheidswege - een begin was gemaakt met het </para>
      <para>onschadelijk maken van deze producten. Gelet op hetgeen door appellant daarover ter </para>
      <para>zitting is gesteld, moet voorts worden aangenomen dat appellant door de </para>
      <para>natronloogbehandeling schade aan het stro en hooi heeft geleden. Door appellant is gesteld </para>
      <para>en zijdens verweerder is onvoldoende weersproken dat deze producten, in afwachting van </para>
      <para>de verdere maatregelen, feitelijk ongeschikt waren geworden voor normaal gebruik.</para>
      <para>De vraag of appellant, om aanspraak te kunnen maken op een schadeloosstelling op grond </para>
      <para>van artikel 86 van de Gwd, de - reeds vergoede - producten beschikbaar had moeten </para>
      <para>houden totdat deze van overheidswege zouden worden vernietigd kan, anders dan </para>
      <para>verweerder heeft gesteld, niet onder alle omstandigheden zonder meer bevestigend worden </para>
      <para>beantwoord. Verweerder heeft, ook ter zitting, niet voldoende draagkrachtig gemotiveerd </para>
      <para>op grond waarvan hij van oordeel is dat appellant, gelet op de hiervoor gereleveerde </para>
      <para>omstandigheden en gezien het feit dat de verdachtverklaring van zijn bedrijf op 7 juli 1997 </para>
      <para>was be‰indigd, er ook na verloop van tijd niet redelijkerwijs van uit mocht gaan dat, nu </para>
      <para>door verweerder geen nadere actie meer werd ondernomen, het onschadelijk maken van de </para>
      <para>producten was voltooid en dat nadien van overheidswege geen verdere maatregelen meer </para>
      <para>zouden volgen. Voorts is het College van oordeel dat, wat betreft de vraag of verweerder </para>
      <para>bevoegd was de toegekende schadevergoeding te verlagen om reden dat appellant feitelijk </para>
      <para>geen schade heeft geleden, het onder de omstandigheden van dit geval niet aan appellant is </para>
      <para>om aan te tonen dat hij de producten niet voor andere doeleinden heeft gebruikt, doch dat </para>
      <para>verweerder dient aan te tonen dat de producten bruikbaar waren en derhalve (enige) waarde </para>
      <para>hadden gehouden. In de motivering van zijn besluit heeft verweerder hieraan geen </para>
      <para>toereikende overwegingen gewijd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hiervoor overwogene betekent dat het bestreden besluit, waarbij verweerder de </para>
      <para>verlaging van de aan appellant toegekende schadeloosstelling en de daaraan gekoppelde </para>
      <para>terugvordering heeft gehandhaafd, een deugdelijke motivering ontbeert.</para>
      <para>Hieruit volgt dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit </para>
      <para>moet worden vernietigd wegens strijd met het in artikel 7:12 van de Awb neergelegde </para>
      <para>motiveringsvereiste.</para>
      <para>	Het College acht termen aanwezig om, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, </para>
      <para>verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellant, welke op de voet </para>
      <para>van het bepaalde bij het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op ( 1 punt </para>
      <para>voor beroepschrift plus 1 punt voor zitting met een wegingsfactor 1, ad fl. 710,- per punt=) </para>
      <para>fl. 1.420,--.</para>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>-	bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaarschrift van appellant, met </para>
      <para>inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;</para>
      <para>-	veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van appellant, welke worden </para>
      <para>vastgesteld op fl. 1.420,- (zegge: veertienhonderdentwintig gulden) en dienen te </para>
      <para>worden vergoed door de Staat;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>-	verstaat dat aan appellant het door hem gestorte griffierecht ad fl. 225,- (zegge: </para>
      <para>tweehonderdenvijfentwintig gulden) wordt vergoed door de Staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr J.A. Hagen en mr S.K. Welbedacht, </para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar </para>
      <para>op 23 januari 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen	w.g. W.F. Claessens</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>