<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2000:AA9276</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T06:45:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9276</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AN6633</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/214</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:3&amp;g=2000-12-21">Algemene wet bestuursrecht 7:3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2001, 126 met annotatie van J.H. van der Veen</rdf:li>
          <rdf:li>JOM 2006/494</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AA9276">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AA9276</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:17:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2000:AA9276 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 21-12-2000 / AWB 98/214</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2000:AA9276:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2000:AA9276:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>LZ	</para>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(vijfde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 98/214						21 december 2000</para>
      <para>	16100</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Deventer, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>het Bureau Heffingen, te Assen, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr M. Kouprie, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 17 maart 1998 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een </para>
      <para>besluit van verweerder van 5 februari 1998.</para>
      <para>Bij schrijven van 26 maart heeft appellant de gronden van zijn beroep uiteengezet.</para>
      <para>Op 27 augustus 1998 heeft verweerder een verweerschrift, alsmede op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaats gehad op 7 december 2000. Partijen hebben daar hun standpunten nader uiteengezet.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten  komen vast te staan.</para>
      <para>Op 4 juli 1996 is bij verweerder ingekomen een formulier inzake overdracht van mestproductierechten, bestemd voor de </para>
      <para>registratie van mestproductierechten als bedoeld in artikel 9 van de Wet verplaatsing mestproduktie. Op dit formulier is </para>
      <para>appellant vermeld als vervreemder en C als verwerver. Op het formulier zijn handtekeningen geplaatst, waarin de namen van </para>
      <para>appellant en C zijn te lezen.</para>
      <para>Appellant heeft in het kader van de verkoop van zijn mestproductierechten zaken gedaan met D, die optrad als makelaar. Nadat </para>
      <para>appellant had vernomen dat D in staat van faillissement was verklaard, heeft hij telefonisch contact opgenomen met de </para>
      <para>administratie van verweerder teneinde daaromtrent nadere informatie te verkrijgen.</para>
      <para>Bij brief van dezelfde datum heeft een gemachtigde van appellant zich gewend tot verweerder en medegedeeld dat appellant in </para>
      <para>evenbedoeld telefoongesprek had afgesproken dat aangaande een mogelijk aan verweerder ter verwerking aangeboden </para>
      <para>transactie tot verkoop door appellant van mestproductierechten, geen overschrijving of wijziging van de tenaamstelling zou </para>
      <para>plaatsvinden dan na overleg met en goedkeuring van appellant.</para>
      <para>Hierop heeft verweerder evenbedoelde gemachtigde bij schrijven van 18 november 1996 te kennen gegeven dat appellant het </para>
      <para>voor registratie bestemde formulier met de verwerver had ondertekend en dat de registratie slechts geen doorgang zou vinden, </para>
      <para>wanneer beide partijen daarom zouden verzoeken. Van de zijde van appellant is daarop bij brieven van 21 en </para>
      <para>27 november 1996 te kennen gegeven dat appellante eerdervermeld formulier niet heeft ondertekend.</para>
      <para>Mede naar aanleiding van evengenoemde brieven heeft verweerder appellant bij schrijven van 20 december 1996 onder meer </para>
      <para>het volgende bericht:</para>
      <para>"	Bij de eerste aanbieding ter registratie van onderhavige verplaatsing op 4 juli 1996 is een aantal fouten </para>
      <para>geconstateerd in het mestafzetplan en de mestafzetovereenkomst van de heer C. Daar de heer C de meest gerede </para>
      <para>partij is in deze om de geconstateerde gebreken te corrigeren, zijn de voor het melden van een verplaatsing </para>
      <para>benodigde, door de Minister vastgestelde </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>formulieren retour gezonden aan hem met het verzoek een en ander te herstellen. C heeft het mestafzetplan en de </para>
      <para>ondersteunende mestafzetovereenkomst gecorrigeerd en de verplaatsing opnieuw ter registratie aangeboden op 22 </para>
      <para>oktober 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Thans staat het door u in uw schrijven van 22 oktober 1996 en 21 november 1996 gestelde een registratie </para>
      <para>(vooralsnog) in de weg."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van het overleg dat met C is gevoerd ter verkrijging van de juiste gegevens aangaande het mestafzetplan en de </para>
      <para>mestafzetovereenkomst, heeft verweerder appellant geen mededeling gedaan.</para>
      <para>Nadat verweerder in januari 1997 de behandeling van het formulier inzake de overdracht van mestproductierechten had hervat, </para>
      <para>is C andermaal gevraagd geconstateerde fouten te herstellen. Ook daarvan is appellant geen mededeling gedaan.</para>
      <para>Verweerder heeft na ontvangst van de juiste gegevens bij besluit van 19 september 1997 de verplaatsing van de mestproductie </para>
      <para>geregistreerd per 9 juli 1997.</para>
      <para>Tegen voormeld besluit heeft appellant een bezwaarschrift ingediend.</para>
      <para>Verweerder heeft, oordelend dat de bezwaren kennelijk ongegrond zijn, het horen van appellant achterwege gelaten en het </para>
      <para>primaire besluit van 19 september 1997 gehandhaafd.</para>
      <para>3.	Het bestreden besluiten het standpunt van verweerder</para>
      <para>Bij het bestreden besluit is onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"	Ten aanzien van de betwisting van de echtheid van de handtekening van A op het meldingsformulier merk ik het </para>
      <para>volgende op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het bepaalde in artikel 9, eerste lid van de wet dienen degene die voornemens is te verplaatsen en </para>
      <para>degene van wiens bedrijf het desbetreffende niet-gebonden mestproductierecht afkomstig is gezamenlijk kennis te </para>
      <para>geven van de verplaatsing aan het Bureau Heffingen met gebruikmaking van het daartoe door de Minister van </para>
      <para>Landbouw, Natuurbeheer en Visserij vastgesteld formulier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Na ontvangst van het formulier toetst het Bureau Heffingen vervolgens of de aangemelde verplaatsing aan de </para>
      <para>daarvoor geldende vereisten zoals vastgelegd in de wet voldoet.</para>
      <para>In een aantal in artikel 9, vierde lid van de wet genoemde gevallen vindt registratie niet plaats. In het onderhavige </para>
      <para>geval is na hernieuwde indiening van de kennisgeving aan het Bureau Heffingen op 2 juli 1997 van geen van deze </para>
      <para>wettelijke weigeringsgronden sprake waarna uiteindelijk registratie per 9 juli 1997 heeft plaatsgevonden. </para>
      <para>Beoordeling van de echtheid van de handtekening is niet ‚‚n van de in de wet neergelegde voorwaarden voor </para>
      <para>registratie van een verplaatsing; het Bureau Heffingen toetst derhalve niet hierop.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het formulier dient krachtens het bepaalde in artikel 9, tweede lid van de wet volledig en naar waarheid te worden </para>
      <para>ingevuld. Er vindt derhalve wel een volledigheidstoets plaats. In het kader van de handtekening betekent dit dat </para>
      <para>gecontroleerd wordt of deze is geplaatst. De echtheid wordt echter niet gecontroleerd daar dit - zoals hiervoor reeds </para>
      <para>gesteld - niet ‚‚n van de in de wet neergelegde voorwaarden voor registratie van een verplaatsing is waarop </para>
      <para>toetsing door het Bureau Heffingen dient plaats te vinden. Temeer daar het Bureau Heffingen gezien het bepaalde </para>
      <para>in het tweede lid van artikel 9 van de wet erop mag vertrouwen dat de formulieren naar waarheid worden ingevuld. </para>
      <para>Voorts is de rol van het Bureau Heffingen als administratiekantoor lijdelijk in deze. Op grond hiervan kan het </para>
      <para>Bureau Heffingen derhalve niet treden in de beoordeling van de echtheid van de handtekening. Van een handelen in </para>
      <para>strijd met de wet is dan ook geen sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De registratie van de onderhavige verplaatsing van mestproductierechten kan op basis van hetgeen u stelt ten </para>
      <para>aanzien van het bestaan van gerede twijfel over de echtheid van de handtekening niet worden herroepen. Daartoe </para>
      <para>dient een gerechtelijk uitspraak te worden verkregen met een zodanige strekking dat deze een grondslag voor </para>
      <para>aanpassing van de registratie vormt. Zoals hiervoor reeds gesteld is het Bureau Heffingen niet de instantie die in de </para>
      <para>beoordeling van de echtheid van de handtekening kan treden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het verweerschrift heeft verweerder aangaande de betwisting door appellant van de echtheid van de op het </para>
      <para>overdrachtsformulier geplaatste handtekening die zijn naam vermeldt, opgemerkt:</para>
      <para>"	(.) Hoewel Bureau Heffingen zich destijds op het standpunt stelde dat beoordeling van de echtheid van de </para>
      <para>handtekening niet ‚‚n van de in artikel 9, vierde lid van de wet neergelegde voorwaarden is voor registratie van de </para>
      <para>verplaatsing, heeft het Bureau - wederom om zorgvuldigheidsredenen - gemeend de op het formulier bij vraag 5 </para>
      <para>geplaatste handtekening van de vervreemder te moeten vergelijken met handtekeningen op aan A gerichte </para>
      <para>documenten in zijn door Bureau Heffingen bijgehouden dossier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien de handtekeningen zodanig identiek aan elkaar zijn, bestond er voor Bureau Heffingen geen gerede </para>
      <para>twijfel om de behandeling van de aangemelde verplaatsing nog langer op te schorten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast dient Bureau Heffingen gelet op het bepaalde in artikel 9, derde lid van de wet rekening te houden met </para>
      <para>het te beschermen belang van de verwerver van de rechten, i.c. C. In dit artikel wordt gesteld dat aanspraak op een </para>
      <para>verplaatst mestproductierecht (door de verwerver) pas is toegestaan vanaf het moment van registratie van de </para>
      <para>kennisgeving van de voorgenomen verplaatsing. Zolang een dergelijke kennisgeving niet door Bureau Heffingen </para>
      <para>wordt geregistreerd, kan de verwerver het aangekochte mestproductierecht niet benutten. Het zonder gegronde </para>
      <para>reden ophouden van de registratie leidt derhalve tot onevenredige benadeling voor de verwerver.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feitelijk heeft de behandeling van de aangemelde overdracht van mestproductierechten stil gelegen vanaf 22 </para>
      <para>oktober 1996 (het moment waarop het opnieuw ingestuurde meldingsformulier en mestafzetplan en </para>
      <para>mestafzetovereenkomst door C bij Bureau Heffingen is ontvangen geregistreerd) tot 7 januari 1997 (het moment </para>
      <para>het opnieuw terugsturen van de formulieren ivm onjuistheden aan C). Het nog langer opschorten van de </para>
      <para>afhandeling werd door Bureau Heffingen als onverantwoord beschouwd. Van een beroep op het feit dat uitsluitend </para>
      <para>onjuistheden en onvolkomenheden in het mestafzetplan en de mestafzetovereenkomst van C, de registratie van de </para>
      <para>overdracht hebben belemmerd, is gelet op het gestelde in het schrijven van 20 december 1996 dat vooralsnog niet </para>
      <para>tot registratie zal worden overgegaan, geen sprake."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting is van de zijde van verweerder opgemerkt dat het niet zorgvuldig is geweest om slechts C te attenderen op </para>
      <para>onjuistheden en onvolledigheden op het overdrachtsformulier. Intussen heeft verweerder in dit opzicht zijn werkwijze </para>
      <para>gewijzigd en krijgen beide partijen bericht, indien sprake is van onjuistheden of onvolledigheden op het formulier.</para>
      <para>Tevens is namens verweerder opgemerkt dat er ten onrechte niet is gehoord, aangezien de in de bezwaarschriftenprocedure </para>
      <para>naar voren gekomen feiten en omstandigheden met zich brachten dat tot horen diende te worden overgegaan.</para>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft voor zover in deze van belang het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>De handelwijze van verweerder getuigt van onzorgvuldigheid jegens appellant. Gezien de ontkenning door appellant van de </para>
      <para>echtheid van eerdervermelde handtekening, had verweerder daarnaar een behoorlijk onderzoek dienen in te stellen.</para>
      <para>Dat is evenwel niet gebeurd. In het bestreden besluit heeft verweerder immers opgemerkt dat hij gezien de wettelijke </para>
      <para>voorschriften niet kan treden in de beoordeling van de echtheid van de onderhavige handtekening. Eerst in het verweerschrift </para>
      <para>wordt gesteld dat verweerder om zorgvuldigheidsredenen heeft gemeend de handtekening van appellant te moeten vergelijken </para>
      <para>met handtekeningen van hem, die voorkomen op bij verweerder aanwezige documenten.</para>
      <para>Ter zitting heeft appellant met betrekking tot de inhoud van het aldaar getoonde formulier opgemerkt dat de vermelding van </para>
      <para>een van zijn postcodes en een telefoonnummer niet kloppen, en voorts gewezen op de rommelige wijze waarop het formulier is </para>
      <para>ingevuld.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Naar aanleiding van het voorafgaande overweegt het College in de eerste plaats dat de echtheid van de handtekeningen van de </para>
      <para>vervreemder en van de verkrijger, die zijn geplaatst op een overdrachtsformulier, een aangelegenheid betreft, die verweerder </para>
      <para>aangaat in het kader van de uitvoering van Wet verplaatsing mestproduktie. Immers, indien zou komen vast te staan dat een </para>
      <para>van genoemde partijen het formulier niet heeft getekend, kan ingevolge het bepaalde in artikel 9 van deze wet niet tot </para>
      <para>registratie worden overgegaan.</para>
      <para>Het vorenstaande kan, afhankelijk van de zich in een bepaald geval voordoende feiten en omstandigheden, met zich brengen </para>
      <para>dat bij betwisting van de echtheid van een handtekening, verweerder een onderzoek met betrekking tot die echtheid instelt of </para>
      <para>laat instellen.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College gaven de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval aanleiding voor een zodanig </para>
      <para>onderzoek. Immers, verweerder heeft niet naar aanleiding van de ontvangst van het overdrachtsformulier, aan appellant  </para>
      <para>kenbaar gemaakt dat een dergelijk formulier, dat appellants naam als vervreemder vermeldde, bij hem was ingekomen. Ook </para>
      <para>heeft verweerder appellant niet op de hoogte gesteld van het opvragen van nadere gegevens aan C, hetgeen kort na de </para>
      <para>ontvangst van het formulier is gebeurd.</para>
      <para>Wanneer zodanige informatie wel  was verstrekt, zou een ontkenning van de echtheid van de handtekening als hiervoor </para>
      <para>omschreven, in een ander licht komen te staan.</para>
      <para>Gezien de hierboven weergegeven voorgeschiedenis van het primaire besluit van </para>
      <para>19 september 1997 en de inhoud van de bezwaren die appellant tegen dat besluit naar voren heeft gebracht, had in verband met </para>
      <para>de bij het geven van een beslissing op die bezwaren te betrachten zorgvuldigheid, niet mogen worden afgezien van het horen </para>
      <para>van belanghebbenden. In het kader van een dergelijke hoorprocedure zou de gelegenheid hebben bestaan zaken die eerst bij het </para>
      <para>College aan de orde zijn gesteld, in het kader van de heroverweging door verweerder naar voren te brengen.</para>
      <para>In verband met het voorafgaande moet worden geoordeeld dat verweerder zich, zoals ook zijnerzijds ter zitting is erkend, ten </para>
      <para>onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het horen van appellant vanwege de kennelijke ongegrondheid van diens bezwaren, </para>
      <para>achterwege kon blijven.</para>
      <para>In verband hiermede moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:3 van de </para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
      <para>In het verlengde hiervan overweegt het College dat verweerder ten onrechte heeft volstaan met een visuele vergelijking van de </para>
      <para>op appellants naam gestelde handtekening op het overdrachtsformulier, welke vergelijking, naar moet worden aangenomen, </para>
      <para>heeft plaatsgevonden door personen die niet ter zake deskundig waren.</para>
      <para>Uit het vorenoverwogene volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.</para>
      <para>In verband met het vorenoverwogene acht het College, gelet op het bepaalde bij de artikelen 8:72. 8:74 en 8:75 van de Awb </para>
      <para>termen aanwezig voor de in het dictum van deze uitspraak vermelde nevendicta.</para>
      <para>In aanmerking genomen dat deze uitspraak impliceert dat verweerder andermaal, met inachtneming van hetgeen hiervoor is </para>
      <para>overwogen, dient te beslissen op het bezwaarschrift van appellant, bestaat er geen grond voor vergoeding van schade als </para>
      <para>gevorderd door appellant.</para>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>? verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>? vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>? bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is </para>
      <para>overwogen;</para>
      <para>? bepaalt dat het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van fl. 210,-- (zegge: tweehonderdentien gulden) aan hem </para>
      <para>wordt vergoed door verweerder;</para>
      <para>? Veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellant, welke kosten worden begroot op </para>
      <para>fl. 1.420,-- (zegge: eenduizendvierhonderdentwintig gulden) en dienen te worden betaald door verweerder;</para>
      <para>? wijst de Staat aan als de rechtspersoon die evengenoemde bedragen moet voldoen;</para>
      <para>? wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr H.C. Cusell in tegenwoordigheid van mr J.A. Hoovers-Backaert, als griffier, en uitgesproken in het </para>
      <para>openbaar op 21 december 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. H.C. Cusell	w.g. J.A. Hoovers-Backaert</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>