<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2000:AA8076</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:12:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA8076</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-11-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00/571</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AA8076">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AA8076</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:12:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2000:AA8076 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 01-11-2000 / 00/571</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2000:AA8076:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2000:AA8076:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB	00/571	1 november 2000</para>
      <para>26100</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[appellante],</para>
      <para>gemachtigde: mr M.A. Collet, advocaat te Waalwijk, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Regionale Directie voor de Arbeidsvoorziening Midden en West Brabant, verweerster,</para>
      <para>gemachtigde: mr D. Wekker, werkzaam bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 10 juli 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerster van 3 juli 2000.</para>
      <para>Bij dat besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen </para>
      <para>de weigering van verweerster om haar in te schrijven als werkzoekende.</para>
      <para>Op 1 augustus 2000 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Bij brief van dezelfde datum heeft appellante gerepliceerd.</para>
      <para>Op 26 september 2000 is het onderzoek ter zitting geschorst teneinde een nieuw tijdstip </para>
      <para>voor de zitting te bepalen. Op 3 oktober 2000 heeft het College, nadat partijen hiermee </para>
      <para>hadden ingestemd, bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft en </para>
      <para>vervolgens het onderzoek gesloten.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De toepasselijke voorschriften</para>
      <para>Bij artikel 69, eerste lid, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (hierna ook: de Wet), is voor </para>
      <para>zover hier van belang, bepaald dat het recht zich als werkzoekende door de </para>
      <para>Arbeidsvoorzieningsorganisatie te laten registreren toekomt aan:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>c. vreemdelingen die beschikken over een krachtens de Vreemdelingenwet </para>
      <para>afgegeven vergunning, welke is voorzien van een aantekening van Onze </para>
      <para>Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen </para>
      <para>zijn verbonden voor het verrichten van arbeid;"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij artikel 4, eerste lid, van de Wet Arbeid Vreemdelingen (Stb. 1994, 959) is bepaald dat </para>
      <para>het verbod om zonder tewerkstellingsvergunning een vreemdeling in Nederland arbeid te </para>
      <para>laten verrichten niet van toepassing is met betrekking tot een vreemdeling die beschikt over </para>
      <para>een krachtens de Vreemdelingenwet afgegeven vergunning, welke is voorzien van een </para>
      <para>aantekening van de minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen </para>
      <para>beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid.</para>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellante, geboren op 14 februari 1959 in de voormalige Sovjet-Unie, verblijft </para>
      <para>sedert 1993 in Nederland.</para>
      <para>- Op 12 juni 1996 heeft appellante een aanvraag ingediend om een vergunning tot </para>
      <para>verblijf bij haar Nederlandse partner, welke aanvraag is afgewezen.</para>
      <para>- Appellante heeft hiertegen de haar ter beschikking staande rechtsmiddelen </para>
      <para>aangewend, hetgeen heeft geleid tot gegrondverklaring van haar beroep bij uitspraak </para>
      <para>van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittinghoudende te </para>
      <para>'s Hertogenbosch, van 16 november 1999. De rechtbank heeft bij deze uitspraak </para>
      <para>appellantes beroep gegrond verklaard voor zover gericht tegen de weigering om </para>
      <para>appellante ontheffing van het paspoortvereiste te verlenen. De rechtbank heeft het </para>
      <para>bestreden besluit in zoverre vernietigd en de staatssecretaris van Justitie opgedragen </para>
      <para>ter zake een nieuw besluit te nemen.</para>
      <para>- Bij brief van 22 maart 2000 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend vanwege </para>
      <para>het uitblijven van een nieuwe beslissing op haar aanvraag om een vergunning tot </para>
      <para>verblijf. Op dezelfde datum heeft appellante een verzoek om een voorlopige </para>
      <para>voorziening ingediend bij de president van de arrondissementsrechtbank te </para>
      <para>'s-Gravenhage sector bestuursrecht, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch. Bij </para>
      <para>mondelinge uitspraak van 31 mei 2000 heeft de president appellantes verzoek om een </para>
      <para>voorlopige voorziening toegewezen in dier voege dat zij dient te worden behandeld </para>
      <para>als ware zij in het bezit van een vergunning tot verblijf op grond van het </para>
      <para>driejarenbeleid, totdat op het bezwaar is beslist.</para>
      <para>- Op 22 februari 2000 heeft het arbeidsbureau Bergen op Zoom namens verweerster </para>
      <para>appellante de inschrijving als werkzoekende geweigerd.</para>
      <para>- Hiertegen heeft appellante op 22 maart 2000 een bezwaarschrift bij verweerster </para>
      <para>ingediend.</para>
      <para>- Nadat verweerster op 24 mei 2000 gebleken was dat appellante ook op die datum nog </para>
      <para>niet over een geldige vergunning tot verblijf beschikte heeft zij haar weigering tot </para>
      <para>inschrijving gehandhaafd.</para>
      <para>- Daartegen richt zich thans het hier door appellante ingestelde beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerster onder meer en voor zover hier van belang als </para>
      <para>volgt overwogen.</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>Gebleken is dat verzoekster op 22 februari 2000 inderdaad niet beschikte over </para>
      <para>een geldige verblijfsvergunning en evenmin een sofinummer toegekend had </para>
      <para>gekregen omdat zij op dat moment niet beschikte over een geldige vergunning </para>
      <para>tot verblijf. Verzoekster kwam derhalve, gezien het bepaalde in artikel 69 en 70 </para>
      <para>van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, op 22 februari 2000 niet het recht toe op </para>
      <para>registratie als werkzoekende door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, reden </para>
      <para>waarom haar inschrijving terecht is geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraken d.d. 16 november 1999 en 30 mei 2000 van de </para>
      <para>arrondissementsrechtbank te 's Gravenhage, zittinghoudende te </para>
      <para>'s Hertogenbosch, leidt niet tot een ander oordeel. Immers, de Regionale </para>
      <para>Directie stelt vast dat verzoekster ook na de eerste uitspraak op </para>
      <para>22 februari 2000 nog altijd beschikte over een afwijzende beslissing op haar </para>
      <para>aanvraag om een verblijfsvergunning. Verzoekster stelt inmiddels wel recht te </para>
      <para>hebben op een verblijfsvergunning vanwege het zogenaamde 3-jaren beleid en </para>
      <para>verwijst naar de uitspraak in voorlopige voorziening d.d. 30 mei 2000. Deze </para>
      <para>uitspraak impliceert dat de Staatssecretaris van Justitie ten spoedigste een </para>
      <para>besluit inzake de verblijfstitel dient te nemen. Dit heeft geen directe gevolgen </para>
      <para>voor de handelswijze van Arbeidsvoorziening. Immers, de achtergrond van </para>
      <para>artikel 69 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, bestaat er in, dat </para>
      <para>Arbeidsvoorziening zich er van dient te weerhouden om activiteiten gericht op </para>
      <para>werk te ontplooien, zolang er nog geen evidente duidelijkheid is over de </para>
      <para>rechtmatigheid van het verblijf van betrokkene in Nederland. In casu is, met de </para>
      <para>uitspraak van de rechter in de hand, slechts sprake van een tijdelijk gedogen in </para>
      <para>afwachting van een definitieve beslissing van de Staatssecretaris over de </para>
      <para>verblijfspositie. Dit is een andere situatie als bedoeld in artikel 69, zodat </para>
      <para>hiermee het starten van arbeidsactiviteiten niet gerechtvaardigd kan worden. </para>
      <para>Eerst dient een verblijfsvergunning beschikbaar te zijn en zekerheid te bestaan </para>
      <para>over het recht op langdurige aanwezigheid in Nederland, alvorens de bestaande </para>
      <para>voorzieningen te kunnen benutten en dus dezerzijds op dergelijke trajecten </para>
      <para>geinvesteerd kan en mag worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)."</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>"	Mede gelet op de uitspraak van de President van de Rechtbank te </para>
      <para>	's-Hertogenbosch had gebruik moeten worden gemaakt van de eigen </para>
      <para>beslissingsbevoegdheid om op basis van alle beschikbare informatie, nader </para>
      <para>zorgvuldig onderzoek, hoor en wederhoor, wel degelijk in te schrijven als </para>
      <para>werkzoekende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Weliswaar is artikel 69 van Arbeidsvoorzieningswet stringent geformuleerd, </para>
      <para>maar lid 1 sub c van dat artikel laat wel degelijk de ruimte om de uitspraak van </para>
      <para>een rechter gelijk te stellen aan een aldaar genoemde verleende verblijfs-</para>
      <para>vergunning. Er is geen restrictie gehanteerd in dat artikel, behalve dan dat er </para>
      <para>geen beperking mag zijn opglegd voor het verrichten van arbeid. Nu is </para>
      <para>aangegeven dat het om een zogenaamde VTV driejarenbeleid gaat, is er geen </para>
      <para>sprake van zulk een restrictie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook lid 2 van dat artikel kan op basis van een rechterlijke uitspraak worden </para>
      <para>opgevangen. Daarnaast is er mogelijk sprake van een verzuim, maar in dat </para>
      <para>geval had cliente de gelegenheid moeten krijgen om alsnog een dergelijk </para>
      <para>document (zoals een ID-bewijs of paspoort) te overleggen. Een dergelijke stap </para>
      <para>is niet genomen, noch is in de thans bestreden beschikking waarom zulks is </para>
      <para>nagelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan cliente wordt inmiddels wel een bijstandsuitkering verstrekt (op basis van </para>
      <para>de aangehaalde uitspraak van de Rechtbank), waardoor ook mag worden </para>
      <para>aangenomen dat zij in het bezit is gesteld van een SOFI-nummer. Derhalve is </para>
      <para>ook aan deze eis voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder deze omstandigheden dient dan ook te worden geconcludeerd dat cliente </para>
      <para>enkel op basis van het niet geheel binnen de bekende regels vallen, een </para>
      <para>weigering krijgt op haar inschrijvingsverzoek. Daarmee wordt niet alleen de </para>
      <para>eigen beslissingsbevoegdheid onvoldoende benut, maar tevens onrecht gedaan </para>
      <para>aan de uitspraak van de President van de Rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)."</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante verzoekt de bestreden alsmede de primaire beschikking te vernietigen en haar </para>
      <para>alsnog in te schrijven als werkzoekende onder veroordeling van verweerster in de </para>
      <para>proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het College stelt in de eerste plaats vast dat appellante ten tijde hier in geding niet </para>
      <para>beschikte over een verblijfsdocument, als omschreven in artikel 69, eerste lid, aanhef en </para>
      <para>onder c, van de Wet.</para>
      <para>Het College is voorts van oordeel dat, gelet op de hiervoor weergegeven voorziening dat </para>
      <para>appellante voorlopig, in de periode dat de Staatssecretaris van Justitie nog niet heeft beslist </para>
      <para>op het bezwaar van appellante tegen de weigering haar een vergunning tot verblijf te </para>
      <para>verlenen voor de toepassing van de Vreemdelingenwet dient te worden behandeld als ware </para>
      <para>zij in het bezit van een vergunning tot verblijf, niet kan worden staande gehouden dat </para>
      <para>appellante een verblijfsrechtelijke status bezit die gelijk kan worden gesteld met de in </para>
      <para>evengenoemd voorschrift vermelde verblijfstitel. Genoemde voorziening biedt immers </para>
      <para>aanmerkelijk minder zekerheid ter zake van verblijf hier te lande dan een vergunning tot </para>
      <para>verblijf, vermeld in dat voorschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit meergenoemde voorziening kan naar oordeel van het College dan ook niet de </para>
      <para>gevolgtrekking worden gemaakt dat appellante voor de toepassing van de Wet beschikt </para>
      <para>over een document dat ingevolge artikel 69 van deze Wet recht geeft op inschrijving als </para>
      <para>werkzoekende.</para>
      <para>Verweerster was gelet op het vorenoverwogene gehouden de inschrijving van appellante </para>
      <para>als werkzoekende te weigeren. Het beroep van appellante dient derhalve ongegrond te </para>
      <para>worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr M.J. Kuiper, in </para>
      <para>tegenwoordigheid van mr J.A. Hoovers- Backaert, als griffier, en uitgesproken in het </para>
      <para>openbaar op 1 november 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen	w.g. J.A. Hoovers-Backaert</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>