<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2000:AA9279</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T18:44:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9279</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/12</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AA9279">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AA9279</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:17:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2000:AA9279 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 27-12-2000 / AWB 99/12</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2000:AA9279:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2000:AA9279:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>AM	</para>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/12						27 december 2000</para>
      <para>	27335</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, appellante,</para>
      <para>gemachtigden: mr T. Knoop, advocaat te Groningen, en drs A.P. Koomen, werkzaam bij Ernst &amp; Young, Belastingadviseurs,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Economische Zaken, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.F.W. Clasie en R. Volkers, beiden werkzaam bij Senter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 7 januari 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een </para>
      <para>besluit van verweerder van 26 november 1998.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 13 mei 1998 tot vaststelling van het </para>
      <para>bedrag van het krediet dat appellante was verleend met toepassing van de Regeling technische ontwikkelingskredieten 1987, </para>
      <para>Stcrt. 1986, no. 241, (hierna: de Regeling).</para>
      <para>Bij aanvullend beroepschrift van 8 maart 1999 heeft appellante de gronden van haar beroep uiteengezet.</para>
      <para>Verweerder heeft op 7 juni 1999 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Bij brief van 26 november 1999 heeft appellante een reactie op het verweerschrift gegeven.</para>
      <para>Op deze brief heeft verweerder gereageerd bij schrijven van 31 januari 2000.</para>
      <para>Bij brief van 1 november 2000 heeft appellante stukken overgelegd.</para>
      <para>Op 14 november 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten nader hebben doen </para>
      <para>toelichten.</para>
      <para>Ter zitting is namens appellante tevens verschenen haar algemeen directeur C.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Bij de Regeling is onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 1.</para>
      <para>1.   In deze regeling en de daarbij behorende bijlagen wordt verstaan onder:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>e.   ontwikkelingskosten: de noodzakelijke, op basis van een door de minister goedgekeurde begroting rechtstreeks </para>
      <para>aan een ontwikkelingsproject toe te rekenen en voor rekening van de ondernemer komende kosten (.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2.</para>
      <para>1.   Aan een ondernemer die voor eigen rekening en risico een ontwikkelingsproject wil uitvoeren, wordt met in </para>
      <para>achtneming van de volgende bepalingen (.) door de minister krediet toegezegd (.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 18.</para>
      <para>1.   Aan de ondernemer worden voorschotten op het krediet verstrekt naar rato van de door de ondernemer </para>
      <para>gemaakte en betaalde ontwikkelingskosten.</para>
      <para>2.   De ondernemer dient gelijktijdig met het uitbrengen van het verslag (.) bij de minister een verzoek in te </para>
      <para>dienen om uitbetaling van een voorschot.</para>
      <para>(.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 20</para>
      <para>De minister stelt na ontvangst van het laatste verzoek als bedoeld in artikel 18, tweede lid, (.) de omvang vast </para>
      <para>van:</para>
      <para>a.   de ontwikkelingskosten;</para>
      <para>b.   het kredietbedrag:</para>
      <para>(.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 21</para>
      <para>Indien de aan de ondernemer verstrekte voorschotten in totaal groter zijn dan het vastgestelde kredietbedrag, is het </para>
      <para>meerdere terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten komen vast te staan.</para>
      <para>-	Bij schrijven van 20 juli 1989 heeft verweerder aan appellante op grond van de Regeling een krediet toegezegd van ten </para>
      <para>hoogste Ÿ 472.000,-- in verband met een ontwikkelingsproject inzake telemeting via het elektriciteitsdistributienet.</para>
      <para>-	Op 7 december 1989 is appellante vanwege verweerder medegedeeld dat genoemd ontwikkelingskrediet onder nader </para>
      <para>vermelde voorwaarden wordt verhoogd met een bedrag van f 228.800,-- tot maximaal Ÿ 700.800,--.</para>
      <para>-	Op 13 april 1992 heeft appellante bij verweerder de declaratie met betrekking tot het ontwikkelingsproject over 1991 </para>
      <para>ingediend, waarbij zijn opgevoerd (a) declarabele uren, (b) declarabele kosten en (c) gedeclareerde </para>
      <para>ontwikkelingsbijdragen van GEB-ZHW en VEG-Gasinstituut en waarbij als totaalbedrag: (a + b) - c, is opgevoerd.</para>
      <para>-	Appellante heeft op 21 december 1992 bij verweerder een aanvraag ingediend om verhoging van het krediet met een </para>
      <para>bedrag van Ÿ 571.280,--, alsmede om een uitbreiding van het krediet in verband met een volgende fase van het </para>
      <para>ontwikkelingstraject ten bedrage van Ÿ 720.000,--. In de bij deze aanvrage gevoegde financi‰le overzichten is melding </para>
      <para>gemaakt van ontwikkelingsbijdragen van derden over 1991 en over 1992, alsmede van bijdragen van derden in het kader </para>
      <para>van het projectplan voor 1993 en 1994 ter zake van de declaratie tot en met 1992.</para>
      <para>-	Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de daartoe ingestelde Ontwikkelingsraad op 23 februari 1993 een positief advies </para>
      <para>uitgebracht ter zake van een bedrag van Ÿ 1.171.280,--, welk bedrag in verband met een correctie van de begrote kosten </para>
      <para>Ÿ 120.000,-- lager uitkwam dan hetgeen appellante had gevraagd.</para>
      <para>-	Verweerder heeft appellante op 18 juni 1993 te kennen gegeven dat hij bereid was onder nader vermelde voorwaarden </para>
      <para>het ontwikkelingskrediet te verhogen met genoemd bedrag van Ÿ 1.171.280,--.</para>
      <para>-	Nadat appellante op 31 december 1996 haar laatste verzoek om uitbetaling van een voorschot had ingediend, heeft </para>
      <para>verweerder haar bij brief van 14 maart 1997 medegedeeld dat opdracht was gegeven tot een slotcontrole door een </para>
      <para>accountant.</para>
      <para>-	In de bescheiden van de controlerend accountant is melding gemaakt van financi‰le bijdragen die derden hebben gegeven </para>
      <para>voor ontwikkelingskosten tot een gezamenlijk bedrag van Ÿ 800.450,--.</para>
      <para>-	Verweerder heeft in verband met deze bijdragen bij het primaire besluit van </para>
      <para>13 mei 1998, strekkende tot vaststelling van het kredietbedrag met toepassing van artikel 20 van de Regeling, op hetgeen </para>
      <para>reeds aan voorschot was uitbetaald een correctie toegepast van Ÿ 480.270,--.</para>
      <para>Zulks resulteerde tezamen met andere correcties in de vaststelling van het krediet op een bedrag van Ÿ 1.390.209,--, </para>
      <para>hetgeen naar de mening van verweerder betekende dat Ÿ 481.871,-- teveel aan appellante was betaald. Aan het slot van </para>
      <para>het desbetreffend schrijven heeft verweerder appellante verzocht dit bedrag over te maken op een bankrekening.</para>
      <para>-	Appellant heeft tegen genoemd besluit, voor zover daarin evenvermelde correctie van Ÿ 480.270,-- was verwerkt, een </para>
      <para>bezwaarschrift ingediend.</para>
      <para>-	Vervolgens heeft verweerder, na appellante te hebben gehoord, het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>In het bestreden besluit is onder meer het volgende gesteld:</para>
      <para>"	Op basis van de Kredietregeling, dient sprake te zijn van door de aanvrager gemaakte en betaalde kosten die tevens </para>
      <para>voor rekening en risico van de aanvrager komen. Ik mag ervan uit gaan dat aanvragers die op grond van deze </para>
      <para>Kredietregeling in aanmerking wensen te komen voor krediet zich op de hoogte stellen van de voorwaarden </para>
      <para>waaronder dit krediet wordt verstrekt. Bovendien is in de beslissing van 7 december 1989 en 18 juni 1993 ook </para>
      <para>opgenomen dat de kosten gemaakt moeten zijn. Uit de verwijzing naar de Kredietregeling moet bovendien worden </para>
      <para>afgeleid dat deze kosten ook betaald moeten zijn en voor rekening en risico van de aanvrager moeten komen. </para>
      <para>Bovendien zij opgemerkt dat in mijn diverse beslissingen tot verstrekking van een voorschot eveneens is </para>
      <para>aangegeven dat het voorschot onder voorbehoud van de accountantscontrole wordt verstrekt, waarbij ik aangeef </para>
      <para>eventueel teveel betaalde bedragen terug te vorderen. U kon derhalve op de hoogte zijn van het feit dat slechts </para>
      <para>kosten die voor rekening en risico van de aanvrager zijn en gemaakt en betaald zijn door de aanvrager voor krediet </para>
      <para>in aanmerking komen. Bovendien kon u op de hoogte zijn van het feit dat aan het eind van het project op basis van </para>
      <para>een onderzoek van accountant het krediet vastgesteld zal worden. Uit de in uw brief van 15 maart 1991 opgenomen </para>
      <para>vraagstelling ten aanzien van de behandeling van bijdragen van derden (ik zal hier verderop nog op terugkomen), </para>
      <para>alsmede uit de manier waarop u bijdragen van derden in uw declaraties hebt behandeld blijkt bovendien dat u </para>
      <para>hiervan op de hoogte was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ondanks dat u hiervan op de hoogte kon zijn stel ik vast, mede op basis van het door mijn Accountantsdienst bij u </para>
      <para>ingestelde onderzoek, dat u in de periode van 1991 tot en met 1993 een bedrag aan ontwikkelingsbijdragen van </para>
      <para>derden tot een bedrag van f. 800.450,00 heeft ontvangen. Tevens is vastgesteld dat deze kosten door u zijn </para>
      <para>gedeclareerd als ontwikkelingskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar mijn mening kan, indien sprake is van kosten die door een derde zijn betaald en tevens bij Senter zijn </para>
      <para>gedeclareerd, er geen sprake zijn van voor rekening en risico gemaakte en door de aanvrager gemaakt en betaalde </para>
      <para>kosten. Immers, deze kosten die door een derde zijn betaald en tevens bij Senter zijn gedeclareerd zijn door de </para>
      <para>derde ter beschikking gesteld, zodat geoordeeld moet worden dat deze niet door u gemaakt en betaald zijn en </para>
      <para>evenmin voor uw rekening en risico komen. Op grond van de Kredietregeling kan hierover dan ook geen krediet </para>
      <para>worden verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door u is gesteld dat de begrotingen welke door u zijn ingediend, steeds door mij zijn goedgekeurd. Hierop kan </para>
      <para>naar uw mening in een later stadium dan ook niet op terug worden gekomen. Ik deel deze mening niet. Een </para>
      <para>toezegging heeft mede tot doel het geven van duidelijkheid en zekerheid over de rechtsbetrekking die door die </para>
      <para>toezegging tot stand komt. Er is echer geen sprake van volledige binding. De toezegging bevat daarom ook slechts </para>
      <para>een mededeling omtrent het maximum van het krediet. Bij het maximum wordt aangegeven dat deze is berekend op </para>
      <para>grond van de begrote ontwikkelingskosten voor zover die op grond van de Kredietregeling in aanmerking komen. </para>
      <para>In artikel 21 van de Kredietregeling is de bepaling opgenomen dat indien de verstrekte voorschotten groter zijn, </para>
      <para>dan het vastgestelde kredietbedrag, het meerdere terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar is. Tevens is </para>
      <para>in de toelichting op dit artikel opgenomen dat het definitieve subsidiebedrag wordt vastgesteld naar aanleiding van </para>
      <para>een door mijn Accountantsdienst in te stellen onderzoek. Hieruit blijkt naar mijn mening voldoende dat de </para>
      <para>goedkeuring van de begroting geen definitieve toezegging van het krediet inhoudt, maar dat het krediet achteraf </para>
      <para>wordt vastgesteld op basis van de daadwerkelijke gemaakte en betaalde kosten. Uit een toezegging kan dan ook </para>
      <para>niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden afgeleid dat het toegezegd bedrag uiteindelijk ook in zijn geheel </para>
      <para>beschikbaar zal worden gesteld en zal blijven. Voorts dient ook gewogen te worden de duidelijkheid van de feiten </para>
      <para>zoals die bekend waren bij de toezegging. Ik kom daar apart nog op terug.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door u is gesteld dat ik van de bijdrage op de hoogte was en dat dit ook blijkt uit het dossier. Inderdaad blijkt uit </para>
      <para>het dossier dat u van plan bent middels bijdragen van derden uw eigen aandeel van 40% te financieren. Naar uw </para>
      <para>mening blijkt dit ook uit diverse opmerkingen uit het dossier. Zulks is op grond van de Kredietregeling niet </para>
      <para>ongeoorloofd. Echter, ongeoorloofd op grond van de Kredietregeling is het declareren van kosten die reeds door </para>
      <para>derden zijn vergoed, dan wel kosten te declareren waarvan door derden bijdragen ter beschikking worden gesteld </para>
      <para>eveneens bij mij declareren. Daarvan is blijkens het door de accountantsdienst opgemaakt rapport sprake. Uit het </para>
      <para>feit dat ik op de hoogte was van uw wijze van financiering kan naar mijn mening niet zondermeer worden afgeleid </para>
      <para>dat ik akkoord ga met het declareren van dergelijke kosten en dat zulks op grond van de Kredietregeling mogelijk </para>
      <para>is. Overigens is dit afhankelijk van de wijze waarop deze kosten worden gepresenteerd in de verhogingsverzoeken. </para>
      <para>Hierbij zijn de bijdragen van derden gepresenteerd als bijdragen welke worden aangewend ter financiering van het </para>
      <para>eigen aandeel. Op basis van het accountantsonderzoek is echter vastgesteld dat deze bijdragen tevens zijn </para>
      <para>gedeclareerd als ontwikkelingskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zo er mijnerzijds sprake is van bekendheid van financiering door derden, betreft dit enkel het feit dat u uw eigen </para>
      <para>aandeel van 40% gedeeltelijk wenste te financiering met een bedrag dat u van derden zou verkrijgen. In </para>
      <para>tegenstelling tot die opgave heeft u echter bijdragen van derden gekregen voor door u gemaakte uren en materialen </para>
      <para>en geleverde producten. U heeft dit aan de GEB's gefactureerd. Daarnaast is uit het door mijn Accountantsdienst </para>
      <para>ingestelde onderzoek gebleken, dat u deze ontwikkelingskosten eveneens bij mij heeft gedeclareerd als </para>
      <para>projectkosten. Ook in de projectbegroting worden deze uren en producten zonder enig voorbehoud als </para>
      <para>projectkosten gedeclareerd. Hierbij zij bovendien opgemerkt dat de bedragen afwijken. In tegenstelling tot uw </para>
      <para>opgave heeft u derhalve anders gehandeld."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep, samengevat weergeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>De financiering van het onderhavige ontwikkelingsproject met bijdragen in de ontwikkelingskosten van derden, de GEB's, is </para>
      <para>destijds uitdrukkelijk aan de orde geweest bij besprekingen tussen appellante en Senter en toen door Senter akkoord bevonden.</para>
      <para>In verband met deze goedkeuring en de aan Senter bekende financi‰le gegevens, die een aanmerkelijk tekort lieten zien en </para>
      <para>melding maakten van bijdragen van derden als deel van het eigen aandeel van appellante in de financiering van de </para>
      <para>ontwikkelingskosten, moet ervan worden uitgegaan dat Senter mede in verband met de forse bijdragen van derden het project </para>
      <para>als financieel haalbaar heeft beschouwd.</para>
      <para>Derhalve heeft Senter geheel ten onrechte het punt van de bijdragen van derden in de ontwikkelingskosten van het project, pas </para>
      <para>na de verstrekking van het laatste voorschot aan de orde gesteld en gehanteerd als grond om het krediet vast te stellen op een </para>
      <para>lager bedrag dan de som van de verstrekte voorschotten.</para>
      <para>Bij appellante bestond het gerechtvaardigde vertrouwen dat het uiteindelijke kredietbedrag naar aanleiding van de door haar </para>
      <para>ingediende begrotingen en afrekeningen zou worden vastgesteld op hetgeen zij aan voorschotten had ontvangen. Appellante </para>
      <para>wordt door de terugbetaling waartoe verweerder heeft besloten, voor onoverkomelijke problemen gesteld daar zij niet over de </para>
      <para>middelen beschikt om het door deze terugbetaling ontstane tekort te dekken.</para>
      <para>In verband hiermede is er niet alleen sprake van strijd met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat eist dat gewekte </para>
      <para>verwachtingen worden ge‰erbiedigd, doch tevens van strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht </para>
      <para>(hierna: Awb), waarin is bepaald dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig </para>
      <para>mogen zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.</para>
      <para>Voorts is namens appellante naar voren gebracht dat, ofschoon Titel 4.2 van de Awb in dit geschil niet van toepassing is, de </para>
      <para>daarin vervatte normen, betreffende betaling, vaststelling en terugvordering van subsidie, ook van belang zijn voor de </para>
      <para>beoordeling van het bestreden besluit. In dit verband is onder meer aan de orde artikel 4:46. In het eerste lid van dit artikel is </para>
      <para>bepaald dat het bestuursorgaan de subsidie vaststelt overeenkomstig de subsidieverlening. Weliswaar kan ingevolge het tweede </para>
      <para>lid onder nader daarin vermelde omstandigheden de subsidie lager worden vastgesteld, doch in een dergelijk geval zal, </para>
      <para>aangezien het gaat om de mogelijkheid van een lagere vaststelling, een afweging van de betrokken belangen met inachtneming </para>
      <para>van alle relevante feiten en omstandigheden dienen plaats te vinden.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	Naar aanleiding van het voorafgaande overweegt het College in de eerste plaats dat, anders dan appellante kennelijk meent, in </para>
      <para>het bestreden besluit niet besloten ligt </para>
      <para>(de handhaving van) een beslissing, als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, strekkende tot terugvordering van hetgeen </para>
      <para>appellante naar verweerders mening teveel aan subsidie is betaald.</para>
      <para>Daartoe overweegt het College dat het in het primaire besluit van 13 mei 1998 gestelde:</para>
      <para>"Ik verzoek u het bedrag van Ÿ 481.871 binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief over te maken (.)", geen </para>
      <para>ondubbelzinnige tot appellante gerichte eis tot terugbetaling van dit bedrag betreft.</para>
      <para>Voorts behelst het bestreden besluit generlei beslissing inzake een terugvordering, onderscheidenlijk terugbetaling in </para>
      <para>evenbedoelde zin. Na het geven van dit besluit heeft verweerder contact met appellante gezocht met het oog op terugbetaling. </para>
      <para>Ter zitting van het College is zijnerzijds te kennen gegeven dat afhankelijk van de uitkomst van het onderhavige beroep </para>
      <para>omtrent de terugvordering zal worden beslist met inachtneming van de in dat verband van belang zijnde feiten en </para>
      <para>omstandigheden.</para>
      <para>5.2	Met betrekking tot de vaststelling van het kredietbedrag, welke in geschil is voor zover het betreft de hiervoor weergegeven </para>
      <para>correctie in verband met bijdragen van derden in de ontwikkelingskosten van het onderhavige project, overweegt het College </para>
      <para>in de eerste plaats dat op grond van het bepaalde in de Regeling, daarbij met name gelet op eerdergenoemd artikel 1, eerste lid, </para>
      <para>aanhef en onder e, artikel 2, eerste lid, en artikel 18, eerste lid, krediet slechts kan worden verstrekt in verband met </para>
      <para>ontwikkelingskosten die voor rekening en risico van de betrokken ondernemer komen en dat derhalve ter zake van </para>
      <para>ontwikkelingskosten die door derden worden betaald, geen krediet kan worden verleend.</para>
      <para>Op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat de litigieuze vaststelling van het kredietbedrag in </para>
      <para>overeenstemming is met de Regeling, een stelsel van beleidsregels, als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb.</para>
      <para>Hetgeen appellante heeft gesteld, geeft niet blijk van een tegengestelde opvatting. Evenmin is harerzijds betoogd dat de </para>
      <para>Regeling, waarvan de inhoud haar in het kader van de krediettoezegging vanwege verweerder onder de aandacht is gebracht, in </para>
      <para>vorenomschreven opzicht voor haar onduidelijkheden bevatte. Gezien de berekeningswijze die is toegepast in hiervoor </para>
      <para>genoemde declaratie van 13 april 1992, moet worden geoordeeld dat appellante op de hoogte was van de inhoud en de </para>
      <para>strekking van eerdervermelde bepalingen van de Regeling.</para>
      <para>5.3	Met betrekking tot de door appellante gestelde schending van het vertrouwensbeginsel overweegt het College het volgende.</para>
      <para>In dit verband is de vraag aan de orde of door toezeggingen, mededelingen of gedragingen, die aan verweerder kunnen worden </para>
      <para>toegerekend, bij appellante de rechtens te eerbiedigen verwachting is gewekt dat, niettegenstaande de omstandigheid dat zij </para>
      <para>financi‰le bijdragen van derden had ontvangen voor ontwikkelingskosten ter zake waarvan, als waren het voor haar rekening </para>
      <para>komende kosten, voorschot was verstrekt, het krediet ondanks de duidelijke bepalingen van de Regeling uiteindelijk zou </para>
      <para>worden vastgesteld overeenkomstig de verstrekte voorschotten; derhalve zonder correctie in verband met evenbedoelde </para>
      <para>bijdragen. Daarbij gaat het om bijdragen van derden die, anders dan het geval was bij eerdergenoemde declaratie d.d. 13 april </para>
      <para>1992, niet aan verweerder zijn gemeld in het kader van de desbetreffende declaraties.</para>
      <para>Het College stelt op grond van het geheel van beschikbare gegevens in de eerste plaats vast dat van - vertrouwenwekkende - </para>
      <para>toezeggingen in vorenomschreven zin, niet is gebleken.</para>
      <para>Dat van de zijde van verweerder, daaronder begrepen Senter, mededelingen zijn gedaan dan wel handelingen zijn verricht of </para>
      <para>nagelaten, die een gerechtvaardigd vertrouwen als eerdervermeld, bij appellante hebben kunnen wekken, is het College op </para>
      <para>grond van genoemde gegevens evenmin voldoende duidelijk of genoegzaam aannemelijk kunnen worden.</para>
      <para>Daartoe neemt het College in aanmerking dat de door appellante vermeende vertrouwenwekkende mededelingen en </para>
      <para>gedragingen, naar op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen, betrekking hebben </para>
      <para>op de handelwijze van Senter (inzonderheid van een medewerker van Senter die, naar verweerder heeft gesteld, de </para>
      <para>ontwikkeling van het project in technisch opzicht heeft begeleid) in verband met de verhoging van het krediet, waartoe </para>
      <para>appellante de hiervoor vermelde aanvraag van 21 december 1992 heeft ingediend. Zoals gesteld, is in de bij deze aanvraag </para>
      <para>gevoegde financi‰le overzichten melding gemaakt van bijdragen van derden.</para>
      <para>Blijkens door verweerder overgelegde interne notities van medewerkers van Senter zijn aangaande de bijdragen van derden </para>
      <para>vragen gerezen. Daaromtrent heeft evenbedoelde medewerker in een memo van 11 juni 1993 onder meer het volgende </para>
      <para>opgemerkt:</para>
      <para>"	Zoals reeds eerder bij de tussentijdse declaraties aan de orde is geweest, heeft DW de bijdragen van derden steeds </para>
      <para>consequent in mindering gebracht op de ontwikkelingskosten en (volgens toezegging 19/5) zal dit ook blijven </para>
      <para>doen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van verweerder is in dit verband naar voren gebracht dat uit de destijds door appellante verstrekte gegevens niet </para>
      <para>duidelijk was dat het ging om bijdragen van derden in ontwikkelingskosten die als eigen kosten van appellante zouden worden </para>
      <para>opgevoerd. Naar de mening van verweerder ligt het, mede gelet op de bij de betrokken ondernemers aanwezig te achten kennis </para>
      <para>van de Regeling, niet op zijn weg om, zodra er sprake is van bijdragen van derden, te onderzoeken of  dergelijke bijdragen </para>
      <para>worden gegeven in verband met kosten in evenbedoelde zin. Er zijn immers, aldus verweerder, andersoortige financi‰le </para>
      <para>bijdragen van derden denkbaar, welke - anders dan in dit geval - geen consequenties hebben voor de kredietverstrekking.</para>
      <para>Met betrekking tot het voorafgaande oordeelt het College, ter precisering van het eerder overwogene, dat het onvoldoende </para>
      <para>aannemelijk is dat bedoelde medewerker van Senter in het kader van de behandeling van eerdergenoemde verhogingsaanvraag, </para>
      <para>dan wel in een ander verband, op enigerlei wijze te kennen heeft gegeven dat appellante kosten waarin derden zouden </para>
      <para>bijdragen, als voor rekening van appellante en derhalve voor kredietverlening in aanmerking komende kosten, zou kunnen </para>
      <para>opvoeren.</para>
      <para>Het College is voorts, gelet op de inhoud van de desbetreffende bescheiden en de hiervoor weergegeven feiten en </para>
      <para>omstandigheden, van oordeel dat niet kan worden staande gehouden</para>
      <para>- dat de gegevens waarover Senter blijkens de gedingstukken de beschikking had in verband met eerdergenoemde </para>
      <para>verhogingsaanvraag van 21 december 1992, zo duidelijke aanwijzingen bevatten dat het ging om bijdragen van derden in </para>
      <para>ontwikkelingskosten die als voor rekening van appellante komende kosten zouden worden opgevoerd, dat verweerder </para>
      <para>aanleiding had behoren te vinden voor het instellen van nader onderzoek naar de door appellante genoemde bijdragen van </para>
      <para>derden, en</para>
      <para>- dat verweerder door zulks na te laten het recht heeft verwerkt om bij de vaststelling van het krediet in aanmerking te nemen </para>
      <para>dat appellante voorschotten had ontvangen voor kosten die niet voor haar rekening waren gekomen.</para>
      <para>In verband met het vorenstaande komt het College, in aanmerking nemend dat appellante, die op de hoogte was van de inhoud </para>
      <para>van de Regeling, ten opzichte van verweerder geen melding heeft gemaakt van de aard van de van derden (te) ontvangen </para>
      <para>bijdragen, tot de slotsom dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel faalt.</para>
      <para>5.4	Voorts heeft het College geen grond kunnen vinden voor het oordeel</para>
      <para>- dat verweerder, door bij de litigieuze kredietvaststelling een strikte toepassing te geven aan de Regeling, heeft gehandeld in </para>
      <para>strijd met het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel, dan wel</para>
      <para>- dat verweerder heeft gehandeld in strijd met enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.</para>
      <para>Hieruit volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.</para>
      <para>Ten slotte acht het College geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr M.J. Kuiper en mr J.A. Hagen in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en </para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>27 december 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. H.C Cusell	w.g. A.J. Medze</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>