<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AA9526</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T15:23:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9526</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/1027</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9526">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9526</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:19:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AA9526 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 16-02-2001 / AWB 99/1027</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9526:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AA9526:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 99/1027						16 januari 2001</para>
      <para>	20020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, appellant van een beslissing van de raad van tucht </para>
      <para>voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 11 oktober 1999,gemachtigde: mr A.F.J.A. Leijten, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij brief, verzonden op 15 oktober 1999, heeft de raad van tucht appellant afschrift toe-</para>
      <para>gezonden van zijn op 11 oktober 1999 genomen beslissing op een klacht, op 29 juli 1998 </para>
      <para>ingediend tegen appellant door Vertimart Holding B.V. (hierna: klaagster).</para>
      <para>Bij een op 15 december 1999 bij het College binnengekomen beroepschrift heeft appellant </para>
      <para>tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld. </para>
      <para>De raad van tucht heeft bij brief van 26 januari 2000 de op de zaak betrekking hebbende </para>
      <para>stukken doen toekomen aan de griffier van het College.</para>
      <para>Bij brief van 10 maart 2000 heeft klaagster gereageerd op de in het beroepschrift van </para>
      <para>appellant aangevoerde grieven.</para>
      <para>Het College heeft de zaak behandeld ter terechtzitting van 19 december 2000.</para>
      <para>Appellant en klaagster hebben hun standpunt doen toelichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De vaststaande feiten</para>
      <para>Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van </para>
      <para>de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.</para>
      <para>3.	De bestreden tuchtbeslissing</para>
      <para>Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt </para>
      <para>beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht gegrond verklaard en aan appellant de </para>
      <para>maatregel van schriftelijke berisping opgelegd.</para>
      <para>4.	De middelen van beroep</para>
      <para>Appellant heeft - samengevat - tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen </para>
      <para>voorgedragen.</para>
      <para>4.1	De raad van tucht heeft te eenzijdig de nadruk gelegd op de titel die aan de rapportage is </para>
      <para>gegeven. De inhoud en formulering van het rapport hebben niet de strekking om </para>
      <para>onttrekkingen te constateren of te suggereren, laat staan om daar een oordeel over te geven.</para>
      <para>4.2	De raad van tucht heeft ten onrechte geoordeeld dat de aangehaalde passages uit het rapport </para>
      <para>de indruk geven dat het om een eigen deskundig oordeel van appellant gaat.</para>
      <para>4.3	De raad van tucht heeft ten onrechte geoordeeld dat appellant in de 'Overige bemerkingen' </para>
      <para>in het rapport als door de raad van tucht aangehaald, suggestieve opmerkingen heeft </para>
      <para>gemaakt.</para>
      <para>4.4	De raad van tucht is ten onrechte op basis van het niet geraadpleegd hebben van klaagster </para>
      <para>tot het oordeel gekomen dat het rapport een deugdelijke grondslag mist.</para>
      <para>4.5	De raad van tucht heeft ten onrechte geoordeeld dat appellant onjuist heeft gehandeld door </para>
      <para>geen maatregelen te nemen om het risico van verspreiding van zijn rapport te beperken of </para>
      <para>te verhinderen.</para>
      <para>4.6	De raad van tucht is ten onrechte tot de conclusie gekomen dat appellant niet de vereiste </para>
      <para>bereidheid heeft getoond om na het uitbrengen van het rapport onduidelijkheden en </para>
      <para>misverstanden uit de weg te ruimen.</para>
      <para>Op grond hiervan heeft appellant het College verzocht de bestreden beslissing te </para>
      <para>vernietigen dan wel de opgelegde maatregel te heroverwegen en te mitigeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling</para>
      <para>5.1	De eerste twee middelen kunnen gezamenlijk worden besproken. Ingevolge artikel 11, </para>
      <para>eerste lid, van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (GBR-1994) doet de </para>
      <para>registeraccountant slechts mededelingen omtrent de uitkomst van zijn arbeid voorzover </para>
      <para>zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke </para>
      <para>grondslag vormen. Tevens dient hij ervoor zorg te dragen dat zijn mededelingen een </para>
      <para>duidelijk beeld geven van de uitkomsten van zijn arbeid.</para>
      <para>Het College is met de raad van tucht van oordeel dat de rapportage van appellant een </para>
      <para>onduidelijk beeld geeft omtrent de uitkomsten van zijn arbeid en deels een deugdelijke </para>
      <para>grondslag ontbeert. Uit het rapport blijkt allereerst onvoldoende welke uitgangspunten </para>
      <para>reeds door de opdrachtgever waren meegegeven en van welke (verdere) uitgangspunten </para>
      <para>appellant vervolgens zelf is uitgegaan. Niet duidelijk blijkt of ook appellant het re‰el vond </para>
      <para>om het gezamenlijke aandeelhouderschap te reconstrueren vanaf 1 januari 1991 en </para>
      <para>evenmin of en waarom ook appellant de omstandigheid dat zijn opdrachtgever in die </para>
      <para>periode al werkzaamheden voor de vennootschap verrichtte daartoe voldoende achtte. Ook </para>
      <para>onduidelijk is op welke gronden appellant tot het oordeel is gekomen om als re‰le </para>
      <para>uitgangspositie te kiezen dat een lening die aan de vennootschap was verstrekt zou zijn </para>
      <para>kwijtgescholden of omgezet in aandelenkapitaal. Dit uitgangspunt lijkt moeilijk door de </para>
      <para>opdrachtgever te kunnen zijn voorgeschreven, het volgt ook niet zonder meer uit het </para>
      <para>eerdere uitgangspunt en de formulering 'mijns inziens' duidt op een eigen oordeel van </para>
      <para>appellant. Op zijn minst had appellant daarom in het rapport moeten onderbouwen waarom </para>
      <para>dit uitgangspunt re‰el was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eenzelfde onduidelijkheid doet zich bij de door de raad van tucht geciteerde 'Overige </para>
      <para>bemerkingen' voor. Het rapport cre‰ert al met al het beeld dat de door Vertimart Holding </para>
      <para>B.V. aan Vertimart Consultants B.V. verstrekte lening geen correcte grondslag heeft en dat </para>
      <para>daardoor niet goed verantwoorde onttrekkingen uit de vennootschap hebben </para>
      <para>plaatsgevonden. Voor dat beeld wordt geen deugdelijke onderbouwing gegeven. Het beeld </para>
      <para>wordt nog versterkt door de titel van het rapport: 'Onttrekkingen 1991/1996 Vertimart </para>
      <para>Consultants B.V.'</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze middelen treffen derhalve geen doel.</para>
      <para>5.2	Het derde en vierde middel kunnen eveneens gezamenlijk worden besproken. Zoals </para>
      <para>hiervoor reeds werd overwogen cre‰ert het rapport al met al het hiervoor geschetste beeld </para>
      <para>en wordt voor dat beeld geen deugdelijke onderbouwing gegeven. Anders dan appellant </para>
      <para>meent, wordt daarmee wel degelijk de suggestie gewekt dat de heer B ten </para>
      <para>nadele van de heren C onjuist heeft gehandeld door gelden aan de </para>
      <para>vennootschap te onttrekken zonder dat daarvoor een re‰le grondslag aanwezig was. Deze </para>
      <para>suggestie wordt in het rapport niet onderbouwd en evenmin blijkt op welke bevindingen de </para>
      <para>suggestie is gebaseerd.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College had appellant zich ofwel van een dergelijke suggestie </para>
      <para>dienen te onthouden door in neutrale bewoordingen aan te geven dat hij in het beperkte </para>
      <para>kader van zijn opdracht geen grondslag voor de geconstateerde geldstromen had kunnen </para>
      <para>vinden, waarbij hij nader onderzoek had aanbevolen, dan wel had hij zelf dat nader </para>
      <para>onderzoek dienen te verrichten, waarbij hij dan de heer B om een reactie had </para>
      <para>kunnen vragen. De raad van tucht heeft derhalve terecht geoordeeld dat binnen de gegeven </para>
      <para>verhoudingen het doen van suggestieve mededelingen terwijl de klaagster niet in de </para>
      <para>gelegenheid was gesteld om daarop te reageren onjuist was.</para>
      <para>Ook deze middelen treffen derhalve geen doel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.3	Het vijfde middel mist feitelijke grondslag. Uit de bestreden beslissing kan niet worden </para>
      <para>opgemaakt dat de raad van tucht heeft geoordeeld appellant maatregelen had moeten </para>
      <para>nemen om verspreiding van zijn rapport tegen te gaan. De raad van tucht heeft </para>
      <para>klaarblijkelijk en terecht tot uitdrukking willen brengen dat het ontbreken van duidelijkheid </para>
      <para>omtrent de opdracht in het rapport in combinatie met reeds bestaande gespannen </para>
      <para>verhoudingen binnen de vennootschap in dit geval het risico in zich droeg dat het rapport </para>
      <para>door de ene tegen de andere partij zou worden gebruikt. Appellant had zich van dit risico </para>
      <para>bewust moeten zijn en had derhalve des te zorgvuldiger moeten zijn met het verschaffen </para>
      <para>van duidelijkheid omtrent de opdracht dan wel zelf maatregelen moeten nemen om te </para>
      <para>voorkomen dat het rapport verkeerd zou worden gebruikt.</para>
      <para>Appellant heeft nog wel betwist dat hij, gelet op hetgeen hij ten tijde van het uitbrengen </para>
      <para>van zijn rapport van de vennootschap en de aandeelhouders wist, in dit geval had moeten </para>
      <para>begrijpen dat het bedoelde risico bestond, maar het College is van oordeel dat zowel uit de </para>
      <para>opdracht als uit het rapport kan worden opgemaakt dat spanningen en verdachtmakingen </para>
      <para>tussen de aandeelhouders bestonden. Het College volstaat er in dit verband mee te wijzen </para>
      <para>op bladzijde 6 van het rapport waarin wordt vermeld dat bij Vertimart Holding B.V. wel </para>
      <para>degelijk bekend was dat de vordering op Vertimart Consultants B.V. oninbaar zou zijn. De </para>
      <para>woorden 'wel degelijk' geven duidelijk aan dat wordt aangesloten bij een discussie tussen </para>
      <para>de aandeel-houders. Ook blijkt daaruit dat het rapport bedoelt ondersteuning te bieden aan </para>
      <para>een van de partijen in deze discussie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Ook deze grief kan derhalve niet slagen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.4	Ter ondersteuning van zijn zesde grief heeft appellant gewezen op zijn brief aan klaagster </para>
      <para>van 5 november 1997, waarin hij onder meer het volgende heeft geschreven:</para>
      <para>"	Graag zou ik alsnog een poging willen ondernemen u te volgen in uw kritiek </para>
      <para>op mijn brief d.d. 4 april 1997.</para>
      <para>Ik beschik evenwel niet over de stukken, die een nadere onderbouwing geven </para>
      <para>van de prijs van de aandelenpakketten Vertimart Consultants B.V., die op 29 </para>
      <para>december 1994 aan Oudkerk Beheer B.V. en 't Rijpje N.V. zijn overgedragen.</para>
      <para>U verwijst naar een stelsel van afspraken, welke ultimo 1994 in "glasheldere </para>
      <para>overeenkomsten" zijn vastgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik beschik slechts over de "management en adviseursregeling" welke is </para>
      <para>opgenomen in de notulen van de aandeelhoudersvergadering d.d. 29 december </para>
      <para>1994. Deze regeling leidt niet tot de conclusie, dat ik zaken onjuist zou hebben </para>
      <para>ge‹nterpreteerd.</para>
      <para>Wel kan ik mij voorstellen, dat er uwerzijds (als aandeelhouder van Vertimart </para>
      <para>Holding B.V.) immateri‰le activa zijn overgedragen, die niet zichtbaar </para>
      <para>gewaardeerd konden worden in de balans per 1 januari 1994.</para>
      <para>Indien u mij daar nader over kunt informeren, dan wordt de startpositie voor </para>
      <para>elk der partijen waarschijnlijk veel inzichtelijker.</para>
      <para>Dan blijft slechts de discussie over in hoeverre de activiteiten van de heren C in de jaren 1991 tot en met 1993 zijn meegewogen in de </para>
      <para>vastgestelde goodwill op aandelen Vertimart Consultants B.V.</para>
      <para>Mij is evenwel onvoldoende bekend om in die discussie te treden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Mag ik van u vernemen?"</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens appellant blijkt uit deze brief dat hij zich uitdrukkelijk en onmiddellijk bereid </para>
      <para>heeft getoond overleg te voeren over de inhoud van zijn rapport, c.q. zijn brief uit te </para>
      <para>breiden of aan te passen, indien nieuwe informatie daartoe aanleiding zou geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College is hieromtrent van oordeel dat appellant zich in de gegeven omstandigheden </para>
      <para>(een rapport dat een onduidelijk beeld geeft omtrent de uitkomsten van appellants arbeid en </para>
      <para>deels een deugdelijke grondslag ontbeert, dat door de opdrachtgever in een gerechtelijke </para>
      <para>procedure is gebruikt en dat bij derden onduidelijkheden en/of misverstanden oproept) te </para>
      <para>afwachtend heeft opgesteld. In de gegeven omstandigheden had appellant zich actiever </para>
      <para>moeten opstellen door, zonder nadere voorwaarden te stellen, zo spoedig mogelijk een </para>
      <para>gesprek met de klaagster aan te gaan om zijn rapport te verduidelijken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Ook dit middel wordt derhalve verworpen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.5	Het College acht de door de raad van tucht opgelegde maatregel in overeenstemming met </para>
      <para>de aard en de ernst van de verweten gedraging.</para>
      <para>De bestreden beslissing moet derhalve in stand blijven en het beroep moet worden </para>
      <para>verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing berust op de artikelen 52, 53 en 54a tot en met 54f van de Wet op de </para>
      <para>Registeraccountants en artikel 11 GBR-1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>7.	</para>
      <para>Het College verwerpt het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen						w.g. M.S. Hoppener</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>