<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AA9635</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T01:08:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9635</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-01-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/1040</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#herziening">Herziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:88&amp;g=2001-01-23">Algemene wet bestuursrecht 8:88</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002856&amp;artikel=80&amp;g=2001-01-23">Wet op de Accountants-administratieconsulenten 80</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9635">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9635</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:19:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-11-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AA9635 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 23-01-2001 / AWB 98/1040</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9635:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9635:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 98/1040						23 januari 2001</para>
      <para>	25100</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak inzake het verzoek om herziening van:</para>
    <para />
    <para>A, verzoeker.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 5 oktober 1998 heeft het College een verzoekschrift ontvangen, waarbij verzoeker vraagt om herziening van de uitspraak van het College van 12 maart 1998 in de zaak no. AWB 97/1107.</para>
      <para>Bij deze uitspraak heeft het College het beroep ongegrond verklaard, dat verzoeker had </para>
      <para>ingesteld tegen een besluit dat op 30 juli 1997 is genomen het Examenbureau, bedoeld in </para>
      <para>artikel 85 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft het Examenbureau, uitvoering gevend aan de uitspraak van het College </para>
      <para>tussen partijen van 8 juli 1997, geregistreerd onder no. 96/0579/116/246, opnieuw beslist </para>
      <para>op het bezwaar van appellant tegen de hem op 11 maart 1996 medegedeelde uitslag van het </para>
      <para>door hem afgelegde tentamen leer van de accountantscontrole.</para>
      <para>Op 9 november 1998 heeft verzoeker de gronden van zijn verzoek aangevuld.</para>
      <para>Het College heeft bedoeld Examenbureau (hierna: het Examenbureau) in de gelegenheid </para>
      <para>gesteld op het herzieningsverzoek te reageren.</para>
      <para>Op 14 december 1998 heeft het Examenbureau een schriftelijke uiteenzetting over de zaak </para>
      <para>gegeven.</para>
      <para>Op 29 december 1998 heeft verzoeker op deze uiteenzetting schriftelijk gereageerd.</para>
      <para>Op 15 januari, 19 februari en 14 april 1999 heeft het Examenbureau nadere conclusies </para>
      <para>ingediend, waarop verzoeker op 9 april en 6 december 1999 op deze nadere conclusies </para>
      <para>heeft gereageerd.</para>
      <para>Op 26 januari 2000 heeft het Examenbureau schriftelijk verslag gedaan van zijn contact </para>
      <para>met verzoeker, dat het heeft opgenomen na verzoek van het College. </para>
      <para>Op 20 maart 2000 heeft verzoeker op dit verslag gereageerd onder overlegging van nadere </para>
      <para>stukken.</para>
      <para>De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van het </para>
      <para>College van 31 oktober 2000. Bij die gelegenheid hebben verzoeker en het Examenbureau </para>
      <para>hun standpunten nader uiteengezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>2.	Het wettelijk kader</para>
      <para>Ingevolge artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, juncto artikel </para>
      <para>8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan het College op </para>
      <para>verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten </para>
      <para>of omstandigheden die:</para>
      <para>a. hebben plaatsgevonden voor die uitspraak,</para>
      <para>b. bij de indiener van het verzoekschrift v¢¢r de uitspraak niet bekend waren en </para>
      <para>redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en</para>
      <para>c. waren zij bij het College eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben </para>
      <para>kunnen leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De uitspraak waarvan herziening is verzocht</para>
      <para>Bij de litigieuze uitspraak van 12 maart 1998 in de zaak no. AWB 97/1107 heeft het </para>
      <para>College het beroep van verzoeker inzake de hem op 11 maart 1996 medegedeelde uitslag </para>
      <para>van het door hem afgelegde tentamen 'Leer van de accountantscontrole' ongegrond </para>
      <para>verklaard op grond van onder meer de volgende overwegingen:</para>
      <para>"	Het College overweegt (.) dat de bezwaren van appellant zoals zij indertijd </para>
      <para>aan verweerder zijn voorgelegd in het bijzonder betrekking hadden op de </para>
      <para>beantwoording van vraag 3 van de ochtendzitting op 24 januari 1996. </para>
      <para>Verweerder heeft met betrekking tot die vraag de gemiddelde </para>
      <para>puntenwaardering van de eerste en tweede corrector en een weergave van het </para>
      <para>standpunt van de derde corrector omtrent de beantwoording van dit onderdeel </para>
      <para>in zijn besluit opgenomen. Voorts is aangegeven dat en waarom geen </para>
      <para>bonuspunten zijn verstrekt voor het van de standaarduitwerking afwijkende, </para>
      <para>door appellant gegeven antwoord. Aldus heeft verweerder naar het oordeel van </para>
      <para>het College een zodanig inzicht verschaft in de totstandkoming van de </para>
      <para>puntenwaardering dat een gemotiveerde bestrijding daarvan voor appellant </para>
      <para>mogelijk was.</para>
      <para>		Het College is voorts niet van oordeel dat de procedure die door </para>
      <para>verweerder is gevolgd in het kader van de herbeoordeling van het bezwaar, </para>
      <para>welke heroverweging geleid heeft tot het thans bestreden besluit, in afwijking </para>
      <para>van hetgeen daaromtrent is voorgeschreven in de Awb dan wel anderszins op </para>
      <para>onzorgvuldige wijze zou hebben plaatsgevonden. Dat in andere gevallen wel </para>
      <para>op een eerdere tentamenuitslag is teruggekomen maakt dit niet anders.</para>
      <para>		Uit hetgeen omtrent de door appellant aangehaalde gevallen is </para>
      <para>meegedeeld is het College overigens niet gebleken dat verweerder bij de </para>
      <para>herbeoordeling van tentamenuitslagen er een praktijk op nahoudt waarin naar </para>
      <para>willekeur wel of niet ten gunste van de betrokkene op de uitslag wordt </para>
      <para>teruggekomen. Reeds daarom - nog daargelaten de vraag of aan zodanige </para>
      <para>praktijk gevolgen voor de beoordeling van het beroep van appellant zouden </para>
      <para>moeten worden verbonden - treft appellants desbetreffende grief geen doel.</para>
      <para>		De omstandigheid tenslotte dat de door appellant geraadpleegde </para>
      <para>deskundigen tot een ander oordeel omtrent de juistheid van het door appellant </para>
      <para>op de derde vraag van de ochtendzitting van 24 januari 1996 gegeven antwoord </para>
      <para>zijn gekomen dan de correctoren die met de beoordeling van het tentamen </para>
      <para>waren belast, kan niet leiden tot het oordeel dat verweerder de door die </para>
      <para>correctoren gegeven waardering deswege niet in stand had mogen laten. </para>
      <para>Mitsdien faalt ook deze grief. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het verzoek om herziening</para>
      <para>Bij zijn verzoekschrift heeft verzoeker onder meer het volgende aangevoerd:</para>
      <para>"	In januari 1996 heb ik examen gedaan voor het onderdeel Leer van de </para>
      <para>Accountantscontrole. Dit examen bestond uit drie onderdelen. Voor ieder van </para>
      <para>deze onderdelen waren 100 punten te verdienen. Het eindcijfer was het gewone </para>
      <para>gemiddelde. Voldoende was 55 punten en hoger, onvoldoende 54 punten en </para>
      <para>lager.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mijn score was 163 punten, rekenkundig afgerond op 54,33 punten, nader </para>
      <para>afgerond op 54 punten, en derhalve net onvoldoende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het correctiewerk geschiedde in eerste aanleg door twee los van elkaar </para>
      <para>opererende correctoren. Het gewone gemiddelde aantal punten van deze beide </para>
      <para>correctoren was het eindcijfer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na bezwaar werd het werk herbeoordeeld door een derde corrector, die in mijn </para>
      <para>geval ook tot een onvoldoende kwam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de behandelingen voor uw College bent u tenminste drie maal misleid. De </para>
      <para>ergste vorm van misleiding betrof de zitting van 29 januari 1998, waarin de </para>
      <para>secretaris van het examenbureau (verweerder) mededeelde, dat "de gehele </para>
      <para>vakcommissie mijn werk opnieuw integraal had beoordeeld, en onvoldoende </para>
      <para>had bevonden". Blijkens het reeds aan u toegezonden schrijven van de </para>
      <para>voorzitter van deze vakcommissie is dit niet het geval geweest. Ik verwijs </para>
      <para>hiervoor naar mijn schrijven van 7 september jl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens de zitting van 13 mei 1997 heeft de secretaris van het examenbureau </para>
      <para>toegegeven, dat de beide eerste correctoren met elkaar hadden moeten </para>
      <para>overleggen, wanneer de ‚‚n op een voldoende eindcijfer uitkwam en de ander </para>
      <para>op een onvoldoende. Maar zo zei hij letterlijk: "Dat was hier niet aan de orde". </para>
      <para>Op 29 januari 1998 gaf hij echter toe, dat wel degelijk de ene corrector op een </para>
      <para>voldoende was uitgekomen en de ander op een onvoldoende. Een tweede maal </para>
      <para>misleiding derhalve. Overigens zou overleg tussen de beide correctoren met </para>
      <para>grote mate van zekerheid tot een voldoende eindcijfer hebben geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Direct hieropvolgend (ook weer op 29 januari) stelde hij dat de correctoren </para>
      <para>destijds helemaal niet hoefden te overleggen, immers het ging om de drie </para>
      <para>onderdelen apart, en per onderdeel waren de correctoren wel eensgezind. Dit is </para>
      <para>buitengewoon onlogisch en volgens mij bekende correctoren zeker niet waar. </para>
      <para>Dit is een derde keer misleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder kwam verweerder tijdens de zitting van 29 januari 1998 ineens met de </para>
      <para>mededeling dat 164 gescoorde punten ook onvoldoende zouden zijn. Ook dit </para>
      <para>was tijdens de zitting niet verifieerbaar. Later hebben correctoren mij </para>
      <para>verzekerd, dat normaal rekenkundig afgerond werd, derhalve 164 punten werd </para>
      <para>eerst afgerond op 54,67 punten, hetgeen ander afgerond werd op 55 punten. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	Het standpunt van het Examenbureau</para>
      <para>Het Examenbureau heeft betoogd dat de door verzoekers aangedragen feiten geen feiten </para>
      <para>zijn als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. </para>
      <para>De gang van zaken tijdens het tentamen heeft het Examenbureau in zijn hiervoor vermelde </para>
      <para>contact met verzoeker als volgt samengevat:</para>
      <para>"	De door u afgelegde tentamens op 24 januari 1996 (ochtendzitting en </para>
      <para>middagzitting) en 25 januari 1996 (ochtendzitting) zijn door verschillende </para>
      <para>correctoren beoordeeld. Per zitting heeft een tweetal correctoren onafhankelijk </para>
      <para>van elkaar uw uitwerkingen beoordeeld. De van toepassing zijnde reglementen </para>
      <para>voorzagen in een middeling van deze onafhankelijk van elkaar bepaalde scores, </para>
      <para>welke de uitslag van de uitwerking bepaalde. De middeling van de drie </para>
      <para>afzonderlijk vastgestelde uitslagen levert het eindoordeel op voor het vak Leer </para>
      <para>van de Accountantscontrole. De gemiddelden per zitting zijn aan u per </para>
      <para>beslissing van 30 juli 1997 bekend gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De afzonderlijke scores voor de ochtendzitting van 24 januari 1996  bedragen </para>
      <para>67 en 61. Gemiddeld is dit 64 punten. De middagzitting van 24 januari 1996 </para>
      <para>levert een puntenwaardering van 44 en 54 punten op. Gemiddeld is dit 49 </para>
      <para>punten. De ochtendzitting van 25 januari 1996 geeft een score van 50 en 50 </para>
      <para>punten. De middeling van de drie uitwerkingen geeft aan dat het eindoordeel </para>
      <para>onvoldoende is. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beoordeling van het verzoek</para>
      <para>6.1	Verzoeker heeft ten eerste aangevoerd dat het Examenbureau een onjuiste mededeling </para>
      <para>heeft gedaan, namelijk dat de vakcommissie het tentamenwerk opnieuw integraal </para>
      <para>beoordeeld en onvoldoende bevonden had. Dienaangaande overweegt het College als </para>
      <para>volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens rubriek 3 van de uitspraak waarvan verzoeker herziening vraagt, heeft het </para>
      <para>Examenbureau in die procedure "vermeld dat de herbeoordeling van het tentamen later nog </para>
      <para>is voorgelegd aan de vakcommissie en dat deze de eerdergenomen beslissing heeft </para>
      <para>onderschreven". Op 4 november 1997 is dit tentamenwerk hiertoe door de vakcommissie </para>
      <para>behandeld, naar is bevestigd in een thans overgelegde verklaring van haar voorzitter. </para>
      <para>Hieruit volgt dat de behandeling door de vakcommissie heeft plaats gehad nadat het </para>
      <para>Examenbureau een beslissing had genomen op verzoekers bezwaar, en dat deze </para>
      <para>behandeling niet van betekenis kan zijn bij een beoordeling van die beslissing. </para>
      <para>In zijn overwegingen in de uitspraak waarvan verzoeker herziening vraagt, heeft het </para>
      <para>College een eventuele herbeoordeling door de vakcommissie buiten beschouwing gelaten. </para>
      <para>De vraag of de vakcommissie het examenwerk opnieuw integraal heeft beoordeeld en </para>
      <para>onvoldoende bevonden, behoeft geen beantwoording nu ook een ontkennend antwoord </para>
      <para>daarop derhalve geen omstandigheid vormt die, ware zij eerder bij het College bekend </para>
      <para>geweest, tot een andere uitspraak op het beroep zou hebben kunnen leiden. </para>
      <para>6.2	Verzoeker heeft voorts betoogd dat ‚‚n van de beide correctoren tot een voldoende voor de </para>
      <para>drie onderdelen van het tentamen tezamen was gekomen, en dat derhalve beide (eerste) </para>
      <para>correctoren met elkaar hadden moeten overleggen. Het College volgt verzoeker niet in dit </para>
      <para>betoog en overweegt hiertoe als volgt.</para>
      <para>Het Examenbureau heeft ten verweer in de zaak no. AWB 97/1107 onder meer uiteengezet </para>
      <para>dat de resultaten van elke aan een tentamenonderdeel gewijde zitting afzonderlijk door </para>
      <para>twee correctoren (hierna: de eerste correctoren) werd beoordeeld en dat vervolgens per </para>
      <para>zitting de score werd berekend door de scores van beide correctoren te middelen. De beide </para>
      <para>correctoren traden in overleg met elkaar en zonodig werd een derde corrector ingeschakeld, </para>
      <para>indien de uitwerking van een tentamenonderdeel door de ene met een voldoende en door de </para>
      <para>andere met een onvoldoende werd beoordeeld. De procedure van onderling overleg tussen </para>
      <para>beide correctoren werd niet toegepast op het resultaat van het tentamen als geheel. Deze </para>
      <para>praktijk was tussen partijen in die zaak niet in geschil, en heeft geen onderwerp uitgemaakt </para>
      <para>van de beoordeling door het College in die zaak.</para>
      <para>Uit hetgeen thans is gebleken over de gang van zaken tijdens het tentamen, hiervoor in </para>
      <para>rubriek 4 aangehaald en door verzoeker niet betwist, blijkt dat het oordeel van de twee </para>
      <para>eerste correctoren over de resultaten van elk der afzonderlijke tentamenonderdelen </para>
      <para>eensluidend is geweest. </para>
      <para>De omstandigheid dat de eerste correctoren niet met elkaar in overleg zijn getreden over de </para>
      <para>resultaten van het door verzoeker afgelegde tentamen, hoewel zij over het resultaat van de </para>
      <para>drie tentamenonderdelen tezamen genomen wel van oordeel verschilden, vormt derhalve </para>
      <para>evenmin een omstandigheid die, ware zij eerder bij het College bekend geweest, tot een </para>
      <para>andere uitspraak op het beroep zou hebben kunnen leiden. </para>
      <para>6.3	Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat geen sprake is van feiten of </para>
      <para>omstandigheden in de zin van art. 8:88, lid 1, onder c, Awb en dat derhalve niet is voldaan </para>
      <para>aan de voorwaarden voor herziening, neergelegd in dit artikel 8:88 Awb. </para>
      <para>Het verzoek om herziening is dan ook ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>7.	De beslissing</para>
    <para />
    <para>Het College verklaart het verzoek om herziening ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr M.J. Kuiper en mr J.A. Hagen, </para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr M.M. Smorenburg, als griffier, en uitgesproken in het </para>
      <para>openbaar op 23 januari 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. B. Verwayen		De griffier is niet in de</para>
      <para>		gelegenheid deze uitspraak mede 	te ondertekenen</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>