<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2000:AA9278</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T14:18:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9278</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/385</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AA9278">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AA9278</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:17:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2000:AA9278 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 21-12-2000 / AWB 99/385</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2000:AA9278:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2000:AA9278:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>AM	</para>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(vijfde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/385						21 december 2000</para>
      <para>	27327</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, appellante,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Economische Zaken, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr C. Cromheecke, werkzaam bij Senter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 15 april 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een </para>
      <para>besluit van verweerder van 5 maart 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag om </para>
      <para>subsidie in het kader van de Subsidieregeling energie- efficiency- en milieuadviezen Schoner Produceren (Stcrt. 1998 nr.173, </para>
      <para>hierna: de Regeling).</para>
      <para>Verweerder heeft op 12 juli 1999 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 7 december 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar verweerder zijn standpunten heeft toegelicht. </para>
      <para>Appellante heeft zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Bij artikel 2, eerste lid en vijfde lid, van de Regeling, is voor zover hier van belang het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 2</para>
      <para>1. De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een ondernemer, (.), die in zijn opdracht van een extern </para>
      <para>adviseur een van de volgende adviezen krijgt:</para>
      <para>a. een samenhangend energie-efficiency- en milieuadvies;</para>
      <para>b. een energie- efficiencyadvies;</para>
      <para>c. een milieuadvies.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>5. Geen subsidie wordt verstrekt:</para>
      <para>a. indien de subsidie-ontvanger voor de indiening van de aanvraag ter zake van de activiteiten waarop de aanvraag </para>
      <para>betrekking heeft verplichtingen heeft aangegaan;"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College </para>
      <para>komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellante heeft met een daartoe strekkend formulier, gedateerd 27 oktober 1998 en  door verweerder ontvangen op 28 </para>
      <para>oktober 1998, een aanvraag ingediend ter verkrijging van subsidie voor een milieuadvies als bedoeld in de Regeling.</para>
      <para>- Op het aanvraagformulier heeft appellante september 1998 vermeld als datum van opdracht waarop reeds verplichtingen </para>
      <para>met betrekking tot de advisering waren aangegaan.</para>
      <para>- Naar aanleiding van verweerders telefonische verzoek om nadere informatie omtrent deze vermelding op het </para>
      <para>aanvraagformulier is van de zijde van appellante bevestigd dat de opdracht aan de externe adviseur van het </para>
      <para>desbetreffende milieuadvies, in casu VPGI, is verstrekt voordat de aanvraag om subsidie was ingediend.</para>
      <para>- Bij besluit van 22 december 1998 heeft verweerder appellantes aanvraag om subsidie afgewezen.</para>
      <para>- Hiertegen heeft appellante bij brief van 28 december 1998 een bezwaarschrift ingediend.</para>
      <para>- Na appellante ter zake van haar bezwaren te hebben gehoord heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Verweerder heeft bij het bestreden besluit appellantes aanvraag met inachtneming van de in de bezwaarfase overgelegde </para>
      <para>informatie heroverwogen. In hetgeen appellante ter zake heeft aangevoerd heeft verweerder geen aanleiding gevonden voor het </para>
      <para>oordeel dat vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden in het onderhavige geval van de Regeling dient te worden afgeweken.</para>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit </para>
      <para>aangevoerd.</para>
      <para>Appellantes bedrijf produceert vouwkartonnages voor de verpakkingsindustrie, een branche waarin zij vanwege de enorme </para>
      <para>concurrentie en de minimale winstmarges moeite heeft het hoofd boven water te houden. Dit houdt in dat met zo min mogelijk </para>
      <para>medewerkers tegen een zo laag mogelijke kostprijs geproduceerd moet worden. Dit betekent echter ook dat soms de </para>
      <para>administratieve afhandeling van zaken, zoals in dit geval de subsidieaanvraag, wegens tijdgebrek of andere prioriteiten, wat </para>
      <para>langer duurt. Dat wil niet zeggen dat de aangevraagde gelden niet hard nodig zijn. Verweerders afwijzing van haar aanvraag op </para>
      <para>grond van de te late indiening druist tegen haar gevoel voor rechtvaardigheid in. Daarmee gaat verweerder haars inziens geheel </para>
      <para>voorbij aan de doelstelling van de regeling: het doen van investeringen op het gebied van schoner produceren.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het College dient te beoordelen of het bestreden besluit, dat strekt tot ongegrondverklaring van het bezwaar van appellante </para>
      <para>tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie, in rechte stand kan houden.</para>
      <para>Niet in geschil is dat appellantes aanvraag om subsidie bij verweerder is ingediend na het tijdstip waarop door haar reeds </para>
      <para>verplichtingen waren aangegaan terzake van het milieu- advies waarop haar aanvraag betrekking had. Om die reden is door </para>
      <para>haar niet voldaan aan het vereiste van het hiervoor, onder paragraaf 2 aangehaalde artikel 2, vijfde lid aanhef en onder a, van de </para>
      <para>Regeling.</para>
      <para>Hetgeen appellante ter zake heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft </para>
      <para>kunnen besluiten om voornoemde bepaling van de Regeling toe te passen. Niet kan worden staande gehouden dat in het </para>
      <para>onderhavige geval sprake was van zodanige bijzondere omstandigheden, dat van toepassing van genoemd voorschrift had </para>
      <para>behoren te worden afgezien.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College betreft hetgeen appellante heeft aangevoerd, omstandigheden welke binnen haar risicosfeer </para>
      <para>zijn gelegen.</para>
      <para>Zoals verweerder in het bestreden besluit in aanmerking heeft genomen, is het de verantwoordelijkheid van de aanvrager om </para>
      <para>zich op de hoogte te stellen van de voorschriften die bij de Regeling zijn gegeven en deze in acht te nemen.</para>
      <para>Appellantes betoog dat zij overigens geheel overeenkomstig de in de Regeling gestelde doelstelling heeft gehandeld kan haar </para>
      <para>evenmin baten, nu dat betoog er aan voorbij gaat dat met het oogmerk milieu- of energiemaatregelen te stimuleren bij de </para>
      <para>Regeling is voorgeschreven dat geen subsidie wordt verleend, indien reeds voor de indiening van de aanvraag ter zake van de </para>
      <para>activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft verplichtingen zijn aangegaan. </para>
      <para>Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene </para>
      <para>wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
      <para>Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr J.A. Hoovers-Backaert, als griffier, en uitgesproken in het </para>
      <para>openbaar op 21 december 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. H.C. Cusell	w.g. J.A. Hoovers-Backaert</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>