<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2000:AA9275</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T11:28:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9275</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/837</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AA9275">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AA9275</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:17:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2000:AA9275 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 21-12-2000 / AWB 98/837</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2000:AA9275:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2000:AA9275:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>AM	</para>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(vijfde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 98/837					21 december 2000</para>
      <para>	24030</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr O.H.A. Mo-Ajok, belastingadviseur te Amsterdam,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam, verweerster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 12 augustus 1998 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, </para>
      <para>waarbij beroep is ingesteld naar aanleiding van een schrijven van verweerster van 2 </para>
      <para>augustus 1998.</para>
      <para>Bij brief van 4 november 1998 heeft appellante de gronden van het beroep uiteengezet.</para>
      <para>Verweerster heeft op 10 december 1998 een verweerschrift alsmede op de zaak betrekking </para>
      <para>hebbende stukken ingediend.</para>
      <para>Op 28 januari 1999 heeft appellante een conclusie van repliek ingediend.</para>
      <para>Verweerster heeft op 23 februari 1999 een conclusie van dupliek ingediend</para>
      <para>Op 7 december 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaats gehad. Namens appellante is </para>
      <para>verschenen mr Mo-Ajok, voornoemd (hierna: Mo-Ajok). Verweerster heeft zich niet doen </para>
      <para>vertegenwoordigen.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>Bij besluit van 19 januari 1997 heeft verweerster de door appellante op grond van de </para>
      <para>Handelsregisterwet verschuldigde bijdrage voor 1997 vastgesteld op Ÿ 4.474,35.</para>
      <para>Bij schrijven van 28 januari 1997 heeft C. Mobach als gemachtigde van appellante (hierna: </para>
      <para>Mobach), naar aanleiding van genoemde vaststelling aan verweerder onder meer het </para>
      <para>volgende te kennen gegeven:</para>
      <para>"...dienen wij hierbij schriftelijk bezwaar in tegen de aan ons gefactureerde </para>
      <para>bijdrage voor het jaar 1997.</para>
      <para>De indeling van ons bedrijf in groep 11 is onjuist en rekening houdend met de </para>
      <para>door u gehanteerde indelingscriteria zouden wij ingedeeld moeten worden </para>
      <para>worden in groep 7."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding hiervan heeft verweerster Mobach bij brief van 18 februari 1997 ter </para>
      <para>invulling en retournering toegezonden een formulier model V, betreffende het totaal van </para>
      <para>het in de onderneming gestoken kapitaal.</para>
      <para>Dit formulier is op 21 juli 1997 door Mo-Ajok ingevuld aan verweerster toegezonden.</para>
      <para>Hierop is van de zijde van verweerster gereageerd bij een aan Mo-Ajok gerichte brief van </para>
      <para>29 juli 1997, waarin onder meer is verzocht om het doen van een nadere opgaaf op het </para>
      <para>formulier model V.</para>
      <para>Bij schrijven van 6 augustus 1997 heeft verweerster Mo-Ajok  nadere vragen gesteld.</para>
      <para>Bij brieven van 2 oktober 1997 heeft Mo-Ajok verweerster bericht omtrent het door </para>
      <para>appellante in Nederland ge‹nvesteerde kapitaal.</para>
      <para>Verweerster heeft bij schrijven van 16 januari 1998 aan Mobach onder meer het volgende </para>
      <para>bericht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Gelet op de nadere door u verstrekte informatie, is de eerdergenomen beslissing </para>
      <para>door de kamer in heroverweging genomen.</para>
      <para>Op grond van de ons thans ter beschikking staande gegevens is besloten de </para>
      <para>rangschikking van de onderneming met ingang van 1 januari 1997 te herzien in </para>
      <para>groep 7, op grond van het totaal in de onderneming gestoken kapitaal, onder </para>
      <para>intrekking van het vorige besluit.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Bijgaand treft u een creditnota en een factuur aan. Daar de bijdrage ad </para>
      <para>Ÿ 4.474,35 reeds voldaan is en in feite aan bijdrage dient te worden betaald </para>
      <para>Ÿ 994,30, zal per saldo Ÿ 3.480,05 worden gerestitueerd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mo-Ajok heeft verweerster bij brief van 16 april 1998 onder meer bericht:</para>
      <para>"	Ik mocht tot op heden echter geen reactie op mijn bezwaarschriften ontvangen. </para>
      <para>Derhalve verneem ik thans per ommegaande van u op welke termijn ik een </para>
      <para>beslissing tegemoet mag zien.</para>
      <para>Mocht ik binnen twee weken na dagtekening van deze brief niet van u </para>
      <para>vernemen dan ga ik ervan uit dat er sprake is van een "niet tijdig beslissen" in </para>
      <para>de zin van artikel 6:2 lid b van de Algemene wet bestuursrecht en zal ik beroep </para>
      <para>aantekenen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven te Den Haag."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerster heeft hierop gereageerd bij brief van 23 april 1998 en daarin meegedeeld:</para>
      <para>"	Naar aanleiding van uw schrijven van 16 april 1998 verwijzen wij naar de </para>
      <para>bijgesloten copie van ons schrijven van 16 januari 1998."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierop heeft Mo-Ajok verweerster op 23 juni 1998 het volgende medegedeeld:</para>
      <para>"	Met uw verwijzing naar de brief van de Kamer van Koophandel van </para>
      <para>16 januari 1998 aan de heer Mobach kan ik geen genoegen nemen.</para>
      <para>Voor wat betreft de rangschikking blijf ik mij namelijk op het standpunt stellen </para>
      <para>dat A geen bijdrage verschuldigd is, aangezien het binnenlands eigen vermogen </para>
      <para>nihil is.</para>
      <para>Ik zou derhalve gaarne een gemotiveerd besluit op mijn verzoek om </para>
      <para>herrangschikking tegemoet zien, dat voldoet aan de door de Algemene wet </para>
      <para>bestuursrecht gestelde eisen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerster heeft Mo-Ajok bij schrijven van 2 augustus 1998 te kennen gegeven:</para>
      <para>"	Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 23 juni 1998 verwijzen wij naar onze </para>
      <para>brief van 23 april 1998. De beschikking inzake de nieuwe vaststelling van de </para>
      <para>jaarlijkse bijdrage voor 1997 van A is op 16 januari 1998 toegezonden.</para>
      <para>Overigens merken wij op dat er in 1997 alleen door de heer Mobach een </para>
      <para>bezwaarschrift inzake de hoogte van de jaarlijkse bijdrage door de kamer van </para>
      <para>koophandel van A binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van laatstgenoemde brief van verweerster heeft appellante beroep bij het </para>
      <para>College ingesteld.</para>
      <para>3.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep</para>
      <para>Van de zijde van appellante is betoogd dat appellante met eerdervermeld schrijven van 16 </para>
      <para>april 1998 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen voormeld besluit van 16 januari 1998. </para>
      <para>Het bezwaarschrift, dat niet is ingediend binnen de termijn van zes weken, genoemd in </para>
      <para>artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), moet - aldus appellante - </para>
      <para>geacht worden te zijn ingediend zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd, </para>
      <para>aangezien evenvermeld besluit ten onrechte niet aanstonds is toegezonden aan Mo-Ajok, </para>
      <para>ofschoon deze reeds in 1997 een aantal malen was opgetreden als gemachtigde van </para>
      <para>appellante, doch aan Mobach. Derhalve behoort - zo meent appellante - dit bezwaarschrift </para>
      <para>in verband met artikel 6:11 van de Awb ontvankelijk te worden geacht.</para>
      <para>Naar de mening van appellante moet de brief van verweerster d.d. 2 augustus 1998 worden </para>
      <para>aangemerkt als een beslissing op bezwaarschrift, nu verweerster blijkens het gestelde in dit </para>
      <para>schrijven het besluit van 16 januari 1998 handhaaft.</para>
      <para>Het College overweegt naar aanleiding van het voorafgaande dat het besluit van 16 januari </para>
      <para>1998 niet is aan te merken als een primair besluit, waartegen een bezwaarschrift kon </para>
      <para>worden ingediend, doch een beslissing betrof op het bezwaarschrift dat Mobach op </para>
      <para>28 januari 1997 namens appellante had ingediend.</para>
      <para>Nu echter aan het slot van het besluit van 16 januari 1998 is vermeld dat daartegen binnen </para>
      <para>zes weken bezwaar kon worden aangetekend, zou een tegen dat besluit ingediend </para>
      <para>bezwaarschrift kunnen worden aangemerkt als een beroepschrift.</para>
      <para>Het College is van oordeel dat eerdergenoemd schrijven van appellante d.d. 16 april 1998 </para>
      <para>niet valt aan te merken als een bezwaarschrift tegen het besluit van 16 januari 1998. </para>
      <para>Daarbij moet in aanmerking worden genomen de hiervoor weergegeven inhoud van dit </para>
      <para>schrijven en de omstandigheid dat Mo-Ajok, die het schrijven als gemachtigde van </para>
      <para>appellante heeft verzonden, bij het opstellen daarvan niet op de hoogte was van </para>
      <para>evengenoemd besluit. Ter zitting van het College is gebleken dat genoemde gemachtigde </para>
      <para>eerst kennis van het besluit heeft genomen na toezending daarvan door verweerster bij brief </para>
      <para>van 23 april 1998. De gemachtigde Mo-Ajok heeft daarop echter pas gereageerd bij de </para>
      <para>hiervoor genoemde brief van 23 juni 1998, waarin bezwaren naar voren zijn gebracht tegen </para>
      <para>het opleggen van enige bijdrage aan appellante.</para>
      <para>Aangezien die bezwaren zijn ingediend na het verstrijken van de termijn van zes weken en </para>
      <para>geen omstandigheden zijn aangevoerd, in verband waarmede redelijkerwijs niet kan </para>
      <para>worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest, moet worden geconcludeerd dat </para>
      <para>het door appellante ingestelde beroep niet kan worden ontvangen.</para>
      <para>Overigens moet worden opgemerkt dat bij het besluit van 16 januari 1998 geheel is </para>
      <para>tegemoetgekomen aan de bezwaren die vanwege appellante in eerdergenoemde brief van </para>
      <para>28 januari 1997 naar voren waren gebracht tegen de voor 1997 opgelegde bijdrage. </para>
      <para>Derhalve zou bij een beoordeling ten gronde van het beroep in beginsel moeten worden </para>
      <para>geconcludeerd tot het ontbreken van procesbelang.</para>
      <para>Voorts zou het aanmerken van het besluit van 16 januari 1998 als een - nieuwe - primaire </para>
      <para>beschikking appellante evenmin soelaas kunnen bieden, aangezien bij een dergelijke </para>
      <para>benadering zou moeten worden geoordeeld dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en </para>
      <para>dat, overeenkomstig hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding bestaat een zodanige </para>
      <para>termijnoverschrijding te passeren.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr H.C. Cusell in tegenwoordigheid van mr J.A. Hoovers-Backaert, </para>
      <para>als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. H.C. Cusell	w.g. J.A. Hoovers-Backaert</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>