<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2000:AA9280</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T02:51:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9280</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/476</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:2&amp;g=2000-12-19">Algemene wet bestuursrecht 1:2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3&amp;g=2000-12-19">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:1&amp;g=2000-12-19">Algemene wet bestuursrecht 7:1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007708&amp;artikel=10&amp;g=2000-12-19">Besluit toezicht effectenverkeer 1995 10</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007708&amp;artikel=21&amp;g=2000-12-19">Besluit toezicht effectenverkeer 1995 21</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007708&amp;artikel=22&amp;g=2000-12-19">Besluit toezicht effectenverkeer 1995 22</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007708&amp;artikel=22&amp;g=2000-12-19">Besluit toezicht effectenverkeer 1995 22</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007708&amp;artikel=22&amp;g=2000-12-19">Besluit toezicht effectenverkeer 1995 22</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002063&amp;artikel=49&amp;g=2000-12-19">Wet op de economische delicten 49</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007657&amp;artikel=7&amp;g=2000-12-19">Wet toezicht effectenverkeer 1995 7</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007657&amp;artikel=11&amp;g=2000-12-19">Wet toezicht effectenverkeer 1995 11</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007657&amp;artikel=19&amp;g=2000-12-19">Wet toezicht effectenverkeer 1995 19</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AA9280">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AA9280</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:17:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2000:AA9280 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 19-12-2000 / AWB 00/476</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2000:AA9280:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2000:AA9280:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>IV	</para>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/476						19 december 2000</para>
      <para>	21500</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, appellante,</para>
      <para>Gemachtigde: mr N.A.M. Geraedts, advocaat te Amsterdam,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Stichting Toezicht Effectenverkeer, verweerster,</para>
      <para>gemachtigden: mr drs M.J. Bloot en mr drs P.A.W. Mulder, beiden werkzaam bij verweerster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De procedure</para>
      <para>Op 6 juni 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit </para>
      <para>van verweerster van 26 april 2000.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante tegen de beslissing van verweerster van 26 augustus 1999, waarbij </para>
      <para>het voornemen van appellante om C als bestuurder te benoemen is afgewezen, niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para>Op 7 juli 2000 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.</para>
      <para>Verweerster heeft op 4 september 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1 De artikelen 1:3 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luiden, voorzover hier van belang:</para>
      <para>"	Artikel 1:3:</para>
      <para>1. Onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een </para>
      <para>publiekrechtelijke rechtshandeling. (.)</para>
      <para>Artikel 7:1:</para>
      <para>1. Degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, dient </para>
      <para>alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken (.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: de Wte 1995) is het verboden zonder </para>
      <para>vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten. In </para>
      <para>het vierde lid, aanhef en onder a, van dit artikel is bepaald dat de minister van Financi‰n op verzoek een vergunning als </para>
      <para>bedoeld in het eerste lid verleent, indien de aanvrager aantoont dat wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van </para>
      <para>bestuur te stellen regels ten aanzien van deskundigheid en betrouwbaarheid.</para>
      <para>	Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wte 1995 dient een effecteninstelling waaraan een vergunning is </para>
      <para>verleend als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995 zich te houden aan bij of krachtens algemene maatregel van </para>
      <para>bestuur te stellen regels ten aanzien van deskundigheid en betrouwbaarheid.</para>
      <para>	Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wte 1995 kan de minister van Financi‰n een vergunning als bedoeld </para>
      <para>in artikel 7, eerste lid, van deze wet intrekken, indien de houder niet meer voldoet aan bij of krachtens de Wte 1995 gestelde </para>
      <para>regels of beperkingen of gegeven voorschriften.</para>
      <para>	Artikel 10 van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Bte 1995), welk artikel is opgenomen onder Hoofdstuk IV </para>
      <para>"Bepalingen ter uitvoering van artikel 7, vierde lid, van de wet", luidt als volgt:</para>
      <para>"	1. Een ieder die een effecteninstelling krachtens wet, statuten of reglementen vertegenwoordigt dan wel het </para>
      <para>dagelijks beleid van een effecteninstelling bepaalt, dient naar het oordeel van de toezichthoudende autoriteit </para>
      <para>voldoende deskundig te zijn in verband met de bedrijfsvoering van de effecteninstelling.</para>
      <para>2. De betrouwbaarheid van de in het eerste lid bedoelde personen, de personen die het dagelijks beleid van de </para>
      <para>effecteninstelling mede bepalen en de personen die rechtstreeks of middellijk bevoegd zijn de in het eerste lid </para>
      <para>bedoelde personen te benoemen of te ontslaan, dient naar het oordeel van de toezichthoudende autoriteit buiten </para>
      <para>twijfel te staan."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 21 van het Bte 1995, welk artikel is opgenomen in Hoofdstuk V "Bepalingen ter uitvoering van artikel 11, eerste lid, </para>
      <para>van de wet", bepaalt dat de artikelen 22 tot en met 32 van toepassing zijn op effecteninstellingen waaraan een vergunning als </para>
      <para>bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet is verleend.</para>
      <para>	Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bte 1995 meldt een effecteninstelling aan de toezichthoudende </para>
      <para>autoriteit iedere voorgenomen wijziging in het aantal en de identiteit van de personen, bedoeld in artikel 10.</para>
      <para>Het vierde lid van dit artikel luidt als volgt:</para>
      <para>"	Een wijziging als bedoeld in het eerste lid wordt niet doorgevoerd indien de toezichthoudende autoriteit het </para>
      <para>voornemen daartoe afwijst binnen zes weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het eerste lid, of, indien de </para>
      <para>toezichthoudende autoriteit overeenkmstig het tweede lid om nadere gegevens en bescheiden heeft verzocht, na de </para>
      <para>ontvangst van die informatie."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Ingevolge artikel 49 van de Wte 1995 zijn overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 11, eerste lid, van </para>
      <para>deze wet economische delicten, bedoeld in artikel 1, 2ø, van de Wet op de economische delicten (WED).</para>
      <para>2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College </para>
      <para>komen vast te staan.</para>
      <para>- Op 2 juni 1999 heeft appellante aan verweerster gemeld voornemens te zijn C als bestuurder te benoemen.</para>
      <para>- Omtrent deze melding heeft verweerster appellante bij brief van 26 augustus 1999 </para>
      <para>- voorzover hier van belang - het volgende medegedeeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>"	III Conclusie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het bovenstaande is de STE tot het oordeel gekomen dat de betrouw-baarheid van C niet buiten twijfel </para>
      <para>staat. De STE concludeert dat C niet voldoet aan de eisen als gesteld in artikel 10, tweede lid, Bte 1995. Dit leidt </para>
      <para>ertoe dat de STE de bestuurdersaanvraag van FESDT om C als bestuurder te laten aantreden afwijst. De overige </para>
      <para>eisen waaraan de kandidaat-bestuurder dient te voldoen, zijn gelet op het bovenstaande niet meer beoordeeld."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Hiertegen hebben zowel appellante als C bij brief van 17 september 1999 een bezwaarschrift ingediend. Het </para>
      <para>bezwaarschrift van appellante is aangevuld bij brief van 16 november 1999.</para>
      <para>- Bij besluit van 29 november 1999 heeft verweerster het bezwaar van C niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit </para>
      <para>heeft C bij het College beroep ingesteld, geregistreerd onder nr. AWB 00/10.</para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerster het door appellante bestreden besluit genomen.</para>
      <para>- In het door C ingestelde beroep heeft het College op 19 december 2000 uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerster geoordeeld dat de brief van 26 augustus 1999 niet als een besluit in de zin van </para>
      <para>artikel 1:3 van de Awb is aan te merken. Daartoe is onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"	De STE is van oordeel dat de afwijzing als bedoeld in artikel 22, vierde lid Bte 1995, geen (publiekrechtelijk) </para>
      <para>rechtsgevolg toekomt. De reikwijdte van de vergunning op grond van artikel 7 Wte 1995 verandert door een </para>
      <para>dergelijke beslissing immers niet. Uit de nota van toelichting bij artikel 22 Bte (Stb. 1995, 623, p. 47) blijkt ook dat </para>
      <para>het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de reikwijdte van de vergunning te wijzigen; de melding dient </para>
      <para>ertoe te bewerkstelligen dat de effecteninstelling blijft voldoen aan de eisen waaraan zijn\ ook al moest voldoen en </para>
      <para>voldeed ten tijde van de verlening van de vergunning. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een rechtsgevolg treedt pas op indien de STE oordeelt dat de vergunning-houder niet meer aan de eisen voldoet en </para>
      <para>daaraan vervolgens consequenties verbindt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer aangevoerd dat de stelling van verweerster, dat de afwijzing van </para>
      <para>het voornemen C als bestuurder te benoemen niet tot gevolg heeft dat appellante het voornemen feitelijk niet zou kunnen </para>
      <para>doorvoeren, onjuist is, aangezien het doorvoeren van het afgewezen voornemen betekent dat in strijd wordt gehandeld met </para>
      <para>wettelijke bepalingen, waarvan in het bijzonder artikel 22, vierde lid, van het Bte 1995.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het College dient te beoordelen of de brief van verweerster van 26 augustus 1999 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste </para>
      <para>lid, van de Awb. Is dat niet het geval, dan stond ingevolge artikel 7:1 van de Awb, niet de mogelijkheid open daartegen een </para>
      <para>ontvankelijk bezwaarschrift in te dienen.</para>
      <para>Gelet op artikel 1:3 van de Awb kan voornoemde brief slechts dan als een besluit in de zin van dit artikel worden aangemerkt, </para>
      <para>indien deze de neerslag vormt van een beslissing die een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt. Een rechtshandeling is </para>
      <para>een handeling die is gericht op enig rechtsgevolg.</para>
      <para>Omtrent het rechtskarakter van de brief van 26 augustus 1999 heeft het College in de uitspraak in de zaak C onder meer </para>
      <para>overwogen:</para>
      <para>"	Het College volgt verweerster niet in haar eerst na het nemen van het bestreden besluit ingenomen standpunt, dat </para>
      <para>de omstandigheid dat de afwijzing van het voornemen appellant als bestuurder te benoemen niet tot gevolg heeft </para>
      <para>dat FESDT dat voornemen niet feitelijk kan doorvoeren, impliceert dat deze afwijzing geen rechtsgevolg heeft. </para>
      <para>Daartoe wordt het volgende overwogen.</para>
      <para>Gelet op artikel 11, eerste lid, van de Wte 1995, alsmede gelet op het imperatieve karakter van artikel 22, vierde </para>
      <para>lid, van het Bte 1995, impliceert bedoelde afwijzing voor FESDT het verbod appellant als bestuurder te benoemen. </para>
      <para>Weliswaar treedt daardoor geen wijziging op in de aan FESDT verleende vergunning ex artikel 7, eerste lid, van de </para>
      <para>Wte 1995, doch het College vermag niet in te zien dat slechts het wijzigen van die vergunning rechtsgevolgen </para>
      <para>heeft; ook het ontstaan van vorenbedoeld - wettelijk - verbod, waarvan overtreding strafbaar is, moet als een </para>
      <para>rechtsgevolg van meergenoemde afwijzing worden beschouwd. De stelling van verweerster, dat pas een </para>
      <para>rechtsgevolg intreedt op het moment dat verweerster zou besluiten een maatregel jegens FESDT te treffen, </para>
      <para>bijvoorbeeld door de aan FESDT verleende vergunning ex artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995 in te trekken, </para>
      <para>wordt dan ook verworpen.</para>
      <para>Gelet op het vorenoverwogene kan het College tot geen ander oordeel komen dan dat in het bestreden besluit er </para>
      <para>terecht van is uitgegaan dat de afwijzing van het voornemen appellant als bestuurder te benoemen op rechtsgevolg </para>
      <para>is gericht en dat de brief van 26 augustus 1999 derhalve een besluit is in de zin van </para>
      <para>artikel 1:3, eerste lid, van de Awb."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Dit betekent dat verweerster bij het bestreden besluit ten onrechte heeft geoordeeld dat de afwijzing van het voornemen C als </para>
      <para>bestuurder te benoemen geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Mitsdien heeft verweerster appellante in haar </para>
      <para>bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit moet worden </para>
      <para>vernietigd.</para>
      <para>5.2 Gezien het vorenstaande is het beroep van appellante kennelijk gegrond, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.</para>
      <para>5.3 Het College acht termen aanwezig om, met toepassing van artikel 8:75, van de Awb, verweerster te veroordelen in de </para>
      <para>proceskosten aan de zijde van appellante, welke op de voet van het bepaalde bij het Besluit proceskosten bestuursrecht worden </para>
      <para>vastgesteld op (1 punt voor beroepschrift met een wegingsfactor 1, ad fl. 710,-- per punt=) fl. 710,--.</para>
      <para>5.4	Gelet op artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:54 van de Awb wordt beslist als volgt.</para>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College</para>
      <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>- bepaalt dat verweerster opnieuw beslist op het bezwaarschrift van appellante, met inachtneming van hetgeen in deze </para>
      <para>uitspraak is overwogen;</para>
      <para>- veroordeelt verweerster in de proceskosten aan de zijde van appellante, welke worden vastgesteld op fl. 710,-- (zegge: </para>
      <para>zevenhonderdentien gulden);</para>
      <para>- verstaat dat verweerster het door appellante gestorte griffierecht ad fl. 450,-- (zegge: vierhonderdenvijftig gulden) aan </para>
      <para>haar vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr C.M. Wolters en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als </para>
      <para>griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen	w.g. W.F. Claessens</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een belanghebbende kan tegen deze uitspraak ingevolge artikel 8:55 van de Awb binnen </para>
      <para>6 weken na de dag van verzending gemotiveerd verzet doen bij het College, door middel van een ondertekend verzetschrift. </para>
      <para>De indiener kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>