<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2000:AA9274</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T01:29:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9274</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/1323</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AA9274">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AA9274</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:17:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2000:AA9274 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 21-12-2000 / AWB 98/1323</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2000:AA9274:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2000:AA9274:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>IV	</para>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(vijfde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 98/1323					21 december 2000</para>
      <para>	27605</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: E. Wolfhagen,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Economische Zaken, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr C. Cromheecke, werkzaam bij Senter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 21 december 1998 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, </para>
      <para>waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 december 1998.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen </para>
      <para>de afwijzing van haar verzoek om een verklaring als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel </para>
      <para>b, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964.</para>
      <para>Verweerder heeft op 12 maart 1999 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 7 december 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar verweerder </para>
      <para>zijn standpunt heeft toegelicht. Appellante heeft zich met bericht van verhindering niet ter </para>
      <para>zitting doen vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Bij de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB) is onder meer het volgende </para>
      <para>bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 11</para>
      <para>	1.	In geval in een kalenderjaar: </para>
      <para>	a. (.); </para>
      <para>	b. in een onderneming die de belastingplichtige voor eigen rekening feitelijk </para>
      <para>drijft voor een bedrag van meer dan Ÿ 3600 wordt ge‹nvesteerd in niet eerder </para>
      <para>gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de </para>
      <para>belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken </para>
      <para>is verklaard dat sprake is van investeringen die door Onze Minister van </para>
      <para>Financi‰n in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en </para>
      <para>na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en </para>
      <para>Milieubeheer bij ministeri‰le regeling zijn aangewezen als investeringen die in </para>
      <para>het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen), </para>
      <para>wordt - onverminderd de toepassing van onderdeel a - op verzoek bij de </para>
      <para>aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel b, aange- </para>
      <para>wezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht </para>
      <para>van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek)."</para>
      <para>(.)</para>
      <para>11. Het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, is slechts van toepassing indien de </para>
      <para>energie-investering is aangemeld binnen een door hem te stellen termijn.</para>
      <para>12. Bij ministeri‰le regeling kunnen:</para>
      <para>a. (.);</para>
      <para>b. regels worden gesteld met betrekking tot het twaalfde lid."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Bij de op grond van laatstgenoemd artikellid gegeven Uitvoeringsregeling energie-</para>
      <para>investeringsaftrek (hierna: de Uitvoeringsregeling) is onder meer bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 3</para>
      <para>1. De termijn bedoeld in artikel 11, elfde lid, van de wet waarbinnen aangegane </para>
      <para>verplichtingen dan wel de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een </para>
      <para>investering als bedoeld in artikel 2 moeten zijn aangemeld, wordt gesteld op </para>
      <para>drie maanden. Deze termijn vangt aan;</para>
      <para>a. met betrekking tot verplichtingen:</para>
      <para>bij het aangaan van verplichtingen;</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Met een daartoe bestemd formulier, op 6 mei 1998 door het Bureau energie-</para>
      <para>investeringsaftrek van de Belastingdienst ontvangen, heeft appellante een investering </para>
      <para>aangemeld alsmede een verzoek gedaan om afgifte van een energieverklaring ten </para>
      <para>behoeve van 3 HR-verwarmingsketels (code 210101 volgens de energielijst 1998).</para>
      <para>- Op het meldingsformulier heeft appellante 21 januari 1998 vermeld als datum </para>
      <para>waarop voortbrengingskosten zijn aangevangen.</para>
      <para>- Bij besluit van 26 oktober 1998 heeft verweerder appellantes verzoek op grond van </para>
      <para>de volgende overweging afgewezen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	U meldt het bedrag van de investering aan als zijnde voortbrengingskosten. </para>
      <para>Daar echter de werkzaamheden door derden zijn verricht, worden de door u </para>
      <para>gemaakte kosten aangemerkt als zijnde aanschaffingskosten. Als het </para>
      <para>aanschaffingskosten betreft moet een melding binnen drie maanden na het </para>
      <para>verstrekken van de opdracht ontvangen zijn bij bureau EIA te Breda. De </para>
      <para>melding is ontvangen op 6 mei 1998 en de opdracht voor de hieronder gemelde </para>
      <para>kosten, is volgens de bij de melding aanwezige informatie verstrekt op </para>
      <para>21 januari 1998. Dit betekent dat de kosten te laat gemeld zijn en ik kan voor </para>
      <para>uw melding dan ook geen verklaring afgeven."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Hiertegen heeft appellante op 10 november 1998 een bezwaarschrift bij verweerder </para>
      <para>ingediend.</para>
      <para>- Na appellante ter zake van haar bezwaren te hebben gehoord heeft verweerder het </para>
      <para>bestreden besluit genomen, waarbij op gronden als hiervoor vermeld, het primaire </para>
      <para>besluit van 26 oktober 1998 is gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft zich erover verwonderd dat ondanks de goede uitleg omtrent de gang van </para>
      <para>zaken tijdens de hoorzitting haar verzoek om de gewenste verklaring niet is gehonoreerd.</para>
      <para>Door een misverstand met de installateur is het verzoek enkele weken te laat verzonden. </para>
      <para>Nu duidelijk is gemaakt wat de reden vormde voor de te late indiening rekent zij in beroep </para>
      <para>alsnog op toewijzing van de energie-investering. </para>
      <para>4.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Niet in geschil is dat moet worden uitgegaan van 21 januari 1998 als datum waarop </para>
      <para>verplichtingen zijn aangegaan ter zake van de door appellante aangemelde investeringen. </para>
      <para>Aangezien voorts vaststaat dat het aanmeldingsformulier is ingediend op 6 mei 1998, </para>
      <para>zijnde meer dan drie maanden nadien, is niet voldaan aan het termijnvoorschrift van </para>
      <para>voornoemd artikel 3, eerste lid aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling.</para>
      <para>Hetgeen appellante heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder niet </para>
      <para>in redelijkheid heeft kunnen besluiten om voornoemde bepaling van de Uitvoerings-</para>
      <para>regeling toe te passen. Niet kan worden staande gehouden dat in het onderhavige geval </para>
      <para>sprake was van zodanige bijzondere omstandigheden, dat van toepassing van genoemd </para>
      <para>voorschrift had behoren te worden afgezien.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College betreft hetgeen appellante heeft aangevoerd, </para>
      <para>omstandigheden welke binnen haar risicosfeer zijn gelegen. </para>
      <para>Zoals verweerder in het bestreden besluit in aanmerking heeft genomen, is het de </para>
      <para>verantwoordelijkheid van de aanvrager om zich op de hoogte te stellen van de </para>
      <para>voorschriften die bij de Uitvoeringsregeling zijn gegeven en deze in acht te nemen.</para>
      <para>Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden </para>
      <para>verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
      <para>Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr J.A. Hoovers-Backaert, </para>
      <para>als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. H.C. Cusell	w.g. J.A. Hoovers-Backaert</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen een uitspraak waarin de begrippen "investeren" en  "bedrijfsmiddelen" worden toegepast kan beroep </para>
      <para>in cassatie worden ingesteld. Verwezen wordt naar de aanbiedingsbrief bij deze uitspraak.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>